Bijlage 1: Ruimtelijke onderbouwing met registratienummer D2023-10-042014
Tekst van het document
omgevingsvergunning
St.-Jacobiparochie - Middelweg-West 230 Waadhoeke
DATUM IMRO IDN
25-10-2023 NL.IMRO.1949.XXXXXX-0001
PROJECT PROJECTLEIDER OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
20211746
AUTEUR STATUS
ontwerp
Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing
5
Hoofdstuk 1
Inleiding
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Ligging projectgebied
6
1.3
Planologische regeling
7
1.4
Leeswijzer
8
Hoofdstuk 2
Projectbeschrijving
9
2.1
De bestaande situatie
9
2.2
Voorgenomen situatie
10
Hoofdstuk 3
Beleidskader
14
3.1
Rijksbeleid
14
3.2
Provinciaal beleid
15
3.3
Gemeentelijk beleid
16
Milieu- en omgevingsaspecten
18
4.1
Bedrijven en milieuzonering
18
4.2
Ecologie
18
4.3
Bodem
19
4.4
Geluid
20
4.5
Water
20
4.6
Luchtkwaliteit
21
4.7
Archeologie
21
4.8
Cultuurhistorie
22
4.9
Externe veiligheid
22
4.10
Kabels en leidingen
23
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
24
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
24
5.2
Economische uitvoerbaarheid
24
Afweging en conclusie
25
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 6 Bijlage
3/91
27
Bijlage 1
Bodemonderzoek
29
Bijlage 2
Digitale Watertoets
87
4/91
Ruimtelijke onderbouwing
5/91
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Aan de Middelweg-West 230 te St.-Jacobiparochie is in de huidige situatie een agrarisch bedrijf aanwezig. Het voornemen is om het perceel te wijzigen naar een recreatieterrein ten behoeve van dag- en verblijfsrecreatie. Ten aanzien van de verblijfrecreatie wil de initiatiefnemer het perceel inrichten voor vijf camperplaatsen en een blokhut. De blokhut wordt daarbij recreatief verhuurd. Het gaat daarbij om een seizoensgebonden object, dat alleen verhuurd wordt tussen 1 april en 1 oktober. Verder wordt ten aanzien van de dagrecreatie de bestaande historische boomgaard opengesteld. Dit is echter niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch toch te kunnen regelen is een omgevingsvergunning ter afwijking van het bestemmingsplan noodzakelijk. Daarbij dient te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De voorliggende onderbouwing voorziet hierin.
1.2
Ligging projectgebied
Het projectgebied ligt ten oosten van de dorpskern van St.-Jacobiparochie en ten westen van de doorgaande weg naar St.-Annaparochie. De ligging van het projectgebied is weergegeven in figuur 1.1.
Figuur 1.1
6/91
Ligging van het projectgebied (projectgebied in het rood)
1.3
Planologische regeling
Het projectgebied is momenteel gelegen in het bestemmingsplan Buitengebied, dat is vastgesteld op 12 december 2010 door de voormalige gemeente het Bildt (tegenwoordig gemeente Waadhoeke). Een uitsnede van het bestemmingsplan ter plaatse van het projectgebied is weergegeven in figuur 1.2.
Figuur 1.2
Uitsnede geldende bestemmingsplan Buitengebied
In het geldende bestemmingsplan is het projectgebied bestemd als 'Agrarisch', met de functieaanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - beperking niet-grondgebonden agrarische bedrijvigheid' en 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel agrarisch grondgebonden bedrijf'. Verder geldt de gebiedsaanduiding 'geluidzone weg'. De gronden bestemd als 'Agrarisch' zijn bestemd voor de volgende doeleinden: het agrarisch grondgebruik; de uitoefening van het agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel agrarisch grondgebonden bedrijf'; de uitoefening van een in hoofdzaak niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel agrarisch niet - grondgebonden bedrijf"; het wonen ten behoeve van de bedrijfsvoering; cultuurgrond. De voorgenomen recreatieve voorzieningen zijn niet binnen deze bestemming toegestaan. Om deze reden wordt een omgevingsvergunningsprocedure ter afwijking van het bestemmingsplan doorlopen.
7/91
1.4
Leeswijzer
Na deze inleiding, wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie en het voorgenomen project. Dit wordt in de hoofdstukken 3 en 4 getoetst aan het beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 gaat in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 een afweging en conclusie gegeven.
8/91
Hoofdstuk 2
Projectbeschrijving
Het mogelijk maken van de beoogde ontwikkeling (het initiatief) is het belangrijkste uitgangspunt voor deze ruimtelijke ontwikkeling en wordt in dit hoofdstuk beschreven. De ontwikkeling moet op een goede manier worden ingepast in de huidige situatie. Een beschrijving van de huidige situatie is om die reden ook in dit hoofdstuk opgenomen. De inpassing in de huidige situatie wordt ook behandeld.
2.1
De bestaande situatie
Het projectgebied betreft het perceel Middelweg-West 230. Het perceel is in de huidige situatie ingericht als agrarisch perceel, met in de zuidoosthoek de bedrijfsbebouwing. Het gaat hier om een boerderij met aan de voorzijde de (bedrijfs)woning en aan de achterzijde een grote schuur. Ten noordwesten hiervan staat nog een tweede bedrijfsschuur. Rondom deze gebouwen is verharding aangebracht en loopt een oprit naar de weg toe. De overige gronden betreffen agrarische gronden en zijn onbebouwd. Op het perceel is verder al een 'historische' boomgaard met een paar appelbomen van hoge leeftijd en een perenboom van een (Bildts) historisch ras en een pruimenboom. De boomgaard wordt opgekalefaterd, d.w.z. de oude bomen zijn gesnoeid en er zijn (meer) bessenstruiken geplant. Het projectgebied ligt ten westen van de kern van St.-Jacobiparochie. Rondom de locatie is voornamelijk agrarische grond aanwezig. Verspreid liggen meerdere woonpercelen, agrarische bedrijven en een maatschappelijke instelling. In figuur 2.1 is een luchtfoto van de bestaande situatie weergegeven.
