Bijlage 1 Partiële herziening bestemmingsplan Minnertsga - Bedrijventerrein Boskdykje fase 4_ontwerp_(24-10-2022).pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan
Partiële herziening bestemmingsplan Minnertsga - Bedrijventerrein Boskdykje fase 4 Waadhoeke
DATUM IMRO IDN
24-10-2022
PROJECT PROJECTLEIDER
Partiële herziening bestemmingsplan Minnertsga - Bedrijventerrein Boskdykje fase 4 T. de Jong
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
20220651
AUTEUR STATUS
S. Latuputty ontwerp
NL.IMRO.1949.PHBPMinBoskdykje4-ONT1
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Ligging plangebied
7
1.3
Planologische regeling
8
1.4
Leeswijzer
9
Planbeschrijving
11
2.1
De bestaande situatie
11
2.2
Voorgenomen situatie
12
Beleidskader
13
3.1
Rijksbeleid
13
3.2
Provinciaal beleid
14
3.3
Gemeentelijk beleid
15
Milieu- en omgevingsaspecten
17
4.1
Bedrijven en milieuzonering
17
4.2
Ecologie
17
4.3
Bodem
18
4.4
Geluid
18
4.5
Water
19
4.6
Luchtkwaliteit
20
4.7
Archeologie
20
4.8
Cultuurhistorie
21
4.9
Externe veiligheid
21
4.10
Kabels en leidingen
22
Hoofdstuk 5
Juridische toelichting
23
5.1
Het juridisch systeem
23
5.2
Toelichting op de bestemmingen
23
Uitvoerbaarheid
25
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
25
6.2
Economische uitvoerbaarheid
25
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 6
Bijlagen toelichting Bijlage 1
Quickscan flora en fauna
Bijlage 2
Watertoets
Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels Begrippen
35
Bestemmingsregels
37
Artikel 2
Bedrijventerrein (artikel 3)
37
Artikel 3
Verkeer (artikel 5)
38
Overgangs- en slotregels
39
Artikel 4
Overgangsrecht
39
Artikel 5
Slotregel
40
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Verbeelding
Toelichting
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
In het noordoosten van Minnertsga aan de Opfeart is het bedrijventerrein Boskdykje gevestigd. Dit bedrijventerrein voorziet in ruimte voor lokale bedrijvigheid. Onlangs is een ruimtelijke procedure gevoerd om het bedrijventerrein uit te breiden met een vierde fase, waarin onder meer een calamiteitenontsluiting is geregeld. Bij uitgifte van de bedrijfskavels blijkt echter, dat de ligging hiervan niet optimaal is en dus heeft de initiatiefnemer het voornemen om de calamiteitenontsluiting te verplaatsen. De als calamiteitenontsluiting bestemde gronden worden daarbij in gebruik genomen als bedrijfsperceel. Dit is niet mogelijk op basis van de geldende planologische regeling uit het geldende bestemmingsplan 'Minnertsga Bedrijventerrein Boskdykje fase 4'. Om de ontwikkeling toch te kunnen regelen is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Daarbij hoort een onderbouwing van een goede ruimtelijke ordening. Het voorliggende plan voorziet hierin.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied betreft de gronden die in het geldende bestemmingsplan de verkeersbestemming hebben gekregen (ten behoeve van de voorgenomen calamiteitenontsluiting) en de gronden waar de ontsluiting naar toe verplaatst dient te worden. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.
Figuur 1.1
7
Ligging plangebied
1.3
Planologische regeling
Het plangebied is momenteel geregeld in het bestemmingsplan 'Minnertsga Bedrijventerrein Boskdykje fase 4', dat is vastgesteld op 29 april 2021. Hierin is het plangebied bestemd als 'Bedrijventerrein' en 'Verkeer'. Een uitsnede van het bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied is weergegeven in figuur 1.2.
Figuur 1.2
Uitsnede geldende bestemmingsplan Minnertsga bedrijventerrein Boskdykje fase 4
De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijfsgebouwen en overkappingen ten behoeve van bedrijven die zijn genoemd in de bijlage bij het bestemmingsplan, tot en met milieucategorie 3.1. Ook de daarbij behorende wegen, straten en paden, parkeer-, groen- en nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, erven en terreinen en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn hier toegestaan. De gronden ter plaatse van de bestemming 'Verkeer' zijn bestemd voor straten, voet- en rijwielpaden, bermen en beplanting, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en speelvoorzieningen. Strijdigheid Binnen de verkeersbestemming is het niet toegestaan om de gronden te gebruiken ten behoeve van een bedrijfsperceel. Daarom is het voornemen in strijd met het geldende bestemmingsplan.
8
1.4
Leeswijzer
Na deze inleiding, wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie en het voorgenomen plan. Dit wordt in de hoofdstukken 3 en 4 getoetst aan het beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een uitleg aan de juridische regeling van het bestemmingsplan, hoofdstuk 6 gaat tenslotte in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
9
10
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
Het mogelijk maken van de beoogde ontwikkeling (het initiatief) is het belangrijkste uitgangspunt voor dit bestemmingsplan en wordt in dit hoofdstuk beschreven. De ontwikkeling moet op een goede manier worden ingepast in de huidige situatie. Een beschrijving van de huidige situatie is om die reden ook in dit hoofdstuk opgenomen. De inpassing in de huidige situatie wordt ook behandeld.
2.1
De bestaande situatie
Het plangebied maakt deel uit van de meest recente uitbreiding van Bedrijventerrein Boskdykje. Dit betreft de meest noordelijke percelen van het bedrijventerrein. In 2021 is de planologische procedure doorlopen, om ook deze gronden juridisch-planologisch als bedrijfskavels aan te wijzen, met daarbij de benodigde verkeersbestemming op de gronden die ter ontsluiting van de bedrijfskavels als wegen worden ingericht. Momenteel zijn de bedrijfskavels in ontwikkeling, dan wel in de verkoop. De gronden zijn om die reden nog niet ontwikkeld, maar ingericht als grasland. Ten zuiden van het plangebied ligt het overige deel van bedrijventerrein Boskdykje (fase 1 en fase 2). Hier zijn bedrijven gevestigd tot eveneens milieucategorie 3.1. Aan de overige zijden van het plangebied liggen agrarische gronden met verspreid woonpercelen. Dit valt onder het buitengebied. In figuur 2.1 is een luchtfoto van de huidige situatie weergegeven.
