CConstaterende datwaadhoeke
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Marsum - Rypsterdyk 50 ONT1 26-01-2021

Gemeenteraad Waadhoeke 4 maart 2021, gemeente waadhoekeBij agendapunt: Bestemmingsplan Marsum - Rypsterdyk 5016.797 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Waadhoeke Marsum - Rypsterdyk 50 bestemmingsplan

identificatie

planstatus

identificatiecode:

datum:

status:

NL.IMRO.1949.Rypsterdyk50-ONT1

08-04-2020 23-04-2020 17-11-2020

concept voorontwerp ontwerp

projectnummer:

20200326 projectleider:

gecertificeerd door Lloyd's conform ISO 9001: 2008

aangesloten bij

© Rho Adviseurs bv Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

Marsum - Rypsterdyk 50 Waadhoeke

bestemmingsplan

identificatie

planstatus

identificatiecode:

datum:

status:

NL.IMRO.1949.Rypsterdyk50-ONT1

08-04-2020 23-04-2020 17-11-2020

concept voorontwerp ontwerp vastgesteld

projectnummer:

20200326 opdrachtleider:

2

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1

INLEIDING

7

1.1

Aanleiding

7

1.2

Begrenzing plangebied

7

1.3

Planologische regeling

8

1.4

Leeswijzer

9

Hoofdstuk 2

PLANBESCHRIJVING

11

2.1

De bestaande situatie

11

2.2

Gewenste situatie/Uitgangspunten

12

Hoofdstuk 3

BELEID

15

3.1

Rijksbeleid

15

3.2

Provinciaal beleid

15

3.3

Gemeentelijk beleid

16

Hoofdstuk 4

OMGEVINGSASPECTEN

17

4.1

Ecologie

17

4.2

Milieuzonering

18

4.3

Geluid

18

4.4

Water

19

4.5

Luchtkwaliteit

20

4.6

Archeologie en cultuurhistorie

21

4.7

Bodem

21

4.8

Externe veiligheid

22

4.9

Milieueffectrapportage

22

Hoofdstuk 5

JURIDISCHE REGELING

25

5.1

Algemeen

25

5.2

Toelichting op de bestemmingen

25

Hoofdstuk 6

UITVOERBAARHEID

27

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

27

6.2

Economische uitvoerbaarheid

28

Bijlagen toelichting

29

Bijlage 1

31

Rho adviseurs voor leefruimte

Stikstofberekening

20200326

3

Bijlage 2

Overlegreactie Provincie Fryslân

Regels

41

43

Hoofdstuk 1

INLEIDENDE REGELS

45

Artikel 1

Begrippen

45

Artikel 2

Wijze van meten

49

Hoofdstuk 2

BESTEMMINGSREGELS

51

Artikel 3

Bedrijf - Manege

51

Artikel 4

Waarde - Archeologie

54

Hoofdstuk 3

ALGEMENE REGELS

57

Artikel 5

Anti-dubbeltelregel

57

Artikel 6

Algemene bouwregels

58

Artikel 7

Algemene gebruiksregels

59

Artikel 8

Algemene aanduidingsregels

60

Artikel 9

Algemene afwijkingsregels

61

Artikel 10

Overige regels

62

Hoofdstuk 4

OVERGANGS- EN SLOTREGELS

63

Artikel 11

Overgangsrecht

63

Artikel 12

Slotregel

64

Bijlagen regels

65

Bijlage 1

Lijst met aan-huis-verbonden bedrijfsactiviteiten

67

Bijlage 2

Bedrijvenlijst

69

Verbeelding

81

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

4

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

5

Toelichting

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

6

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

7

Hoofdstuk 1

1.1

INLEIDING

Aanleiding

Het voornemen bestaat om aan de Rypsterdyk 50 te Marsum, gemeente Waadhoeke een manege te realiseren. In een eerder stadium is hiervoor een vergunning afgegeven, maar dit is niet opgenomen in een daarna vastgesteld bestemmingsplan of beheersverordening. Daarnaast is op basis van een verleende vergunning een tweede woonruimte op het perceel mogelijk gemaakt. Ook dit is nog niet opgenomen in een geldende planologische regeling. Om zowel de manege als de tweede bedrijfswoning juridisch-planologisch goed te kunnen regelen, is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Daarbij hoort een onderbouwing van een goede ruimtelijke ordening. Het voorliggende plan voorziet hierin.

1.2

Begrenzing plangebied

De locatie is gelegen aan de Rypsterdyk 50 in Marsum en ligt in het buitengebied van de gemeente Waadhoeke (voormalig gemeente Menameradiel). In figuur 1.1 is de ligging van het perceel ten opzichte van de omgeving weergegeven.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

8

figuur 1.1

1.3

ligging plangebied

Planologische regeling

Voor het plangebied geldt de beheersverordening Buitengebied. Deze is vastgesteld op 28 september 2017. Een uitsnede van deze beheersverordening ter plaatse van het plangebied is weergegeven in figuur 1.2. In de beheersverordening zijn onderliggend de planologische mogelijkheden zoals die zijn opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied van toepassing verklaard. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 1 februari 2007.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