Figuur 2.1
9/91
Luchtfoto van de bestaande situatie
2.2
Voorgenomen situatie
Het voornemen is om in het projectgebied alle agrarische activiteiten te beëindigen. Het perceel wordt in gebruik genomen als dag- en verblijfsrecreatie. Ten behoeve van de verblijfsrecreatie worden vijf camperplaatsen en een blokhut gebouwd. De blokhut wordt daarbij recreatief verhuurd. Het gaat daarbij om een seizoensgebonden object, dat alleen verhuurd wordt tussen 1 april en 1 oktober. Voor de dagrecreatie wordt een de bestaande historische boomgaard opengesteld. Er is geen melding of vergunning nodig voor 'brandveilig gebruik'. Er zijn nooit meer dan 50 mensen in het gebouw en er wordt geen bedrijfsmatig nachtverblijf verschaft. In figuur 2.2 is een situatietekening weergegeven van de voorgenomen situatie.
10/91
Figuur 2.2
Situatietekening van de voorgenomen situatie (datum 20 april 2023)
De blokhut bestaat uit één bouwlaag met een flauwe kap en beslaat een oppervlakte van 40 m2. Om de blokhut heen wordt verharding aangebracht. In figuur 2.3 is een impressie gegeven van de blokhut.
11/91
Figuur 2.3
Impressie van de voorgenomen blokhut
Aan de oostzijde van het projectgebied is het bestaande betonpad doorgetrokken zodat er een logische begrenzing ontstaat met het omliggende agrarische perceel en dit bereikbaar blijft voor landbouwverkeer. Het betonpad maakt geen deel uit van de aanvraag en is reeds gerealiseerd. Het nieuwe betonpad is buiten het bouwperceel gerealiseerd. Het pad ligt op grond van derden. Het invullen van de bijlage voor het betonpad is dan ook niet aan de orde. Met de aanleg is het recht op overpad van derden over het erf van de Bouckhorst vervallen. Ook wordt de bestaande bomenrij aan de westzijde van het projectgebied naar de achterzijde van het perceel doorgetrokken. Ruimtelijke inpassing Het projectgebied ligt in het buitengebied van St.-Jacobiparochie. Omliggend is voornamelijk sprake van agrarische gronden, die een vrij uitzicht op de omgeving bieden. Het erf waarop het voorgenomen project zal worden ontwikkeld, is omringd door bomen die aan de noordwestzijde van het perceel worden doorgetrokken. Gezien het voorgenomen project op eigen (reeds in de omgeving ingepaste) erf wordt gerealiseerd, zijn er ten opzichte van huidige situatie geen veranderingen voor de ruimtelijke inpassing en de zichten van en naar de weg en van en naar het omliggende landschap. Het project sluit dus aan op de omgeving.
Ook de bestaande historische boomgaard worden binnen de bestaande landschappelijke inpassing ingepast. Hierbij is dan ook geen sprake van een aantast van de natuurlijke en de landschappelijke waarden van het open landschap. Volgens de FAMKE is verder geen archeologisch onderzoek nodig op het perceel. De archeologische waarden worden dan ook niet aangetast. Verkeer en parkeren Verkeersstructuur Het terrein wordt net als in de huidige situatie ontsloten op de Middelweg-West via de bestaande inrit. Deze weg loopt in westelijke richting naar het dorp St.-Jacobiparochie en in oostelijke richting naar het dorp
12/91
St.-Annaparochie. Het projectgebied is op deze wijze goed ontsloten. Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de CROW, ASVV 2021:4,1. Hierbij is uitgegaan van een niet stedelijke ligging in het buitengebied. Voor de voorgenomen vijf camperstandplaatsen is een verkeersgeneratie van 2,2 motorvoertuigbewegingen per etmaal berekend. Voor de blokhut is een verkeersgeneratie van 2,6 motorvoertuigbewegingen per etmaal berekend. Voor de bestaande historische boomgaard wordt uitgegaan van een volkstuin. Dit leidt tot een toename van 0,2 motorvoertuigenbewegingen per etmaal. De toename in verkeersbewegingen is dermate laag dat zonder belemmeringen kan worden afgewikkeld over de bestaande infrastructuur. Ten opzichte van de huidige agrarische functie zal er per saldo geen sprake zijn van extra verkeersgeneratie. Parkeren De parkeerbehoefte van de camper staat gelijk aan het aantal camperstandplaatsen. Voor de blokhut geldt, conform de gemeentelijke parkeernormen, een parkeerbehoefte van 1. Verder is voor de dagrecreatieve voorzieningen als de tuinen 1,5 parkeerplaats nodig om de parkeerbehoefte te vervullen. De parkeerbehoefte wordt geheel op eigen erf voorzien. Hier zijn op eigen terrein voldoende mogelijkheden voor.
13/91
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren. Opgaven Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal.
Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven: 1. Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie. 2. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden.. 3. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Uitvoering De NOVI gaat vergezeld van een uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda zijn onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen te vinden. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd. De ontwikkeling in het projectgebied raakt, gezien de relatief kleine omvang, geen opgaven die zijn opgenomen in de NOVI. Het voorgenomen project draagt wel bij aan de opgave om de regio sterker en leefbaarder te maken. Duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is "de ladder voor duurzame verstedelijking" geïntroduceerd. De ladder is als procesvereiste opgenomen. Hierin is opgenomen dat de toelichting van een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling.
Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden
14/91
voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. De ontwikkeling is, gezien het gaat om een perceelsgebonden ontwikkeling op een voormalig agrarisch perceel, niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. Conclusie Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het Rijksbeleid.
3.2
Provinciaal beleid
Het provinciale beleid is uiteengezet in de Omgevingsvisie Provincie Fryslân. De belangrijkste uitgangspunten uit het provinciale beleid zijn in de regelgeving vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân. De nieuwe omgevingsverordening is nog niet vastgesteld. Omgevingsvisie Provincie Fryslân "De romte diele" De hoofdambitie van de provincie voor de Friese leefomgeving is brede welvaart in een vitaal, veerkrachtig, karakteristiek en gezond Fryslân. In de Omgevingsvisie werkt de provincie de provinciale ambities, opgaven, doelen en werkwijze voor de komende jaren uit. De werkwijze is gestoeld op negen principes: Inhoudelijke principes: 1. zuinig ruimtegebruik; 2. omgevingskwaliteit als ontwerpbasis; 3. koppelen van ambities; 4. gezondheid en veilig; Samenwerkingsprincipes: 5. rolbewust; 6. decentraal wat kan; 7. ja, mits; 8. aansluiting zoeken; 9. sturen op proces, ruimer op inhoud. Dit is vertaald naar vier urgente opgaven die de provincie wil aanpakken: 1. Fryslân houdt de leefomgeving vitaal, leefbaar en bereikbaar; 2. Fryslân zet de energietransitie met kracht voort; 3. Fryslân wordt klimaat-adaptief ingericht; 4. Fryslân versterkt de biodiversiteit. Om de leefomgeving vitaal, leefbaar en bereikbaar te houden moeten onder meer economische kansen worden voorzien in de provincie. Hierin kan het stimuleren van toerisme een rol in spelen.