Figuur 2.1
11
Luchtfoto van de huidige situatie
2.2
Voorgenomen situatie
Inmiddels is het bestemmingsplan voor fase 4 van bedrijventerrein Boskdykje vastgesteld. Hierin zijn de bedrijfskavels bestemd als 'Bedrijventerrein' en de ontsluitingswegen, evenals de calamiteitenontsluiting, zijn bestemd als 'Verkeer'. Tijdens de uitgifte en verkoop van de bedrijfskavels bleek dat de ligging van de calamiteitenontsluiting niet optimaal is. Om de kavel goed in te kunnen richten, wordt deze verschoven naar het noordwesten op een afstand van circa 20 meter ten opzichte van de huidige ligging. De gronden die in het geldende plan als 'Verkeer' zijn bestemd ten behoeve van de toekomstige calamiteitenontsluiting zullen dan deel uitmaken van de bedrijfskavel. In figuur 1.2 is de verbeelding van het geldende bestemmingsplan Minnertsga - Bedrijventerrein Boskdykje fase 4 weergegeven. Daarop is de oorspronkelijke ligging van de calamiteiten ontsluiting inbestemd. Op de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan is vervolgens de nieuwe ligging van de calamiteitenontsluiting ingetekend. Ruimtelijke inpassing Het juridisch-planologisch kader voor de uitbreiding van het bedrijventerrein is in 2021 vastgesteld. Destijds is ook een landschappelijke inpassing opgesteld om de uitbreiding te voorzien van een goede landschappelijke inpassing.
Omdat met dit plan slechts de calamiteitenontsluiting wordt verlegd binnen het bedrijventerrein, wordt geen afbreuk gedaan aan de reeds opgestelde landschappelijke inpassing. Bovendien worden geen andere functies mogelijk gemaakt dan wat er al mogelijk is. Het voornemen is op voorhand ruimtelijk ingepast te noemen. Verkeer en parkeren Het verleggen van de calamiteitenontsluiting zorgt niet voor ingrijpende wijzigingen op het gebied van verkeer en parkeren. De calamiteitenontsluiting wordt circa 20 meter opgeschoven en zorgt daarmee nog steeds voor de benodigde noodontsluiting van het bedrijventerrein op de Hearewei.
12
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren Opgaven Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal.
Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven: 1. Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie. 2. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden. 3. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Uitvoering De NOVI gaat vergezeld van een uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. IN de Uitvoeringsagenda zijn onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen te vinden. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd. De ontwikkeling in het plangebied raakt, gezien de relatief kleine omvang, geen opgaven die zijn opgenomen in de NOVI en draagt bij aan het sterker maken van de regio. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt regels omtrent nationale belangen. Voor het bestemmingsplan zijn, gezien de aard, omvang en locatie, geen nationale belangen van belang. Wel zijn de beleidsregels met betrekking tot de Waddenzee relevant. Bij nieuwe bestemmingsplannen die betrekking
13
hebben op de Waddenzee en het Waddengebied moet een beoordeling plaatsvinden van de mogelijke gevolgen voor de landschappelijke en cultuurhistorische waarden in het gebied. Deze waarden zijn in de verordening benoemd. Nieuwe bebouwing of verandering van het gebruik is niet toegestaan als dit leidt tot significante aantasting van de waarden in het gebied. Binnen het plangebied wordt slechts een calamiteitenontsluiting verplaatst binnen een gebied dat is aangewezen als bedrijventerrein. Dit leidt geenszins tot significante aantasting van de waarden in het gebied. Ladder voor Duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de 'ladder voor duurzame verstedelijking' als procesvereiste opgenomen. In de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen dat de toelichting van een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.
Toepassing ladder voor duurzame verstedelijking De verplaatsing van de calamiteitenontsluiting betreft geen stedelijke ontwikkeling in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. Daarom is toetsing aan de ladder niet noodzakelijk.
3.2
Provinciaal beleid
Het provinciale beleid is uiteengezet in de Omgevingsvisie Fryslân 2020: 'De romte diele'. De belangrijkste uitgangspunten uit het provinciale beleid zijn nu nog vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân. Hierin zijn voor de provinciale belangen regels opgenomen, waar in bestemmingsplannen rekening mee gehouden moet worden. De Verordening Romte Fryslân wordt naar verwachting in 2022 vervangen door de Omgevingsverordening Fryslân. Omgevingsvisie Fryslân 2020: De romte diele Het ruimtelijk beleid van de provincie vormt een belangrijk kader voor het gemeentelijk (bestemmingsplan)beleid. Dit is neergelegd in de Omgevingsvisie Provincie Fryslân. Deze is op 23 september 2020 vastgesteld. In de omgevingsvisie gaat de provincie voor een vitale economie door te investeren in omgevingskwaliteiten. Dit zorgt er onder andere voor leefbaarheid en dat leegstand en verpaupering van bebouwing wordt teruggedrongen. Daarnaast gaat de provincie voor een veerkrachtig beleid, waarin ingrijpende ontwikkelingen opgevangen kunnen worden, het behoud van de karakteristiek van de provincie wordt nagestreefd door het beschermen van de eigen identiteit en voor een gezonde leefomgeving. Dit plan voorziet in het verleggen van een calamiteitenontsluiting op een bedrijventerrein. Dit zorgt ervoor dat het bedrijventerrein in geval van noodsituaties via twee wegen bereikt en ontsloten kan worden.
Het project sluit aan bij de uitgangspunten van de provincie en doet recht aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Daarmee is het plan in overeenstemming met het provinciale beleid.
