Bijlage 1: Bestemmingsplan Franeker - Harlingerweg 80, 80a
Tekst van het document
3.4. Bluswater Om het bovengenoemde scenario te kunnen bestrijden is er een bluswatervoorziening benodigd met een capaciteit van 1.000 liter per minuut gelegen op een afstand van 40 meter. Binnen deze afstand is geen brandkraan gelegen die voldoet aan deze kenmerken. Voor het plangebied is wel een waterleiding gelegen, hier zou mogelijk een brandkraan op geplaatst kunnen worden. Advies Brandweer Fryslân adviseert om: - een brandkraan te realiseren voor het plangebied met een minimale capaciteit van 1.000 liter per minuut.
4.
Eindadvies Brandweer Fryslân heeft geen bezwaar tegen de bestemmingswijziging. Wel voorzien wij in het plangebied een knel-/ aandachtspunt met betrekking tot externe veligheid, bereikbaarheid en de bluswatervoorziening. In overeenstemming met de punten die genoemd zijn in deze bijlage adviseert Brandweer Fryslân daarom om: - het externe veiligheidsscenario ‘fakkelbrand bij buisleiding’ en het handelingsperspectief: schuilen binnenshuis of vluchten van de bron af te communiceren met de initiatiefnemer; - er voor te zorgen dat de brandweer op maximaal 40 meter afstand kan opstellen van elk gebouw; - een brandkraan te realiseren voor het plangebied met een minimale capaciteit van 1.000 liter per minuut.
postbus 20120 8900 hm leeuwarden tweebaksmarkt 52 (058) 292 59 25
College van burgemeester en wethouders van de gemeente Waadhoeke Postbus 58 8800 AB FRANEKER
www.fryslan.frl provincie@fryslan.frl www.twitter.com/provfryslan
Leeuwarden, 12 september 2022 Verzonden, Ons kenmerk Afd./Opgave Behandeld door Uw kenmerk Bijlage(n)
: 02027680 : Omgevingszaken : Omgevingszaken / (058) 292 59 25 of romte@fryslan.frl : :
Onderwerp
: advies vooroverleg bestemmingsplan Harlingerweg 80 en 80a Franeker
Geacht college, Op 25 augustus 2022 is bovengenoemd plan ter advisering ontvangen. De provinciale belangen in het plan geven aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen. Wonen op voormalig terrein GGZ (cat. 2 motivering Verordening Romte) In het plan wordt de bouw van een tweede woning op het perceel Harlingerweg 80 en 80a planologisch toegestaan. De bestaande woning op het perceel blijft gehandhaafd. Daarnaast wordt een karakteristiek pand dat eerder in gebruik was als recreatiewoning tevens in gebruik genomen als woning. In het voorliggende plan staat u twee woningen toe op het perceel. Voor beide woningen geldt dat een hoofdgebouw van 200 m2 is toegestaan, met daarbij maximaal 300 m2 aan bijgebouwen. Ik merk op dat het hier gaat om panden op het voormalige terrein van de GGZ Franeker. Het is op grond van artikel 1.2.1 van de Verordening Romte aanvaardbaar om naast de al bestaande woning op het perceel ook het karakteristieke pand aan de voorzijde van het perceel als reguliere woning te bestemmen. De bebouwing die u per woning toestaat op het perceel vind ik fors. Ik adviseer u om conform de regels in 1.2.1 Verordening Romte uit te gaan van de huidige oppervlakte aan bebouwing met daarbij eventueel ‘enige aanvullende bebouwing’.
Mijn voorstel is om uit te gaan van woningen met een oppervlakte van maximaal 150 m2 en daarnaast de omvang van de bestaande bijgebouwen op het perceel.
-1/3-
Ons kenmerk:
02027680
Woonprogramma (cat. 2 motivering Verordening Romte) In de toelichting staat dat het aantal woningen met één woning toeneemt omdat de bestaande loods als mantelzorgwoning gaat dienen. U geeft aan dat dit binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma past. Ik merk op dat een mantelzorgwoning niet verdisconteerd hoeft te worden in het woonprogramma. Wel wordt planologisch een extra woning op het perceel toegestaan door het in gebruik nemen van een recreatiewoning als reguliere woning. Dit moet wel verdisconteerd worden in het woonprogramma. Ik merk verder op dat u in de toelichting alleen motiveert dat een extra woning passend is binnen het woonbeleid. U motiveert niet hoe de extra woning past binnen het woonprogramma. Wanneer een woning niet binnen het actuele woonprogramma past moet op basis van artikel 3.1.1, tweede lid onder b van de Verordening Romte gemotiveerd worden op welke wijze overschrijding van het woonprogramma kan worden voorkomen door uitwisseling of fasering van plannen. Ik adviseer u in de toelichting een nadere motivering op te nemen. Landschappelijke inpassing (cat. 2 motivering Verordening Romte) Het perceel is in de huidige situatie goed ingepast met bestaande beplanting. Deze zou gehandhaafd moeten blijven.