Daarbij past de voorgenomen ontwikkeling binnen de omgevingsvisie.
15/91
Verordening Romte In de Verordening Romte zijn regels gesteld die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. Het projectgebied is gelegen buiten de begrenzing van het bestaande bebouwd gebied In artikel 1.2.1 van de verordening is ten aanzien van het hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing aanggeven dat nieuwe stedelijke functies, zoals recreatie in landelijk gebied kunnen worden toegestaan indien sprake is van hergebruik, verbouw of vervanging van vrijkomende gebouwen. Ten aanzien van de locatie van het projectgebied (buiten een recreatiekern) is in artikel 5.5 van de verordening aangegeven dat een kleinschalige kampeerterrein van maximaal 15 standplaatsen of maximaal 10 trekkershutten op of aansluitend aan het erf van een agrarisch bedrijf, woning of bedrijf mogelijk is. De ontwikkelingen in het projectgebied sluiten aan bij deze artikelen. Conclusie Het voornemen is in overeenstemming met het provinciale beleid en de provinciale regelgeving.
3.3
Gemeentelijk beleid
Beleef Waadhoeke, nota recreatie en toerisme De nota recreatie en toerisme, Beleef Waadhoeke, omvat een visie op recreatie en toerisme in Waadhoeke, uitgewerkt in een concrete uitvoeringsagenda. Bezoekers van de Waadhoeke zijn te typeren als rustzoekers, landschapspioniers en cultuursnuivers. Het landschap is met name aantrekkelijk voor avontuurlijk ingestoken rustzoekers. In de visie zijn drie actielijnen op het gebied van recreatie en toerisme opgesteld die worden nagestreefd: zichtbaarheid en samenwerking. Franeker versterken als toeristische trekker. landschap versterken als toeristische trekker. Als onderdeel van de derde lijn is onder meer het versterken van het logiesaanbod één van de onderdelen om het landschap te versterken als toeristische trekker. Er is ruimte voor uitbreiding van kleinschalig logiesaanbod. Het gaat hierbij om ondergeschikte kleinschalige logies met een maximum van 3 tot 5 kamers/eenheden, passen bij het karakter van het dorp/landschap, dat niet zorgt voor een ontoelaatbare parkeerdruk of inbreuk op de leefomgeving en een aanvulling moet zijn op het bestaande aanbod qua locatie of concept. Hieraan is vanuit de gemeente een hoge prioriteit gegeven. Toetsing Binnen het projectgebied worden camperplaatsen en een blokhut met dagrecreatieve mogelijkheden gerealiseerd.
Deze kleinschalige logiesontwikkeling is in overeenstemming met de nota recreatie en toerisme van de gemeente Waadhoeke. Het realiseren van camperplaatsen komt tevens overeen met het coalitieakkord 'Sun wurkje oan 'e takomst'. Bovendien kan de voorgenomen ontwikkeling van dagrecreatie dienen als versterking van het landschap als toeristische trekker.
16/91
Conclusie Het voornemen past binnen het gemeentelijk woonbeleid.
17/91
Hoofdstuk 4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. In geval van een gemengd gebied kan worden gewerkt met een verkleinde richtafstand. Toetsing De gronden rondom het projectgebied betreffen agrarische gronden, die zijn ingericht als akkerland. Tegenover het projectgebied ligt een verhuurbedrijf van vakantiehuisjes en appartementen. Gezien de aard van deze bestemming wordt dit beschouwd als een 'Verhuur en handel in onroerend goed'. Hiervoor geldt een richafstand van 10 meter vanwege geluid. Gezien de afstand van circa 55 meter tot het projectgebied wordt aan de richtafstand voldaan. Het projectgebied zelf betreft een functie die overlast kan veroorzaken voor de nabijgelegen woningen. Dit is in de huidige situatie echter ook al het geval vanwege het agrarisch bedrijf. Voor een recreatieve functie geldt een richtafstand van 50 meter vanwege geluid. De afstand tussen het projectgebied en de dichtstbijzijnde woning betreft circa 60 meter.
Er wordt aan de richtafstand van 50 meter voldaan. Bovendien zijn de richtafstanden gebaseerd op gemiddelde situatie terwijl de situatie in het projectgebied kleinschalig is. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt daarom geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.2
Ecologie
Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden. De Natura 2000-gebieden zijn door de Minister van Economische Zaken aangewezen gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden. Daarnaast bestaat het Natuur Netwerk Nederland (NNN) uit gebieden die worden aangewezen in de provinciale verordening. Binnen de NNN-gebieden mogen in beginsel geen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden. Toetsing
18/91
Het projectgebied maakt geen deel uit van beschermde gebieden als Natura 2000 en Natuur Netwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Waddenzee op circa 3,5 kilometer afstand tot het projectgebied (dit is ter plekke geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied). Het projectgebied valt binnen landelijk gebied. De verkeersgeneratie van de nieuwe situatie bedraagt slechts circa 84,6 verkeersbewegingen en zal ten opzichte van de huidige agrarische functie niet toenemen. Daarom zal de ontwikkeling geen grote impact hebben op nabijgelegen natuurgebieden. Natura 2000-gebieden: stikstofdepositie In Nederland staan veel Natura 2000-gebieden onder druk door een overbelasting van stikstofdepositie. Voor kleine plannen waarvan op voorhand (en goed gemotiveerd) kan worden onderbouwd dat deze - vanwege bijvoorbeeld de grote afstand tot Natura 2000-gebieden - geen negatieve gevolgen kunnen hebben voor de relevante Natura 2000-gebieden, kan een passende beoordeling van de stikstofdepositie achterwege blijven. Hiermee geeft het ministerie ruimte voor een kwalitatieve onderbouwing voor kleine (woningbouw)projecten. In dit geval ligt het projectgebied op circa 3,9 kilometer afstand van een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. Gezien deze afstand en de kleinschaligheid van het project worden er geen belemmeringen ten aanzien van stikstof verwacht.