14
Verordening Romte Fryslân 2014 De Provincie Fryslân wil de ruimtelijke kwaliteit bevorderen. Dit wordt gedaan door middel van het opstellen van een provinciale structuurvisie waarin het ruimtelijk beleid wordt geschetst. De Verordening Romte vertaalt deze visie naar regels. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen dienen primair binnen het 'bestaand stedelijk gebied' ontwikkeld te worden. De calamiteitenontsluiting wordt gerealiseerd op gronden die bestemd zijn voor het bedrijventerrein. Daarmee vallen ze binnen het stedelijk gebied en is het voornemen in overeenstemming met de provinciale verordening. Grutsk op 'e Romte In maart 2014 is de Structuurvisie Grutsk op 'e Romte vastgesteld. In Grutsk op 'e Romte worden landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang in samenhang geanalyseerd, gewaardeerd en van een richtinggevend advies voorzien. Het doel hiervan is behoud en verdere ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit door middel van informeren, adviseren en inspireren. Op deze wijze verwacht de provincie de doorwerking van de provinciale belangen in ruimtelijke plannen van gemeenten te borgen. Het plangebied maakt deel uit van het deelgebied Kleigebied Westergo. Van provinciaal belang in dit gebied zijn de volgende punten: 1.
Het stelsel van smalle kwelderwallen met terpen, terpdorpen en terpsteden, die met hun vaak lineaire structuren die kwelder en oeverwallen volgen. De dorpen liggen als groene punten op de wal; 2. Het uitgestrekte, open kleiterpengebied met een hoge dichtheid aan terpen en terpdorpen en veelal verhoogde boerderijerven. Veel geconcentreerde blokvormige, radiale en lineaire dorpen en steden, met lineaire bebouwingsstructuren, die vanaf terpen, dijken, wegen en water volgen; 3. De brede kwelderoeverwallen, die de voormalige Middelzee en de voormalige Marneslenk begrenzen, met hierop verdichtingen in de vorm van onder meer terpen en terpdorpen; 4. De overgangszone van klei naar het veengebied als onderdeel van de strook die diagonaal over Friesland heen loopt; 5. De invloed van de dynamiek aan zee, zichtbaar in de aanwezigheid van terpen, kwelder, oever en omslagwallen, ligging van de dorpen, de waterlopen en de verkavelingsinrichting; 6. Het systeem van zeedijken en voormalige zeedijken, hemdijken en polderdijken, waarbij de hemdijjken onder Bolsward en Sneek, de Penjumer Gouden Halsbân en de Slachtedijk specifiek worden benoemd als bijzonderheden in het totale dijkensysteem; 7. Aantal ingepolderde meren.
3.3
Gemeentelijk beleid
Bestemmingsplan Minnertsga Bedrijventerrein Boskdykje fase 4 Het geldende bestemmingsplan Minnertsga Bedrijventerrein Boskdykje fase 4 vormt het huidige planologisch kader voor het plangebied. In het bestemmingsplan is het gemeentelijke ruimtelijk beleid ten aanzien van deze locatie uiteengezet. In het geldende bestemmingsplan is de calamiteitenontsluiting opgenomen binnen de verkeersbestemming en doorsnijdt de ontsluiting een bedrijfskavel. Omdat bij uitgifte van de kavels is gebleken dat hiermee de kavel niet
15
goed uitgeefbaar is, is besloten om de calamiteitenontsluiting op te schuiven. Daarmee ontstaan aan weerszijden van de nieuwe calamiteitenontsluiting twee volwaardige bedrijfskavels en blijft de calamiteitenontsluiting behouden.
16
Hoofdstuk 4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. In geval van een gemengd gebied kan worden gewerkt met een verkleinde richtafstand. Toetsing De uitbreiding van dit deel van bedrijventerrein Boskdykje is planologisch mogelijk gemaakt in het geldende bestemmingsplan. Aan de milieuzonering wordt geen afbreuk gedaan met het verleggen van de calamiteiten ontsluiting. Daarmee is geen nader onderzoek naar milieuzonering noodzakelijk.
4.2
Ecologie
Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekkingen tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden. De Natura 2000-gebieden zijn door de Minister van Economische Zaken aangewezen gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden. Daarnaast bestaat het Natuur Netwerk Nederland (NNN) uit gebieden die worden aangewezen in de provinciale verordening. Binnen de NNN-gebieden mogen in beginsel geen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden. Toetsing Het plangebied is onderdeel van bedrijventerrein Boskdykje fase 4. In het kader van het geldende bestemmingsplan, waarmee de bedrijfskavels mogelijk zijn gemaakt, is een stikstofberekening uitgevoerd en een toetsing ten opzichte van omliggende beschermde natuurgebieden. De verplaatsing van de calamiteiten ontsluiting doet hieraan geen afbreuk. De verwachting is dat de verplaatsing van de calamiteitenontsluiting niet tot significante effecten leidt op nabij gelegen beschermde natuurgebieden.
Soortenbescherming In de Wnb wordt onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en daarnaast de overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
17
Toetsing Ter plaatse van het plangebied is in het kader van het geldende bestemmingsplan reeds een ecologische quickscan uitgevoerd. De quickscan is opgenomen als bijlage 1. Uit de quickscan is ten aanzien van soortenbescherming naar voren gekomen dat binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden vogels tot broeden kunnen komen, waarvan de nesten alleen tijdens de broedtijd beschermd zijn. Om die reden zal buiten het broedseizoen gewerkt worden. Voor het overige is geen sprake van beschermde soorten in het plangebied. Wel kunnen enkele meer algemene soorten voorkomen in het plangebied, waarvoor een vrijstelling geldt in geval van schade aan deze soorten. Op deze soorten is wel de zorgplicht van toepassing.
