Bijlage 1 Menaam - Bitgumerdyk 3 ontwerp (29-09-2022)
Tekst van het document
Signed By: Koster, R. <r.koster@waadhoeke.nl> 12/01/2023 10:51:03 CET ID: 7a0f2b4d-0987-4f19-842d-70138221c91b Auth: Scribble
bestemmingsplan
Menaam - Bitgumerdyk 3 Waadhoeke
Signed By: Waanders, M.C.M. <m.waanders@waadhoeke.nl> 26/01/2023 15:02:44 CET ID: 7a0f2b4d-0987-4f19-842d-70138221c91b Auth: Scribble
DATUM IMRO IDN
29-09-2022 NL.IMRO.1949.BPMenBitgumerd3-ONT1
PROJECT PROJECTLEIDER
Thomas de Jong
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
20220634
AUTEUR STATUS
Stephan Latuputty ontwerp
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Ligging plangebied
7
1.3
Planologische regeling
8
1.4
Leeswijzer
8
Planbeschrijving
9
2.1
De bestaande situatie
9
2.2
Voorgenomen situatie
10
Beleidskader
11
3.1
Rijksbeleid
11
3.2
Provinciaal beleid
12
3.3
Gemeentelijk beleid
13
Milieu- en omgevingsaspecten
15
4.1
Bedrijven en milieuzonering
15
4.2
Ecologie
15
4.3
Bodem
16
4.4
Geluid
17
4.5
Water
17
4.6
Luchtkwaliteit
18
4.7
Archeologie
18
4.8
Cultuurhistorie
19
4.9
Externe veiligheid
19
4.10
Kabels en leidingen
21
Hoofdstuk 5
Juridische toelichting
23
5.1
Het juridisch systeem
23
5.2
Toelichting op de bestemmingen
23
Uitvoerbaarheid
25
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
25
6.2
Economische uitvoerbaarheid
26
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 6
Bijlagen toelichting Bijlage 1
Watertoets
Regels Hoofdstuk 1
Inleidende regels
33
Artikel 1
Begrippen
33
Artikel 2
Wijze van meten
38
Bestemmingsregels
39
Artikel 3
Wonen
39
Artikel 4
Waarde - Archeologie 3
42
Hoofdstuk 3
Algemene regels
45
Artikel 5
Anti-dubbeltelregel
45
Artikel 6
Algemene bouwregels
46
Artikel 7
Algemene gebruiksregels
47
Artikel 8
Algemene afwijkingsregels
48
Artikel 9
Algemene aanduidingsregels
49
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
51
Artikel 10
Overgangsrecht
51
Artikel 11
Slotregel
52
Hoofdstuk 2
Bijlagen regels Bijlage 1 Verbeelding
Lijst met kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten
Toelichting
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Aan de Bitgumerdyk 3 te Menaam bestaat het voornemen om een voormalig bedrijfspand, dat momenteel als bedrijfswoning gebruikt wordt, als reguliere woning in gebruik te nemen. Op basis van het geldende bestemmingsplan geldt de bestemming 'Bedrijf' op het perceel. Het voornemen is om op het perceel een woonbestemming te vestigen. Het gebruik van de gronden en bouwwerken voor bewoning, anders dan als bedrijfswoning, is onder het huidige bestemmingsplan niet toegestaan. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Het voorliggende plan voorziet hierin.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied ligt in het noorden van de kern van Menaam, in stedelijk gebied. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.
Figuur 1.1 Ligging van het plangebied
7
1.3
Planologische regeling
Het plangebied is momenteel geregeld in het bestemmingsplan Menaam, dat is vastgesteld op 22 december 2015. In figuur 1.2 is een uitsnede hiervan weergegeven.
Figuur 1.2 Verbeelding bestemmingsplan Menaam Ter plaatse van het plangebied geldt de bestemming 'Bedrijf'. Deze gronden zijn onder meer bestemd voor uitoefening van een tuinbouwbedrijf en bepaalde vormen van detailhandel met bijbehorende wegen, paden, parkeer- en groenvoorzieningen. De bedrijfsvoering ter plaatse is inmiddels beëindigd en het perceel wordt uitsluitend nog voor woondoeleinden gebruikt. Daarnaast geldt ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 3'. Deze gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Het gebruik van de gronden voor reguliere woning is op dit perceel niet toegestaan. Aangezien het initiatief bestaat uit het in gebruik nemen van het bestaande hoofdgebouw als reguliere woning in plaats van een bedrijfswoning, is er sprake van strijd met het geldende bestemmingsplan.
1.4
Leeswijzer
Na deze inleiding, wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie en het voorgenomen plan. Dit wordt in de hoofdstukken 3 en 4 getoetst aan het beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een uitleg aan de juridische regeling van het bestemmingsplan, hoofdstuk 6 gaat tenslotte in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 8
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
Het mogelijk maken van de beoogde ontwikkeling (het initiatief) is het belangrijkste uitgangspunt voor dit bestemmingsplan en wordt in dit hoofdstuk beschreven. De ontwikkeling moet op een goede manier worden ingepast in de huidige situatie. Een beschrijving van de huidige situatie is om die reden ook in dit hoofdstuk opgenomen. De inpassing in de huidige situatie wordt ook behandeld.