Ik adviseer u daarom met bouwvlakken te werken om de bestaande bebouwing te duiden en de tuin te voorzien van een tuinbestemming met een voorwaardelijke verplichting om de beplanting in stand te houden. Cultuurhistorie (cat. 2 motivering Verordening Romte) Ik constateer dat de achterzijde van het perceel op de CHK2 is aangeduid als verhoogde boerderijplaats. Ik adviseer u in het kader van voorliggend bestemmingsplan af te wegen of in het bestemmingsplan beschermende regels nodig zijn om de cultuurhistorische waarden ter plaatse te beschermen. Archeologie (cat. 4 omgevingsvisie/goede ruimtelijke ordening) De FAMKE adviseert archeologisch onderzoek uit te voeren bij ingrepen vanaf 500 m2. Ik kan instemmen met uw conclusie dat onderzoek nu niet nodig is. Wel adviseer ik u een dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ op het perceel te leggen, zodat u ook aan de regels voor het beschermen van de archeologische verwachtingswaarden uit de Erfgoedwet voldoet. Voor het overige geeft het plan aanleiding tot de volgende opmerkingen. Toelichting (cat. 6 plantechnisch/juridisch) De toelichting is niet duidelijk over de huidige en toekomstige situatie op het perceel. In de begeleidende mail staat dat beide panden al langere tijd in gebruik zijn als woning. In de algemene toelichting van het plan staat dat in de huidige situatie sprake is van een reguliere woning en een recreatiewoning.
In de paragraaf ecologie wordt vermeld dat de huidige mantelzorgwoning in gebruik wordt genomen als reguliere woning. Ik verzoek u in de toelichting één en ander nader toe te lichten door aan de hand van een duidelijke schets te duiden welke gebouwen aanwezig zijn op het perceel, hoe het nu gebruikt wordt en hoe het in de toekomst zal worden gebruikt.
-2/3-
Ons kenmerk:
02027680
Voor de betekenis van de categorie-aanduiding verwijs ik naar de brief van Gedeputeerde Staten van 8 februari 2019, betreffende 'Aanpassing Notitie Inwerkingtreding Verordening Romte Fryslân'. Hoogachtend, Namens het college van Gedeputeerde Staten, #@ValidSign_Ondertekenaar_1# ValidSigned by A.J. Tack on 12-09-2022
mevr. A.J. Tack afdelingshoofd Omgevingszaken a.i.
-3/3-
Ons kenmerk:
02027680
Regels
85/177
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 het plan: het bestemmingsplan Franeker - Harlingerweg 80 en 80a van de gemeente Franekeradeel; 1.2 het bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met bijbehorende regels als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1949.20220199-; 1.3 aan-huis-verbonden beroep: de in bijlage 1 genoemde beroepen, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet publieksaantrekkend zijn en die op kleine schaal in een (bedrijfs)woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de (bedrijfs)woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijk uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie; 1.4 aanbouw: een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.5 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.6 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.7 aangebouwd bijgebouw: een met het (hoofd)gebouw verbonden en/of een aan het (hoofd)gebouw aanwezig gebouw, dat zowel ruimtelijk als functioneel ondergeschikt is
aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen (hoofd)gebouw en ten dienste staat van dat (hoofd)gebouw; 1.8 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.9 bebouwingsbeeld: de waarde van een gebied in stedenbouwkundige zin, die wordt bepaald door de mate van samenhang in aanwezige bebouwing, daarbij in het bijzonder gelet op een goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte, een goede hoogte- en breedteverhouding tussen de bebouwing onderling en de samenhang in bouwvorm en ligging tussen bebouwing die ruimtelijk op elkaar is georiënteerd;
86/177
1.10 bedrijfsvloeroppervlakte: de totale vloeroppervlakte van de ruimte binnen gebouwen of behorende bij een functie (deels) buiten gebouwen die wordt gebruikt voor een bedrijf, een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.11 bestaand: ten aanzien van de aanwezige bouwwerken en de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, en het overige gebruik: bestaand ten tijde van het inwerkingtreden van het bestemmingsplan; 1.12 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 1.13 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.14 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.15
bouwgrens:
de grens van een bouwvlak; 1.16 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.17 bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel; 1.18 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; 1.19 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.20 bijgebouw: een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.21 cultuurhistorische waarden: de aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarden, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt;