9

Figuur 1.2

Uitsnede verbeelding beheersverordening Buitengebied

Conform het voormalige bestemmingsplan Buitengebied geldt de bestemming 'Landelijk gebied'. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor onder meer de uitoefening van een agrarisch bedrijf, natuur en landschap, recreatie, verkeer, wonen en voorzieningen ten behoeve van paarden- en ponysport, uitsluitend voor zover de gronden op de plankaart zijn aangegeven met 'Manege'. De eerste bedrijfswoning is aangegeven met de aanduiding 'woonboerderij'. Het was de bedoeling dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan Buitengebied in 2007 naast de aanduiding 'woonboerderij' ook de aanduiding 'manege' op de kaart zou worden gezet. Dit is echter niet gebeurd. Dit betekent dat het perceel nog steeds alleen de aanduiding 'woonboerderij' heeft op de plankaart. In 2014 is een permanente reguliere bouwvergunning verleend voor het verbouwen van een (kap)schuur tot woonruimte. Dit betekent dat er een tweede woning is. Deze laatste wijziging is ook nog niet verwerkt, omdat er nog geen nieuw bestemmingsplan Buitengebied is. Binnen de beheersverordening is de bestaande situatie vastgelegd, waardoor het realiseren van een manege niet is toegestaan. Om dit toch mogelijk te maken is dit bestemmingsplan noodzakelijk.

1.4

Leeswijzer

Na deze inleiding, wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie en het voorgenomen plan. Dit wordt in de hoofdstukken 3 en 4 getoetst aan het beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een uitleg aan de juridische regeling van het bestemmingsplan, hoofdstuk 6 gaat tenslotte in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

10

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

11

Hoofdstuk 2

PLANBESCHRIJVING

Het mogelijk maken van de beoogde ontwikkeling (het initiatief) en het juridisch-planologisch regelen van de wenselijke situatie zijn de belangrijkste uitgangspunten voor dit bestemmingsplan en worden in dit hoofdstuk beschreven. De ontwikkeling moet op een goede manier worden ingepast in de huidige situatie. Een beschrijving van de huidige situatie is om die reden ook in dit hoofdstuk opgenomen.

2.1

De bestaande situatie

Het perceel van het plangebied, Rypsterdyk 50, is gelegen ten noorden van de percelen Rypsterdyk 44 en Rypsterdyk 48 (figuur 2.1) Via de toegang van Rypsterdyk 48, is het mogelijk bij Rypsterdyk 50 te komen.

Figuur 2.1

Kavels plangebied

In de huidige situatie is het perceel ingericht met een woning en een manege. Deze bebouwing is in het noordwestelijke deel van de kavel gesitueerd. De erfafscheiding van het betreffende perceel bestaat grotendeels uit beplanting van bomen en struiken. In figuur 2.2 is de huidige situatie op de kavel van

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

12

het plangebied weergegeven.

Figuur 2.2

2.2

Huidige situatie

Gewenste situatie/Uitgangspunten

In de beoogde situatie wordt een manege gerealiseerd op de kavel van het plangebied. Dit is in figuur 2.3 aangegeven. De huidige manege, die in 2004 via een artikel 19 lid 1 procedure is gerealiseerd zal worden afgebroken en een nieuwe manege zal worden gerealiseerd.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

13

Figuur 2.3

Nieuwe situatie

De nieuwbouw van de manege bestaat uit een gedeelte met paardenboxen en een gedeelte met een paardenbak, 29 paardenboxen en ruimte voor opslag voor hooi en stro. Het voornemen is dat de nieuwe manege als volwaardige manege in gebruik wordt genomen. Er zullen daarmee bijvoorbeeld ook hippische evenementen en activiteiten kunnen plaatsvinden. In figuur 2.4 zijn impressies van de nieuwe manege weergegeven.

Figuur 2.4

Impressies van de nieuwe manege

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

14

Daarnaast is reeds met een vergunning de bouw van een tweede woning in de bestaande schuur op het perceel toegestaan. Dit is echter niet aangeduid in het bestemmingsplan. Daarom zal deze tweede bedrijfswoning ook in dit bestemmingsplan worden opgenomen. Verkeer en parkeren Ontsluiting gemotoriseerd verkeer, langzaam verkeer Het plangebied wordt ontsloten vanaf de Rypsterdyk. Deze ontsluiting vindt plaats via de kavel van de Rypsterdyk 48. Deze ontsluiting zal niet veranderen bij realisatie van het plan. Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling De verkeersgeneratie bedraagt in de nieuwe situatie 135 motorvoertuigen per etmaal op basis van publicatie 381. Dit geringe aandeel extra verkeer wikkelt zich af over de toegangsrit, de Rypsterdyk en de N383 en zal niet leiden tot problemen in de verkeersafwikkeling. Parkeren De parkeerbehoefte van de manege en de twee bedrijfswoningen bedraagt 17 parkeerplaatsen, op basis van publicatie 381. Dit is berekend op basis van de kencijfers uit deze publicatie gerekend naar de oppervlakte van de manege en de aanwezigheid van de twee woningen. Er is op eigen terrein ruim voldoende ruimte om hierin te voorzien. Er is geen sprake van afwikkeling van parkeerplaatsen op omliggende terreinen. Conclusie De nieuwe ontwikkeling zal niet leiden tot problemen in de verkeersafwikkeling en parkeren. Het aspect verkeer staat het plan dan ook niet in de weg.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

15

Hoofdstuk 3

3.1

BELEID

Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister vastgesteld. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Om de verantwoordelijkheden te leggen waar deze het beste passen brengt het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsruimte voor het faciliteren van ontwikkelingen. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden en voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Eén van de aspecten die is opgenomen, betreft de zones rond radarstations. Door het plangebied loopt een radarverstoringsgebied. Er geldt hierbij een verbod op bouwwerken hoger dan 31 meter. Met dit bestemmingsplan worden geen bouwwerken mogelijk gemaakt die hoger zijn.

Het rijksbeleid vormt dan ook geen belemmering voor dit bestemmingsplan Ladder voor Duurzame Verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder is per 1 oktober 2012 ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In 2017 is de Ladder herzien. In de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen dat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. In dit bestemmingsplan wordt de aanwezigheid van een tweede bedrijfswoning en de aanleg van een manege planologisch geregeld op een reeds aanwezig en ingericht perceel. Voor beide functies zijn in het verleden vergunningen verleend. Daarom is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de ladder voor duurzame verstedelijking. Een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet noodzakelijk.

3.2

Provinciaal beleid

Het provinciale beleid is uiteengezet in de Structuurvisie Grutsk op 'e Romte. De belangrijkste uitgangspunten uit het provinciale beleid zijn vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân. Hierin zijn voor de provinciale belangen regels opgenomen, waar in bestemmingsplannen rekening mee gehouden moet worden.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

16

Structuurvisie Grutsk op 'e Romte Op 1 april 2014 is de Structuurvisie Grutsk op 'e Romte vastgesteld. In Grutsk op 'e Romte worden landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang in samenhang geanalyseerd, gewaardeerd en van een richtinggevend advies voorzien. Het doel hiervan is behoud en verdere ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit door middel van informeren, adviseren en inspireren. Op deze wijze verwacht de provincie de doorwerking van de provinciale belangen in ruimtelijke plannen van gemeenten te borgen. De beoogde ontwikkeling betreft een perceelsgebonden ontwikkeling. De landschappelijke en cultuurhistorische structuren in de omgeving worden met dit plan niet aangetast. De nieuwe bebouwing valt binnen de bestaande landschappelijke inpassing van het perceel. Daarmee is de ontwikkeling in overeenstemming met het beleid uit de structuurvisie Grutsk op 'e Romte. Verordening Romte Fryslân De Verordening Romte Fryslân 2014 (vastgesteld op 25 juni 2014) stelt regels aan ruimtelijke plannen en projecten. Het belangrijkste uitgangspunt van de verordening is zorgvuldig ruimtegebruik. Met betrekking tot hergebruik, verbouw of vervanging van vrijkomende gebouwen en aanvullende nieuwbouw wordt in artikel 1.2.1 ad 4b. gesteld dat plaatsing, omvang, vorm en het gebruik van de gebouwen passen in de karakteristiek van de omgeving.

Bij de planontwikkeling zal dus rekening moeten worden gehouden met de beeldelementen die bepalend zijn voor de omgeving. In het geval van de nieuwbouw van de manege is het beeldbepalend karakter van de omgeving van minder groot belang, omdat er sprake is van een 'naar binnen gerichte' ontwikkeling van het perceel. In artikel 6.5.1 is aangegeven dat een ruimtelijk plan voor landelijk gebied een nieuw bouwperceel kan bevatten voor een gebruiksgerichte paardenhouderij als er sprake is van een economisch levensvatbare bedrijfsontwikkeling en de paardenhouderij landschappelijk, milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar is in de omgeving. In de verordening is aangegeven dat een manege valt onder de gebruiksgerichte paardenhouderij. In de huidige situatie is reeds een manege gevestigd. Gezien het gebruik en de ontwikkeling van deze manege is er behoefte aan uitbreiding. Er zal dus sprake zijn van een levensvatbare onderneming. De landschappelijke, milieutechnische en verkeerskundige aspecten komen aan de orde in hoofdstuk 4.

3.3

Gemeentelijk beleid

De locatie ligt binnen de grenzen van Beheersverordening Buitengebied Menameradiel. Deze beheersverordening is vastgesteld op 28 september 2017. Met deze beheersverordening is het voorheen geldende bestemmingsplan Buitengebied uit 2007 geconsolideerd. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 1 februari 2007 en goedgekeurd op 25 september 2007. Vanuit de gemeente is er geen specifiek beleid met betrekking tot de ontwikkeling in het plangebied. In het algemeen is het gemeentelijk beleid gericht op het realiseren van een goede ruimtelijke ordening. In de toelichting op dit plan wordt gemotiveerd dat dit plan geen afbreuk doet aan de ruimtelijke ordening. Daarmee is het plan in overeenstemming met de uitgangspunten van gemeentelijk beleid.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

17

Hoofdstuk 4

4.1

OMGEVINGSASPECTEN

Ecologie

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. De Wet natuurbescherming (Wnb) regelt de bescherming van natuurgebieden. Dit gaat om op Europees niveau aangewezen Natura 2000-gebieden. In de provinciale verordening worden gebieden die van belang zijn voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) beschermd. De bescherming van soorten en hun verblijfplaatsen is geregeld in de Wnb. Gebiedsbescherming De bescherming van Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten is geregeld in de Wet Natuurbescherming. Indien ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van de natuurwaarden binnen deze gebieden, moet een vergunning worden aangevraagd. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het rijksbeleid voor de Natuur Netwerk Nederland (NNN) (voorheen Ecologisch Hoofdstructuur). Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Uit de kaart van het Natuurbeheerplan blijkt dat in het plangebied of directe omgeving geen beschermde landschapselementen aanwezig zijn. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, De Grote Wielen, ligt op circa 10 kilometer afstand ten oosten van het plangebied.

Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Het Natura 2000-gebied Grote Wielen is niet gevoelig voor stikstof. Op een grotere afstand (circa 14,5 kilometer) ligt het dichtstbijzijnde stikstof gevoelig gebied De Alde Feanen. Significante negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen derhalve niet worden uitgesloten. Stikstofdepositie In het kader van dit bestemmingsplan is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Hieruit is naar voren gekomen dat er geen sprake is van resultaten boven de 0,00 mol/ha/jaar. Zodoende is aangetoond dat geen sprake is van significante stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden als gevolg van de bouw en het gebruik van de paardrijhal. Daarmee zijn geen maatregelen noodzakelijk. De berekening is opgenomen als bijlage 1. Soortenbescherming De soortenbescherming vindt primair plaats via de nieuwe Wet natuurbescherming. Op grond van deze wet mogen geen beschermde planten en dieren (en hun verblijfplaatsen), die in de wet zijn aangewezen, worden verstoord. Voor soorten die vermeld staan op Bijlage IV, zoals vleermuizen, van de

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

18

Habitatrichtlijn en een aantal Rode-Lijst soorten is een zware bescherming opgenomen. De verblijfplaatsen van beschermde soorten mogen niet negatief worden beïnvloed door bouwactiviteiten. In de Wnb wordt onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en daarnaast de overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Een deel van het plangebied is reeds bebouwd. Het gebied ter plaatse van de te nieuw te bouwen manege is ingericht als grasland. De kans dat hier beschermde soorten aanwezig zijn, gezien de inrichting en ligging van het plangebied, is redelijkerwijs als nihil in te schatten. Bovendien is het huidig gebruik van het plangebied dusdanig dat er overdag personen aanwezig zijn, waardoor het gebied onaantrekkelijk is voor beschermde soorten om te foerageren en te verblijven. Het gebied maakt bovendien geen deel uit van weidevogelleefgebied.

4.2

Milieuzonering

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. In geval van een gemengd gebied kan worden gewerkt met een verkleinde richtafstand. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: ‘rustige woonwijk’, ‘rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden met één stap worden verminderd.

De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing In de VNG-richtafstandenlijst wordt een minimale afstand van 50 meter gehanteerd tussen een manege en omliggende woningen in een rustig buitengebied. Deze afstand wordt behaald. De tweede bedrijfswoning behoort bij de manege, waardoor de richtafstanden niet van toepassing zijn. Gezien het feit dat gemeente Menaldumadeel destijds een vergunning heeft verleend voor het bouwen van een manege en het toestaan van een tweede bedrijfswoning, is er nu geen sprake van een functiewijziging. Het moet alleen nog planologisch-juridisch worden vastgelegd. Het milieuaspect milieuzonering vormt geen beperking voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.

4.3

Geluid

Toetsingskader De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het plan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

19

een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Toetsing De tweede bedrijfswoning is wel een geluidsgevoelig object, maar in het kader van de omgevingsvergunning heeft deze toetsing reeds plaatsgevonden. Er is in dit plan geen sprake van een nieuwe geluidgevoelige functie. De manege is niet een geluidgevoelig object. Er hoeft geen akoestisch onderzoek plaats te vinden.

4.4

Water

Toetsingskader Van groot belang voor de ruimtelijke ordeningspraktijk is de wettelijk verplichte 'watertoets'. De watertoets kan worden gezien als een procesinstrument dat moet waarborgen dat gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder. Het onderhavige plangebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân. Toetsing Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het Wetterskip Fryslân (dossiercode: 20200318-2-22772). De uitkomst van deze toets is dat het plan geen invloed heeft op het watersysteem en de waterketen. Hierdoor kan de procedure geen waterschapsbelang worden gevolgd voor de watertoets. Waterkwantiteit Door de ruimtelijke ontwikkelingen neemt wel de hoeveelheid verhard oppervlak toe. Het Waterschap geeft aan dat door deze toename als gevolg heeft dat het hemelwater sneller wordt afgevoerd. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is.

Het waterschap geeft aan dat het verboden is zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in het wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater is onderstaande tabel van toepassing. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan vermeld in het onderstaande tabel. In de Leidraad watertoets staat meer informatie over compenserende maatregelen. Indien er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij onderstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd. Gebied Boezem Polder Vrij afstromend

Landelijk (>1500 m2 ) 5% 10% Maatwerk mogelijk

Toelichting tabel

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

20

- 5% heeft alleen betrekking op de Friese boezem; - de algemene regels keur zijn in de tabel verwerkt; - maatwerk kan bestaan uit bijvoorbeeld infiltratie of berging van het overtollig hemelwater. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. In dit geval wordt overtollig water afgevoerd naar naastgelegen oppervlaktewater. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Hier zal in de uitvoeringsfase rekening mee moeten worden gehouden. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur".

Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. Het plangebied valt niet onder een beschermingszone.

4.5

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2 ) en fijnstof (PM10 ) van belang. Projecten die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging zijn op grond van de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Toetsing Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland is er in de directe omgeving van het plangebied sprake van een goede luchtkwaliteit. De gemeente Waadhoeke kent ter plaatse van de locatie in het plangebied geen knelpunten met betrekking tot luchtkwaliteit. De ontwikkelingen in het plangebied zijn bovendien dusdanig van schaal en aard dat na realisatie ervan de maatgevende waarden niet overschreden worden. Bovendien is het plan van dusdanige kleine omvang dat deze valt onder het Besluit Niet In Betekenende Mate. Nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

21

4.6

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd (300.000 - 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1500 n Chr.). Toetsing Volgens deze kaarten is voor de periode steentijd-bronstijd geen onderzoek noodzakelijk is. Voor de periode ijzertijd - middeleeuwen is een karterend onderzoek 1 noodzakelijk. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer dan 500 m2 een karterend archeologisch onderzoek uit te laten voeren.

