Bijlage 1: Beheerplan Openbaar Groen 2023-2026
Tekst van het document
Gemeente Waadhoeke
Beheerplan Openbaar Groen 2023-2026
van natuur en mens Juli 2023
Buitensportaccommodaties 2022-2026 oktober 2021
Auteur: Tiena Vriesema-Betten Afdeling Beheer Openbare Ruimte Auteur: Tiena Vriesema-Betten
Inhoudsopgave Inleiding
4
Deel 1: Achtergronden en wettelijk kader
6
1.Achtergrond en wettelijk kader
7
2. Gebiedsbeschrijving
13
3. Beheer en successie
15
Deel 2: Gras
18
1. Grastypen
19
2. Uitgangspunten beheer
19
3. Beheermaatregelen
21
4. Areaal
23
Deel 3: Cultuurlijke beplanting
24
1. Beplantingstypen
25
2. Uitgangspunten
25
3. Beheer
26
4. Areaal
28
Deel 4: Natuurlijke beplanting
30
1. Beplantingstypen
31
2. Uitgangspunten
31
3. Beheer
33
4. Areaal
40
Deel 5: Bomen
46
1. Beplantingstypen
47
2. Uitgangspunten
47
3. Beheer
49
4. Areaal
58
Deel 6: Monitoring, schouw en lidmaatschappen
61
Deel 7: Financiën
62 2
Deel 8: Bijlagen
66
Bijlage 1: Verklarende woordenlijst
67
Bijlage 2: Samenvatting wettelijk kader en achtergronden
69
Bijlage 3: Beelden grastypen
74
Bijlage 4: Varianten onderhoudsniveau’s
75
Bijlage 5: Natuurlijke beplanting overzicht
80
Bijlage 6: Lijst bosjes prioritering 2 en 3
81
Bijlage 7: Namenlijst bomen
87
3
Inleiding Voor u ligt het geactualiseerde Beheerplan Openbaar Groen 2023-2027. Dit beheerplan vloeit voor uit het Biodiversiteit Actieplan uit 2020 (BAP). In het eerste Beheerplan Groen 2019-2022 was het onderhoud van cultuurlijke beplanting opgenomen. In het Beheerplan Openbaar Groen 2023-2027 is naast cultuurlijke beplanting ook het beheer van gras, bomen en natuurlijke beplanting (houtopstanden) opgenomen. Met dit beheerplan wordt de basis gegeven voor het onderhoud van openbaar groen in gemeente Waadhoeke en richt zich (waar mogelijk) op de ecologische visie uit het Biodiversiteit Actieplan. In dit beheerplan staan de mogelijk te nemen beheermaatregelen beschreven. Daarbij is per onderdeel het huidige areaal opgenomen. Duurzaamheid maakt integraal deel uit van dit beheerplan. Terugblik Beheerplan Groen 2019-2022 Het Beheerplan Groen 2019-2022 is vastgesteld op 13 juni 2019. Dit beheerplan gaf kaders voor het beheer en onderhoud. Binnen de looptijd van dit beheerplan (2019-2022) is gewerkt aan het uitvoeren van het onderhoud op B-niveau (basis, CROW). Daarnaast is gewerkt aan het introduceren, opzetten en uitvoeren van ecologisch groenbeheer. Er is en wordt doorlopend gewerkt aan het in beeld brengen van het gemeentelijk areaal.
Afbakening Dit beheerplan gaat in op het beheer van: • Gras: gazon, gazon met bollen, berm, kruidenrijk gras, riet, ruigte en uitmaaien watergangen. • Cultuurlijke beplanting: hagen, heesters, rozen, vaste planten. • Bomen: solitaire bomen, rijbeplanting en groepen van bomen zonder onderbeplanting. • Natuurlijke beplanting/houtopstanden: bomenrijen met onderbeplanting en/of een groep van boomvormers met onderbeplanting. Een verklarende woordenlijst is opgenomen in bijlage 1. Ecologische visie Op 11 juni 2020 is het Biodiversiteit Actieplan (met enkele wijzigingen) vastgesteld. Dit plan borgt de structurele aandacht voor biodiversiteit. Ook is hierin de ecologische visie opgenomen: Waadhoeke wil dat de huidige ecologische waarden in stand worden gehouden en -daar waar het kansrijk is- worden hersteld en versterkt. Waadhoeke streeft naar een eigen ecologische hoofdstructuur waarin belangrijke hotspots met elkaar worden verbonden door natuurlijke corridors. Afwegingskader Openbaar groen maakt deel uit van een ecologische (hoofd)structuur, daarom is het belangrijkste uitgangspunt dat ecologische principes leidend zijn voor beheer. Binnen ecologisch beheer staat de flora en fauna centraal. Een te nemen beheermaatregel moet daarom afgestemd zijn op de aanwezig flora en fauna.
Voor het uitvoeren van een beheermaatregel zou een schouw en (verkennend) ecologisch onderzoek uitgevoerd moeten worden Op dit moment is er echter geen integraal overzicht en afwegingskader beschikbaar die is toegespitst op de gemeente Waadhoeke. Er zal een afwegingskader worden opgesteld. De resultaten daarvan kunnen, wanneer deze beschikbaar zijn, direct worden ingezet en het beheer kan daarop worden afgestemd. Op deze manier kan transparant de keuze voor de beheermaatregel worden genomen en wordt de in te zetten beheermaatregel afgestemd op de locatie. Voor nu geldt dat het afwegingskader met name op technische (on)mogelijkheden is gebaseerd.
4
Beheer De gemeente Waadhoeke beheert: Wat Hoeveel (bij benadering) Gras 69840 are Cultuurlijke beplanting 2338 are Natuurlijke beplanting 10208 are, waaronder 42 bosjes Bomen 33.000 stuks Sloten 570,2 km hekkelen en 4623,4 are maaiboot (inclusief OSW) Exoten / overlastsoorten Op basis van de feitelijke situatie Bovenstaand overzicht van de arealen binnen gemeente Waadhoeke. Hiervoor wordt gerekend met de nu bekende gegeven vanuit GBI. Het is bekend dat deze niet 100% kloppen. Echter de (financiële) inspanningen om dit 100% kloppend te krijgen in relatie tot het verkrijgen van betere (financiële) cijfers is niet reëel. Gekozen wordt om geleidelijk naar 100% te blijven streven. Het onderhoud van al het openbaar groen wordt over het algemeen door de gemeentelijke buitendienst uitgevoerd. Het maaien van gras buiten de kernen, het uitmaaien van watergangen, het onderhoud aan de natuurlijke beplanting, specialistisch onderhoud van de bomen en exotenbestrijding wordt over het algemeen door aannemers uitgevoerd. In een aantal dorpen zijn initiatieven waarbij bijvoorbeeld inwoners het onderhoud uitvoeren aan plantvakken, bloembakken en gras. Dit beheerplan is opgesteld om het beheer planmatig uit te kunnen voeren.
Het voordeel van planmatig werken is: • voldoen aan wet- en regelgeving • informeren inwoners • inspelen op ontwikkelingen • voorkomen achterstallig onderhoud • integraal werken • efficiënt werken • inzichtelijk maken van kosten. Leeswijzer Deel 1 gaat in op de achtergronden en wettelijk kader. Deel 2 gaat in op het beheer van gras. Deel 3 gaat in op het beheer van cultuurlijke beplanting. Deel 4 gaat in op het beheer van natuurlijke beplanting. Deel 5 gaat in op het beheer van bomen. Deel 6 gaat in op monitoring, schouw en lidmaatschappen. Deel 7 gaat in op de financiële gevolgen van de delen 2, 3, 4, 5 en 6 van dit beheerplan. Deel 8 zijn de bijlagen weergegeven zoals genoemd in dit beheerplan.
5
Deel 1: Achtergronden en wettelijk kader Deel 1 gaat in op de achtergronden en wettelijk kader waarbinnen dit beheerplan is opgesteld. Ook wordt een beknopte beschrijving gegeven van het landschap in Waadhoeke. Daarna wordt ingegaan op successie.
6
1. Achtergrond en wettelijk kader In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van relevante achtergrondinformatie en de relevante wettelijke kaders. Daarnaast wordt ingegaan op invasieve exoten en ziekten en plagen.