87/177
1.22 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.23 erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een woonhuis of een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw; 1.24 evenement: elke voor publiek buiten de daartoe ingerichte inrichtingen toegankelijke festiviteit, grootschalige sportwedstrijd, auto- of motorcrosswedstrijd, optocht, georganiseerd vuurwerk en alle overige tot vermaak en recreatie bedoelde activiteiten, met uitzondering van markten als bedoeld in de Gemeentewet, kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen en betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; 1.25 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.26
gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden:
de mogelijkheden om gronden en daarop toegelaten bouwwerken overeenkomstig de daaraan toegekende bestemming te gebruiken; 1.27 geluidsbelasting: de geluidsbelasting vanwege een weg, een industrieterrein en/of een spoorweg; 1.28 geluidsgevoelige objecten: gebouwen welke dienen ter bewoning of andere geluidsgevoelige gebouwen, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder; 1.29 geluidsgevoelige functies: in een gebouw of op een terrein aanwezige functies die maken dat een gebouw of een terrein als geluidsgevoelig object wordt aangemerkt; 1.30 geluidszoneringsplichtige inrichting: een inrichting, waarbij ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een geluidszone moet worden vastgesteld; 1.31 hogere grenswaarde: een bij een bestemmingsplan in acht te nemen maximale waarde voor de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten, die hoger is dan de voorkeurgrenswaarde en die in een concreet geval kan worden vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder;
88/177
1.32 hoofdgebouw: een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt; 1.33 huishouden: een zelfstandig(e) dan wel samenwonend persoon of groep van personen met een zekere mate van onderlinge verbondenheid die binnen een complex van ruimte gebruik maken van dezelfde voorzieningen zoals een keuken, sanitaire voorzieningen en de entree; 1.34 inwoning: het wonen, niet zijnde logeren, bij anderen; 1.35 kampeermiddel: een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of een stacaravan, dan wel enig ander daarmee vergelijkbaar voertuig of onderkomen, dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; 1.36 kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten: de in bijlage 1 genoemde bedrijvigheid, dan wel naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend door de bewoner en de aan de bedrijvigheid bij woningen gebonden medewerkers; 1.37 kleinschalige duurzame energieopwekking: winning van energie uit kleinschalige perceelsgebonden bronnen, waarbij weinig tot geen schadelijke milieueffecten optreden bij winning en omzetting en waarvan de bronnen in onuitputtelijke hoeveelheden beschikbaar zijn, zoals zon, wind, water, biomassa, aard- en
omgevingswarmte; 1.38 landschappelijke waarden: waarden in verband met de verschijningsvorm van een gebied en de aanwezigheid van waarneembare structuren en/of elementen in dat gebied. Bij de afweging van de landschappelijke waarden zal paragraaf 5.1.4.1 in de toelichting mede toetsingskader zijn; 1.39 logies met ontbijt het bieden van de, ten opzichte van het wonen ondergeschikte, mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben; 1.40 milieusituatie: de situatie, waarbij milieuaspecten dienen te worden beoordeeld, zoals hinder voor omwonenden, externe veiligheid en een verkeersaantrekkende werking. In het bijzonder dient er bij de situering en omvang van milieubelastende functies (o.a. bedrijven) op te worden gelet dat de uitbreiding of nieuwvestiging van milieugevoelige functies (o.a. woningen) zo weinig mogelijk wordt beperkt. Omgekeerd dient er bij uitbreiding of nieuwvestiging van milieugevoelige functies op te worden gelet dat bestaande milieubelastende functies zo weinig mogelijk in hun functioneren worden beperkt;
89/177