4.3
Bodem
Toetsingskader Met het oog op een goede ruimtelijke ordening, moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet ten minste verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming van toepassing. In de wet is geregeld dat als ter plaatse van een plangebied ernstige verontreinigingen worden aangetroffen, er sprake is van een saneringsgeval. Toetsing Het plangebied is in de huidige situatie bestemd voor bedrijventerrein en verkeer. In de nieuwe situatie zullen de gronden wisselen van functie. Ten behoeve van de ontwikkeling van het bedrijventerrein is in 2007 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, om de gesteldheid van de bodem te onderzoeken en te kijken of de bodem geschikt is voor het realiseren van een bedrijventerrein. Destijds is geconcludeerd dat er geen verontreinigingen in de bodem zitten en de bodem geschikt is voor de ontwikkeling van een bedrijventerrein. Dit geldt ook voor de gronden waar nu de verplaatsing van de calamiteitenontsluiting plaatsvindt. In de tussentijd hebben geen verontreinigende activiteiten plaatsgevonden op deze gronden. Daarom kan worden aangenomen dat de bodem niet verontreinigd is en geschikt is voor het voorgenomen gebruik.
4.4
Geluid
Toetsingskader Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Toetsing Met dit plan wordt een calamiteitenontsluiting verplaatst. Dit betreft geen geluidgevoelige functie. Wel wordt op de huidige locatie van de calamiteitenontsluiting een bedrijfskavel mogelijk. Bedrijfsgebouwen zijn in het kader van de Wet geluidhinder niet geluidgevoelig. Wel is via een afwijkingsmogelijkheid het toegestaan om bedrijfswoningen te realiseren in het plangebied. Voor bedrijfswoningen geldt dat deze niet gevoelig zijn voor geluid afkomstig van de
18
bedrijven op het bedrijventerrein. Wel zijn het geluidsgevoelige objecten in relatie tot wegverkeerslawaai. In het kader van het geldende bestemmingsplan is echter eerder al uitgezocht dat ter plaatse wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.
4.5
Water
Toetsingskader Van groot belang voor de ruimtelijke ordeningspraktijk is de wettelijk verplichte 'watertoets'. De watertoets kan worden gezien als een procesinstrument dat moet waarborgen dat gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder. Het onderhavige plangebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân. Toetsing Het voornemen is kenbaar gemaakt middels de digitale watertoets (kenmerk: 20200116-2-22248). Hieruit blijkt dat voor het plan de normale watertoetsprocedure van toepassing is. Dit houdt in dat de aanwezige wateraspecten van invloed zijn op het plan. Het resultaat van de watertoets is opgenomen als bijlage 2. Waterkwantiteit In het kader van het geldende bestemmingsplan wordt in overleg met Wetterskip Fryslân 10% van de toegenomen verharding gecompenseerd. De verlegging van de calamiteitenontsluiting doet hieraan geen afbreuk en valt dus onder deze bestaande compensatienorm. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.
Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. In dit geval wordt het afstromend hemelwater naar het oppervlaktewater afgevoerd, dat rondom de nieuwe bedrijfskavels loopt. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Hier wordt in de uitvoeringsfase rekening mee gehouden. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving.
19
Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. Binnen het plangebied ligt een hoofdwatergang die in beheer en onderhoud is bij het waterschap. Hier wordt rekening mee gehouden door rondom deze watergang een zone vrij te houden via waar onderhoud kan worden gepleegd. Dit valt buiten het plangebied van het verleggen van de calamiteitenontsluiting.
4.6
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) van belang. Projecten die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging zijn op grond van de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Tevens moet worden bekeken of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is voor de voorgenomen functie. Toetsing Met dit project wordt een calamiteitenontsluiting verlegd. De gronden die nu als 'Verkeer' zijn bestemd krijgen dan de bestemming 'Bedrijventerrein' en vice versa. Per saldo neemt geen van beide functies toe. Dit draagt per definitie niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Er is geen nader onderzoek noodzakelijk.
4.7
Archeologie
Toetsingskader Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie.
20
FAMKE Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd-bronstijd (300.000 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1500 n Chr.). Conform de steentijd-bronstijd advieskaart is geen onderzoek noodzakelijk, ongeacht de grootte van de ontwikkeling. Conform de ijzertijd-middeleeuwen advieskaart valt het plangebied deels binnen het gebied 'karterend onderzoek 2'. Hier geldt dat bij ontwikkelingen met een minimale oppervlakte van 2.500 m² archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Toetsing In het kader van het voorgaande bestemmingsplan Minnertsga Bedrijventerrein Boskdykje fase 3 is reeds een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek had tevens betrekking op de gronden van het plangebied van dit bestemmingsplan. In dit onderzoek is geconcludeerd dat er geen archeologische waarden in de grond zitten die nader onderzocht moeten worden. Daarmee is het aspect archeologie reeds voldoende onderzocht.
4.8
Cultuurhistorie
Toetsingskader Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Toetsing Om te onderzoeken of sprake is van cultuurhistorische waarden is gebruik gemaakt van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân. Hieruit komt naar voren dat geen sprake is van specifieke cultuurhistorische waarden binnen het plangebied.
4.9
Externe veiligheid
Toetsingskader Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over 'externe veiligheid' om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10-6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, geldt deze norm als streefwaarde. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
21
Toetsing Met deze ontwikkeling worden geen risicogevoelige objecten ontwikkeld. Bovendien is na raadpleging van de risicokaart gebleken dat geen sprake is van risicovolle inrichtingen, transportroutes en buisleidingen in de omgeving die invloed zouden kunnen hebben op het plangebied. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.
4.10 Kabels en leidingen Toetsingskader In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden. Toetsing In en rondom het plangebied is geen sprake van kabels en leidingen waar rekening mee gehouden dient te worden in dit bestemmingsplan. Daarom is nader onderzoek naar dit aspect niet noodzakelijk.