1.1 Achtergrond Er is al jaren veel aandacht voor het klimaat en de biodiversiteit. Vanuit die aandacht is een Europees Klimaatakkoord en een Europese Biodiversiteitsstrategie vastgesteld. In 2019 is het Nederlands Klimaatakkoord aangenomen. Een jaar eerder, in 2018, is het Nederlandse Deltaplan Biodiversiteit gepresenteerd. De plannen vanuit Europa en Nederland zijn vertaald in het Herstelplan Biodiversiteit Friesland. Op 11 juni 2020 heeft de gemeenteraad het Biodiversiteit Actieplan Waadhoeke vastgesteld. Daarnaast zijn er beleidsstukken die raakvlakken hebben met het beheer van de openbare ruimte. Hieronder staat een overzicht van relevant beleid / achtergronden die van invloed zijn op dit beheerplan. Een samenvatting is te vinden in bijlage 2. Europa Klimaatakkoord Parijs 2015 Europese Biodiversiteitsstrategie 20 mei 2020 Sustainable Development Goals 2015
Nederland Nederlands Klimaatakkoord 2019 Deltaplan Biodiversiteit 2018
Fryslân Herstelplan biodiversiteit
Bossenstrategie 2020
Grutsk op ‘e Romte (2014)
Europese exotenverordening 2014
Natura2000
Omgevingsvisie De Romte Diele
Natuurnetwerk Nederland
Friese bossenstrategie
Waadhoeke Biodiversiteit Actieplan 2020 Duurzaamheidsagenda Landschapsbiografie ‘Het verhaal van Waadhoeke, 3000 jaar leven met het water’ Bodemvisie Waadhoeke Inventarisatie waardevolle landschapselementen (wordt uitgevoerd. Indien dit gevolgen heeft voor het Beheerplan Openbaar Groen, volgen aanpassingen)
Gedragscode soortenbescherming Stadswerk
7
1.2 Wetgeving Naast beleid is wetgeving van toepassing op het beheer van het openbaar groen. Wettelijk kader Wet natuurbescherming (2017)
Verordening Wet natuurbescherming Fryslân 2017 Grenzen bebouwde kom Wet natuurbescherming Waadhoeke (2021) Europese exotenverordening 2014
Burgerlijk Wetboek (BW), zorgplicht bomen
Waterwet
Keur Wetterskip Fryslân 2013
Omschrijving In hoofdstuk 3 zijn regels opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de flora en fauna. In hoofdstuk 4 zijn regels opgenomen over het bewaren van houtopstanden. Deze regels gelden voor houtopstanden die op basis van artikel 4.1 lid a van de Wet natuurbescherming buiten de bebouwde kom Wet natuurbescherming liggen. Waar de grens van de bebouwde kom ligt, wordt op basis van artikel 4.1 lid a bepaald door de gemeenteraad. De uitvoering van de Wet natuurbescherming is bij de provincies belegd. Daarnaast heeft de provincie de rol van toezichthouder en handhaver. Voor dit laatste is de FUMO uitvoerend. Op 23 december 2021 heeft de gemeenteraad de grenzen bebouwde kom Wet natuurbescherming vastgesteld. Internationale afspraken moeten de invasie van exoten bestrijden. In landen van de Europese Unie (EU) geldt de Europese exotenverordening waarop planten en dieren staan die schade toebrengen aan de natuur. Onderdeel van de Europese exotenverordening is de Unielijst van invasieve exoten. In artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is de onrechtmatige daad omschreven. Het gaat om een handelen of een nalaten waarmee iemand een ander schade toebrengt. Een eigenaar van een boom kan aansprakelijkheid voorkomen wanneer hij kan bewijzen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan.
Deze zorgplicht kan worden uitgevoerd door middel van de boomveiligheidscontroles (VTA). De algemene zorgplicht stelt dat er sprake moet zijn van regulier en regelmatig onderhoud en uitwendige controle op gebreken aan de boom (de zogenaamde boomveiligheidscontrole). De Waterwet regelt het beheer van watersystemen. De wet is gericht op het voorkomen dan wel beperken van overstromingen, wateroverlast, waterschaarste en de bescherming en verbetering van kwaliteit van de watersystemen. De keur van Wetterskip Fryslân is een verordening die gericht is op het beheer van de infrastructuur en bevat om die reden geboden en verboden om bepaalde activiteiten uit te voeren.
8
1.3 Ziekten en plagen Binnen het openbaar groen kan het beheer te maken krijgen met ziekten of plagen. Er is budget voor het bestrijden van ziekten en plagen. Hieronder volgt een omschrijving van de meest voorkomende ziekten en plagen. Ziekten Iepziekte De Iepziekte wordt veroorzaakt door een schimmel. Deze schimmel kan zich via wortelcontact en via de Iepenspintkever verspreiden. In de 20e eeuw zijn veel Iepen doodgegaan door de Iepziekte. Echter, sinds 2009 ligt de ziektedruk rond de 1%. Essentaksterfte Essentaksterfte wordt veroorzaakt door een schimmel. De Essentaksterfte heeft zich de afgelopen jaren sterk weten uit te breiden. Naar verwachting zal 85-90% van de aangetaste Essen doodgaan. Vanwege de Essentaksterfte wordt terughoudend omgegaan met het aanplanten van Es. Bastwoekering bij es Bastwoekering bij essen wordt veroorzaakt door een bacterie, waarbij de vitaliteit van de boom sterk kan verminderen. Kastanjebloedingsziekte Kastanjebloedingsziekte wordt veroorzaakt door een bacterie. Deze ziekte komt uitsluitend voor bij Aesculus hippocastanum (Paardenkastanje). Plagen Eikenprocessierups De eikenprocessierups (Thaumethopea processionea) is de rups van een nachtvlinder. In de maanden mei, juni en juli zijn op veel eikenbomen in vrijwel heel Nederland behaarde rupsen te vinden.
De rupsen gaan ‘s nachts groepsgewijs - in processie - op zoek naar voedsel (eikenbladeren); vandaar de naam eikenprocessierups. Na contact met de microscopisch kleine, pijlvormige brandharen van deze rups kunnen klachten ontstaan zoals jeuk, huiduitslag en irritatie aan de ogen of aan de luchtwegen. Indien de rups in de boom wordt aangetroffen, wordt bestrijding ingezet. Essenbastkever De larven van de essenbastkever ontwikkelen zich in de bastlaag van stammen en takken van essen. Bij uitzondering wordt ander loofhout, o.a. sering, noot, acacia en eik, aangetast. De kevers vliegen uit van maart tot mei. Kevers binnenshuis veroorzaken geen enkele schade en kunnen geen houtwerk of hout aantasten dat van de schors is ontdaan. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen is niet noodzakelijk en dus ongewenst. Iepenspintkever Iepenspintkevers leven als larve onder de bast van verzwakte, zieke en dode iepen. In Nederland komen de grote iepenspintkever (Scolytus scolytus), de kleine iepenspintkever (Scolytus multistriatus) en de dwergiepenspintkever (Scolytus pygmaeus) voor. Vooral de eerste twee soorten spelen een grote rol in de verspreiding van iepziekte. Bestrijding hiervan wordt gelijktijdig uitgevoerd met de bestrijding van de iepziekte. Invasieve exoten (op basis van NVWA) Reuzenberenklauw De reuzenberenklauw is een grote plant en kan tussen de 3 en 5 meter hoog worden.
Deze plant kan veel overlast veroorzaken, doordat de inheemse plantensoorten verdrongen kunnen worden. Ook kan aanraking van de plant ernstige brandwonden tot gevolg hebben. Groeiplaatsen worden in beeld gebracht, zodat bestrijding en monitoring uitgevoerd kan worden. Dit met als doel de plant uit te putten als ook de zadenbank in de bodem. Daarnaast heeft de gemeente als doel om zaadzetting te voorkomen, om nieuwe zadenbanken van deze soort in de bodem te voorkomen. De zaden in de bodem kunnen ruim 7 jaar hun kiemkracht behouden.
9
Japanse duizendknoop
Amerikaanse rivierkreeft Overlastsoorten Lindebladluis
Distel
Jakobskruiskruid (JKK)
Roek
Visdief
De Japanse duizendknoop wordt tot de meest invasieve exoten gerekend. Als deze plant eenmaal gevestigd is, is bestrijding zeer moeilijk. Door de sterke groeikracht worden inheemse soorten verdrongen. De sterke wortelstokken en stengels zijn in staat schade te veroorzaken aan gebouwen, leidingen en wegen. Groeiplaatsen worden in beeld gebracht, zodat bestrijding en monitoring uitgevoerd kan worden. Beheer vindt selectief plaats, op locaties waar verspreiding of schade aan gebouwen en/of particulier terrein aannemelijk is. Beheer biedt geen garantie tot het wegnemen van een groeilocatie. De Amerikaanse rivierkreeft is een invasieve exoot in de watergangen en kan daarmee inheemse soorten verdringen. Inventariseren en samenwerking met andere overheden en waterbeheerders is belangrijk voor beheer. De lindebladluis komt voor in lindebomen. De bomen ondervinden nauwelijks schade van de lindebladluis. De lindebladluizen zitten aan de onderkant van het blad waarvan ze het bladvocht opzuigen. Het gaat de luizen om de suikers in het bladvocht; het teveel aan vocht wordt in de vorm van honingdauw uitgescheiden. Hierop ontstaat vaak schimmel (roetdauw). De Distelverordening van provincie Fryslân verplicht rechthebbenden de soorten Cirsium arvense (akkerdistel), Cirsium lanceolatum (speerdistel) en Cirsium palustre (kale jonker) te bestrijden.