1.41 natuurlijke waarden: de aan een gebied toegekende waarden in verband met de geologische, bodemkundige en biologische elementen voorkomende in dat gebied. Onderdeel van de natuurlijke waarden vormt steeds een beoordeling van de soortbescherming op basis van de Flora- en faunawet; 1.42 normaal onderhoud: het onderhoud, dat gelet op de bestemming regelmatig noodzakelijk is voor een goed beheer en gebruik van de gronden en gebouwen die tot de betreffende bestemming behoren; 1.43 nutsvoorzieningen: voorzieningen voor algemeen nut, zoals afvalinzameling, elektriciteit, gas, (tele)communicatie en dataverkeer, openbaar vervoer en water. Het gaat hierbij om andere bouwwerken zoals antennes, bakken, borden, containers, hekken, kastjes, palen, zuilen en wat met deze bouwwerken te vergelijken is. Onder nutsvoorziening wordt ook verstaan een schakelstation, een rioolwaterzuiveringsinstallatie, een telecommunicatiestation en een transformatorstation; 1.44 overkapping: een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder wanden dan wel met ten hoogste één wand; 1.45
peil:
a. indien op het land wordt gebouwd: 1. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; 2. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; b. indien op of in het water wordt gebouwd: het Fries Zomerpeil; c. in het geval de hoogte van het terrein op een perceel grote verschillen vertoont: de door Burgemeester en Wethouders bepaalde hoogte; 1.46 recreatieappartement: het geheel van bijbehorende vertrekken als afzonderlijk gemeubileerde woongelegenheid, bedoeld voor verblijfsrecreatie, als onderdeel van een (andere) hoofdfunctie; 1.47 seksinrichting: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht. of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een sekstheater, een seksautomatenhal, of een parenclub, of een daarmee gelijk te stellen bedrijf, al dan niet in combinatie met elkaar;
90/177
1.48 uitbouw: een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.49 verkeersveiligheid: de veiligheid voor het verkeer die wordt bepaald door de mate van overzichtelijkheid en vrij uitzicht (met name bij kruisingen van wegen en uitritten) en de (mogelijke) effecten van bebouwing en overige inrichtingselementen op de gedragingen van verkeersdeelnemers; 1.50 voorkeurgrenswaarde: de bij een bestemmingsplan in acht te nemen maximale waarde voor de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten, zoals deze rechtstreeks kan worden afgeleid uit de Wet geluidhinder en/of het Besluit Geluidhinder; 1.51 vrijstaand bijgebouw: een niet met het (hoofd)gebouw verbonden gebouw, dat zowel ruimtelijk als functioneel ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen (hoofd)gebouw en ten dienste staat van dat (hoofd)gebouw; 1.52 woning: een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden; 1.53 woonhuis: een gebouw, dat één woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden; 1.54 woonsituatie: een situatie waarbij, mede door de
situering van om de woonfunctie liggende functies en bebouwing, in ieder geval sprake is van een redelijke daglichttoetreding, een redelijke mate van uitzicht en voldoende privacy, alsmede van afwezigheid van hinder.
91/177
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.2 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, ondergeschikte bouwdelen als goten van dakkapellen niet meegerekend; 2.3 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.5
de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.6 de oppervlakte van een overkapping: tussen de buitenwerkse constructiedelen, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
92/177
Hoofdstuk 2
Artikel 3
Bestemmingsregels
Wonen - 2
3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep c.q. kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; b. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen; waarbij ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' , de instandhouding van de bestaande karakteristieke waarden van gebouwen wordt nagestreefd, zoals die zijn beschreven in Bijlage 2; met daaraan ondergeschikt: c. kleinschalige duurzame energieopwekking; d. nutsvoorzieningen; e. wegen en paden; f. water; met de daarbijbehorende: g. tuinen, erven en terreinen; h. bouwwerken geen gebouwen zijnde.
3.2 Bouwregels 3.2.1 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd; b. per bestemmingsvlak zullen ten hoogste twee woonhuizen worden gebouwd; c. de oppervlakte van een hoofdgebouw zal ten hoogste 200 m² bedragen; d. de goothoogte van een woonhuis zal ten hoogste 4,00 m bedragen; e. de dakhelling van een woonhuis zal ten minste 30° en ten hoogste 60° bedragen; f. de bouwhoogte van een woonhuis zal ten hoogste 9,00 m bedragen. 3.2.2 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zullen ten minste 3,00 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw c.q. het verlengde daarvan worden gebouwd; b. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw zal ten hoogste 100 m² bedragen, met dien verstande dat: 1. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen ten hoogste 100% van de oppervlakte van het hoofdgebouw zal bedragen;
93/177
c.
d. e. f. g.
2. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw ten hoogste 50% van het erf zal bedragen; de goothoogte van een aan- of uitbouw of een aangebouwd bijgebouw zal ten hoogste gelijk zijn aan de bouwhoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw waaraan wordt gebouwd, plus 0,25 m, met dien verstande dat de goothoogte van een aan- of uitbouw of een aangebouwd bijgebouw niet meer mag bedragen dan 4,00 m; de onderlinge afstand tussen een hoofdgebouw en een bijgebouw zal ten hoogste 25,00 m bedragen, tenzij de bestaande afstand groter is, in welk geval de bestaande afstand als maximum geldt; de goothoogte van een vrijstaand bijgebouw zal ten hoogste 3,50 m bedragen; de bouwhoogte van een bijgebouw zal ten hoogste 6,00 m bedragen; de bouwhoogte van een overkapping zal ten hoogste 3,00 m bedragen.
3.2.3 Overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 1,00 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan ten hoogste 2,00 m zal bedragen; b. de bouwhoogte van vlaggenmasten zal ten hoogste 8,00 m bedragen; c. de bouwhoogte van vrijstaande reclameobjecten, geen vlaggenmasten zijnde, zal ten hoogste 2,00 m bedragen; d. er zullen geen bouwwerken ten behoeve van de opwekking van windenergie en paardrijbakken worden gebouwd; e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, zal ten hoogste 10,00 m bedragen. 3.3 Afwijken van de bouwregels 3.3.1 Situering aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2.2 sub a in die zin dat een aanof uitbouw, een bijgebouw of een overkapping minder dan 3,00 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw dan wel het verlengde daarvan wordt gebouwd, mits: geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie en het straat- en bebouwingsbeeld.
3.3.2 Vergroten oppervlakte aan- of uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2.2 sub b in die zin dat de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, de bijgebouwen en de overkappingen bij een hoofdgebouw wordt vergroot tot ten hoogste 10% van de oppervlakte van het erf, exclusief de oppervlakte van het hoofdgebouw, mits: a. de gezamenlijke oppervlakte van het hoofdgebouw en de aanbouwen, uitbouwen, overkappingen en bijgebouwen ten hoogste 300 m² zal bedragen; b. de oppervlakte van de aanbouwen, uitbouwen, overkappingen en bijgebouwen ten hoogste 100% van de oppervlakte van het hoofdgebouw zal bedragen; c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de
94/177
natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 3.3.3 Paardrijbakken Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2.3 sub d in die zin dat paardrijbakken worden toegestaan, mits tevens de in lid 3.5.3 bedoelde vergunning is verleend. 3.4 Specifieke gebruiksregels Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming wordt in aanvulling op het gestelde in artikel 6 in ieder geval gerekend: a. het gebruik van woonhuizen in combinatie met bedrijfsdoeleinden anders dan een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit; b. het gebruik van gedeelten van een hoofdgebouw, inclusief aan- en uitbouwen bij het woonhuis, voor de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, indien: 1. het beroep of bedrijf niet wordt uitgeoefend door één van de bewoners van het woonhuis, waarbij één andere arbeidskracht ter plekke werkzaam mag zijn; 2. de beroeps-/bedrijfsvloeroppervlakte in het hoofdgebouw meer bedraagt dan 30% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw; 3. de beroeps-/bedrijfsvloeroppervlakte meer dan 50 m² bedraagt; 4. parkeren niet op eigen erf plaatsvindt; 5. detailhandel plaatsvindt anders dan productiegebonden detailhandel; c. het gebruik van een woonhuis, inclusief aan- en uitbouwen, voor (mantel)zorg; d.
het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning; e. het gebruik van een woonhuis voor meer dan één woning; f. het gebruik van gronden en bouwwerken voor verblijfsrecreatieve doeleinden; g. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van agrarische bedrijfsactiviteiten; h. het gebruik van gronden ten behoeve van de aanleg van een paardrijbak met de daarbijbehorende bouwwerken; i. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen. 3.5
Afwijken van de gebruiksregels
3.5.1 Theeschenkerij Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.4 sub a in die zin dat bij een woonhuis een theeschenkerij wordt gevestigd, mits: a. de schenkerij binnen de bestaande bebouwing wordt gevestigd; b. een klein buitenterras ten behoeve van de theeschenkerij mag worden aangelegd; c. de bedrijfsvloeroppervlakte ten behoeve van de theeschenkerij maximaal 50 m², exclusief het terras, mag bedragen; d. parkeren op eigen erf plaatsvindt; e. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
95/177
3.5.2 Logies met ontbijt Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.4 sub f in die zin dat de gronden en bouwwerken in combinatie met het wonen, al dan niet in samenhang met inpandige bouwactiviteiten, worden gebruikt voor logiesverstrekking ten behoeve van recreatieve bewoning in de vorm van logies met ontbijt, mits: a. de logiesverstrekking plaatsvindt binnen het woonhuis, een aan- of uitbouw of een aangebouwd bijgebouw. Er wordt uitgegaan van een bestaande entree (deur); b. de oppervlakte van het permanente woongedeelte van het woonhuis niet minder mag bedragen dan 75 m²; c. er maximaal drie kamers met in totaal 10 slaapplaatsen gerealiseerd worden; d. er geen keukenblok in de kamers wordt gemaakt; e. parkeren op eigen erf plaatsvindt; f. er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt; g. er vanwege de logiesverstrekking geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt voor nabijgelegen woningen van derden (minimale afstand 50 m tot de woonbestemmingsgrens); h. de gezamenlijke oppervlakte die bij een woonhuis wordt gebruikt ten behoeve van nevenfuncties ten hoogste 100 m² bedraagt; i. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
3.5.3 Paardrijbakken Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 3.4 onder h in die zin dat gronden, voorzover gelegen binnen het bestemmingsvlak, worden gebruikt voor de aanleg van een paardrijbak ten behoeve van het eigen hobbymatige gebruik met de daarbijbehorende bouwwerken, mits: a. de paardrijbak zoveel mogelijk uit het zicht van de openbare weg wordt gesitueerd ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing; b. er vanwege de paardrijbak geen onevenredige hinder (geur, geluid, licht en stof) wordt veroorzaakt voor nabijgelegen woningen van derden (minimale afstand 50 m tot de woonbestemmingsgrens). c. er geen onevenredige verstoring van het bodemarchief wordt veroorzaakt d. de oppervlakte van een paardrijbak ten hoogste 1.200 m² bedraagt; e. de bouwhoogte van lichtmasten of naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwwerken ten behoeve van de verlichting van paardrijbakken ten hoogste 5,00 m zal bedragen; f. de lichtmasten uitsluitend gericht zijn op de paardrijbak; g. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 3,00 m zal bedragen. 3.6 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk 3.6.1 Vergunningplicht Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist: het (gedeeltelijk) slopen van karakteristieke gebouwen, ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek'.
3.6.2 Uitzondering Het bepaalde in lid 3.6.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud betreffen;
96/177
b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan. 3.6.3 Toetsingscriteria De omgevingsvergunningen kunnen slechts worden verleend, indien: a. de bouwtechnische kwaliteit dusdanig slecht is dat hergebruik in alle redelijkheid niet mogelijk is; b. het delen van een gebouw betreft die op zichzelf niet karakteristiek zijn en waarbij door verwijdering daarvan de waardevolle hoofdvorm of de karakteristieke waarden van het gebouw niet onevenredig wordt aangetast.
97/177
Artikel 4
Waarde - Reliëf kwelderwal, terpen en kruinige percelen
4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Reliëf kwelderwal, terpen en kruinige percelen' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: het behoud, het herstel en de uitbouw van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de reliëfrijke gronden van de kwelderwal, terpen en kruinige percelen. 4.2 Specifieke gebruiksregels Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming wordt in aanvulling op het gestelde in artikel 6 in ieder geval gerekend: a. het diepploegen, egaliseren, afgraven, afschuiven en/of ophogen van gronden; b. het dempen en/of graven van sloten en/of andere waterlopen en/of -partijen. 4.3 Afwijken van de gebruiksregels 4.3.1 Werken en werkzaamheden Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 4.2 in die zin dat gronden worden afgegraven en/of worden opgehoogd, dan wel dat sloten en/of andere waterlopen en/of -partijen worden gedempt en/of gegraven, mits: a. het om een zeer beperkte ingreep gaat die wordt uitgevoerd ten behoeve van een landbouwkundige noodzaak dan wel het om de aanleg van natuurvriendelijke oevers langs waterlopen gaat; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gaafheid van het gebied zoals dat is voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Reliëf kwelderwal, terpen en kruinige percelen'.
98/177
Hoofdstuk 3 Artikel 5
Algemene regels
Anti-dubbeltelbepaling
Grond welke eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
99/177