22
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Het juridisch systeem
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, digitaal en analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld conform deze standaarden. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
5.2
Toelichting op de bestemmingen
Dit bestemmingsplan bevat een partiële herziening van de bestaande regeling waarmee de voorgenomen verlegging van de calamiteitenontsluiting in noordelijke richting mogelijk wordt gemaakt. De gronden ter plaatse van de huidige inbestemde calamiteitenontsluiting worden in de voorgenomen situatie bestemd als 'Bedrijventerrein'. Vice versa wordt op de toekomstige locatie van de calamiteitenontsluiting de bestemming 'Verkeer' toegepast ter plaatse van de huidige bestemming 'Bedrijventerrein'. De regels uit het geldende bestemmingsplan Minnertsga - Bedrijventerrein Boskdykje fase 4 zijn hiervoor onverkort van toepassing verklaard.
23
24
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Inspraak en overleg Het bestemmingsplan is eerst als voorontwerp aan overlegpartners voorgelegd. Zowel Provincie Fryslân als Wetterskip Fryslân hebben hierbij aangegeven dat het plan hen geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen. Zienswijzen Vervolgens wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode wordt eenieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). Vaststelling Het bestemmingsplan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid De initiatiefnemer heeft aannemelijk gemaakt dat het voornemen financieel haalbaar is. Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. Er is sprake van een particuliere grondexploitatie.
25
26
Bijlagen toelichting
27
28
Bijlage 1 Quickscan flora en fauna
2020 1
Quickscan Wet Natuurbescherming Uitbreiding bedrijventerrein Boskdykje te Minnertsga
++
COLOFON BUREAU FAUNAX Badweg 40 B 8401 BL Gorredijk 0513-435024 info@faunax.nl www.faunax.nl Lid van Netwerk Groene Bureaus
Quickscan Wet Natuurbescherming Uitbreiding bedrijventerrein te Boskdykje te Minnertsga Gorredijk, februari 2020 In opdracht van: Rho Architecten Uitvoering: Bureau FaunaX Veldwerk en rapportage: Dhr. R. Fokker Autorisatie: Dhr. E.P. de Boer Foto’s voorpagina: Impressie van het plangebied
© Bureau FaunaX. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding: Bureau FaunaX (2020). Quickscan Wet Natuurbescherming Rho Architecten/ Ontwikkeling Boskdykje te Minnertsga. Rapport 20001. Bureau FaunaX, Gorredijk.
Disclaimer: In deze rapportage worden de resultaten van een onafhankelijk onderzoek behandeld. Bureau FaunaX heeft een adviserende rol en spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het plan waarop dit onderzoek betrekking heeft. Dit onderzoek is zo zorgvuldig en nauwkeurig mogelijk uitgevoerd. Het voorkomen van beschermde soorten is echter onvoorspelbaar. Aan dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Wanneer deze rapportage, op wat voor manier dan ook, wordt aangepast en/of aangevuld door een partij anders dan Bureau FaunaX, verliest deze rapportage zijn validiteit en geldigheid. Op dit onderzoek zijn onze algemene voorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Leeuwarden.
INHOUDSOPGAVE 1.
2
INLEIDING ..................................................................................................................... 1 1.1
Aanleiding ..................................................................................................................... 1
1.2
Doel ...............................................................................................................................2
1.3
Onderzoeksopzet ..........................................................................................................2
1.4
Karakteristiek plangebied en planvoornemen ............................................................. 3
RESULTATEN QUICKSCAN ...........................................................................................4 2.1
Flora .............................................................................................................................. 4
2.2
Vogels ........................................................................................................................... 4
2.3
2.2.1
Jaarrond beschermde vogelnesten ............................................................... 4
2.2.2
Overige (broed)vogelsoorten .........................................................................5
Zoogdieren ....................................................................................................................5 2.3.1
Vleermuizen ...................................................................................................5
2.3.2
Overige zoogdieren ....................................................................................... 6
2.4
Reptielen en amfibieën .................................................................................................7
2.5
Vissen ............................................................................................................................7
2.6
Ongewervelden .............................................................................................................7
2.7
Gebiedsbescherming .................................................................................................... 8 2.7.1
2.8 3
Houtopstanden ............................................................................................................ 9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................. 10 3.1
Overzicht beschermde soorten .................................................................................. 10
3.2
Effectbespreking en aanbevelingen ............................................................................ 10
3.3 4
Stikstofgevoeligheid ...................................................................................... 8
3.2.1
Algemene broedvogels ................................................................................. 10
3.2.2
Zorgplicht ..................................................................................................... 10
3.2.3
Stikstofuitstoot .............................................................................................. 11
3.2.4
Houtopstanden ............................................................................................. 11
Overzicht vervolgstappen ............................................................................................ 11
LITERATUUR EN BRONNEN ....................................................................................... 12
BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING ................................................................................. - 1 Wnb Soortbescherming ......................................................................................................- 1 Vogels en verstoring .................................................................................................- 1 Vrijgestelde soorten provincie Fryslân .....................................................................- 1 Voorwaarden vrijstellingen ..................................................................................... - 2 Zorgplicht art 1.11 Wnb............................................................................................. - 3 Wnb Gebiedsbescherming ................................................................................................ - 3 Natura 2000-gebieden ............................................................................................. - 3 -
Wnb Houtopstanden ......................................................................................................... - 3 NatuurNetwerk Nederland / Ecologische HoofdStructuur ............................................. - 4 -
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding Men is voornemens het bestaande bedrijventerrein Boskdykje te Minnertsga uit te breiden over een naastgelegen weiland. Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op uitvoerbaarheid, onder meer in relatie tot de natuurwetgeving. Voor meer informatie over de Wet natuurbescherming en de handelswijze wordt verwezen naar Bijlage I. Zo dient te worden onderzocht of als gevolg van de uitvoering van het plan sprake is van effecten op wettelijk beschermde soorten flora en fauna en/of natuurgebieden (Natura 2000), alsook in het kader van houtopstanden. Om hierin inzicht te krijgen wordt in eerste instantie een ecologische quickscan uitgevoerd. Bij dit onderzoek wordt een inschatting gemaakt van de (mogelijk) binnen de invloedssfeer van het project aanwezige beschermde natuurwaarden en de effecten van de voorgenomen plannen op deze waarden.