Groeiplaatsen worden in beeld gebracht, zodat bestrijding (door middel van maaien) en monitoring uitgevoerd kan worden. Bestrijding vindt enkel selectief plaats en op basis van meldingen. Jakobskruiskruid is een inheemse plant. In de Jakobskruiskruidverordening provincie-Fryslân 2007 wordt gesteld dat rechthebbenden verplicht zijn deze plant te verwijderen, indien het risico bestaat dat de plant wordt gegeten door landbouwhuisdieren of in veevoer terecht kan komen. Bestrijding vindt enkel selectief plaats en op basis van meldingen. Roeken zijn beschermde vogels (Wet natuurbescherming, Wnb) maar kunnen ook overlast veroorzaken. De vogel broedt in kolonies, waar met name in het broedseizoen overlast wordt ondervonden door het geluid dat de dieren produceren. Meldingen worden bijgehouden en overlast wordt gemonitord. Beheer vindt plaats indien er voldoende grond is op basis van de volksgezondheid en dus overlast wordt ondervonden door bewoners uit de buurt. Echter moet de overlast en de omvang van de kolonie, met de daarbij behorende staat van instandhouding met elkaar in verhouding staan om over te gaan op beheer. Er is een ontheffing van de Wnb nodig om roekenbeheer uit te voeren. De visdief is een koloniebroedende vogelsoort en wordt beschermd onder de Wnb, daarnaast staat het op de rode lijst.
Met name overbevissing en afname van geschikte broedplaatsen zorgen voor dalende populatietrends. Visdieven broeden steeds vaker op platte daken. Dit zorgt voor overlast bij mensen, vanwege de ontlasting en schijnaanvallen van de broedende vogels. Het is verboden om daken ongeschikt te maken zonder hiervoor ontheffing van de Provincie te hebben. De gemeente draagt een sociale rol in het zoeken naar oplossingen voor alternatieve broedlocaties.
10
1.4 Duurzame ontwikkelingen Binnen het groenbeheer wordt gezocht naar duurzame methoden op allerlei gebieden. In het bijzonder wordt sinds 2022 onderzocht hoe groene reststromen welke vrijkomen bij het beheer van de openbare ruimte, gebruikt kunnen worden voor de productie van nieuwe producten. Ontwikkeling Bokashi
Ecologisch talud- en slootbeheer
Experimenteel ecologisch beheer
Uitleg Bladeren blijken zeer geschikt voor het maken van Bokashi. Dit is een Japans woord en betekent “Goed gefermenteerd organisch materiaal”. Het proces van begin tot eind duurt maximaal 10 weken, in tegenstelling tot het intensievere en langduriger composteerproces. Momenteel wordt door andere gemeenten onderzocht of ook bermgras en hekkelspecie verwerkt kunnen worden als Bokashi. Door gebruik van Bokashi in groenperken wordt onkruidgroei ingeperkt, de vochthuishouding verbeterd, biodiversiteit bevorderd en de bodem voorzien van voedingsstoffen en organisch materiaal. Op lange termijn neemt de kwaliteit van het bodemleven toe. Bokashi wordt na afronding van het fermentatie proces verwerkt in de gemeentelijke groenperken. Met name perken met veel onkruiden, jonge perken of moeilijk te onderhouden perken worden voorzien van een laag bokashi. Sinds 2018 is Waadhoeke op bepaalde locaties begonnen met het 1 keer klepelen van de taluds. Hierdoor blijft er altijd vegetatie staan waar de vlakke bermen een aantal keer per jaar volledig gemaaid werden. Biodiversiteit kreeg hierdoor meer kans. Inmiddels wordt gezocht naar mogelijkheden voor ecologisch beheer van de taluds, om biodiversiteit nog meer te stimuleren. Ook wordt onderzocht of en waar gefaseerd beheer in de gemeentelijke wateren mogelijk is.
In het ecologisch beheer vinden er veel ontwikkelingen plaats, waaronder de ontwikkeling van machines met verschillende maaikoppen. Ook de tijd in het jaar waarop gemaaid wordt, speelt een rol bij het behalen of behouden van de gewenste vegetatie. In plaats van verschralen op zware zeeklei, te midden agrarisch gebied, kan ook gezocht worden naar de juiste maaifrequentie en tijd in het jaar met als doel zoveel mogelijk ongewenste planten (met name grassen en ruigte) weg te concurreren. Dat betekent dat gemaaid moet worden op het moment waarop grassen de minste kans op herstel hebben. Rozetvormende kruiden krijgen zo bijvoorbeeld meer kans.
11
1.5 Nabij besturen en groenbeheer Eén van de speerpunten van gemeente Waadhoeke is Nabij Besturen. Dat wil zeggen: bewoners actief betrekken bij de eigen leefomgeving, actief burgerschap stimuleren en de betrokkenheid van bewoners bij het openbaar bestuur vergroten. Deze vorm van participatie wordt binnen het beheer van het openbaar groen zoveel mogelijk toegepast. Wel moet bij een initiatief bekeken worden of het idee/plan past binnen het beheer en het beheerplan. Ook is er overleg tussen de initiatiefnemer, de beheerder en indien nodig de wijkbeheerder. Indien de mate van complexiteit van een initiatief toeneemt, dus als het meerdere locaties of vakgebieden betreft, dan wordt opgeschaald naar een projectstructuur. Het is van belang afspraken te maken met de initiatiefnemers. In het geval dat er een subsidie vanuit het dorpen- en wijkenfonds aangevraagd en toegekend wordt, worden de afspraken over het idee, beheer en onderhoud vastgelegd in de subsidiebeschikking. Hieronder een beschrijving op basis van de participatieladder. Het initiatief/idee past binnen de uitgangspunten van dit beheerplan, dan worden desgewenst de treden coproduceren en (mee)beslissen toegepast.
Het initiatief/idee past niet binnen de uitgangspunten van dit beheerplan, dan worden desgewenst de treden, informeren, raadplegen en adviseren toegepast.
12
2. Gebiedsbeschrijving Hieronder wordt een beknopte beschrijving gegeven van het gebied. Kernwaarden van het landschap worden in de structuurvisie van provincie Fryslân ‘Grutsk Op ‘e Romte’ beschreven. Daarnaast wordt in de landschapsbiografie ‘Het verhaal van Waadhoeke, 3000 jaar leven met het water’ een uitgebreide omschrijving gegeven van het landschap en de ontstaansgeschiedenis van Waadhoeke.
2.1 Landschapstypen in Waadhoeke
Landschappen vormen een belangrijke basis voor biodiversiteit. Onder andere het type landschap en de bodem bepalen in een zekere mate de mogelijkheden voor het behouden en ontwikkelen van de soortenrijkdom in de gemeente. Landschapstypen geven aan welke flora en fauna in het gebied aanwezig (kunnen) zijn en welke ontwikkelingsmogelijkheden aanwezig zijn. Onderstaand een afbeelding van de verschillende landschapstypen. Deze zijn onderverdeeld in twee hoofdtypen (kleigebied Westergo, Middelzee en Marne) en vijf sub-landschapstypen (kwelderwal, kweldervlakte, kleiterpengebied, oude zeepolder en jonge zeepolder).
(Bron: Fryslân.fr, Landschapstypenkaart)
13
2.2 Belangrijkste groenelementen per landschapstype Hoofdlandschapstype Kleigebied Westergo Kwelderwal Beplanting in de lengterichting van de kwelderwal, benadrukt door wegen en transparante beplanting. Beplanting geconcentreerd bij terpdorpen, boerenerven. Overige wegen veelal onbeplant. Kweldervlakte Beplanting puntsgewijs bij boerenerven. De wegen zijn veelal onbeplant. Kleiterpenlandschap Beplanting puntsgewijs bij terpdorpen en boerenerven. Spaarzaam langs wegen. Oude zeepolders Beplanting puntsgewijs bij boerenerven. Wegen deels beplant, haakse wegen hierop veelal onbeplant. Hoofdlandschapstype Middelzee en Marne Jonge zeepolders Beplanting rond boerenerven. Oude zeepolders Beplanting puntsgewijs bij boerenerven. Wegen deels beplant, haakse wegen hierop veelal onbeplant.
2.3 Ruilverkavelingen
In de landschapsbiografie ‘Het verhaal van Waadhoeke, 3000 jaar leven met het water’ is een beschrijving gegeven over de geschiedenis van Waadhoeke op het gebied van landschap. Hierin staat ook een beschrijving van de in het verleden uitgevoerde ruilverkavelingen. Bij de ruilverkaveling werd 5% van de ingebrachte grond aangewend voor ‘doeleinden ten algemenen nutte’, waaronder de aanleg van wegen, maar ook van dorpsbossen, recreatieterreintjes, fiets- en wandelpaden. Zo zijn in het kader van de ruilverkavelingen, als ook in het kader van de ontwikkeling van nieuwe glastuinbouwgebieden, andere beplantingsvormen aan het landschap van Waadhoeke toegevoegd. Veel dorpsbosjes zijn aangeplant in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw. Deze bosjes werden aangeplant ten behoeve van onder andere de houtopbrengst, maar ook ten behoeve van recreatie en het landschap.
14
3. Beheer en successie Wat is beheer en waarom is beheer noodzakelijk? De natuur ontwikkelt zich altijd richting een climax. Beheer is ingrijpen in deze ontwikkeling. Om de noodzaak van beheer te begrijpen is het van belang kennis te hebben van successie. Voor het beheer van gras en natuurlijke beplanting is successie van belang. Binnen het boombeheer ligt het accent op veiligheid. Binnen het beheer van cultuurlijke beplanting is menselijk ingrijpen het grootst. Het beheerniveau en de mate van ingrijpen wordt in grote mate door de mens bepaald.
3.1 Traditioneel beheer
Traditioneel beheer wordt uitgevoerd op basis van door de mens gemaakte keuzes, waarbij de nadruk ligt op een veilig, functioneel en verzorgd beeld. Bij dit type beheer wordt over het algemeen vaak en intensief ingegrepen. De ecologische waarde is vaak beperkt omdat diversiteit en gelaagdheid ontbreken. Dit type beheer wordt ingezet bij het beheer en onderhoud van cultuurlijke beplanting, gras (gazon), bomen.
3.2 Ecologisch beheer
Binnen het ecologisch beheer staat inheemse flora en fauna centraal. Hiermee is ecologisch beheer een passende vorm van beheer voor het ontwikkelen en behouden van biodiversiteit. Dit type beheer wordt ingezet bij het beheer en onderhoud van gras en natuurlijke beplanting. Daarnaast kan ecologisch beheer in de toekomst meer worden ingezet bij het onderhoud van al het openbaar groen.
3.3 Successie
Waarom is onderhoud noodzakelijk om soortenrijkdom te ontwikkelen of te behouden? Successie is hiervoor de sleutel. Successie is de verandering in de soortensamenstelling binnen een gebied gedurende de tijd. Beheer is het behalen (ontwikkelbeheer) of behouden (instandhoudingsbeheer) van een bepaald stadium in de successie. Hieronder worden de fasen in de successie nader beschreven.
Afbeelding: fasen in de successie
15
Fase 1: Pioniersvegetatie Pioniers zijn overwegend eenjarige planten. Ze kiemen, groeien en produceren zaad in hetzelfde groeiseizoen. Ze vormen veel en licht zaad, dat zich gemakkelijk verspreidt. Zo bedekken ze heel snel een naakte en verstoorde bodem. De verstoring van de bodem kan spontaan gebeurd zijn, bijvoorbeeld waar bomen door een storm zijn omgewaaid, maar ze kan ook het gevolg zijn van een menselijke activiteit zoals het omploegen van een akker of van schoffelen. Veel pioniers worden gezien als ongewenste kruiden. We noemen ze onkruiden, bijvoorbeeld melganzevoet, perzikkruid en harig knopkruid. Er zijn echter ook soorten die we wel graag zien zoals korenbloem, grote klaproos en echte kamille.
Fase 2: Graslandvegetatie Na verloopt van tijd evolueert de pioniersvegetatie naar een graslandvegetatie. Dat gebeurt meestal na één groeiseizoen. Grassen zijn meerjarig. Ze kiemen trager en wortelen dieper dan pioniersplanten. De graswortels vormen een grasmat die ondoordringbaar is voor de wortels van pioniersplanten, met als gevolg dat de pioniersplanten verdwijnen. In een graslandvegetatie vind je naast grassen ook graslandplanten. Hun bouw is aangepast aan het leven in een dichte grasmat. Ze hebben diepe wortels die onder de graswortelmat zitten. Vaak hebben graslandplanten een bladrozet waarmee ze een schaduw werpen op het gras dat rond hun stengel groeit. Zo houden ze het gras op een afstand. Graslandplanten hebben een lange bloeistengel die boven de grassen uitsteekt.
Fase 3: Ruigtekruidenvegetatie Als het gras niet wordt gemaaid of afgegraasd, komt het in bloei. Na de bloei leggen de halmen zich plat en sterven ze af. Dat gebeurt jaar na jaar opnieuw. Het resultaat is een dik pak opeengestapeld gras waarvan de onderste laag langzaam verteert. De graslandplanten worden verdrongen door ruigtekruiden. Dat zijn hoog opschietende kruiden die groeien op voedselrijke bodems. Ze hebben sterk ontwikkelde wortels. Tot deze groep behoren o.a. brandnetels, bramen, leverkruid, harig wilgenroosje, moerasspirea en kattenstaart. Langzamerhand verdwijnen gras en graslandplanten.
16
Fase 4: Struweel- en bosvegetatie In de ruigte duiken zaailingen van struiken en bomen op. Hun zaden worden aangevoerd door wind, water en vogels. Er ontstaat een struweel met struiken, zoals meidoorn en vlier, en de eerste bomen, zoals berk, els en wilg, schieten op. Na verloop van tijd groeien de bomen boven het struweel uit. Door een gebrek aan licht verdwijnen een aantal struiken, grassen en ruigtekruiden. Het struweel verandert langzaamaan in een bos. De eerste bomen zijn lichtkiemers; dat wil zeggen dat hun zaad licht nodig heeft om te kiemen. Door hun dichte bladerdek maken ze de weg vrij voor soorten die een schaduwrijke plek verkiezen. Zo evolueert het bos van een gemengd bos met lichtminnende soorten (onder andere grove den en soorten van berk en populier) naar een bos met halfschaduwsoorten (tamme kastanje, boskers, en soorten van eik en es). Ten slotte wordt het een bos met schaduwboomsoorten (onder andere beuk, haagbeuk en esdoornsoorten).
Fase 5: Climaxvegetatie Oud bos is in ons klimaat de climaxvegetatie, het eindpunt. Dit is een stabiel ecosysteem: het verandert niet meer. Plaatselijk kunnen open plekken ontstaan, als bijvoorbeeld een boom omvalt of als fauna een plek intens begraast. Op deze plekken vestigen zich in de loop der jaren opnieuw houtige gewassen. Op grotere schaal blijft het ecosysteem behouden. Alleen bij een ingrijpende gebeurtenis (bosbrand of totale houtkap), begint successie helemaal van vooraf aan. Als we geen beheer zouden uitvoeren en de successie zijn doorgang vindt, eindigt dit in een bos.
17
Deel 2: Gras Deel 2 gaat in op het beheer van gras. Er wordt een beschrijving gegeven van de grastypen, de uitgangspunten bij het beheer, de beheermaatregelen en het areaal.
18
1. Grastypen
Onder gras wordt verstaan: • Gazon: traditioneel beheer, maaien in het groeiseizoen. • Gazon met bollen: traditioneel beheer, eerste keer maaien na het afsterven van het loof. Daarna is het beheer gelijk aan het beheer van een gazon. • Kruidenrijk gras: meerdere soorten kruiden tussen gras, niet zijnde gazon. • Riet: vlaktes met hoofdzakelijk riet op en nabij natte ondergronden, niet zijnde taluds, worden gefaseerd beheerd door 1x in de 3 jaar te maaien. • Ruigte: begroeiing die voornamelijk bestaat uit meerjarige, hoog opschietende kruiden en struweel, met name onder bomen, bosranden en nabij bomen. Dit wordt in stand gehouden door 1 keer per 2 tot 5 jaar te maaien. • Uitmaaien van watergangen: Maaien van vegetatie in watergangen en vijvers. Niet zijnde baggeren/slatten. In bijlage 3 staat een overzicht van beelden van de grastypen.