2.1
De bestaande situatie
Het plangebied ligt aan de Bitgumerdyk 3, in stedelijk gebied van de gemeente Waadhoeke. De locatie ligt ten noorden van de dorpskern van Menaam. Ter plaatse staat een hoofdgebouw en twee bijgebouwen. Het hoofdgebouw bestaat uit twee woonlagen met zadeldak. De bijgebouwen bestaan uit één bouwlaag met kap. Het perceel is ontsloten aan de Bitgumerdyk. Deze weg sluit vervolgens op 2 kilometer in zuidelijke richting aan op de A31, en op 2,5 kilometer in noordoostelijke richting op de N383. Aan de Bitgumerdyk in noordelijke richting zijn hoofdzakelijk bedrijven gevestigd. Bovendien is op ongeveer 1,4 kilometer ten noorden van het plangebied een zonnepark gelegen. Ten zuiden van het plangebied zijn met name woningen gevestigd. In figuur 2.1 is een luchtfoto van het plangebied weergegeven.
Figuur 2.1 Luchtfoto van de bestaande situatie
9
2.2
Voorgenomen situatie
Het voornemen is om het bestaande hoofdgebouw, dat momenteel als bedrijfswoning gebruikt wordt, in gebruik te nemen als reguliere woning. Hierbij worden uitsluitend interne verbouwingen gepleegd. De bebouwing en het beeld hiervan wijzigen in de voorgenomen situatie niet. Er is uitsluitend sprake van een functiewijziging van het hoofdgebouw. Ruimtelijke inpassing De kavel waar de transformatie wordt voorzien ligt aan de Bitgumerdyk en is in lijn met de naastgelegen woningen. Het hoofdgebouw bestaat uit twee bouwlagen met kap, wat in overeenstemming is met de naastgelegen bebouwing aan de Bitgumerdyk. Bovendien gelden gelijke bouwregels voor de woning in het plangebied als voor de omliggende woningen. Functioneel wordt aangesloten bij het cluster aan woningen dat reeds in de omgeving aanwezig is. Verkeer en parkeren Verkeersstructuur De woning in het plangebied wordt via een oprit ontsloten op de Bitgumerdyk. Deze weg sluit op 2 kilometer in zuidelijke richting aan op de A31 en op 2,5 kilometer in noordoostelijke richting op de N383. Daarmee is de ontsluiting goed. Aangezien bedrijfsvoering op het perceel onder de nieuwe bestemming niet langer mogelijk is, neemt de verkeersgeneratie naar verwachting af. Hierdoor zal geen sprake zijn van een toename in verkeersgeneratie die zorgt voor belemmeringen op de bestaande infrastructuur.
De verkeersgeneratie voor reguliere bewoning gaat op in het huidige verkeer. De parkeerbehoefte van 2 parkeerplaatsen wordt geheel voorzien op eigen erf. Daarmee is geen sprake van afwikkeling op de omgeving en wordt op goede wijze voorzien in de parkeerbehoefte.
10
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren Opgaven Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal.
Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven: 1. Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie; 2. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden; 3. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Uitvoering De NOVI gaat vergezeld van een Uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda zijn onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen te vinden. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd. De ontwikkeling in het plangebied raakt, gezien de relatief zeer kleine omvang, geen opgaven die zijn opgenomen in de NOVI en draagt bij aan de opgave om steden en regio's sterker en leefbaarder te maken. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden en stelt regels aan rijksbelangen. Dit plan raakt geen rijksbelangen zoals deze genoemd zijn in het Barro.
11
Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR is de 'ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder is ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Dat betekent dat overheden nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten motiveren met oog voor de behoefte en de beschikbare ruimte binnen stedelijk gebied. In het plangebied wordt slechts één reguliere woning mogelijk gemaakt. Dit is op basis van jurisprudentie niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. Daarom is een toetsing aan de ladder niet noodzakelijk.
3.2
Provinciaal beleid
Het provinciale beleid is uiteengezet in de Omgevingsvisie Provincie Fryslân. De belangrijkste uitgangspunten uit het provinciale beleid zijn in de regelgeving vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân. De nieuwe omgevingsverordening is nog niet vastgesteld. Omgevingsvisie Provincie Fryslân 'De romte diele' De hoofdambitie van de provincie voor de Friese leefomgeving is brede welvaart in een vitaal, veerkrachtig, karakteristiek en gezond Fryslân. In de Omgevingsvisie werkt de provincie de provinciale ambities, opgaven, doelen en werkwijze voor de komende jaren uit. De werkwijze is gestoeld op negen principes: Inhoudelijke principes: 1. zuinig ruimtegebruik; 2. omgevingskwaliteit als ontwerpbasis; 3. koppelen van ambities; 4. gezondheid en veilig; Samenwerkingsprincipes: 5. rolbewust; 6. decentraal wat kan; 7. ja, mits; 8. aansluiting zoeken; 9. sturen op proces, ruimer op inhoud. Dit is vertaald naar vier urgente opgaven die de provincie wil aanpakken: 1. Fryslân houdt de leefomgeving vitaal, leefbaar en bereikbaar; 2. Fryslân zet de energietransitie met kracht voort; 3. Fryslân wordt klimaat-adaptief ingericht; 4. Fryslân versterkt de biodiversiteit. Om de leefomgeving vitaal, leefbaar en bereikbaar te houden moeten onder meer voldoende woningen worden voorzien in de provincie.