De nieuw te bouwen manege krijgt een grotere oppervlakte dan 500 m2, maar wordt niet over de gehele oppervlakte de bodem dieper dan 30 centimeter geroerd. Ter plaatse van de rijbak zal dit bijvoorbeeld niet het geval zijn. Daarom worden de grenswaarden voor archeologisch onderzoek niet overschreden. Archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Om ervoor te zorgen dat de archeologische waarden binnen het plangebied beschermd blijven, is in dit bestemmingsplan een archeologische dubbelbestemming opgenomen. In de regeling is, overeenkomstig met het FAMKE, opgenomen dat bij ruimtelijke ingrepen van meer dan 500 m2 een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Cultuurhistorie Vanaf 1 januari 2012 geldt dat ook de bovengrondse cultuurhistorische gegevens dienen te worden afgewogen. Bij het opstellen van een ruimtelijk plan wordt de voorwaarde gesteld dat de facetten betreffende historische (steden)bouwkunde en historische geografie worden betrokken in de belangenafweging. Volgens de wetgever gaat het hierbij zowel om beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Toetsing Om te onderzoeken of er sprake is van cultuurhistorische waarden is gebruik gemaakt van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân 2 (CHK2) van de Provinsje Fryslân. Hieruit komt naar voren dat er geen sprake is van specifieke cultuurhistorische waarden binnen - of in de buurt van - het plangebied.

4.7

Bodem

Toetsingskader Met het oog op een goede ruimtelijke ordening, moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet ten minste verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming van toepassing. In de wet is geregeld dat als ter plaatse van een plangebied ernstige verontreinigingen worden aangetroffen, er sprake is van een saneringsgeval. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening moet voorkomen

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

22

worden dat gronden waarvan bekend is dat de milieuhygiënische kwaliteit onvoldoende is, worden toegewezen aan functies die daarvoor gevoelig zijn. Toetsing Een tweede bedrijfswoning is een bodemgevoelig object, maar hiervoor is in een eerder stadium al een vergunning verleend. De bodem is destijds geschikt gevonden voor het voorgenomen gebruik. Ook de manege is een bodemgevoelig object, omdat er verwacht wordt dat er dagelijks langer dan 2 uur mensen in het gebouw aanwezig zijn. In het kader van de vergunningaanvraag voor de bouw van de manege dient een bodemonderzoek te worden uitgevoerd indien dit het geval is.

4.8

Externe veiligheid

Toetsingskader Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over 'externe veiligheid' om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10-6 -contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, geldt deze norm als streefwaarde. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Toetsing In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd.

Hieruit blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn die van invloed zijn op de beoogde ontwikkeling in het plangebied.

4.9

Milieueffectrapportage

Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan mer-plichtig, project mer-plichtig of mer-beoordeling plichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken en plaats van de projecten en de kenmerken van potentiële effecten. Per 7 juli 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

23

Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. Toetsing Bij de realisatie van een manege gaat het om een perceelsgebonden ontwikkeling waarbij geen infrastructurele ingrepen worden gedaan. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Daarom is het ook niet noodzakelijk om een mer-beoordelingsnotitie op te stellen.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

24

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

25

Hoofdstuk 5

5.1

JURIDISCHE REGELING

Algemeen

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Bro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare manier zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.

5.2

Toelichting op de bestemmingen

De juridisch-planologische regeling bestaat voor dit plan uit één enkelbestemming en een dubbelbestemming. Bedrijf - Manege De bestemming voor het plangebied is 'Bedrijf - Manege'. Deze bestemming is op de verbeelding en in de regels opgenomen en specifiek toegespitst op het perceel en in overeenstemming gebracht met de manier van regelen binnen de gemeente Waadhoeke. De maximale oppervlakte van de bedrijfsgebouwen is op 2.800 m2 gezet om de bouw van de voorgenomen manege mogelijk te maken. De twee woningen zijn als bedrijfswoningen binnen de bestemming toegestaan, binnen het bouwvlak. De maximale hoogte van de manege is 12 meter en de goothoogte 4,50 meter. Waarde - Archeologie Om de archeologische waarden in het gebied een beschermende regeling te bieden, is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Hierin is, in overeenstemming met het FAMKE, opgenomen dat voor ingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 30 cm in de bodem een archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

26

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

27

Hoofdstuk 6

6.1

UITVOERBAARHEID

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan doorloopt de in de Wro vastgelegde procedure. Tijdens deze procedure zijn er verschillende momenten waarop burgers en belanghebbenden hun zienswijze op het plan kenbaar kunnen maken. Hieronder volgt een nadere toelichting. Inspraak en overleg Het bestemmingsplan is eerst als voorontwerp aan overlegpartners en belanghebbenden ter inzage gelegd. Tevens zijn de direct omwonenden nauw betrokken in de totstandkoming van de planvorming. Hierop is een overlegreactie binnen gekomen van de Provincie Fryslân. Deze reactie is opgenomen in bijlage 2. In de overlegreactie stelt de provincie dat, in het kader van het compact houden van de bebouwing, zij mogelijkheden zien om de rijhal te bouwen ter plaatse van de huidige rijbakken en de rijbakken vervolgens naar het zuiden te verplaatsen. In reactie hierop is dit met de initiatiefnemer besproken. De initiatiefnemer stelt echter dat een dergelijke inrichting van het perceel, als voorgesteld door de provincie, niet optimaal is. Wanneer de stal richting het noorden wordt verschoven wordt het in- en uitrijden met de paarden en de trailers bemoeilijkt. Ook moet dan de huidige paardenbak verschoven worden, hetgeen voor extra kosten zorgt. Bovendien is het voornemen om deze te kunnen blijven gebruiken tijdens de bouw van de nieuwe rijhal.