Figuur 1.1. Het plangebied te Minnertsga (Bron: Rho Adviseurs).
1
1.2 Doel Deze ecologische beoordeling geeft, voor zover mogelijk, antwoord op de volgende vragen: 1. 2. 3. 4. 5.
Komen binnen het plangebied (biotopen van) onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten voor? Komen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden beschermde natuurgebieden voor? Wat zijn de mogelijke effecten van de werkzaamheden op deze beschermde natuurwaarden en -gebieden, zowel tijdens de realisatie als na afloop hiervan? Voor welke soorten en hun leefgebied wordt de wet mogelijk overtreden en in hoeverre kunnen overtredingen vermeden, dan wel verzacht worden? Wat zijn de te ondernemen vervolgstappen met betrekking tot het voorkomen van schade aan beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden?
Voor het beantwoorden van deze vragen zijn, naast de verzamelde gegevens tijdens het veldonderzoek, ook andere bronnen geraadpleegd. Zie hiervoor de bronnenlijst in hoofdstuk 4.
1.3 Onderzoeksopzet Soorten In opdracht van Rho Adviseurs heeft Bureau FaunaX het planvoornemen door middel van een ecologische quickscan getoetst aan de natuurwetgeving. Deze quickscan heeft bestaan uit een bureaustudie en een veldbezoek gebaseerd op ecologisch inzicht (expert judgement). Een ecologische quickscan of beoordeling is meestal de eerste stap van ecologisch onderzoek en is bedoeld om een inschatting te maken van de mogelijke effecten op eventueel aanwezige beschermde flora en fauna en/of natuurgebieden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Het veldonderzoek voor deze quickscan is uitgevoerd op woensdag 22 januari 2020 en vond plaats onder winterse weersomstandigheden (5C, windkracht 2, geheel bewolkt). Dit onderzoek bestond uit een visuele inspectie van het plangebied, waarbij is gelet op de aanwezigheid van (of sporen van) beschermde soorten en op de eventuele aanwezigheid van geschikt leefgebied van deze soorten. Gebieden - Natura 2000 Behalve dat onderzocht wordt welke soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen voorkomen, wordt ook gecontroleerd of er sprake kan zijn van negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Dit gebeurt middels een grove analyse op basis van de geplande werkzaamheden en de relevante afstand tot de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden.
Houtopstanden Onder de Wet natuurbescherming worden ook houtopstanden beschermd. Er wordt gecontroleerd in welke mate er sprake is van kap en of hier een meld- en/of herplantingsplicht aan de orde kan zijn. Overige gebiedsbescherming Naast de Wet natuurbescherming zijn er nog meer regelgevingen die ingaan op het beschermen van de natuur in Nederland. Dit zijn veelal provinciale stukken, al dan niet als uitvoeringsorgaan vanuit rijksbeleid. Het gaat hierbij om regelgeving omtrent de Ecologische Hoofdstructuur, ganzengedooggebieden en weidevogelgebieden. Deze toetsing stipt kort aan of er sprake kan zijn van een conflict tussen de provinciale regelgevingen en het geplande initiatief.
2
1.4 Karakteristiek plangebied en planvoornemen Het plangebied ligt noordelijk binnen de bebouwde kom van Minnertsga en bestaat uit het bedrijventerrein Boskdykje en de westelijk en zuidelijk hiervan gelegen agrarische grond. Rond deze grond bevinden zich sloten. Aan de noordzijde van het bestaande bedrijventerrein is een groenstrook met enkele bomen aanwezig. De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door de bebouwde kom van Minnertsga, evenals agrarisch gebied doorkruist door sloten. Het planvoornemen bestaat uit het uitbreiden van het bestaande bedrijventerrein over de naastgelegen agrarische gronden, waarbij het niet geheel zeker is of er sloten worden gedempt.
Figuur 1.2. Impressie van het plangebied.
3
2 RESULTATEN QUICKSCAN 2.1 Flora In het plangebied zijn soorten aangetroffen als Engels raaigras, straatgras, smalle weegbree, ridderzuring, madeliefje, ooievaarsbekje (spec.), speenkruid, paarse dovenetel en fluitenkruid. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen, noch is het geschikte biotoop hiervoor aanwezig. De onder de Wnb beschermde plantensoorten stellen veelal kritische eisen aan hun standplaatsen. Aan deze eisen wordt binnen het plangebied niet voldaan.
De aanwezigheid van beschermde plantensoorten kan uitgesloten worden op basis van habitateigenschappen
Figuur 2.1. Impressie van de flora in het plangebied met v.l.b.n.r.o.: madeliefje, ooievaarsbekje (spec.), smalle weegbree en fluitenkruid.
2.2 Vogels 2.2.1
Jaarrond beschermde vogelnesten
Nesten van vogelsoorten die jaarrond beschermd zijn bevinden zich over het algemeen in volgroeide bomen en/of bossen, zoals ooievaarsnesten of horsten van roofvogels. Vaak worden oude kraaien- of eksternesten gebruikt door roofvogels en uilen. De groenstrook ten noorden van het bestaande bedrijventerrein is gecontroleerd op de aanwezigheid van boomnesten. Deze zijn echter niet aangetroffen. De aanwezigheid van jaarrond beschermde boomnesten kan derhalve op voorhand worden uitgesloten.
4
Het plangebied is tevens gecontroleerd op jaarrond beschermde nesten van vogels die over het algemeen in bebouwing tot broeden komen; de kerkuil, huismus en gierzwaluw. Het is niet duidelijk of de uitbreiding van het bestaande bedrijvenpand aan dit pand vast komt en of de daklaag hierdoor aangetast wordt. Op het bestaande bedrijfspand zijn gegolfde dakplaten aanwezig. Deze liggen echter dusdanig dicht op de daklaag dat er geen sprake is van geschikte openingen welke kunnen dienen als verblijfplaatsen van soorten als de huismus, gierzwaluw of kerkuil. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten binnen het plangebied kan derhalve op voorhand worden uitgesloten.