Bovendien is de stikstofdepositie in de huidige situatie van het agrarisch bedrijf ook groter dan in de nieuwe situatie. Soortenbescherming In de Wnb wordt onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en daarnaast de overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Toetsing In het projectgebied wordt een agrarische functie verandert naar een recreatieve functie. Hiervan wordt grotendeels gebruik gemaakt van de bestaande gebouwen en wordt het terrein heringericht voor de camperplaatsen en de blokhut. Ook is een uilenbord aanwezig, maar niet open. Er wordt geen gebruik van gemaakt. Verder zijn geen (sloop- en kap)werkzaamheden beoogd met activiteiten waarvoor een vergunning in het kader van de Wnb nodig is. Ook heeft het huidige agrarisch gebruik al een verstorende werking op flora en fauna. Een ecologisch onderzoek kan om deze reden achterwege blijven. Uiteraard blijft ten allen tijde de zorgplicht uit de Wnb van kracht.
4.3
Bodem
Toetsingskader Met het oog op een goede ruimtelijke ordening, moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet ten minste verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming van toepassing. In de wet is geregeld dat als ter plaatse van een projectgebied ernstige verontreinigingen worden aangetroffen, er sprake is van een saneringsgeval.
19/91
Toetsing De voorgenomen functie die in het projectgebied wordt uitgevoerd is recreatie. Deze functie betreft een kort verblijf binnen het projectgebied, daarom wordt verwacht dat bodem geen belemmering zal vormen tegen de voorgenomen functie. Verder betreft de huidige functie een agrarische functie. Hiervan wordt niet een verontreiniging als vervolg verwacht. Het milieu- en omgevingsaspect bodem vormt geen belemmering tegen de voorgenomen ontwikkeling. Zekerheidshalve is voor de gronden rondom de blokhut een bodemonderzoek uitgevoerd. Zie hiervoor bijlage 1. Tijdens het onderzoek zijn verontreinigingen aangetoond. De gemeten concentratie is echter dusdanig dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. Visueel en analytisch is verder geen asbest aangetoond.
4.4
Geluid
Toetsingskader Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Toetsing Recreatieve standplaatsen zijn niet-geluidsgevoelige objecten. Een formele toets aan de Wgh is dan ook niet noodzakelijk. Wel dient er vanuit een 'goede ruimtelijke ordening' gemotiveerd te worden dat er bij de standplaatsen vanuit wegverkeersgeluid een goed recreatieklimaat ontstaat. De recreatieve standplaatsen en de blokhut zijn ten opzichte van de weg aan de achterkant van het terrein gelegen. Aan de voorkant van het perceel staat een woning en een schuur die een geluiddempende functie voor de achterkant van het perceel hebben. Verder is het projectgebied omringt met bomen. Deze dragen ook bij het dempen van het geluid afkomstig van de weg. Er mag dus worden aangeomen dat er een goed klimaat ontstaat voor de recreatieve functies in het projectgebied.
4.5
Water
Toetsingskader Van groot belang voor de ruimtelijke ordeningspraktijk is de wettelijk verplichte 'watertoets'. De watertoets kan worden gezien als een procesinstrument dat moet waarborgen dat gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder. Het onderhavige projectgebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân. Toetsing De Digitale Watertoets is aangevraagd, deze is opgenomen als bijlage 2. Hieruit blijkt dat er geen waterschapsbelangen zijn bij de voorgenomen ruimtelijke activiteit. Het verhard oppervlak neemt ten opzichte
20/91
van de huidige (planologische) situatie ook niet veel toe. Alleen een blokhut van 40 m2 wordt toegevoegd. Het waterschap hanteert als uitgangspunt dat bij een toename van meer dan 1.500 m2 aan verhard oppervlak 10% van deze toename wordt gecompenseerd in de vorm van nieuw oppervlaktewater of waterberging. Het is daarom niet nodig om compenserende maatregelen te nemen. Er moet echter wel gelet worden op het nodig hebben voor een watervergunning voor sommige werkzaamheden, bijvoorbeeld als een sloot gedempt moet worden. Hiervoor geldt ook een aan vergunningsplicht vanuit het bestemmingsplan.
4.6
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) van belang. Projecten die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging zijn op grond van de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Tevens moet worden bekeken of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is voor de voorgenomen functie. Toetsing De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van dag- en verblijfsrecreatie. Dit aantal valt ruim onder de grens van NIBM (vanaf ontwikkelingen zoals 1.500 woningen hoeft pas een luchtkwaliteitsonderzoek te worden gedaan), die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. Bovendien is de luchtkwaliteit in het projectgebied ook schoon en liggen de gemeten en verwachte waarden ver onder de grenswaarden.
4.7
Archeologie
Toetsingskader Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. FAMKE Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd-bronstijd (300.000 - 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1500 n Chr.).
21/91
Toetsing Conform zowel de steentijd-bronstijd advieskaart als de ijzertijd - middeleeuwen advieskaart is geen onderzoek noodzakelijk, ongeacht de grootte van de ontwikkeling. Met dit advies is dan ook geen onderzoek noodzakelijk en vormt het aspect archeologie en belemmering voor dit project.
4.8
Cultuurhistorie
Toetsingskader Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Toetsing Om te onderzoeken of sprake is van cultuurhistorische waarden is gebruik gemaakt van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân. Hieruit komt naar voren dat het projectgebied een cultuurhistorische waarde betreft. Volgens de kaart is sprake van Karakteristieke bouwwerken (niet-woningen). Het gaat daarbij om gebouwen die geen monument zijn en geen woning zijn. Dit project voorziet alleen in een functiewijziging van bestaande bebouwing. Er vindt dan ook geen aantasting aan de cultuurhistorische waarde plaats. Het aspect cultuurhistorie zal geen belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.9
Externe veiligheid
Toetsingskader Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over 'externe veiligheid' om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10-6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, geldt deze norm als streefwaarde. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Toetsing In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd.
In de nabijheid is geen sprake van risicovolle inrichtingen, buisleidingen en transportroutes. Daarmee vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de ontwikkeling in het projectgebied.
22/91
4.10 Kabels en leidingen Toetsingskader In (de omgeving van) het projectgebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het projectgebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden. Toetsing Binnen het projectgebied is geen sprake van kabels en leidingen waar rekening mee gehouden dient te worden. Het aspect kabels en leidingen vormt daarom geen belemmering voor dit plan.