2. Uitgangspunten beheer Hieronder wordt ingegaan op de uitgangpunten bij het beheer van gras.
Uitgangspunt 1: Verkeersveiligheid Binnen het beheer van gras staat veiligheid voorop. Hoog gras en riet in taluds, met name bij kruispunten en zichtlocaties, kan risico’s geven voor de verkeersveiligheid. Daarom wordt langs wegen, op zichtlocaties (bochten langs wegen) en kruispunten extra gemaaid. Dit houdt in dat op deze locaties in elk geval 3 keer per jaar gemaaid wordt. Gedurende het maaiseizoen wordt doorlopend gemonitord en waar nodig bijgestuurd. Langs wegen (fiets, wandel en auto) worden (of kunnen) net- en veiligheidsstroken gemaaid van een halve meter.
Uitgangspunt 2: Ecologisch beheer waar het kan In het vastgestelde Biodiversiteit Actieplan (BAP) staat de ecologische visie van gemeente Waadhoeke: “Waadhoeke wil dat de huidige ecologische waarden in stand worden gehouden en -daar waar het kansrijk is- worden hersteld en versterkt. Waadhoeke streeft naar een eigen ecologische hoofdstructuur waarin belangrijke hotspots met elkaar worden verbonden door natuurlijke corridors”. Binnen het ecologisch beheer staat de flora en fauna centraal. Daarmee is ecologisch beheer passend voor het versterken en behouden van biodiversiteit en het werken aan een ecologische (hoofd)structuur. Een te nemen beheermaatregel moet daarom afgestemd zijn op de aanwezige flora en fauna. Zoals eerder genoemd is er op dit moment geen integraal overzicht en afwegingskader toegespitst op gemeente Waadhoeke beschikbaar. Daarom wordt op dit moment ecologisch beheer van gras ingezet bij lijnvormige objecten (vlakke berm, langs wegen) op locaties waar de werkbreedte minimaal 1,5 meter is, waar een lage obstakelgraad (bomen in bermen, stijlheid, bereikbaarheid) is. Daarnaast zijn er een aantal locaties in de gemeente, welke ecologisch beheerd worden, die niet langs wegen liggen. Dit zijn bijvoorbeeld terreinen die ingericht zijn ten behoeve van waterberging, recreatie en ecologie. Hier komen ook beschermde flora en fauna voor. Een aantal voorbeelden zijn:
19
- St.- Annaparochie Henk Hornstrapark - Franeker Zuid - Deinum zwaluwwand - Marsum zwaluwwand - Haven Marsum - Dronryp omgeving Puoldyk - Dronryp de Skries - Minnertsga Griene Dyk Doel is om komende jaren in te zetten op inventarisatie en monitoring, om zo het juiste beheer op de juiste plek toe te passen.
Uitgangspunt 3: Basis onderhoudsniveau (B-niveau, CROW) voor traditioneel beheer Binnen het grastype gazon en gazon met bollen ligt de nadruk op traditioneel beheer. Gazon komt voornamelijk voor binnen de bebouwde kom. Gazon wordt binnen de huidige situatie maximaal 28 keer per jaar gemaaid. Opgemerkt moet worden dat de maaifrequentie sterk afhankelijk is van bijvoorbeeld weersinvloeden en locatie. Gazon wordt met name ten behoeve van netheid als zodanig gemaaid. Ook speeltuinen en trapvelden worden als gazon beheerd. Het meest voorkomende functionele gebied in de gemeente is de woonwijk. In de woonwijken treffen we het ‘normale’ gebruik van de openbare ruimte aan. De inrichting is hierop afgestemd. Variant basis houdt in dat het beschikbare budget voldoende is om te voorzien in het onderhoud en de vervanging die nodig zijn om het kapitaalgoed in conditie te houden, op zo’n manier dat de waarde daarvan niet vermindert en dat aan de basisvereisten van veiligheid voldaan kan worden. Het gaat om sober en doelmatig onderhoud niveau B (basis). Zie bijlage 4 voor beelden van dit onderhoudsniveau en de beelden van onderhoudsniveau ’s A (hoog) en C (laag) op basis van CROW.
20
3. Beheermaatregelen
De te nemen beheermaatregelen zijn afgestemd op functie en vegetatie op een locatie, waarbij verkeersveiligheid altijd voorop staat. In het beheer is onderscheid te maken tussen: 1. Regulier onderhoud. Dit zijn wekelijks of jaarlijks terugkerende beheermaatregelen. Te denken valt aan maaien. 2. Incidenteel onderhoud. Dit zijn incidenteel voorkomende beheermaatregelen, zoals het herstellen van schade aan grasvlakten. 3. Groot onderhoud en renovaties. Groot onderhoud kan bestaan uit het opnieuw onder profiel brengen van grasvlakten. Hieronder staat een overzicht van de verschillende beheermaatregelen. De frequenties geven richting ten behoeve van het opstellen van ramingen. Bij de keuze voor de te inzetten beheermaatregel staan veiligheid en ecologie centraal. Beheermaatregel maairegimes per jaar Maaien van gazon Bosmaaier Spider maaier Gefaseerd maaien
1 keer klepelen 2 keer klepelen 3 keer klepelen 1 keer maaien en afvoeren
2 keer maaien en afvoeren
Beschrijving In het groeiseizoen vind het maaien van gazons in kernen plaats. De maaifrequentie is sterk afhankelijk van bijvoorbeeld weersinvloeden en locatie. 1 á 2 keer per jaar op moeilijk bereikbare plekken, ruigtebegroeiing en langs nuts- en veiligheidsvoorzieningen. Tussen de 4 en 6 keer per jaar op moeilijk bereikbare plaatsen, zoals taluds binnen de kernen en bij sportvelden. Het maaien, waarbij minimaal 30% van de vegetatie blijft staan. Bij dit maairegime wordt gemaaid en afgevoerd en met klein materieel gewerkt. Het maaien past niet in een vaste planning en wordt bijgestuurd gedurende het jaar. Het in het najaar klepelen van gras, veelal buiten de kernen. Met name taluds voorafgaand aan het uitmaaien van de watergangen (hekkelen) na de zomer. Het in het voorjaar en najaar klepelen van gras, met name de vlakke bermen buiten de bebouwde kom. Het in het voorjaar, voor de zomer en najaar klepelen van gras. Dit maairegime wordt toegepast ten behoeve van de veiligheid als tussenronde. Dit gebeurt met name langs wegen en paden. Het in het najaar maaien en afvoeren van gras. Dit maairegime kan overal worden toegepast waar kansrijke ecologische gebieden zijn. Het maaien en afvoeren valt binnen de kaders van verschralingsbeheer.
Na het maaien blijft het maaisel 3 tot 5 dagen liggen om te drogen, zodat zaden kunnen achterblijven en het terugspoelen van voedingsstoffen wordt voorkomen. Hierna wordt het maaisel afgevoerd. Het in het voorjaar en najaar maaien en afvoeren van gras. Het maaien en afvoeren valt binnen de kaders van verschralingsbeheer. Na het maaien blijft het maaisel 3 tot 5 dagen liggen om te drogen, zodat zaden kunnen achterblijven en het terugspoelen van voedingsstoffen wordt voorkomen. Hierna wordt het maaisel afgevoerd.
21
3 keer maaien en afvoeren
4 keer maaien en afvoeren
Vee Uitmaaien watergang (hekkelen)
Het 3 keer per jaar maaien en afvoeren van gras, vindt plaats op plekken waar veel grassen groeien en waar het doel is meer kruidenrijkdom te creëren. Naar verwachting zal het maairegime op deze locaties aangepast worden naar 2x maaien en afvoeren of 1 keer. De eerste maaironde wordt uitgevoerd in het voorjaar de tweede maaironde Voor de zomervakantie en de derde maaironde in het najaar. Het maaien en afvoeren valt binnen de kaders van verschralingsbeheer. Na het maaien blijft het maaisel 3 tot 5 dagen liggen om te drogen. Hierna wordt het maaisel afgevoerd. Het 4 keer per jaar maaien en afvoeren van gras, vind plaats op plekken waar veel grassen groeien en waar het doel is meer kruidenrijkdom te creëren. Het maaien en afvoeren valt binnen de kaders van verschralingsbeheer. Na het maaien blijft het maaisel 3 tot 5 dagen liggen om te drogen. Hierna wordt het maaisel afgevoerd. Begrazing door vee. Onder andere op de Griene Dyk en de vlinderidylle in Franeker wordt begrazing ingezet als beheermaatregel. Het in het najaar uitmaaien van een watergang, niet zijnde baggeren/slatten. Als het om toegewezen vaarwegen gaat, wordt twee keer per jaar de watergang gemaaid. Bij deze beheermaatregel wordt een maaikorf en/of maaiboot ingezet. Hoofdwatergangen worden in de regel onderhouden door Wetterskip Fryslân. Schouwwatergangen worden onderhouden door de eigenaren.
In de Legger van Wetterskip Fryslân is aangegeven wie verantwoordelijk is voor het onderhoud van de watergang. De Legger is een besluit van de waterbeheerder waarin aangegeven wordt wie onderhoudsplichtig is en wat de onderhoudsplicht omvat.
22
4. Areaal
Hieronder staat een overzicht van de gemeentelijke arealen. Beheermaatregel maairegimes per jaar Gazon maaien Bosmaaier Spider maaier Gefaseerd maaien (ecologisch beheer) Maaien en afvoeren (ecologisch beheer) Klepelen Vee Maaien veiligheid (schatting)
Hoeveelheden bij benadering 8249,9 are, waarvan 828 are binnen zichtlocaties Nog niet bekend, data niet compleet 143,7 are, niet compleet 1984,3 are, waarvan 191 are binnen zichtlocaties 12555,3 are, waarvan 2862 are binnen zichtlocaties 22540,7 are, waarvan 2873 are binnen zichtlocaties 700 are inschatting Zichtlocaties 6898 are Veiligheidsstroken 906,7 strekkende kilometer
Waterbeheer Uitmaaien watergang (hekkelen)
Maaiboot 1x Maaiboot 2x
451,5 strekkende kilometer 77,7 kilometer boeren die hekkelen 40,9 kilometer OSW Totaal 570,2 strekkende kilometer 3225,8 are 1397,6 are OSW/28,771 kilometer omtrek 1529 are
23
Deel 3: Cultuurlijke beplanting Deel 3 gaat in op het beheer van cultuurlijke beplanting. Er wordt een beschrijving gegeven van de beplantingstypen, de uitgangspunten bij het beheer, de beheermaatregelen en het areaal. Binnen cultuurlijke beplanting gaat het om begroeiing dat zowel in de soortensamenstelling, de structuur en het patroon door de mens is bepaald.
24
1. Beplantingstypen
Onder cultuurlijke beplanting wordt verstaan: • Heesters, waaronder bodembedekkende heesters en opgaande heesters. • Rozen, waaronder botanische rozen en struikrozen. • Vaste planten. • Wisselperken. • Hagen waaronder, blokhaag een linthaag.
2. Uitgangspunten
Hieronder wordt ingegaan op de uitgangpunten bij het beheer van cultuurlijke beplanting.
Uitgangspunt 1: Basis onderhoudsniveau (B-niveau) op basis van CROW Het meest voorkomende functionele gebied in de gemeente is de woonwijk. In de woonwijken treffen we het normale gebruik van de openbare ruimte aan. De inrichting is hierop afgestemd. Variant basis (B), (CROW publicatie 288), houdt in dat het beschikbare budget afdoende is om te voorzien in het onderhoud en vervanging die nodig zijn om het kapitaalgoed in conditie te houden, dusdanig dat de waarde daarvan niet vermindert en dat aan de basisvereisten van veiligheid voldaan kan worden. Het gaat om sober en doelmatig onderhoud. Alleen de binnenstad van Franeker wordt intensiever onderhouden. (zie bijlage 4 voor beelden van dit onderhoudsniveau en de beelden van onderhoudsniveau ’s CROW A (hoog) en C (laag).
Uitgangspunt 2: In het ontwerp is aandacht voor (bio)diversiteit en klimaatadaptatie Bij het ontwerp wordt de beplanting gekozen op basis van de beoogde groeiplaats en gewenste uitstraling. Hierbij wordt rekening gehouden met de (verkeers)veiligheid, bodemsamenstelling en met bijvoorbeeld strooiroutes. Ook is er aandacht voor soorten die in staat zijn zo snel mogelijk naar elkaar toe te groeien. Dit alles moet bijdragen aan een sterke, vitale beplanting met het oog op de beheerbaarheid. De aandacht ligt op kwaliteit van de beplanting, niet op kwantiteit. Daarnaast kan de juiste beplanting op de juiste plaats bijdragen aan klimaatadaptatie. Op plaatsen waar beplanting staat kan water infiltreren, zodat dit niet afgevoerd hoeft te worden via het riool.
25
3. Beheer
De te nemen beheermaatregelen zijn afgestemd op functie en vegetatie op een locatie. In het beheer is onderscheid te maken tussen: 1. Regulier onderhoud. Dit zijn wekelijks of jaarlijks terugkerende beheermaatregelen. Te denken valt aan schoffelen, verwijderen van zwerfvuil en inboet. 2. Incidenteel onderhoud. Dit zijn incidenteel voorkomende beheermaatregelen, zoals het snoeien van beplanting. 3. Groot onderhoud en renovaties. Groot onderhoud kan bestaan uit het opnieuw inrichten of omvormen van een beplantingsvak.
3.1 Beheermaatregelen
Hieronder staat een overzicht van de verschillende beheermaatregelen. Binnen het beheer wordt door het nemen van beheermaatregelen voldaan aan B-niveau CROW. Beheermaatregel Snoei
Schoffelen Wieden en plukken Aanplant plantgoed wisselperken Hagen knippen/scheren Mulchen
Bosmaaier Bemesten Verwijderen zwerfvuil Inboet
Beschrijving Wanneer beplanting niet voldoet aan de omvang (bijvoorbeeld de hoogte of breedte) wordt snoei toegepast. De mate van snoeien is afhankelijk van de standplaats, leeftijd en het type beplanting. Bij deze beheermaatregel wordt ook dood hout weggenomen. Indien vereist voor de (verkeers)veiligheid wordt snoei toegepast. Bij het schoffelen van de perken worden ongewenste kruiden verwijderd. De frequentie en mate van schoffelen is afhankelijk van de standplaats, leeftijd en het type beplanting. Door onkruid te plukken worden de wortels van planten niet beschadigd. Het onkruid wordt inclusief wortel verwijderd. In wisselperken staan voornamelijk éénjarige soorten. Na de bloei sterft de plant af en wordt deze verwijderd. Éénjarige soorten moeten jaarlijks opnieuw worden geplant Het toepassen en de frequentie van deze beheermaatregel is afhankelijk van de standplaats, leeftijd en het type beplanting. Indien vereist voor de (verkeers)veiligheid wordt snoei toegepast. Mulchen wordt toegepast bij het onderhoud van vaste planten. Bij mulchen wordt het loof van de vaste plant gemaaid. Dit maaisel blijft liggen in de perken. De mulchlaag geeft voeding, voorkomt uitdroging van de bodem, gaat onkruid tegen en verbeterd de bodemstructuur. Daarnaast wordt de plant gestimuleerd vegetatief te vermeerderen.
Deze beheermaatregel wordt waar nodig ingezet bij de randen van gesloten plantvakken (Lonicera, Symphoricarpos ed) in plaats van schoffelen. Indien nodig wordt bemesting toegepast. De mate van bemesten is afhankelijk van de standplaats, leeftijd en het type beplanting. Indien aanwezig wordt bij het onderhoud van de cultuurlijke beplanting zwerfvuil verwijderd. Inboet is het aanvullen van een beplantingsvak met dezelfde soort planten, om gaten op te vullen.
26
3.2 Initiatieven dorpen
In een aantal dorpen zijn initiatieven, waarbij inwoners onderhoud uitvoeren aan bijvoorbeeld plantvakken, bloembakken en in enkele gevallen het onderhoud van gras. Deze initiatieven kunnen effect hebben op het beheer van het openbaar groen. In deel 1 van dit beheerplan onder punt 1.5 is een beschrijving gegeven van de mate van participatie binnen het begrip Nabij Besturen. Het is bij ieder initiatief van belang afspraken te maken over het beheer en onderhoud.
27
4. Areaal
Het grondgebied van gemeente Waadhoeke is opgedeeld in zes wijken. Het onderhoud van cultuurlijke beplanting wordt uitgevoerd door de wijkteams. Daarnaast werken de wijkteams aan een deel van het boombeheer (stamopschot) en natuurlijke beplanting (met name in kernen). Voor cultuurlijke beplanting geldt dat er momenteel ca. 80% van het areaal in beeld is.
28
Hieronder staat een overzicht van de arealen cultuurlijke beplanting per wijk. Hiervoor wordt gerekend met de nu bekende gegeven vanuit GBI. Het is bekend dat deze niet 100% kloppen. Echter de (financiële) inspanningen om dit 100% kloppend te krijgen in relatie tot het verkrijgen van betere (financiële) cijfers is niet reëel. Gekozen wordt om geleidelijk naar 100% te blijven streven. Wijk 1 2 3 4 5 6
Areaal 570 are 197 are 665 are 269 are 273 are 197 are
29
Deel 4: Natuurlijke beplanting
Deel 4 gaat in op het beheer van natuurlijke beplanting. Er wordt een beschrijving gegeven van de typen begroeiing, de uitgangspunten bij het beheer, de beheermaatregelen en het areaal.
30
1. Beplantingstypen
Onder natuurlijke beplanting wordt verstaan: • Bos(jes): blokvormige houtopstanden met onderbegroeiing / dorpsbosjes • Bosplantsoen: kleine(re) houtopstanden met onderbegroeiing in kernen en buitengebied • Wegbeplanting: lintvormige houtopstanden met onderbegroeiing langs een weg of pad In bijlage 5 is een overzichtskaart opgenomen.
2. Uitgangspunten
Hieronder wordt ingegaan op de uitgangpunten bij het beheer van houtopstanden.
Uitgangspunt 1: Ecologie is leidend voor beheer In het vastgestelde Biodiversiteit Actieplan staat de ecologische visie van gemeente Waadhoeke: “Waadhoeke wil dat de huidige ecologische waarden in stand worden gehouden en -daar waar het kansrijk is- worden hersteld en versterkt. Waadhoeke streeft naar een eigen ecologische hoofdstructuur waarin belangrijke hotspots met elkaar worden verbonden door natuurlijke corridors”. Houtopstanden maken onderdeel uit van een ecologische (hoofd)structuur, daarom is het belangrijkste uitgangspunt dat ecologische principes leidend zijn voor beheer. Het beheerplan werkt toe naar het ontwikkelen, behouden en versterken van de climaxfase van de vegetatie. Binnen het ecologisch beheer staan plant en dier centraal en daarmee de natuurlijke processen. Deze processen hebben tijd nodig en dit vraagt om een jarenlange inzet om houtopstanden naar volgroeide fase te begeleiden of in de volgroeide fase te houden. Ook het bodemleven is van groot belang en het is daarom belangrijk de (bos)bodem zo min mogelijk te beschadigen.
Uitgangspunt 2: Ecologisch onderzoek en inventarisatie voorafgaand aan onderhoud is bepalend voor beheermaatregelen. De Wet natuurbescherming richt zich in hoofdstuk 3 op de bescherming van de flora en fauna. Voor iedere beheermaatregel of ruimtelijke ingreep moet een ecologische toets/onderzoek worden uitgevoerd. Dit begint met een Quickscan, waaruit blijkt of nader onderzoek nodig is. De uitkomsten van het ecologische onderzoek zijn bepalend voor de te nemen beheermaatregelen en het moment waarop deze beheermaatregelen kunnen worden uitgevoerd. Een ecologisch onderzoek is over het algemeen 3 jaar geldig. Hierdoor is het niet mogelijk om dit onderzoek op voorhand voor alle houtopstanden uit te voeren.
Uitgangspunt 3: Functie van de houtopstand mede bepalend voor beheer Houtopstanden kunnen verschillende functie hebben, of een combinatie van functies. Hierbij valt te denken aan een natuurfunctie (nadruk op natuurlijke processen), landschappelijke functie (nadruk op het behoud van het beeld in het landschap) of recreatieve functie (nadruk op recreatie en veiligheid). Deze functies worden
31
per houtopstand verwerkt in het werkplan. Over het algemeen kan worden gesteld dat bij wegbeplanting de nadruk ligt op veiligheid. Bij bosplantsoen en bos is de functie afhankelijk van de ligging: in een bosje wat niet bereikbaar is of waar geen wandel- of fietspad ligt, kan de nadruk worden gelegd op natuur- en landschappelijke functie. Houtopstanden met ook een recreatieve functie vragen om een beheer dat meer gericht is op veiligheid en daarmee een kortere cyclus van beheer. Dit om onveilige situaties zoveel mogelijk te voorkomen.
Uitgangspunt 4: Maatwerk in werkplannen Zoals genoemd in uitgangspunt 1, 2 en 3 zijn er verschillende aspecten van belang bij het beheer van een houtopstand. Iedere houtopstand heeft zijn eigen dynamiek en functie en daarmee vraagt het beheer voor ieder bosje een maatwerkaanpak.
Uitgangspunt 5: Veiligheid Voortvloeiend uit de zorgplicht op basis van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW), wordt een boomveiligheidscontrole uitgevoerd. Dit wordt gedaan volgens de principes van de Visual Tree Assessment (VTA). Deze VTA wordt iedere drie jaar uitgevoerd aan stambomen langs wandel- en fietspaden in bosjes. Opgemerkt moet worden dat niet alle bomen in bosjes worden gecontroleerd door middel van een VTA. Alleen bomen binnen een valafstand tot een fiets- of wandelpad worden meegenomen. Overigens kunnen bosjes gebruikt worden door kinderen om te spelen, maar bosjes zijn geen speeltuinen. Daarmee zijn de bosjes niet keuringsplichtig op basis van de Warenwet en worden niet als speeltuin onderhouden.
Uitgangspunt 6: Uitvoer van de beheermaatregelen door professionals Het uitvoeren van beheermaatregelen is vakwerk en moet daarom uitgevoerd worden door gekwalificeerde professionals (zowel gemeentelijke buitendienst als aannemers). Uit gesprekken over het beheer van de houtopstanden die in kadastraal eigendom zijn van Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten is naar voren gekomen, omdat zij ditzelfde uitgangspunt hanteren in het beheer van hun bosjes.
Daar waar bewonersparticipatie in de uitvoering speelt zal dit kunnen worden gedaan met in achtneming van het VBNE-protocol ‘ARBO en Aansprakelijkheid Particuliere Houtzagers’ (https://www.vbne.nl/productdetails/brochure-arbowet-en-aansprakelijkheid-voor-particulierehoutzagers) .
32
3. Beheer
Binnen het beheer van natuurlijke beplanting wordt gekeken naar de ontwikkelingsfase en gelaagdheid. De te nemen beheermaatregelen zijn afgestemd op functie en vegetatie op een locatie, waarbij (verkeers)veiligheid altijd voorop staat. In het beheer is onderscheid te maken tussen: 1. Regulier onderhoud. Dit zijn periodiek terugkerende beheermaatregelen. Te denken valt aan snoeien van overhangende takken en dunning. 2. Incidenteel onderhoud. Dit zijn incidenteel voorkomende beheermaatregelen, bijvoorbeeld het opruimen van takken een storm of het ingrijpen bij een ziekte. 3. Groot onderhoud en renovaties. Groot onderhoud kan bestaan uit kap en nieuw aanplanten van bomen of bosplantsoen.
3.1 Ontwikkelfasen en gelaagdheid
Hieronder staat een beschrijving van de verschillende ontwikkelfasen en gelaagdheid. Binnen het beheer wordt gestreefd naar het behalen of behouden van de volgroeide fase, waarbij de aanwezigheid van de diverse lagen in de begroeiing worden gestimuleerd. binnen de ontwikkeling van de ontwikkelfasen en gelaagdheid is de kern-mantel-zoomopbouw van belang. 3.1.1 Verschillende ontwikkelfasen Fase Jonge fase
Leeftijd 1 tot 5 jaar
Dichte fase
5 tot 10 jaar
Stakenfase
10 tot 40 jaar
Volgroeide fase /climaxfase
40-200 jaar
Verjongingsfase
> 200 jaar
Omschrijving Boompjes groeien uit de begroeiing omhoog en de kronen beginnen aan te sluiten. Vaak zijn er nog veel pionier- en ruigtekruiden in de begroeiing aanwezig. De bomen sluiten aaneen totdat onder de bomen doorgekeken kan worden. Er is weinig licht onder de bomen, waardoor veel kruiden verdwijnen. Het kronendak is gesloten en de bomen groeien sterk de hoogte in. Er is veel concurrentie tussen de bomen onderling, waardoor veel bomen afsterven. Op deze manier vindt er natuurlijke dunning plaats. Er zijn maar weinig andere planten in staat zich te handhaven. Er is relatief weinig variatie. De bomen bereiken hun maximale hoogte. Er komt meer structuurverschil. Sommige bomen kunnen goed uitgroeien en vormen dikke stammen. Andere bomen worden verdrukt of blijven achter in groei. Er ontstaat gelaagdheid met een dik kronendak. Door de gelaagdheid ontstaan er plekken waar licht op de bodem valt. Het bos wordt gevarieerder en minder doorzichtig. Bomen sterven langzaam af en niet allemaal op hetzelfde moment. Als een boom afsterft valt er meer licht op de bodem, waardoor kruiden, struiken en jonge bomen zich kunnen ontwikkelen. De jongen bomen zullen de concurrentiestrijd winnen. Het bos wordt steeds gevarieerder en waardevoller.
33
3.1.2 De verticale gelaagdheid Laag Boomlaag Struiklaag Kruidlaag Strooisellaag Schimmellaag
Omschrijving Het gaat om volgroeide bomen en is bepalend voor de ontwikkeling van het bos. Zo heeft de dichtheid grote invloed op het licht dat op de bodem valt. Hier komen allerlei struiken voor, maar ook jonge bomen. Als er een gat valt in de boomlaag kan een jonge boom doorschieten en het gat opvullen. De kruidlaag heeft een beschermende functie voor de bodem. Daarnaast is de kruidlaag van belang voor allerlei dieren, bijvoorbeeld voor schuilgelegenheid en voedselvoorziening. Hierin trekt een deel van de levensgemeenschap zich terug in de winter en geeft schuilgelegenheid voor kleine dieren, met name insecten en kleine zoogdieren. Er liggen zaden opgeslagen die bij de juiste omstandigheden kunnen ontkiemen. Schimmels zetten samen met bacteriën organische stof om tot voor planten opneembare voedingsstoffen. In oudere bosbodems komen ook mycorrhiza-schimmels voor die voor veel planten en bomen belangrijk zijn. Deze schimmels zorgen voor complexe verbindingen met boomwortels en vormen een essentieel netwerk in de bodem voor een gezond bos.
3.1.3 De zoom-mantel-kernopbouw Opbouw Zoom Mantel Kern
Omschrijving De kruidachtige begroeiing in de randzone tussen de houtige begroeiing en het grasland. Bestaat uit hoog opschietende en overblijvende soorten. De overgangszone van zoom naar bos die vooral uit lichtminnende struiken bestaat. Veel mantelsoorten groeien ook in het bos, maar zijn daar minder goed ontwikkeld. Bestaat uit volwassen bomen met daaronder jonge bomen en schaduwverdragende soorten.
Zoom
Mantel
Kern 34
Als de afmetingen van de bosjes geschikt zijn, dan wordt er op een natuurlijke wijze een zoom, mantel en kern aangebracht. Een zoom bestaat uit ruigtekruiden en is ongeveer 0,4 meter breed. De zoom geeft schuilgelegenheid en voedsel voor vlinders en insecten. Een mantel bestaat uit struiken, is ongeveer 2 meter breed en is een habitat voor vogels. Om gebruik te maken van een zoom, mantel en een kern moet een bosje een minimale breedte hebben van 30 meter. Bij een breedte van minder dan 30 meter is het mogelijk alleen een mantel en de kern te hebben. In sommige gevallen grenst een houtopstand aan een waterpartij. Indien dit aan de orde is, zal bij de uitvoer de (ecologische) relatie worden gezocht tussen de houtopstand en het water.
3.2 Beheermaatregelen
Zoals omschreven in 4.1 wordt beheer uitgevoerd om een stadia in de successie te bereiken of te behouden. Binnen het beheer wordt ernaar gestreefd om zoveel mogelijk houtopstanden te begeleiden naar een climax/ eindfase of deze fase te behouden. De begeleiding of het behoud van een fase in de successie wordt bereikt door het uitvoeren van beheermaatregelen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de beheermaatregelen. Door de beheermaatregelen af te stemmen op de soorten bomen / struiken in de bosjes, wordt de waarde en functie van de opstand verbeterd of behouden en daarnaast verbreding van de soortenrijkdom gestimuleerd. 3.2.1 Ontwikkel- en instandhoudingsbeheer Het onderhoud van houtopstanden is gericht op het behoud van de landschappelijke elementen en waar mogelijk het versterken van de landschappelijk, ecologische en recreatieve waarde en functie. De mate van ingrijpen wordt onder andere bepaald door de uitkomsten van het ecologisch onderzoek of Quickscan en de functie en ligging van de houtopstand. Het beheer is onder te verdelen in ontwikkelbeheer en instandhoudingsbeheer.
Definities: Ontwikkelbeheer (voorwaarde creëren voor meer diversiteit / bepaalde soorten) Bij ontwikkelbeheer worden maatregelen uitgevoerd die erop zijn gericht de ontwikkeling van de begroeiing geleidelijk richting het gewenste beeld te begeleiden, naar de fase waarop instandhoudingsbeheer van toepassing is. Het vergroten van de structuurvariatie, het stimuleren van verjonging en het verkrijgen van meer dood hout in het bos staan centraal. Instandhoudingsbeheer (diversiteit/aanwezige soorten behouden) Instandhoudingsbeheer is erop gericht het gewenste beeld in stand te houden, zonder daarmee de ruimte voor spontane ontwikkeling in te perken.
35
3.2.2 Maatregelen Bosjes kunnen verschillende functies vervullen, zoals een landschappelijke, recreatieve en/of ecologische functie. Naast de functie van een bosje, is de ligging medebepalend voor de mate van ingrijpen. In bosjes met primair een landschappelijke en ecologische functie staat de natuurwaarde voorop. In deze bosjes kunnen minimale beheermaatregelen worden toegepast. Dood hout kan blijven liggen. Bosjes die naast een landschappelijke en ecologische ook een recreatieve functie hebben, vragen meer beheermaatregelen. Deze maatregelen zijn vooral bedoeld om de veiligheid voor de gebruiker te waarborgen, zonder de landschappelijke of ecologische waarde aan te tasten. Deze houtopstanden hebben een functie, zoals windkering, en vragen een meer cultuurlijk beheer. Hierbij wordt de mate van ingrijpen en de soortensamenstelling in grotere mate door de mens bepaald. Voor houtopstanden rond sportvelden geldt dat het beheer moet aansluiten bij de functie sport en de uitgangspunten van het Integrated Pest Management (zie Beheerplan Sportcomplexen 2022-2026). Dunning Het beheer wordt gekenmerkt door dunning, om zo meer ruimte te geven aan de begroeiing. Onder dunning wordt verstaan: vellen dat geschiedt als verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand. Dunning is de meest toegepaste beheermaatregel.
Met een dunning krijgen de overblijvende bomen meer groeiruimte en wordt tegelijkertijd dunningshout geoogst. Het was de gewoonte om bij iedere ingreepronde alleen de dunnere stammen weg te nemen. Omdat de kronen van deze dunnere stammen meestal laag in het kronendak zitten, spreken we van laagdunning. In de zeventiger jaren van de vorige eeuw is meer overgegaan op hoogdunning. Hierbij wordt ingegrepen in het kronendak, waarbij geselecteerd wordt tussen de heersende bomen en de concurrentiestrijd. Dunnen heeft onder andere tot doel de stakenfase zo kort mogelijk te houden. Hierbij wordt gestreefd naar het zo snel mogelijk bereiken van de climaxfase. Daarnaast wordt met dunnen een structuurvariatie bereikt en wordt de hoeveelheid licht op de bodem gereguleerd. Ook heeft dunnen het doel om de ontwikkeling naar de boomfase bij struweel tegen te gaan en wordt indien nodig daarvoor ingezet. Bij het beheer wordt uitgegaan van een afstand tussen de overstaanders van ongeveer 8 tot 10 meter. Hierbij krijgt de onderbegroeiing licht en ruimte, waardoor er kansen ontstaan voor spontane ontwikkeling van nieuwe bomen of struiken. Op deze manier ontstaat er verticale gelaagdheid. Deze fase wordt gehandhaafd, waarbij om de 7 á 10 jaar de onderbegroeiing wordt uitgedund, afhankelijk van de soorten in de opstand.
Selecteren toekomstbomen Binnen het ontwikkelbeheer past het principe van het selecteren van toekomstbomen. Deze bomen moeten vitaal zijn en worden door middel van dunning consequent vrijgesteld. Vrijstellen wil zeggen: extra groeiruimte geven, zodat deze bomen een grote kroon kunnen vormen en zo sneller dikker en stabieler worden. Het selecteren is een belangrijk aspect. Het bepaalt immers hoe het bos zich lange tijd daarna zal vormen. Met name in complexe, gemengde bossen geeft de toekomstbomenmethode de beheerder houvast bij de vele keuzes die hij of zij daar moet maken. ‘Een toekomstboom is een boom die de toekomst in moet en een belangrijke rol in het bos vervult.’ Een beheerder kan kiezen voor een boom met potenties voor waardevol hout, maar ook voor bomen met bijzondere natuurkwaliteit zoals bomen met holtes, of afwijkende vormen of van een weinig voorkomende boomsoort. Ook bomen met esthetische waarden, zoals markante bomen langs wandelpaden, kunnen als toekomstboom worden gekozen. In het gemengde bos is de methode van de toekomstbomen bijna onmisbaar. De beheerder kan namelijk vooraf, of al werkend, de verhouding tussen de verschillende boomsoorten bepalen en zo de menging ‘reguleren’.