Om de bebouwing toch zo compact mogelijk te houden is de nieuwe rijhal direct ten zuiden van de rijbak geplaatst. Op basis van bovenstaande motivering worden daarom geen wijzigingen in het plan aangebracht als gevolg van de overlegreactie van de provincie. Zienswijze Vervolgens wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). De uitkomsten hiervan kunnen nieuwe niet voorziene uitgangspunten voor het bestemmingsplan geven. Vaststelling Het bestemmingsplan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

28

6.2

Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Het bestemmingsplan vormt het toetsingskader voor een particuliere ontwikkeling. De noodzaak om een bestemmingsplan op te stellen was om zowel de manege als de tweede bedrijfswoning juridisch-planologisch goed te kunnen regelen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals de nieuwbouw van een manege, moet de financiële haalbaarheid worden getoetst. Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

29

Bijlagen toelichting

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

30

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

31

Bijlage 1

Stikstofberekening

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.

Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens

Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. Rbbs3ggy4m2E (20 januari 2021) pagina 1/8

Resultaten

Contact

Activiteit

Rechtspersoon

Inrichtingslocatie

Wijnstra

Rypsterdyk 50, 9034 VB Marsum

Omschrijving

AERIUS kenmerk

Wijnstra Marsum

Rbbs3ggy4m2E

Datum berekening

Rekenjaar

Rekenconfiguratie

20 januari 2021, 21:47

2021

Berekend voor natuurgebieden

Totale emissie

Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)

Toelichting

Resultaten

Situatie 1

NOx

3,50 kg/j

NH3

58,11 kg/j

Natuurgebied

Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.

oprichten manege

Situatie 1

Rbbs3ggy4m2E (20 januari 2021) pagina 2/8

Resultaten

Locatie Situatie 1

Emissie Situatie 1

Resultaten

Bron Sector

Situatie 1

Emissie NH3

Emissie NOx

Bron 1 Landbouw | Stalemissies

25,00 kg/j

-

Bron 2 Landbouw | Stalemissies

12,60 kg/j

-

Bron 3 Landbouw | Stalemissies

6,20 kg/j

-

Bron 4 Landbouw | Stalemissies

14,30 kg/j

-

Bron 5 Wegverkeer | Buitenwegen

< 1 kg/j

< 1 kg/j

Bron 6 Mobiele werktuigen | Landbouw

< 1 kg/j

3,43 kg/j

Rbbs3ggy4m2E (20 januari 2021) pagina 3/8

Resultaten

Bron Sector

Resultaten

Situatie 1

Emissie NH3

Emissie NOx

Bron 8 Wegverkeer | Buitenwegen

< 1 kg/j

< 1 kg/j

Bron 9 Wegverkeer | Buitenwegen

< 1 kg/j

< 1 kg/j

Rbbs3ggy4m2E (20 januari 2021) pagina 4/8

Resultaten

Emissie (per bron)

Naam Locatie (X,Y)

Situatie 1

Uitstoothoogte Warmteinhoud NH3

Dier

RAV code

Omschrijving

K 1.100

overige huisvestingssystemen (Paarden; volwassen paarden (3 jaar en ouder)) (Overig)

Naam Locatie (X,Y) Uitstoothoogte Warmteinhoud NH3

Dier

RAV code

Omschrijving

K 2.100

overige huisvestingssystemen (Paarden; paarden in opfok (jonger dan 3 jaar)) (Overig)

Naam Locatie (X,Y) Uitstoothoogte Warmteinhoud NH3

Dier

Resultaten

Situatie 1

RAV code

Omschrijving

K 3.100

overige huisvestingssystemen (Paarden; volwassen pony's (3 jaar en ouder)) (Overig)

Bron 1 176418, 580373 5,0 m 0,000 MW 25,00 kg/j

Aantal Stof dieren

Emissiefactor (kg/dier/j)

Emissie

5 NH3

5,000

25,00 kg/j

Bron 2 176420, 580373 5,0 m 0,000 MW 12,60 kg/j

Aantal Stof dieren

Emissiefactor (kg/dier/j)

Emissie

6 NH3

2,100

12,60 kg/j

Aantal Stof dieren

Emissiefactor (kg/dier/j)

Emissie

2 NH3

3,100

6,20 kg/j

Bron 3 176423, 580373 5,0 m 0,000 MW 6,20 kg/j

Rbbs3ggy4m2E (20 januari 2021) pagina 5/8

Resultaten

Bron 4 176420, 580374 5,0 m 0,000 MW 14,30 kg/j

Naam Locatie (X,Y) Uitstoothoogte Warmteinhoud NH3

Dier

RAV code

Omschrijving

K 4.100

overige huisvestingssystemen (Paarden; pony's in opfok (jonger dan 3 jaar)) (Overig)

Locatie (X,Y) NOx NH3

Voertuig

Standaard

Licht verkeer

Resultaten

Situatie 1

14,30 kg/j

< 1 kg/j < 1 kg/j

NH3

graafmachine/kraan

1,300

5,0 / etmaal NOx NH3

NOx

STAGE IIIb, 75 <= kW < 130, bouwjaar 2012 (Diesel)

11 NH3

Emissie

Locatie (X,Y)

Omschrijving

Emissie

Aantal voertuigen Stof

Naam

Voertuig

Emissiefactor (kg/dier/j)

Bron 5 176382, 580267 < 1 kg/j < 1 kg/j

Naam

Soort

Aantal Stof dieren

Bron 6 176382, 580268 3,43 kg/j < 1 kg/j

Brandstof verbruik (l/j)

Stationair bedrijf (uren/j)

Cilinder Stof inhoud (l)

Emissie

200

1

4,0 NOx NH3

3,43 kg/j < 1 kg/j

Rbbs3ggy4m2E (20 januari 2021) pagina 6/8

Resultaten

Naam Locatie (X,Y) NOx NH3

Soort

Voertuig

Standaard

Licht verkeer

Naam Locatie (X,Y) NOx NH3

Resultaten

Soort

Voertuig

Standaard

Zwaar vrachtverkeer

Situatie 1

Bron 8 176382, 580268 < 1 kg/j < 1 kg/j

Aantal voertuigen Stof

Emissie

25,0 / jaar NOx NH3

< 1 kg/j < 1 kg/j

Bron 9 176382, 580268 < 1 kg/j < 1 kg/j

Aantal voertuigen Stof

Emissie

20,0 / jaar NOx NH3

< 1 kg/j < 1 kg/j

Rbbs3ggy4m2E (20 januari 2021) pagina 7/8

Resultaten

Disclaimer

Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.

Rekenbasis

Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2020_20201216_c759386971 Database versie 2020_20201216_c759386971 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2020

Resultaten

Situatie 1

Rbbs3ggy4m2E (20 januari 2021) pagina 8/8

40

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

41

Bijlage 2

Overlegreactie Provincie Fryslân

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

Ö

provinsje fryslän provincie fryslän ^

<ni (/3

postbus 20120 8900 hm leeuwarden tweebaksmarkt 52 (058) 292 59 25

College van burgemeester en wethouders van de gemeente Waadhoeke Postbus 58 8800 AB FRANEKER

WWW. fryslan, frl provincie@fryslan.frl www.twitter.com/provfryslan

V 1/2

H

•pH Leeuwarden, 20 mei 2020 Verzonden. 20 MEI 2020 Ons kenmerk Afd./Opgave Behandeld door Uw kenmerk

01764750 Omgevingszaken G. van der Wielen-Berg / (058) 292 57 78 of g.vanderwielen(gfryslan.frl

Onderwerp

: voorontwerp bestemmingsplan Marsum - Rypsterdyk 50 (manege + 2e bedrijfswoning)

Geacht college, Op 23 april 2020 is bovengenoemd plan ter advisering ontvangen. De provinciale belangen in het plan geven aanleiding tot het maken van de volgende op­ merkingen. Positie bebouwing (cat.2, interpretatie verordening/motivering) De rijhal is beoogd op de gronden ten zuiden van de bestaande rijbakken. Om de bebouwing op het perceel compact te houden zie ik mogelijkheden om de rijhal te bouwen ter plaatse van de huidige rijbakken en de rijbakken naar het zuiden te verplaatsen. Ik verzoek u deze optie in uw overwegingen mee te nemen. Indien u vasthoudt aan de huidige opzet zie ik deze graag nader onderbouwd. Voor het overige geeft het plan geen aanleiding tot opmerkingen. Voor de betekenis van de categorie-aanduiding verwijs ik naar de brief van Gedeputeerde Staten van 8 februari 2019, betreffende “Aanpassing Notitie Inwerkingtreding Verordening Romte Fryslän". Hoogachtend, Namei/sjhet college van Gedeputeerde Staten, dhr. J.'Bo^a ' w 1 , afdelingshoofd Omgevingszaken V/C^

-1 /1 -

Ons kenmerk:

01764750

O

u

43

Regels

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

44

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

45

Hoofdstuk 1

Artikel 1

INLEIDENDE REGELS

Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 plan: het bestemmingsplan Marsum - Rypsterdyk 50 met identificatienummer NL.IMRO.1949.Rypsterdyk50-ONT1 van de gemeente Waadhoeke; 1.2 bestemmingsplan: de geometrische bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlage; 1.3 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 aan-huis-verbonden bedrijfsactiviteiten: de in bijlage 1 genoemde bedrijfsactiviteiten dan wel naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend en waarbij: a. de woonfunctie niet onevenredig mag worden aangetast; b. het uiterlijk van de betreffende woning niet mag worden aangetast (geen reclame-uitingen e.d.); c. het bedrijf dient te worden uitgeoefend door in ieder geval de hoofdbewoner(s) van de woning. Ten behoeve van ondersteuning (o.a. administratie) mogen maximaal 2 personen in dienst zijn. De bedrijfstechnische of bedrijfseconomische noodzaak hiertoe moet worden aangetoond; d. het niet mag gaan om vormen van detailhandel en/of horeca; e.

het parkeren op eigen erf dient plaats te vinden. Indien dit niet mogelijk is, mag de parkeerdruk in de naaste omgeving als gevolg van de voorgenomen activiteit niet onevenredig toenemen. Ook de verkeersdruk in de naaste omgeving mag niet onevenredig toenemen; 1.6 aan-huis-verbonden beroep: een beroep, dat in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend en dat is gericht op het verlenen van diensten en waarbij: a. de woonfunctie niet onevenredig mag worden aangetast; b. het uiterlijk van de betreffende woning niet mag worden aangetast (geen reclame-uitingen e.d.); c. het beroep dient te worden uitgeoefend door in ieder geval de hoofdbewoner(s) van de woning. Ten behoeve van ondersteuning (o.a. administratie) mogen maximaal 2 personen in dienst zijn. De bedrijfstechnische of bedrijfseconomische noodzaak hiertoe moet worden aangetoond; d. het niet mag gaan om vormen van detailhandel en/of horeca; e. het parkeren op eigen erf dient plaats te vinden. Indien dit niet mogelijk is, mag de parkeerdruk in