23/91
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoeringsaspecten van een ontwikkeling. In dat verband wordt een onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat de beoogde ontwikkeling maatschappelijk draagvlak heeft en dat de procedures op een goede manier worden doorlopen. Voor het aanvragen van de omgevingsvergunning, waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan wordt de uitgebreide procedure uit de Wet algemene bepaling omgevingsrecht (Wabo) gevolgd. De procedure hiervoor is opgenomen in artikel 2.12 eerste lid sub a onder 3 van de Wabo. Binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag moet het college van burgemeester en wethouders beslissen over het verlenen van de vergunning. Tijdens deze periode moet de aanvraag zes weken ter visie worden gelegd, waarbij de mogelijkheid aan een ieder wordt geboden voor het indienen van zienswijzen. Na de bekendmaking van het besluit kan door belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend beroep worden ingesteld.
5.2
Economische uitvoerbaarheid
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Het initiatief betreft de realisatie van recreatie. De initiatiefnemer heeft aangetoond over voldoende financiële middelen te beschikken voor de uitvoering van dit project. Hierdoor is het project financieel haalbaar. Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijk ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheeden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publieksrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. Met dit project is geen sprake van een bouwplan waarvoor de grondexploitatieregeling van toepassing is. Door de gemeente zal wel een overeenkomst worden afgesloten waarin afspraken zijn gemaakt met betrekking tot de plankosten en eventuele planschade.
Ook worden door de gemeente de gebruikelijke leges conform de legesverordening geheven. Hiermee is het kostenverhaal voldoene verzekerd.
24/91
Hoofdstuk 6
Afweging en conclusie
Aanleiding Deze ruimtelijke onderbouwing dient ter afweging voor het verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wabo, waarmee de ontwikkeling van een recreatieve functie wordt mogelijk gemaakt. Afweging Het project past binnen de beleidskaders van het rijk, de provincie en de gemeente. Verder leveren de omgevingsaspecten en/of sectorale wet- en regelgeving geen belemmeringen op voor realisatie van de ontwikkeling in het projectgebied. Andersom is er ook nauwelijks sprake van impact van de ontwikkeling op de omgeving. Conclusie Het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project is niet in strijd met goede ruimtelijke ordening.
25/91
26/91
Bijlage
27/91
28/91
Bijlage 1
29/91
Bodemonderzoek
Verkennend (asbest)bodemonderzoek aan de Middelweg-West 230 in Sint Jacobiparochie (nieuwbouw blokhut)
Rapportnummer: Status: Datum:
230094/JvdM Definitief, versie 1 24 februari 2023
Opdrachtgever:
De heer H.J. Hilarides Middelweg-West 230 9079 MK SINT JACOBIPAROCHIE
Realisatie:
WMR Rinsumageest bv Van Aylvawei 40 9105 KT RINSUMAGEAST T 0511 - 425050 F 0511 - 424184 I www.wmr.nl E milieu@wmr.nl
COLOFON Project: Opdrachtgever: Rapportnummer: Auteur: Projectleider: Handtekening:
Verkennend (asbest)bodemonderzoek Middelweg-West 230, Sint Jacobiparochie De heer H.J. Hilarides 230094/JvdM J.J. van der Mei D.T. van der Mei
Datum:
24 februari 2023
Niets uit dit rapport mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de opdrachtgever. De activiteiten van WMR Rinsumageest bv zijn gewaarborgd middels de volgende certificaten: NEN-EN-ISO 9001 Kwaliteitsmanagementsystemen VCA**: Veiligheids Checklijst Aannemers SC-530: SCA Procescertificaat Asbestverwijdering SVMS-007: Procescertificaat Slopen BRL SIKB 1000: Procescertificaat Monsterneming voor partijkeuringen BRL SIKB 2000: Procescertificaat Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek BRL SIKB 6000: Procescertificaat Milieukundige begeleiding van bodemsaneringen BRL SIKB 7000: Procescertificaat Uitvoering Bodemsaneringen BRL SIKB 9335: Procescertificaat Grond en lidmaatschap van:
Vereniging Van Milieu Adviesbureaus Bouwend Nederland
BRL SIKB 2000
Rapportnummer : 230094/JvdM
Blad : III
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING ..................................................................................................................................................................1 1.1 Algemeen ....................................................................................................................................................1 1.2 Aanleiding en doelstelling van het onderzoek............................................................................................1 1.3 Kwaliteitswaarborg .....................................................................................................................................1 1.4 Opbouw van het rapport ............................................................................................................................ 1
2
VOORONDERZOEK .....................................................................................................................................................2 2.1 Algemeen ....................................................................................................................................................2 2.2 Algemene locatiegegevens .........................................................................................................................2 2.3 Geraadpleegde bronnen.............................................................................................................................2 2.4 Actuele situatie en historische situatie ......................................................................................................2 2.5 Bodemopbouw en geohydrologie onderzoekslocatie ................................................................................3 2.6 Voorgaande bodemonderzoeken ...............................................................................................................3 2.7 Conclusie vooronderzoek ........................................................................................................................... 3 2.8 Opstelling onderzoekshypothese ...............................................................................................................3
3
VELD- EN LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN .........................................................................................................5 3.1 Veldwerkzaamheden .................................................................................................................................. 5 3.2 Laboratoriumonderzoek .............................................................................................................................6
4
TOETSINGSKADER .....................................................................................................................................................7 4.1 Verkennend onderzoek NEN 5740 .............................................................................................................7 4.2 Verkennend onderzoek NEN 5707 (asbest in grond) .................................................................................8
5
ANALYSERESULTATEN EN TOETSING.........................................................................................................................9 5.1 Grond ..........................................................................................................................................................9 5.2 Grondwater ................................................................................................................................................9 5.3 Asbest .........................................................................................................................................................9
6
SAMENVATTING EN CONCLUSIE .............................................................................................................................10 6.1 Samenvatting ............................................................................................................................................10 6.2 Evaluatie ............................................................................................................................. ……………………10 6.3 Conclusie……………………………………………………………………………………………………………………………………………..11 6.4 Aanbevelingen…………………………………………………………………………………………………………………………………….11
Bijlagen:
1. Kadastrale kaart 2. Situatietekening 3. Boorprofielen 4. Analysecertificaten 5. Toetsingsresultaten
Verkennend bodemonderzoek Middelweg-West 230, Sint Jacobiparochie
WMR Rinsumageest bv
Rapportnummer : 230094/JvdM
1
INLEIDING
1.1
Algemeen
Blad : 1 van 11
In opdracht van de heer H.J. Hilarides is door WMR Rinsumageest bv een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd aan de Middelweg-West 230 in Sint Jacobiparochie. Het onderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725:2017 (Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek), NEN 5740/A1 (Bodem - Onderzoeksstrategie bij verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond) en NEN 5707+C2 (Bodem Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, december 2017). 1.2
Aanleiding en doelstelling van het onderzoek Aanleiding van het verkennend onderzoek is de voorgenomen nieuwbouw van een blokhut. Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Op basis van de onderzoeksresultaten kan bepaald worden of de milieuhygiënische bodemkwaliteit voldoende geschikt is voor de voorgenomen nieuwbouwplannen.
1.3
Kwaliteitswaarborg Het veldwerk is uitgevoerd conform de SIKB-protocollen 2001 en 2002. WMR Rinsumageest bv is voor uitvoering van de veldwerkzaamheden bij (water)bodemonderzoek gecertificeerd door het KIWA volgens de BRL SIKB 2000 (certificaatnummer K9198). Het procescertificaat van WMR Rinsumageest bv en het hierbij behorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake de monsterneming en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie, aan een erkend laboratorium of de opdrachtgever. WMR Rinsumageest bv is op geen enkele wijze gelieerd of gekoppeld aan de opdrachtgever. Ook bestaan er geen eigendomsverhoudingen met betrekking tot het te onderzoeken terrein. Hiermee wordt voldaan aan de onafhankelijkheidseisen uit de BRL 2000. Daarnaast is in het belang van een gewaarborgde functiescheiding tussen opdrachtgever en opdrachtnemer geen sprake van een directe relatie (opdracht uit eigen organisatie). De analyses zijn uitgevoerd conform AS3000 in het erkende laboratorium van Eurofins Analytico.
1.4
Opbouw van het rapport In het voorliggende rapport komen de volgende aspecten aan de orde: • De resultaten van het vooronderzoek (hoofdstuk 2); • De uitgevoerde veld- en laboratoriumwerkzaamheden (hoofdstuk 3); • Het toetsingskader (hoofdstuk 4); • De analyseresultaten en de toetsing (hoofdstuk 5); • Een samenvatting van het onderzoek, conclusies en aanbevelingen (hoofdstuk 6). De bijbehorende tekening, boorprofielen en analysecertificaten zijn als bijlage opgenomen.
Verkennend bodemonderzoek Middelweg-West 230, Sint Jacobiparochie
WMR Rinsumageest bv
Rapportnummer : 230094/JvdM 2 2.1
Blad : 2 van 11
VOORONDERZOEK Algemeen Het vooronderzoek is uitgevoerd op basis van de NEN 5725:2017. Het vooronderzoek heeft zich gericht op de onderzoekslocatie en de aangrenzende percelen.
2.2
Algemene locatiegegevens In bijlage 1 is een kadastrale kaart opgenomen, waarop de onderzoekslocatie en de directe omgeving zijn weergegeven. In onderstaande tabel zijn de locatiegegevens samengevat. Tabel 2.1: Overzicht locatiegegevens Adres locatie Kadastrale gegevens Oppervlakte onderzoekslocatie Huidig gebruik
2.3
Middelweg-West 230, Sint Jacobiparochie Gemeente Sint Jacobi Parochie, sectie D, nr. 1217 Circa 250 m2 Erf/tuin
Geraadpleegde bronnen Voor het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Opdrachtgever • Gemeente Waadhoeke • Locatie-inspectie (gecombineerd met veldwerk) • Bodeminformatiesysteem Nazca-i • Bodemloket • Dinoloket • Topotijdreis • Google Earth/Maps/Streetview • Het Kadaster (www.kadaster.nl)
2.4
Actuele situatie en historische situatie De onderzoekslocatie bevindt zich in een landelijk gebied, ten oosten van het dorp Sint Jacobiparochie. Ter plaatse zijn een woning en een loods gesitueerd. De onderzoekslocatie bevindt zich ten oosten van de loods. Uit historisch kaartmateriaal (bron: topotijdreis.nl) blijkt dat de onderzoekslocatie tot eind jaren ’90 van de vorige eeuw (deels) bebouwd is geweest. Momenteel is de locatie onbebouwd en ik gebruik als erf/tuin. Uit gegevens van de opdrachtgever en de gemeente Waadhoeke blijkt dat een bovengrondse dieselolietank op het terrein gesitueerd is geweest. Uit een milieucontrole van 1994 blijkt dat op de locatie een bovengrondse dieselolietank aanwezig was (die eerst niet en later wel voldeed aan de richtlijn). Bij een controle in 2016 is gebleken dat de tank niet meer aanwezig is. De eigenaar van het terrein heeft de exacte standplaats van de dieselolietank aangegeven (zie bijlage 2). Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden zal hier rekening mee gehouden worden. PFAS In opdracht van de Fumo is onderzoek verricht naar het voorkomen van PFAS in de provincie Fryslân. Het onderzoek is uitgevoerd door Antea Group (23 januari 2020, projectnummer 0457469.100).
Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat de gemiddelde gehalten aan PFAS in Fryslân lager of gelijk zijn aan de door het ministerie vastgestelde tijdelijke achtergrondwaarden. Hiermee is grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart weer mogelijk. Voor de onderzoekslocatie zijn er geen aanwijzingen voor een verontreiniging met PFAS. PFAS is onder andere water-, vet- en vuilafstotend. Ze zitten in verschillende producten. Bijvoorbeeld in smeermiddelen, voedselverpakkingsmaterialen, blusschuim, anti-aanbaklagen van pannen, kleding, textiel en cosmetica. Ook worden ze gebruikt in verschillende industriële toepassingen en processen. Toekomstige situatie Het ligt in de bedoeling om een blokhut op het terrein te realiseren. De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 250 m2.
Verkennend bodemonderzoek Middelweg-West 230, Sint Jacobiparochie
WMR Rinsumageest bv
Rapportnummer : 230094/JvdM
Blad : 3 van 11
Omliggende percelen De omliggende percelen bestaan uit landbouwgrond. Van de onderzoekslocatie en de directe omgeving zijn verder geen gegevens bekend omtrent milieuverdachte activiteiten en calamiteiten. In bijlage 2 is een situatietekening van de onderzoekslocatie opgenomen. 2.5
Bodemopbouw en geohydrologie onderzoekslocatie De regionale bodemopbouw in de omgeving van de onderzoekslocatie is afgeleid uit ondergrondgegevens van het Dinoloket (BRO Regis II v 2.2, boring B05G0001). De resultaten tot 10,0 m -mv zijn in tabel 2.2 weergegeven. Tabel 2.2: Bodemopbouw omgeving onderzoekslocatie Diepte (m -mv)
Lithologie (textuur)
Lithostratigrafie
0,0 - 1,3 1,3 - 3,5 3,5 - 10,0
Klei Zand Klei
Holocene afzettingen Holocene afzettingen Holocene afzettingen
Uit het grondwaterbeschermingsplan van de provincie Fryslân blijkt dat de locatie niet in een grondwaterbeschermingsgebied ligt. De grondwaterstroming van het freatisch grondwater is niet bekend. De grondwaterstroming wordt in de regel met name bepaald door lokale watergangen en voorkeursstromingen (als gevolg van o.a. vijvers en sloten). 2.6
Voorgaande bodemonderzoeken Van de onderzoekslocatie en de directe omgeving zijn geen voorgaande bodemonderzoeken bekend.
2.7
Conclusie vooronderzoek Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn er aanwijzingen voor een vermoeden van bodemverontreiniging. De locatie wordt als verdacht voor bodemverontreiniging beschouwd.
2.8
Opstelling onderzoekshypothese Conform de NEN 5740 is voor de onderzoekslocatie een onderzoekshypothese met een onderzoeksstrategie opgesteld welke in tabel 2.3 worden weergegeven. Tabel 2.3: Onderzoekslocatie met onderzoeksstrategie Deellocatie
Onderzoek
Verdacht/
Aard verwachte stoffen
Onderzoeksstrategie
onverdacht Verdacht
Vml. bovengrondse NEN 5740 Min. olie, BTEX VEP dieselolietank (<10 m2) Overig terrein NEN 5740 Verdacht VED-HE-NL (circa 240 m2) Verdacht Asbest VED-HE VEP Verdachte locatie, plaatselijke bodembelasting met duidelijke verontreinigingskern VED-HE-NL Verdachte niet-lijnvormige locatie met heterogeen verdeelde verontreiniging VED-HE Verdachte locatie, diffuus belaste locatie met een heterogeen verdeelde asbestverontreiniging op schaal monsterneming
VEP Het doel van het verkennend bodemonderzoek met de onderzoeksstrategie VEP is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskernen ook daadwerkelijk op de vermoede plaatsen aanwezig zijn en in hoeverre de verontreinigende stoffen in de grond en het freatisch grondwater respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden overschrijden. VED-HE-NL Het doel van het verkennend bodemonderzoek in deze situatie is het bepalen van de aard van de heterogeen verdeelde verontreinigende stoffen op schaal van de monsterneming. Tevens wordt vastgesteld of de concentraties van de vermoede verontreinigende stoffen in de grond en het freatisch grondwater boven respectievelijk de achtergrondwaarde en de streefwaarde worden aangetroffen.
Verkennend bodemonderzoek Middelweg-West 230, Sint Jacobiparochie
WMR Rinsumageest bv
Rapportnummer : 230094/JvdM
Blad : 4 van 11
VED-HE (puin in grond) Vanwege het aangetroffen puin ter plaatse van boring 1 (0-40), wordt de onderzoekshypothese van een verdachte bovengrond met een diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld, aangenomen. Het verkennend onderzoek richt zich op de verdachte bovengrond. Het doel van het onderzoek is om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de verdenking van verontreiniging van de bodem met asbest terecht is en een indicatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de bodem. Opmerking: vanwege de oppervlakte van de onderzoekslocatie en het voormalig gebruik van het terrein wordt het grondwateronderzoek ter plaatse van beide deellocaties (tank + overig terrein) gecombineerd uitgevoerd.
Verkennend bodemonderzoek Middelweg-West 230, Sint Jacobiparochie
WMR Rinsumageest bv
Rapportnummer : 230094/JvdM 3 3.1
Blad : 5 van 11
VELD- EN LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN Veldwerkzaamheden De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door de erkende monsternemer J.R. Duinstra volgens de SIKB-protocollen 2001, 2002 en 2018. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 9 februari 2023. De peilbuis is, na voldoende doorpompen, bemonsterd op 16 februari 2023 met behulp van een slangenpomp. Omstandigheden en maaiveldinspectie Tijdens de uitvoering was het droog weer met een zicht van meer dan 50 meter. Tijdens de visuele inspectie van het maaiveld zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Op basis van het type grond en de conditie van het maaiveld (lichte vegetatie) is de inspectie-efficiency geschat op 100%. Inspectiegaten en boringen Het inspectiegat (afmetingen circa 0,3 m x 0,3 m, diepte 0,5 m) is gegraven met een schep, de boringen zijn uitgevoerd met een edelmanboor (diameter 12 cm). De grond uit het inspectiegat is uitgespreid tot een maximale laagdikte van twee centimeter. De grond is geïnspecteerd op het voorkomen van asbestverdachte materialen (>20 mm). De situering van de monsternamepunten is weergegeven op de situatietekening in bijlage 2. Tevens is een foto toegevoegd. Het vochtpercentage van de bodem is tijdens het veldwerk met een bodemvochtigheidsmeter vastgesteld op 15,1%. Aanvullende adembeschermingsmaatregelen zijn derhalve niet noodzakelijk geweest.
In tabel 3.1 is een overzicht weergegeven van de uitgevoerde veldwerkzaamheden. Tabel 3.1: Uitgevoerde veldwerkzaamheden Deellocatie (oppervlakte)
Veldwerkzaamheden Uitvoering boring met peilbuis boring tot 0,5 m -mv boring tot 2,0 m -mv boring tot 0,5 m -mv
Vml. bovengrondse dieseltank (<10 m2) Overig terrein (circa 240 m2)
Aantal 1 2 1 3
Codering boring nr. 1 nrs. 2 en 3 nr. 4 nrs. 5 t/m 7
De situering van de onderzoekslocatie en de boringen is weergegeven op de situatietekening in bijlage 2. Zintuiglijke waarnemingen Het maaiveld en de opgeboorde grond van iedere boring is zintuiglijk beoordeeld op het voorkomen van bodemvreemde en asbestverdachte materialen. Hierbij zijn in boring 1 (0-40) puinrestanten waargenomen. Verder zijn geen bijzonderheden waargenomen. De bodemkundige beoordeling van de boringen is weergegeven op de boorprofielen in bijlage 3. Veldmetingen grondwater In tabel 3.2 zijn de resultaten van de veldmetingen van het grondwater weergegeven. Tabel 3.2: Resultaten veldmetingen grondwater Peilbuis
Filterstelling (cm -mv)
Grondwaterstand (cm -mv)
pH (-)
Ec (uS/cm)
Troebelheid (NTU)
1
150-250
140
6,21
1.251
>10
De gemeten waarden voor de zuurgraad en geleiding zijn normaal voor de omgeving waarin de onderzoekslocatie zich bevindt. De troebelheid van het grondwatermonster voldoet niet aan de verwachte natuurlijke waarde (0-10 NTU). Het meten van een verhoogde troebelheid is overigens niet bezwaarlijk maar kan gebruikt worden bij de interpretatie van de analyseresultaten.