De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten.
2.2.2 Overige (broed)vogelsoorten Naast de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is het plangebied ook beoordeeld op waarden voor broedvogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. De nesten van deze soorten zijn uitsluitend beschermd tijdens het broedproces. Het plangebied biedt mogelijkheden voor diverse soorten broedvogels. Zo kunnen soorten als de houtduif tot broeden komen in de bomen en de noordelijk gelegen groenstrook, en kunnen soorten als de roodborst en de merel tot broeden komen in de struiken in deze groenstrook.
Binnen en vlak buiten de plangebieden kunnen vogels tot broeden komen waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten, maar wel beschermd zijn tijdens het broedseizoen.
2.3 Zoogdieren 2.3.1
Vleermuizen
Vleermuizen verblijven in Nederland over het algemeen in bomen, in gebouwen of in andere kunstmatige bouwwerken. De bomen in de groenstrook noordelijk binnen het plangebied zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van boomholten. Deze zijn echter niet aangetroffen. Hiernaast zijn de buitenmuren van het bestaande bedrijfspand geheel van metaal. Vleermuizen kunnen hierdoor geen grip verkrijgen op deze buitenmuren. De aanwezigheid van geschikte verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen, evenals gebouwen binnen het plangebied, kan derhalve op voorhand worden uitgesloten. Naast verblijfplaatsen van vleermuizen, kunnen ook vliegroutes en/of foerageergebieden van vleermuizen een beschermde status hebben als deze van essentieel belang zijn voor het in stand houden van een verblijfplaats. Als vliegroute worden, afhankelijk van de soort, waterlichamen, bosranden, bomenlanen of gebouwen gebruikt. Binnen het plangebied zijn echter geen overduidelijke lijnstructuren aanwezig welke een connectie vormen tussen potentiële foerageergebieden van vleermuizen. De aanwezigheid van essentiële vliegroutes en/of foerageergebieden kan derhalve op voorhand worden uitgesloten.
De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van essentiële vliegroutes en/of foerageergebieden van vleermuizen kan op voorhand worden uitgesloten.
5
2.3.2 Overige zoogdieren Het voorkomen van verblijfplaatsen van overige beschermde soorten zoogdieren, zoals de otter, Noordse woelmuis en boommarter kan op voorhand worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens (bron: NDFF) en habitateigenschappen. Door de afwezigheid van geschikte oevervegetatie in de sloten binnen het plangebied (figuur 2.2) en door de afwezigheid van waarnemingen in de omgeving hiervan (bron: NDFF) kan ook de aanwezigheid van soorten als de waterspitsmuis binnen het plangebied op voorhand worden uitgesloten.
Figuur 2.2. Zeer schaarse tot geen oevervegetatie op de oevers van de sloten binnen het plangebied.
Figuur 2.3. Oeverbegroeiing onder een vlak buiten het plangebied liggende brug (links) en oeverbeschoeiing achter deze brug (rechts).
6
Binnen het plangebied kunnen lichter beschermde (vrijgestelde) zoogdiersoorten voorkomen, zoals de veldmuis. Hoewel deze soorten voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld binnen de provincie Fryslân, dient men zich wel te houden aan de voor deze soorten geldende zorgplicht.
In het plangebied komen naar alle waarschijnlijkheid enkele lichter beschermde zoogdiersoorten zoals de veldmuis voor. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen, maar geldt wel de zorgplicht (zie Bijlage I).
2.4 Reptielen en amfibieën Het plangebied is tevens gecontroleerd op waarden voor beschermde reptielen en amfibieën. Op basis van verspreidingsgegevens (bron: NDFF) en habitateigenschappen kan op voorhand worden uitgesloten dat binnen het plangebied beschermde reptielen voorkomen. Ook de aanwezigheid van beschermde amfibieën binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens. Zo noordelijk in de provincie, op kleigrond, komen geen beschermde amfibieën voor. Binnen het plangebied kunnen andere, licht beschermde (vrijgestelde) amfibieën voorkomen, zoals de bruine kikker. Hoewel deze soorten voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld binnen de provincie Fryslân, dient men zich wel te houden aan de voor deze soorten geldende zorgplicht.
De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde reptielen en amfibieën kan op voorhand worden uitgesloten. In het plangebied komen naar alle waarschijnlijkheid licht beschermde soorten voor, zoals de bruine kikker. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen, maar geldt wel de zorgplicht (zie Bijlage I).
2.5 Vissen Het plangebied is gecontroleerd op waarden voor de in Nederland voorkomende groep beschermde zoetwatervissen. De enige soort welke redelijkerwijs binnen het plangebied kan voorkomen is de grote modderkruiper. De sloten binnen het plangebied beschikken echter niet over een goed ontwikkelde sliblaag, noch geschikte verlandingsvegetatie (figuur 2.2). Hiernaast valt het plangebied buiten het verspreidingsgebied van de grote modderkruiper en zijn er in de omgeving geen waarnemingen van de soort bekend (bronnen: Melis, J. & M. Koopmans, 2015 & NDFF)
De aanwezigheid van leefgebied van beschermde zoetwatervissen binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten.
2.6 Ongewervelden Het voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde ongewervelden kan op voorhand worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens (NDFF) en habitateigenschappen. Door het ontbreken van geschikt voortplantingswater binnen het plangebied, en doordat er geen sprake is van het aantasten van waterlichamen binnen het planvoornemen kunnen negatieve effecten op beschermde libellen(larven) op voorhand worden uitgesloten. Het voorkomen van andere beschermde ongewervelden kan worden uitgesloten, bijvoorbeeld op basis van de afwezigheid van waardplanten van beschermde vlindersoorten.
7
De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde ongewervelden kan op voorhand worden uitgesloten.