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

46

de naast omgeving als gevolg van de voorgenomen activiteit niet onevenredig toenemen. Ook de verkeersdruk in de naaste omgeving mag niet onevenredig toenemen; 1.7 aan- of uitbouw: een aan een (hoofd)gebouw aanwezig bouwwerk dat ruimtelijk ondergeschikt is aan dat (hoofd)gebouw, maar in functioneel opzicht deel uitmaakt van dat (hoofd)gebouw; 1.8 aangebouwd bijgebouw: een met het (hoofd)gebouw verbonden en/of een aan het (hoofd)gebouw aanwezig gebouw, dat zowel ruimtelijk als functioneel ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen (hoofd)gebouw en ten dienste staat van dat (hoofd)gebouw; 1.9 archeologisch onderzoek: een onderzoek (bureauonderzoek en/of boren en/of graven en/of begeleiden) verricht door een daartoe bevoegde instantie conform de kwaliteitsnorm Nederlandse archeologie; 1.10 archeologisch waardevol gebied: een gebied met daaraan toegekende archeologische waarde vanwege de kennis en wetenschap van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden; 1.11 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.12 bedrijfsvloeroppervlakte: de totale vloeroppervlakte van de ruimte binnen een functie die wordt gebruikt voor een bedrijf, een aan-huis-verbonden beroep of aan-huis-verbonden bedrijfsactiviteiten, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.13 bedrijfswoning:

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is; 1.14 bestaand: a. ten aanzien van de bij of krachtens de Woningwet aanwezige bouwwerken en werkzaamheden: bestaand ten tijde van de eerste terinzagelegging van het plan; b. ten aanzien van het overige gebruik: bestaand ten tijde van het van kracht worden van het plan; 1.15 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 1.16 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.17 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.18 bouwgrens: de grens van een bouwvlak;

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

47

1.19 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.20 bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel; 1.21 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.22 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.23 bijgebouw: een gebouw dat zowel ruimtelijk als functioneel ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen (hoofd)gebouw en ten dienste staat van dat (hoofd)gebouw; 1.24 erfbeplanting: opgaande beplanting, zijnde bomen en struiken, die een scherm vormt op de grens van een bouwperceel waarop bebouwing voorkomt, en welke beplanting mede bepalend is voor de inpassing van de betreffende bebouwing in het landschap; 1.25 dak: iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.26 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.27 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen

toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.28 hoofdgebouw: een gebouw dat, gelet op de bestemming en de ruimtelijke kenmerken, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt; 1.29 kampeermiddel: een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of een stacaravan, dan wel enig ander daarmee vergelijkbaar voertuig of onderkomen, dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; 1.30 kap: iedere bovenbeëindiging van een gebouw, die over het geheel of over een gedeelte van dat gebouw een helling heeft; 1.31 landschappelijke waarden: waarden in verband met de verschijningsvorm van een gebied en de aanwezigheid van waarneembare structuren en/of elementen in dat gebied;

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

48

1.32 manege-activiteiten: bedrijfsactiviteiten met een publieksgericht karakter, die zijn gericht op het bieden van gelegenheid tot het berijden en verzorgen van paarden en pony's (waaronder het lesgeven, de verhuur of het organiseren van wedstrijden en/of andere hippische evenementen); 1.33 normaal onderhoud: het onderhoud, dat gelet op de bestemming regelmatig noodzakelijk is voor een goed beheer en gebruik van de gronden en gebouwen die tot de betreffende bestemming behoren; 1.34 overkapping: elk bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand; 1.35 peil: a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; 1.36 prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen voor of met een ander tegen vergoeding; 1.37 seksinrichting: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen wordt verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.

Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, of een naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijf, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.38 vrijstaand bijgebouw: een niet met het (hoofd)gebouw verbonden gebouw, dat zowel ruimtelijk als functioneel ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen (hoofd)gebouw en ten dienste staat van dat (hoofd)gebouw; 1.39 woning: een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden; 1.40 woonhuis: een gebouw, dat één woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

49

Artikel 2

Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.2 dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.3 diepte van een bouwwerk: de lengte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de voorgevel. 2.4 goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.5 inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.6 oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

50

Rho adviseurs voor leefruimte

20200326

51

Hoofdstuk 2

Artikel 3

BESTEMMINGSREGELS

Bedrijf - Manege

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Bedrijf - Manege' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bedrijfsgebouwen ten behoeve van de uitoefening van manege-activiteiten; b. bedrijfswoningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep; c. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een bedrijfswoning; d. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van een goede landschappelijke inpassing van het perceel; met daaraan ondergeschikt: e. kleinschalige duurzame energiewinning; f. wegen en paden; g. water; met de daarbijbehorende: h. paardrijdbakken; i. tuinen, erven en terreinen; j. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Gebouwen en overkappingen Voor het bouwen van de in lid 3.1 sub a en b genoemde gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a. per bestemmingsvlak mogen uitsluitend gebouwen en overkappingen ten behoeve van het ter plaatse gevestigde bedrijf worden gebouwd; b. het aantal bedrijfswoningen zal ten hoogste twee bedragen; c. een bedrijfswoning zal binnen een bouwvlak worden gebouwd; d. vrijstaande bijgebouwen en overkappingen bij een bedrijfswoning zullen volledig binnen een afstand van 25,00 m vanuit het dichtstbijzijnde punt van de bedrijfswoning worden gebouwd; e.

de bedrijfsgebouwen, alsmede de overkappingen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zullen tenminste 3,00 m achter de naar de weg(en) gekeerde gevel(s) van de bedrijfswoning dan wel het verlengde daarvan worden gebouwd; f. de maatvoering van een gebouw of een overkapping zal voorts voldoen aan de eisen die in het volgende bouwschema zijn gesteld: Functie gebouw

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=waadhoeke&id=f387c7b1-f90c-4aab-9cd6-0692ad740e62