Verkennend bodemonderzoek Middelweg-West 230, Sint Jacobiparochie
WMR Rinsumageest bv
Rapportnummer : 230094/JvdM
Blad : 6 van 11
3.2 Laboratoriumonderzoek De chemische analyses van de grond en het grondwater zijn uitgevoerd in het geaccrediteerde laboratorium van Eurofins Analytico. De samenstelling van de te analyseren monsters heeft plaatsgevonden op basis van de resultaten van het veldonderzoek. De monsters zijn dusdanig geselecteerd dat, na uitvoering van de analyses, een zo representatief mogelijk beeld verkregen wordt van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. In tabel 3.3 is de samenstelling van de (meng)monsters en de analysepakketten weergegeven. Tabel 3.3: Samenstelling (meng)monsters en analyses Codering
Deelmonster: boring met monstertraject
Analysepakket
(meng)monster (cm -mv) 1 (0-40) 1 (0-40) NEN 5740 basispakket grond* + asbest in grond MMbg1 2 (0-40), 3 (0-50) Minerale olie + BTEX MMbg2 4 (0-30), 5, 6, 7 (0-50) NEN 5740 basispakket grond Peilbuis 1 Peilbuis 1 (filter: 150-250) NEN 5740 basispakket grondwater** * droge stof, zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni en Zn), minerale olie, PAK-10, PCB, organisch stofgehalte en lutum ** zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni en Zn), minerale olie, aromatische en chloorhoudende verbindingen, zuurgraad en geleiding
De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 4.
Verkennend bodemonderzoek Middelweg-West 230, Sint Jacobiparochie
WMR Rinsumageest bv
Rapportnummer : 230094/JvdM 4 4.1
Blad : 7 van 11
TOETSINGSKADER Verkennend onderzoek NEN 5740 De gemeten gehalten en/of concentraties aan verontreinigende stoffen in de grond en het grondwater worden beoordeeld op basis van de “Regeling Bodemkwaliteit” (Staatscourant, nummer 33763; 26 november 2014) en de “Circulaire Bodemsanering 2013” (Staatscourant, nummer 16675, 27 juni 2013). In deze stukken zijn regels aangegeven voor het vaststellen van bodemvervuiling aan de hand van achtergrond-, tussen- en interventiewaarden. Voor het grondwater wordt in plaats van de achtergrondwaarde, de streefwaarde gebruikt als toetsingscriterium. Het beoordelingsniveau van de achtergrond-, tussen- en interventiewaarden, waaraan verontreinigende stoffen worden getoetst, is in onderstaande tabel weergegeven: Tabel 4.1: Interpretatie van de achtergrond-, tussen- en interventiewaarden (Wbb) Beoordelingsniveau verontreinigende stof
Waardering
Toelichting
≤ Achtergrond-/streefwaarde (of detectiegrens)
niet verontreinigd
> Achtergrond-/streefwaarde ≤ Tussenwaarde
licht verhoogd
> Tussenwaarde ≤ Interventiewaarde
matig verhoogd
> Interventiewaarde
sterk verhoogd
De achtergrond-/streefwaarde geeft het uiteindelijk te bereiken kwaliteitsniveau van de bodem aan waarbij de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, dier en plant heeft volledig hersteld zijn. Naast de streef-/achtergrond- en interventiewaarden worden de gemeten waarden getoetst aan het criterium (A/S+I)/2, de zogenaamde tussenwaarde. Bij overschrijding van de tussenwaarde bestaat er een vermoeden van een ernstige bodemverontreiniging en wordt nader onderzoek noodzakelijk geacht. De interventiewaarde geeft het niveau aan waarbij verontreinigingen in de bodem zodanig zijn dat er een ernstige of dreigende vermindering optreedt van de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, dier en plant. Bij gehalten boven de interventiewaarde en een bepaalde hoeveelheid verontreinigde grond/sediment (≥25 m3) of grondwater (≥100 m3), is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Bodemtypecorrectie Bij de beoordeling van de kwaliteit van de bodem worden de gemeten gehalten middels een bodemtypecorrectie omgerekend naar standaardbodem (lutum 25% en organische stof 10%). De wijze van omrekening is beschreven in bijlage G, onderdeel III van de Regeling Bodemkwaliteit. De gecorrigeerde gehalten worden weergegeven op de toetsingsresultaten in bijlage 5. Besluit Bodemkwaliteit De regels voor de afvoer van grond zijn opgenomen in het Besluit Bodemkwaliteit. De analyseresultaten zijn indicatief getoetst aan de achtergrondwaarden en maximale waarden voor grond en baggerspecie zoals deze zijn opgenomen in de “Regeling bodemkwaliteit” (bijlage B, tabel 1). Opgemerkt dient te worden dat de veldwerkzaamheden en chemische analyses niet conform de AP-04 richtlijnen zijn uitgevoerd. Aan de resultaten van dit onderzoeksrapport kunnen daarom niet dezelfde rechten worden ontleend als aan een partijkeuring die conform Besluit Bodemkwaliteit is uitgevoerd.
Verkennend bodemonderzoek Middelweg-West 230, Sint Jacobiparochie
WMR Rinsumageest bv
Rapportnummer : 230094/JvdM 4.2
Blad : 8 van 11
Verkennend onderzoek NEN 5707 (asbest in grond) Per (deel)locatie en per (verdachte) bodemlaag worden alle indicatieve resultaten getoetst aan de interventiewaarde. Voor asbest in grond is de interventiewaarde vastgesteld op 100 mg/kg d.s. (gewogen). De toetsing wordt uitgevoerd volgens onderstaande criteria: -
Gaten 30 cm x 30 cm: indien voor een (deel)locatie en bodemlaag het gewogen gehalte aan asbest (het hoogste gehalte) kleiner is dan de helft van de interventiewaarde is verder onderzoek niet noodzakelijk en is het statistisch aannemelijk dat de interventiewaarde ook niet in een nader onderzoekstraject zal worden overschreden.
-
Gaten 30 cm x 30 cm: indien voor een (deel)locatie en bodemlaag het gewogen gehalte aan asbest (hoogste gehalte) groter is dan de helft van de interventiewaarde is nader onderzoek noodzakelijk.