Daarbij zet de provincie onder meer in op het opknappen en hergebruiken van verouderde bedrijventerreinen, kantoorlocaties, winkelpanden en leegstaande gebouwen. Er staan steeds meer kerken, scholen, industrieel erfgoed en boerderijen leeg. Door onder meer renovatie, sloop, hergebruik en nieuwbouw in samenhang
12
te bezien, kunnen woonkwaliteiten tot ontwikkeling komen die optimaal aansluiten op erfgoed en het cultuurhistorisch DNA van steden en dorpen. Het verbeteren van bestaand bebouwd gebied moet gecombineerd worden met optimale benutting ervan voor nieuwe woningen en bedrijvigheid. Het ontwikkelen van uitleglocaties is weliswaar eenvoudiger, maar heeft tot gevolg dat herstructurering en transformatie moeilijker van de grond komen en het leidt tot verspilling van ruimte. Toetsing Binnen het plangebied wordt een bestaande bedrijfswoning in gebruik genomen als reguliere woning. Hierbij wordt dus aan bestaande bebouwing een nieuwe functie toegewezen. Daarmee is het voornemen in overeenstemming met de provinciale Omgevingsvisie. Verordening Romte In de Verordening Romte zijn regels gesteld die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. De provincie wil stedelijke ontwikkelingen zoveel mogelijk plaats laten vinden binnen bestaand stedelijk gebied. In het onderliggende voornemen is enkel sprake van een functiewijziging, welke niet als stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt. Hiermee is de ontwikkeling in overeenstemming met het provinciaal beleid voor wat betreft de locatie. In artikel 3 zijn regels opgenomen ten aanzien van wonen: 1.
Een ruimtelijk plan kan mogelijkheden voor woningbouw bevatten indien de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw in overeenstemming zijn met een woonplan, dat de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft. 2. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan een woningbouwproject bevatten dat niet is opgenomen in een woonplan, indien: a. het woningbouwproject niet meer dan 3 woningen bevat dan wel, voor zover gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied, niet meer dan 11 woningen bevat, en b. in de plantoelichting is gemotiveerd dat en op welke wijze overschrijding van het woningbouwprogramma van het woonplan kan worden voorkomen door uitwisseling of fasering van projecten. In dit geval past de woning binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma. Dit is nader onderbouwd in paragraaf 3.3. Daarmee is het voornemen in overeenstemming met artikel 3 van de provinciale verordening.
3.3
Gemeentelijk beleid
Woonvisie Waadhoeke 2020-2030 Samen Sterk In 2020 heeft de gemeente Waadhoeke haar eerste Woonvisie vastgesteld. De woonvisie vormt een beginpunt in het behalen van de gemeentelijke doelen op het gebied van wonen, om van daaruit met de dorpen verder te werken aan hun toekomst. De woonvisie is gebaseerd op onder meer een woningmarktonderzoek, prestatieafspraken met corporaties en huurdersorganisaties, uitkomsten van vragen aan bewoners, de schouw van bestaande buurten die de gemeente elke vier jaar doet. De hoofdlijn van de visie.
13
In de woonvisie wordt gesteld dat op korte termijn vraag is naar zowel levensloopbestendige woningen als gezinswoningen. Verder wordt verwacht dat het aantal inwoners in de regio Noordwest-Fryslân de komende 10 jaar daalt. Er is echter nog wel sprake van een groei in het aantal huishoudens, omdat de huishoudensgrootte afneemt. In de woonvisie zijn bandbreedtes per kern opgenomen: een verdeling van de totale behoefte aan woningen tot 2024. Voor Menaam geldt dat op termijn behoefte is aan maximaal 10 woningen. Er is met name behoefte aan een binnendorpse ontwikkeling, van grondgebonden woningen zowel koop als huur. De voorgenomen woning die met dit plan wordt mogelijk gemaakt past binnen deze woonvisie. Daarmee is het voornemen in overeenstemming met het gemeentelijk beleid.
14
Hoofdstuk 4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. In geval van een gemengd gebied kan worden gewerkt met een verkleinde richtafstand. Toetsing Het plangebied ligt ten noorden van de dorpskern van Menaam, in stedelijk gebied. In de omgeving zijn meerdere bedrijven aanwezig die invloed kunnen hebben op de ontwikkeling in het plangebied. Op ongeveer 70 meter ten noorden van het plangebied is een auto-, schroot-, en metaalhandel gevestigd. Een dergelijk bedrijf valt in milieucategorie 2, waarvoor een richtafstand van 30 meter geldt. Op 85 meter ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich een transportbedrijf. Voor dit bedrijf, dat in milieucategorie 2 valt, geldt een richtafstand van 30 meter. Aan deze richtafstanden wordt voldaan. Daarnaast is op 125 meter afstand van het plangebied een lpg-installatie gevestigd. Deze installatie bevindt zich in milieucategorie 3.1, waarbij een richtafstand geldt van 50 meter.
Het plangebied bevindt zich buiten de richtafstand voor een dergelijke installatie. Daarmee vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor dit plan.
4.2
Ecologie
Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden. De Natura 2000-gebieden zijn door de Minister van Economische Zaken aangewezen gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden. Daarnaast bestaat het Natuur Netwerk Nederland (NNN) uit gebieden die worden aangewezen in de provinciale verordening. Binnen de NNNgebieden mogen in beginsel geen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden.
15
Toetsing Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde gebieden als Natura 2000 en Natuur Netwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Waddenzee op circa 9,7 kilometer afstand tot het plangebied. Het plangebied valt in het stedelijk gebied. Binnen het plangebied wordt reguliere bewoning in een bestaand hoofdgebouw mogelijk gemaakt. Omdat het slechts om één woning gaat is de verkeersgeneratie als gevolg hiervan zeer beperkt. Daarom kan redelijkerwijs gesteld worden dat de ontwikkeling in het plangebied geen significante gevolgen heeft voor omringende beschermde natuurgebieden. Natura 2000-gebieden: stikstofdepositie In Nederland staan veel Natura 2000-gebieden onder druk door een overbelasting van stikstofdepositie. Dit geldt ook voor het Natura 2000-gebied de Waddenzee. Naar verwachting zal de verkeersgeneratie afnemen onder het huidige planvoornemen. Bovendien heeft de voorgenomen ontwikkeling een relatief kleinschalig karakter. Hierdoor is het niet te verwachten dat de ontwikkelingen in het plangebied negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Soortenbescherming In de Wnb wordt onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en daarnaast de overige soorten.
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Toetsing In het plangebied wordt een bestaande bedrijfswoning in gebruik genomen als reguliere woning. Ten behoeve hiervan vinden uitsluitend intern ingrepen plaats. Op voorhand kan daarom gesteld worden dat er geen belemmeringen optreden voor beschermde soorten. Er is geen onderzoek noodzakelijk.
4.3
Bodem
Toetsingskader Met het oog op een goede ruimtelijke ordening, moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet ten minste verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming van toepassing. In de wet is geregeld dat als ter plaatse van een plangebied ernstige verontreinigingen worden aangetroffen, er sprake is van een saneringsgeval. Toetsing Het plangebied is in het geldende planologisch regime reeds bestemd ten behoeve van wonen, hoewel dit momenteel een bedrijfswoning betreft en in het planvoornemen reguliere bewoning zal plaatsvinden. Er is hiermee enkel sprake van een functiewijziging. Op basis hiervan kan worden aangenomen dat de gronden geschikt zijn voor het voorgenomen gebruik. Bovendien hebben zich tussen de vaststelling van het geldende bestemmingsplan en nu geen bodemverontreinigende activiteiten voorgedaan op het te bebouwen perceel. Nader onderzoek is voor het bestemmingsplan niet noodzakelijk.
16
4.4
Geluid
Toetsingskader Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Toetsing Het plangebied ligt in stedelijk gebied. De wegen rondom het plangebied betreffen wegen met een maximaal toegestane snelheid van 60 km/h. De locatie ligt niet binnen de geluidzones van deze wegen. De naastgelegen Bitgumerdyk heeft een snelheidslimiet van 30 km/h waardoor van een geluidzone op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geen sprake is. Bovendien wordt in het planvoornemen een bedrijfswoning als reguliere woning in gebruik genomen. De Wgh maakt geen onderscheid tussen bedrijfswoningen en reguliere woningen, waardoor in het kader van wegverkeersgeluid geen sprake is van een nieuwe situatie. Nader akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk.
4.5
Water
Toetsingskader Van groot belang voor de ruimtelijke ordeningspraktijk is de wettelijk verplichte 'watertoets'. De watertoets kan worden gezien als een procesinstrument dat moet waarborgen dat gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder. Het onderhavige plangebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân. Toetsing Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het Wetterskip Fryslân. De uitkomst van deze toets is dat er geen waterschapsbelang geldt. Dit houdt in dat de aanwezige wateraspecten niet van invloed zijn op het plan. Het resultaat van de watertoets is opgenomen als bijlage 1. Verharding Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is. In dit specifieke geval neemt de verharding als gevolg van de functiewijziging niet toe, waardoor er geen noodzaak tot watercompensatie is.
17
Ruimtelijke adaptatie Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Kansen moeten benut worden om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Bij de inrichting van het plangebied kan hierop geanticipeerd worden door bijvoorbeeld het percentage verhard oppervlak te verminderen en het plangebied groener in te richten. Door nu maatregelen te nemen, worden steden en dorpen mooier en wordt grote schade in de toekomst voorkomen. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen. Met voorgenoemde advies wordt bij de uitvoering van de plannen rekening gehouden.
4.6
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) van belang. Projecten die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging zijn op grond van de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Tevens moet worden bekeken of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is voor de voorgenomen functie. Toetsing Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (2015) is er in de directe omgeving van het plangebied sprake van een goede luchtkwaliteit. Dit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. In het plangebied wordt reguliere bewoning mogelijk gemaakt door middel van een functiewijziging van een bestaand hoofdgebouw. Aangezien bedrijfsvoering op het perceel niet langer mogelijk zal zijn heeft dit een positief effect op de luchtkwaliteit. Bovendien is de ontwikkeling dusdanig klein, dat op voorhand gesteld kan worden dat dit niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het project valt ook onder de NIBM-regeling.
4.7
Archeologie
Toetsingskader Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2022 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie.
18
FAMKE Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd-bronstijd (300.000 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1500 n Chr.). Toetsing Conform de advieskaart ijzertijd-middeleeuwen valt het plangebied in het adviesgebied: karterend onderzoek 1. Hier geldt dat bij ingrepen van meer dan 500 m2 door de provincie wordt aanbevolen een karterend (boor)onderzoek uit te voeren. Deze grenswaarde wordt in het plangebied niet overschreden, omdat er geen nieuwbouw plaatsvindt. Conform de advieskaart steentijd-bronstijd is geen onderzoek noodzakelijk, ongeacht de grootte van de ontwikkeling. Daarmee vormt het aspect archeologie geen belemmering voor deze ontwikkeling.
4.8
Cultuurhistorie
Toetsingskader Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Toetsing Om te onderzoeken of sprake is van cultuurhistorische waarden is gebruik gemaakt van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân. Hieruit komt naar voren dat geen sprake is van specifieke cultuurhistorische waarden binnen het plangebied. Daarmee vormt dit aspect geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.9
Externe veiligheid
Toetsingskader Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over 'externe veiligheid' om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10-6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, geldt deze norm als streefwaarde. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
19
Toetsing In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd. In de nabijheid is geen sprake van risicovolle buisleidingen en transportroutes. Wel is een risicovolle inrichting in de buurt, in de vorm van een LPG-station aan het Moolnersrak, op circa 100 meter ten (zuid)westen van het plangebied. De inventarisatieafstand van het groepsrisico bedraagt 150, het plangebied valt hier dus binnen. De ontwikkeling in het plangebied betreft slechts een functiewijziging van bedrijf naar wonen. De bestaande bedrijfswoning wordt als reguliere woning in gebruik genomen. Hierbij neemt dus het aantal personen in het plangebied niet toe in de dag- en nachtperiode en dit geldt eveneens voor het groepsrisico. Daarom is uitsluitend een beknopte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Beknopte verantwoording groepsrisico Bestrijdbaarheid Bij bestrijdbaarheid gaat het om de mogelijkheden tot voorbereiding van de bestrijding en beperking van de omvang van een calamiteit. Om de gevolgen zoveel mogelijk te beperken, is het van belang dat de hulpverleningsdiensten niet worden belemmerd in de uitvoering van hun hulpverlenende taken. Om de bestrijdbaarheid te kunnen verantwoorden wordt gekeken naar: bereikbaarheid van het plangebied en de risicobronnen; bluswatervoorzieningen binnen het plangebied en nabij de risicobronnen.
Bereikbaarheid Het plangebied is als geheel voor de hulpdiensten voldoende snel in voldoende mate tweezijdig bereikbaar, via beide kanten van de Bitgumerdyk. Daarmee is het plangebied en de risicobron bovenwinds bereikbaar. De risicobron zelf is eveneens goed bereikbaar. Bluswatervoorzieningen Wat betreft de bluswatervoorziening is de brandweer in eerste instantie aangewezen op de brandkranen. In nabijheid van het plangebied is een brandkraan op een waterleiding aanwezig. Hiermee is de primaire bluswatervoorziening op orde. In de nabijheid van het plangebied is tevens een secundaire bluswatervoorziening aanwezig. Het water uit de Menaldumervaart kan hiervoor worden ingezet. Zelfredzaamheid Bij zelfredzaamheid gaat het om de mogelijkheden voor personen in het invloedsgebied van een risicobron, om zichzelf in veiligheid te brengen. Belangrijk aspect hierbij is, dat zij zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten, bijvoorbeeld door te vluchten of te schuilen Het is noodzakelijk dat mensen zich bewust zijn van de risico's en handelingsperspectieven. De mate van zelfredzaamheid in het rampgebied is bepalend voor de omvang van de hulpverlening tijdens en ramp of een zwaar ongeval.
Om de zelfredzaamheid van de aanwezige personen te beoordelen, is gekeken naar de volgende aspecten: zelfredzaam vermogen; mogelijkheden tot vluchten of schuilen; alarmeringsmogelijkheden.
20
Zelfredzaam vermogen Binnen het plangebied wordt er vanuit gegaan dat de personen zichzelf kunnen redden en in veiligheid kunnen brengen in geval van nood. Minder zelfredzame personen, waaronder ouderen en kinderen, kunnen door zelfredzame personen worden geholpen. Mogelijkheden tot vluchten of schuilen Het plangebied biedt over het algemeen voldoende mogelijkheden voor het ontvluchten van de mogelijke rampgebieden. Via de Bitgumerdyk kan in noordelijke richting van de bron af gevlucht worden. De Bitgumerdyk is eenvoudig via de oprit van het perceel bereikbaar. De bestaande panden in het plangebied kunnen ter afscherming dienen om achter te schuilen. Alarmeringsmogelijkheden Het plangebied ligt deels buiten het sirenebereik van het bestaande Waarschuwings- en alarmeringssysteem. Echter is eind 2012 NL-Alert geïntroduceerd. Met NL-Alert kan de overheid mensen in een rampgebied en in de directe omgeving van een (dreigende) noodsituatie met een tekstbericht informeren via de eigen mobiele telefoon. Daarnaast wordt in de toekomst bij grote rampen alarm geslagen via onder meer calamiteitenzenders, geluidswagens en sociale media. Hierdoor is een snelle alarmering in het hele plangebied mogelijk.
4.10 Kabels en leidingen Toetsingskader In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden. Toetsing Binnen het plangebied is geen sprake van kabels en leidingen waar rekening mee gehouden dient te worden. Het aspect kabels en leidingen vormt daarom geen belemmering voor dit plan.
21
22
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Het juridisch systeem
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, digitaal en analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld conform deze standaarden. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
5.2
Toelichting op de bestemmingen
In het voorliggende bestemmingsplan wordt de beoogde situatie vastgelegd. Het plangebied in dit plan heeft de enkelbestemming 'Wonen' gekregen. De maximale goothoogte van de aanwezige gebouwen bedraagt 6 meter, de maximale bouwhoogte 9 meter. Het hoofdgebouw kan gebruikt worden voor reguliere bewoning. Ter plaatse van het plangebied is sprake van de gebiedsaanduiding 'Geluidzone - luchtvaart 35 - 40 Ke'. Bovendien heeft het perceel de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Dit is opgezet volgens het geldende bestemmingsplan en de recente standaarden van de gemeente Waadhoeke.
23
24
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het bestemmingsplan doorloopt de in de Wro vastgelegde procedure. Tijdens deze procedure zijn er verschillende momenten waarop burgers en belanghebbenden hun zienswijze op het plan kenbaar kunnen maken. Hieronder volgt een nadere toelichting. Voorontwerp Het voorontwerpbestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg ter beoordeling voorgelegd aan de overlegpartners. Hierop heeft Provincie Fryslân een overlegreactie ingediend. Provincie Fryslân De provincie heeft in een overlegreactie advies gegeven op twee punten: 1. Provincie Fryslân adviseert om nader te bekijken of alsnog een ecologische toets moet plaatsvinden en wijst erop dat dit nodig is indien sprake is van verbouwwerkzaamheden, bijvoorbeeld aan het dak; 2. Provincie Fryslân adviseert om nader te beoordelen of een verantwoording van het groepsrisico moet worden opgesteld en indien nodig de toelichting hierop aan te passen. Reactie gemeente Er is geen sprake van verbouwwerkzaamheden waarvoor een ecologische toets benodigd is. Daarentegen is paragraaf 4.9 aangepast en aangevuld met een beknopte verantwoording van het groepsrisico. Ontwerpbestemmingsplan De resultaten van het vooroverleg zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro).
De uitkomsten hiervan kunnen nieuwe niet voorziene uitgangspunten voor het bestemmingsplan geven. Vaststelling Het bestemmingsplan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.
25
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Het bestemmingsplan vormt het toetsingskader voor een particuliere ontwikkeling. De initiatiefnemer heeft aannemelijk gemaakt dat het plan financieel haalbaar is. Grondexploitatie Het doel van de grondexploitatieregeling is het inzichtelijk maken van de financiële haalbaarheid en het bieden van meerdere mogelijkheden voor het kostenverhaal, waardoor er meer sturingsmogelijkheden zijn. In dit bestemmingsplan is geen sprake van een bouwplan waardoor het niet noodzakelijk is om een grondexploitatieplan op te stellen. Planschade De gemeente sluit met de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst.
26
Bijlagen toelichting
Bijlage 1 Watertoets
30
Digitale Watertoets Res ultaat van de check gedaan op 13-06-2022
Digitale watertoets De watertoets helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toets en of u de belangen van het Waters chap raakt. Indien dit het geval is krijgt u teks t en uitleg over het vervolg proces .
VOOR DE ACTIVITEIT DIGITALE WATERTOETS IS OP BASIS VAN DE GEGEVEN ANTWOORDEN NODIG: 1.
Procedure: Geen waters chaps belang
OP BASIS VAN ONDERSTAANDE LOCATIE
13-06-2022, 11:06
P agina 1 van 4
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets VRAGEN EN ANTWOORDEN UIT DE CHECK 1.
Gaat het plan uits luitend over de functiewijziging van bes taande bebouwing zonder fys ieke aanpas s ing van bebouwing en ruimte? ja
13-06-2022, 11:06
P agina 2 van 4
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets DETAILS 1.
Procedure: Geen waterschapsbelang Op bas is van je locatie en gegeven antwoorden is er geen waters chaps belang bij je ruimtelijke activiteit.
Wat moet ik doen? Je hoeft geen verdere actie te ondernemen. Uit de door jou ingevulde gegevens blijkt namelijk dat je plan geen invloed heeft op het water of de wateras pecten (zoals gemalen, s tuwen of pers leidingen) in de omgeving.
Waar moet ik op letten? Voor s ommige werkzaamheden heb je een watervergunning nodig. Bijvoorbeeld als je een s loot wilt dempen, afvalwater wilt lozen op oppervlaktewater of grondwater wilt onttrekken. Soms is het doen van een melding voldoende. Via Omgevings loket online www.omgevings loket.nl kun je nagaan of je een watervergunning nodig hebt of een melding moet doen (vergunningcheck). Je kunt hier ook meteen de vergunning aanvragen of de melding doen.
Achtergrondinformatie Watertoets De watertoets zorgt ervoor dat in alle ruimtelijke plannen aandacht wordt bes teed aan veiligheid, kwaliteit én kwantiteit van water. Als richtlijn bij het beoordelen van ruimtelijke plannen werken we met de Leidraad Watertoets . Hierin s taat voor alle wateras pecten uitgangs punten oms chreven waar je rekening mee moet houden. Ook is er informatie te vinden over de te nemen maatregelen. Je kunt de leidraad vinden via deze link: www.wetters kipfrys lan.nl/vergunningen-wetten-enregels /online-watertoets -voor-nieuwe-plannen
Toename verharding Wij willen je verzoeken om in de waterparagraaf de volgende pas s age op te nemen over het onderdeel toename verharding. Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een vers nelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze vers nelde afvoer te compens eren om de waterberging in een gebied in s tand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel pas t binnen het bes temmings plan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompens eerd is . Het is niet toeges taan zonder watervergunning neers lag vers neld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in s tedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijs telling van de vergunnings plicht wanneer wordt voldaan aan de compens atieregels genoemd in dit wateradvies . De mees t voorkomende manier van compens eren is het graven 13-06-2022, 11:06
P agina 3 van 4
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater hanteren wij de volgende compens atienorm: Boezem 5%, dit heeft alleen betrekking op de Fries e boezem; Polder 10%, Vrij afs tromend, alternatieve maatregelen. Uiteraard is het toepas s en van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan hier vermeld. Z ie de ‘Leidraad watertoets ’ voor meer informatie over compens erende maatregelen of neem contact op met ons . Indien er niet wordt gecompens eerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij bovens taande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeens temming plaats vindt in de watertoets procedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waters chap te worden gevraagd. Bekijk ook de ‘Leidraad Watertoets ’ voor meer informatie over maatregelen die je kunt treffen om te compens eren. Als je niet compens eert dan moet je een watervergunning aanvragen voor het s nel afvoeren van regenwater.
Klimaat Om ook in de toekoms t prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten s teden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekoms t. Z o is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bes tand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overs troming. Meer informatie hierover kun je vinden op ‘De Fries e klimaatatlas ’: www.fries eklimaatatlas .nl
Privacyverklaring Nadere informatie over de verwerking van je gegevens en je rechten vind je op https ://www.wetters kipfrys lan.nl/over-de-s ite/privacyverklaring
13-06-2022, 11:06
P agina 4 van 4
https://dewatertoets.nl
Regels
32
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 plan het bestemmingsplan Menaam - Bitgumerdyk 3 met identificatienummer NL.IMRO.1949.BPMenBitgumerd3-ONT1 van de gemeente Waadhoeke; 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 aan-huis-verbonden beroep of bedrijf een dienstverlenend beroep of bedrijf, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.4 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.5 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.6 achtererfgebied erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen; 1.7 archeologische waarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden; 1.8 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.9 bebouwingsbeeld de waarde van
een gebied in stedenbouwkundige zin, die wordt bepaald door de mate van samenhang in aanwezige bebouwing, daarbij in het bijzonder gelet op een goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte, een goede hoogte- en breedteverhouding tussen de bebouwing onderling en de samenhang in bouwvorm en ligging tussen bebouwing die ruimtelijk op elkaar is georiënteerd; 1.10
33
bedrijfsvloeroppervlakte
de totale vloeroppervlakte van de ruimte binnen gebouwen of behorende bij een functie (deels) buiten gebouwen die wordt gebruikt voor een bedrijf, een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.11 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.12 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.13 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 1.14 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.15 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.16 bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel; 1.17 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; 1.18 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun
vindt in of op de grond; 1.19 dak iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.20 daknok hoogste punt van een schuin dak; 1.21 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
34
1.22 erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden; 1.23 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.24 gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden de mogelijkheden om gronden en daarop toegelaten bouwwerken overeenkomstig de daaraan toegekende bestemming te gebruiken, gelet op het gebruik van de in de nabijheid gelegen gronden; 1.25 hoofdgebouw een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt; 1.26 huishouden een zelfstandig(e) dan wel samenwonend persoon of groep van personen met een zekere mate van onderlinge verbondenheid die binnen een complex van ruimte gebruik maken van dezelfde voorzieningen zoals een keuken, sanitaire voorzieningen en de entree; 1.27 Ke kosteneenheden - eenheid waarin vliegtuiglawaai wordt uitgedrukt; 1.28 kamerverhuur het bedrijfsmatig (nacht)verblijf aanbieden, waarbij het kenmerk is dat de kamerhuurder ter plaatse het hoofdverblijf heeft; 1.29 kampeermiddel een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of een stacaravan, dan wel enig ander
daarmee vergelijkbaar voertuig of onderkomen, dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; 1.30 kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten de in bijlage 1 genoemde bedrijvigheid, dan wel naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend door de bewoner en de aan de bedrijvigheid bij woningen gebonden medewerkers; 1.31 mantelzorg intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond;
35
1.32 milieusituatie de situatie, waarbij milieuaspecten dienen te worden beoordeeld, zoals hinder voor omwonenden, externe veiligheid en een verkeersaantrekkende werking. In het bijzonder dient er bij de situering en omvang van milieubelastende functies (o.a. bedrijven) op te worden gelet dat de uitbreiding of nieuwvestiging van milieugevoelige functies (o.a. woningen) zo weinig mogelijk wordt beperkt. Omgekeerd dient er bij uitbreiding of nieuwvestiging van milieugevoelige functies op te worden gelet dat bestaande milieubelastende functies zo weinig mogelijk in hun functioneren worden beperkt; 1.33 nutsvoorzieningen voorzieningen voor algemeen nut, zoals afvalinzameling, elektriciteit, gas, (tele)communicatie en dataverkeer, openbaar vervoer en water. Het gaat hierbij om andere bouwwerken zoals antennes, bakken, borden, containers, hekken, kastjes, palen, zuilen en wat met deze bouwwerken te vergelijken is.
Onder nutsvoorziening wordt ook verstaan een schakelstation, een rioolwaterzuiveringsinstallatie, een telecommunicatiestation en een transformatorstation; 1.34 openbaar toegankelijk gebied weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer; 1.35 peil a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; c. indien in of op het water wordt gebouwd: het Nieuw Amsterdams Peil; 1.36 perceelgrens de grens van een kadastraal perceel; 1.37 productiegebonden detailhandel detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, geteeld, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie; 1.38 seksinrichting een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht.
of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een sekstheater, een seksautomatenhal, of een parenclub, of een daarmee gelijk te stellen bedrijf, al dan niet in combinatie met elkaar;
36
1.39 standplaats een afgebakend terrein van beperkte omvang waarop ten hoogste één kampeermiddel en twee bijzettentjes voor een bij elkaar horende groep personen kunnen worden geplaatst; 1.40 verkeersveiligheid de veiligheid voor het verkeer die wordt bepaald door de mate van overzichtelijkheid en vrij uitzicht (met name bij kruisingen van wegen en uitritten) en de (mogelijke) effecten van bebouwing en overige inrichtingselementen op de gedragingen van verkeersdeelnemers; 1.41 voorgevel de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw, of indien een kadastraal perceel met meer dan één zijde grenst aan een weg, de als zodanig door de burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel; 1.42 voorgevelrooilijn de naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde bouwgrens, met dien verstande dat indien een bouwvlak gericht is op meerdere wegen of is gericht op meerdere openbare ruimtes, de bouwgrens die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt; 1.43 woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, niet zijnde kamerverhuur; 1.44 woonhuis een gebouw, dat één woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat, en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.
37
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.2 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, ondergeschikte bouwdelen als goten van dakkapellen niet meegerekend; 2.3 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.5 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.6 de afstand tot de zijdelingse perceelgrens de kortste afstand vanaf enig punt van een (hoofd)gebouw tot de zijdelingse perceelgrens.
38
Hoofdstuk 2 Artikel 3
Bestemmingsregels
Wonen
3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woonhuizen, al dan niet in combinatie met een ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, waarbij er sprake dient te zijn van een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit; b. tuinen en erven; c. groenvoorzieningen; d. verkeers- en verblijfsvoorzieningen; e. speelvoorzieningen; f. openbare nutsvoorzieningen; g. water. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd; b. een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; c. het aantal woningen per bouwvlak mag niet meer bedragen dan het aantal aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden"; d. het hoofdgebouw mag uitsluitend gebouwd worden in de naar de weg gekeerde bouwgrens; e. de afstand tussen de zijgevel tot de zijdelingse perceelgrens mag niet minder bedragen dan 3 m; f. horizontale diepte van een hoofdgebouw mag niet meer dan 15 m bedragen; g. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)"; h. het hoofdgebouw mag uitsluitend worden afgedekt met een kap waarvan de dakhelling niet minder dan 35° mag bedragen.
3.2.2 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken zullen ten minste 1,00 m achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw c.q. het verlengde daarvan worden gebouwd; b. de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken bij een hoofdgebouw zal ten hoogste 100 m² bedragen, met dien verstande dat: 1. de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken ten hoogste 100% van de oppervlakte van het hoofdgebouw zal bedragen; 2. de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken bij een hoofdgebouw ten hoogste 50% van het erf zal bedragen;
39
c. de goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk zal ten hoogste gelijk zijn aan de bouwhoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw waaraan wordt gebouwd, plus 0,25 m, met dien verstande dat de goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meer mag bedragen dan 4,00 m; d. de goothoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk zal ten hoogste 3,50 m bedragen; e. de bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk zal ten hoogste 6,00 m bedragen. 3.2.3 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van een erf- of perceelafscheiding, mag niet meer bedragen dan: 1. 1 m, of 2. niet hoger dan 2 m, en op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie staat, achter de voorgevelrooilijn, en op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; b. in afwijking van het bepaalde onder a mogen erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevel van het hoofdgebouw over het gedeelte tussen het hoofdgebouw en de bij behorende bouwwerken ten hoogste 2 m bedragen, indien een bijbehorend bouwwerk vóór de voorgevel van het hoofdgebouw is gesitueerd; c.
de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van verkeers- en verblijfsvoorzieningen en speelvoorzieningen mag niet meer bedragen dan 4 m; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 2 m bedragen. 3.3 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: a. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; b. het landschappelijk beeld; c. de verkeersveiligheid; d. de milieusituatie; e. het straat- en bebouwingsbeeld, nadere eisen stellen aan de plaats, afmetingen en nokrichting van bouwwerken. 3.4 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; 2. het landschappelijk beeld; 3. de verkeersveiligheid; 4. de milieusituatie; 5. het straat- en bebouwingsbeeld, met een omgevingsvergunning afwijken van: a. het bepaalde in lid 3.2.1 sub b en toestaan dat een hoofdgebouw gedeeltelijk buiten het bouwvlak wordt gebouwd; b. het bepaalde in lid 3.2.1 sub b en d en toestaan dat een hoofdgebouw buiten de naar de weggekeerde bouwgrens wordt gebouwd; 40
c. het bepaalde in lid 3.2.1 sub b en d, ten behoeve van het oprichten van aan- of uitgebouwde gedeelten van woningen, zoals erkers en ingangsportalen, voor de bouwgrens, met dien verstande dat: 1. deze aan- en uitgebouwde gedeelten geen grotere diepte en hoogte mogen hebben dan 1,5 m, respectievelijk 2,50 m ; 2. de breedte niet meer dan 50% van de gevelbreedte mag bedragen; d. het bepaalde in lid 3.2.1 sub e, ten behoeve van een kleinere afstand tot de zijdelingse perceelgrens, met dien verstande dat het maximaal aantal aaneen te bouwen woningen onverminderd van kracht blijft; e. het bepaalde in lid 3.2.1 sub g ten behoeve van een goothoogte en een bouwhoogte van respectievelijk ten hoogste 6 m en 9,5 m; f. het bepaalde in lid 3.2.1 sub h, ten behoeve van een afdekking met een kap met een dakhelling minder dan 35° of een platte afdekking; g. het bepaalde in lid 3.2.2 sub a in die zin dat een bijbehorend bouwwerk minder dan 1,00 m achter, dan wel vóór de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw wordt gebouwd. 3.5 Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik in strijd met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen: a. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning en voor aan-huis-verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; b.