2.7 Gebiedsbescherming Tijdens de bureaustudie zijn geen vormen van gebiedsbescherming naar voren gekomen die betrekking hebben op het plangebied. Het plangebied valt niet onder de EHS/NNN of Natura2000 en is niet aangewezen als weidevogelgebied of ganzenfoerageergebied (bronnen: Weidevogelkansgebieden Fryslân en Planologische Ecologische Hoofdstructuur kaart provincie Fryslân). De provincie Fryslân is echter bevoegd gezag in dezen.
2.7.1
Stikstofgevoeligheid
Het plangebied ligt hemelsbreed op circa 3,5 km van het Natura2000 gebied Waddenzee (figuur 2.4). Tijdens de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden (Uitbreiding bedrijventerrein) verwachten wij dat er mogelijk significante stikstofuitstoot zal plaatsvinden als gevolg van het inzetten van mobiele werktuigen en de gebruiksfase van nieuwe bedrijfspanden op (stikstof)gevoelige soorten en habitattypen, zoals slijkgrasvelden en de groenknolorchis, waar dit gebied voor is aangewezen. We adviseren daarom een Aerius berekening uit te voeren. De provincie Fryslân is echter bevoegd gezag in dezen.
Figuur 2.4. Natura2000 gebieden in de omgeving van het plangebied (bron: Planologische Ecologische Hoofdstructuur kaart provincie Fryslân.
8
Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden en gebruik van de nieuwe situatie is er mogelijk sprake van significante stikstofuitstoot.
2.8 Houtopstanden Als er een houtareaal wordt gekapt van meer dan 10 are (1000 m2) of een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom kan er sprake zijn van een meld- en/of herplantingsplicht. Het is niet duidelijk of de groenstrook aan de noordzijde binnen het plangebied wordt verwijderd. Wanneer dit het geval is, is er mogelijk sprake van een melden/of herplantingsplicht. Informeer bij de gemeente Waadhoeke voor meer informatie hierover.
Er is mogelijk sprake van een meld- en/of herplantingsplicht.
9
3 SAMENVATTING EN CONCLUSIES 3.1 Overzicht beschermde soorten In onderstaand overzicht worden de aangetroffen en potentieel aanwezige beschermde soorten en hun beschermingsstatus binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden samengevat. In de Wet natuurbescherming zijn vooral vaste verblijfsplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die vaste verblijfplaatsen in stand houdt. In dit overzicht zijn alleen die soorten opgenomen, waarvoor het plangebied onderdeel vormt van hun leefgebied en/of levenscyclus, en waarop eventueel in de toekomst geplande werkzaamheden van negatieve invloed kunnen zijn. Tabel 3.1 Overzicht van aangetroffen en potentieel voorkomende beschermde flora en fauna, en andere belanghebbenden in en rond het plangebied. Soortgroep
Soort
Aanwezigheid
Vogels
Algemene broedvogels
Mogelijk
Divers
Divers
Ja
Art. 3.1
Art. 3.5
Art. 3.10
Vrijgesteld
Advies Werken buiten broedseizoen. AndersBroedvogelcheck
X X
Zorgplicht
Overig belanghebbenden
Aandachtspunt
Aanwezigheid
Advies
Natura2000
(extra)stikstofuitstoot
Mogelijk
Aerius berekening
Houtopstanden
Meld en/of herplantingsplicht
Mogelijk
Informeer bij de gemeente Waadhoeke indien er bomen worden gekapt.
3.2 Effectbespreking en aanbevelingen Het project kan naar ons inzien doorgang vinden binnen de kader van de Wet natuurbescherming, mits men zich houdt aan de hieronder volgende aanbevelingen.
3.2.1
Algemene broedvogels
Binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen vogels tot broeden komen waarvan de nesten alleen tijdens de broedtijd beschermd zijn. We adviseren daarom om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor het broedseizoen wordt over het algemeen de periode van 15 maart-15 juli aangehouden. Afhankelijk van de soort en klimatologische omstandigheden kunnen soorten echter eerder of later in het jaar tot broeden komen. Wat voor deze soorten van belang is, is of er sprake is van een broedgeval. Zo ja, dan is deze altijd beschermd. Eventueel kan voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcheck worden uitgevoerd, zodat in delen van het plangebied waar geen verstoring op kan treden reeds tijdens het broedseizoen kan worden gewerkt.
3.2.2 Zorgplicht Er kunnen enkele meer algemene soorten voorkomen in het plangebied waarvoor een vrijstelling geldt in geval van schade aan deze soorten (bv. veldmuis). Op deze soorten is wel de zorgplicht van toepassing. Deze kan tot uiting worden gebracht door zo te werken dat dieren de kans krijgen om te vluchten naar habitat buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden of dieren (zoals vrijgestelde amfibieën) naar een dergelijke habitat te verplaatsen. Voor de voorwaarden waaraan vrijstellingen moeten voldoen wordt verwezen naar Bijlage I.
10
3.2.3 Stikstofuitstoot De inzet van mobiele voertuigen tijdens de uitvoer van de voorgenomen werkzaamheden, evenals de in gebruikname van nieuwe bedrijfspanden, kunnen extra stikstofuitstoot tot gevolg hebben welke negatieve effecten kunnen uitoefenen op een nabijgelegen natura2000 gebied (Waddenzee, figuur 2.4). We adviseren een Aerius berekening uit te voeren om de eventuele effecten van de uitvoer, evenals de gebruiksfase binnen het plangebied te berekenen en vast te leggen.
3.2.4 Houtopstanden Doordat er binnen de voorgenomen werkzaamheden mogelijk een groenstrook zal worden verwijderd, is er mogelijk sprake van een meld en/of herplantingsplicht. Wanneer er sprake is van bomenkap, adviseren we om contact op te nemen met de gemeente Waadhoeke om te informeren over een eventuele meld en/of herplantingsplicht.
3.3 Overzicht vervolgstappen Het planvoornemen kan zonder bezwaren doorgang vinden binnen de kaders van de vigerende natuurwetgeving, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: