Bestemmingsplan Oudebildtzijl - A.C. Bakkerstraat en Ds. Marinus Mooijstraat
Tekst van het document
bestemmingsplan
Oudebildtzijl - Ds. Marinus Mooijstraat - A.C. Bakkerstraat Waadhoeke
DATUM IMRO IDN
01-06-2022 NL.IMRO.1949.BPOudDsMMooijstreo-ONT1
PROJECT PROJECTLEIDER
bestemmingsplan Oudebildtzijl - Ds. Marinus Mooijstraat - A.C. Bakkerstraat T. de Jong
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
20211516
AUTEUR STATUS
S. Latuputty ontwerp
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Ligging plangebied
7
1.3
Planologische regeling
8
1.4
Leeswijzer
9
Planbeschrijving
11
2.1
De bestaande situatie
11
2.2
Voorgenomen situatie
12
Beleidskader
15
3.1
Rijksbeleid
15
3.2
Provinciaal beleid
16
3.3
Gemeentelijk beleid
17
Milieu- en omgevingsaspecten
19
4.1
Bedrijven en milieuzonering
19
4.2
Ecologie
19
4.3
Bodem
21
4.4
Geluid
21
4.5
Water
22
4.6
Luchtkwaliteit
23
4.7
Archeologie
23
4.8
Cultuurhistorie
24
4.9
Externe veiligheid
24
4.10
Kabels en leidingen
25
4.11
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
25
Hoofdstuk 5
Juridische toelichting
27
5.1
Het juridisch systeem
27
5.2
Toelichting op de bestemmingen
27
Uitvoerbaarheid
29
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
29
6.2
Economische uitvoerbaarheid
30
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 6
Bijlagen toelichting Bijlage 1
Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 2
Watertoets
Regels Hoofdstuk 1
Inleidende regels
39
Artikel 1
Begrippen
39
Artikel 2
Wijze van meten
43
Bestemmingsregels
45
Artikel 3
Groen
45
Artikel 4
Tuin
46
Artikel 5
Wonen - 1
47
Hoofdstuk 3
Algemene regels
49
Artikel 6
Anti-dubbeltelregel
49
Artikel 7
Algemene bouwregels
50
Artikel 8
Algemene gebruiksregels
51
Artikel 9
Algemene afwijkingsregels
52
Artikel 10
Overige regels
53
Overgangs- en slotregels
55
Artikel 11
Overgangsrecht
55
Artikel 12
Slotregel
56
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 4
Bijlagen regels Bijlage 1 Verbeelding
57 Lijst met kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten
Toelichting
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
In het dorp Oudebildtzijl is op de hoek van de A.C. Bakkerstraat en de Ds. Marinus Mooijstraat een stuk grond gelegen dat momenteel is ingericht als grasveld. Op deze plek zijn in 2010 zes sociale huurwoningen gesloopt. Het voornemen is om op deze gronden vier woningen te realiseren. Deze ontwikkeling is echter niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan Oudebildtzijl. Op basis van dit plan worden zes rijwoningen voorzien. De voorgenomen opzet past niet binnen deze regeling. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch toch te kunnen regelen is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Dit bestemmingsplan voorziet hierin.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied ligt in het noordwesten van de dorpskern van Oudebildtzijl. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.
Figuur 1.1
7
Ligging van het plangebied
1.3
Planologische regeling
Het plangebied is momenteel geregeld in het bestemmingsplan Oudebildtzijl, dat is vastgesteld op 26 maart 2009 door de voormalige gemeente Het Bildt (tegenwoordig gemeente Waadhoeke). Een uitsnede van het bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied is weergegeven in figuur 1.2.
Figuur 1.2
Uitsnede geldende bestemmingsplan Oudebildtzijl
In het geldende bestemmingsplan is het plangebied bestemd als 'Groen', 'Tuin' en 'Wonen - 1'. Er is geen sprake van dubbelbestemmingen of aanduidingen. De gronden binnen de bestemming 'Groen' zijn bestemd voor plantsoenen, groenstroken en beplanting, bebossing, speelvoorzieningen, woonstraten, paden, sloten en bermen. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. De gronden binnen de bestemming 'Tuin' zijn bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen woonhuizen. Daarbij behorende woonstraten en paden, groenvoorzieningen, waterlopen en -partijen en bouwwerken, geen gebouw zijnde zijn ook toegestaan.
8
Binnen de bestemming 'Wonen - 1' zijn de gronden bestemd voor woonhuizen, al dan niet in combinatie met een aan-huis-verbonden beroep, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen en tuinen en erven. Ondergeschikt hieraan zijn woonstraten en paden, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, sloten, bermen en beplanting en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ook toegestaan. Woonhuizen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd, tot een maximum van 6 wooneenheden. Er geldt een maximale goothoogte van 4 meter en een dakhelling tussen de 40 en 60 graden. Het voornemen past niet binnen het plan omdat de huizen (deels) buiten het bouwvlak gepositioneerd worden en deels zelfs buiten de woonbestemming komen te staan.
1.4
Leeswijzer
Na deze inleiding, wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie en het voorgenomen plan. Dit wordt in de hoofdstukken 3 en 4 getoetst aan het beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een uitleg aan de juridische regeling van het bestemmingsplan, hoofdstuk 6 gaat tenslotte in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
9
10
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
Het mogelijk maken van de beoogde ontwikkeling (het initiatief) is het belangrijkste uitgangspunt voor dit bestemmingsplan en wordt in dit hoofdstuk beschreven. De ontwikkeling moet op een goede manier worden ingepast in de huidige situatie. Een beschrijving van de huidige situatie is om die reden ook in dit hoofdstuk opgenomen. De inpassing in de huidige situatie wordt ook behandeld.
2.1
De bestaande situatie
Het plangebied van dit bestemmingsplan betreft de leegstaande kavel op de hoek van de A.C. Bakkerstraat en de Ds. Marinus Mooijstraat. Het plangebied is in de huidige situatie vrijwel geheel ingericht als grasveld en is onbebouwd. Een strook in het oosten is bebouwd met een deel van de bebouwing van de percelen aan de oostzijde van het plangebied. Voorheen stonden op deze locatie zes sociale huurwoningen, die in 2010 zijn gesloopt. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door woningen en een bedrijf. Aan de oostzijde staan eveneens woningen. Aan de zuid- en westzijde lopen de Ds. Marinus Mooijstraat en de A.C. Bakkerstraat. Dit betreffen beide 30 km/uur-straten. Aan de overzijde van deze straten staan eveneens woningen. Ten zuiden is tot slot ook nog een bedrijfsperceel aanwezig. In figuur 2.1 is een luchtfoto van de bestaande situatie weergegeven.
Figuur 2.1
11
Luchtfoto van de bestaande situatie
2.2
Voorgenomen situatie
Het voornemen is om in het plangebied vier woningen te realiseren, in de vorm van twee twee-onder-één-kapwoningen. Er zal één twee-onder-één-kapconstructie met de voorgevel richting de A.C. Bakkerstraat gericht worden en één richting de Ds. Marinus Mooijstraat. In figuur 2.2 is een situatietekening weergegeven van de voorgenomen situatie.
Figuur 2.2
12
Situatietekening van de voorgenomen situatie
De woningen bestaan uit één bouwlaag met een kap en krijgen op eigen terrein ruimte voor twee parkeerplaatsen per woning. De woningen krijgen ook een uitbouw aan de achterzijde, waarmee ze levensbestendig zijn door een slaapkamer op de begane grond te kunnen inrichten. De gronden die buiten de woonpercelen vallen worden groen ingericht. In figuur 2.3 zijn impressies van de woningen weergegeven.
Figuur 2.3
Impressies van de voorgenomen woningen
Ruimtelijke inpassing Het plangebied ligt in de dorpskern van Oudebildtzijl. Omliggend is voornamelijk sprake van woningen en zijn enkele bedrijfspercelen aanwezig. Functioneel gezien sluiten de woningen aan op de meest voorkomende functie in de omgeving. De woningen in de omgeving bestaan vrijwel allemaal eveneens uit één bouwlaag met een kap. Qua maatvoering wordt hier op aangesloten door ook in het plangebied woningen toe te staan bestaande uit één bouwlaag met een kap. Verkeer en parkeren Verkeersstructuur De nieuwe kavels worden elk via een eigen oprit ontsloten op de Ds. Marinus Mooijstraat en de A.C. Bakkerstraat. Via deze straten kan worden aangesloten op de Oudebildtdijk/ Ds. Schuilingstraat. Dit is de hoofdstraat van het dorp, via welke het dorp ontsloten wordt op andere kernen en provinciale wegen in de omgeving. Het plangebied is op deze wijze goed ontsloten.
13
Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van publicatie 381 van het CROW. Hierbij is uitgegaan van een niet stedelijke ligging in de rest van de bebouwde kom. Voor de voorgenomen vier woningen is een verkeersgeneratie van 33 motorvoertuigbewegingen per etmaal berekend. Dit aantal kan zich zonder belemmeringen afwikkelen over de bestaande infrastructuur. Bovendien zijn in het huidige bestemmingsplan zes woningen mogelijk. De verkeersgeneratie neemt ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden af. Dit heeft een positieve werking op de druk op de omliggende infrastructuur. Parkeren Op basis van de parkeernota van de gemeente Waadhoeke geldt per woning een parkeerbehoefte van 2 parkeerplaatsen. Omdat bij elke woning op de oprit ruimte is voor twee auto's, wordt in de parkeerbehoefte geheel op eigen erf voorzien. Daarmee is geen sprake van afwenteling op de omgeving en wordt op goede wijze voorzien in de parkeerbehoefte.
14
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren Opgaven Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal.
Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven: 1. Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie. 2. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden.. 3. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Uitvoering De NOVI gaat vergezeld van een uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda zijn onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen te vinden. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd. De ontwikkeling in het plangebied raakt, gezien de relatief zeer kleine omvang, geen opgaven die zijn opgenomen in de NOVI en sluit aan bij de doelstelling om de regio nog sterker en leefbaarder te maken. Duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder is als procesvereiste opgenomen. Hierin is opgenomen dat de toelichting van een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling.
Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de
15
gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. De ontwikkeling is, gezien zijn omvang van slechts 4 woningen, op basis van jurisprudentie niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. Desondanks is in paragraaf 3.3 uiteengezet dat dit voornemen past in het gemeentelijke woningbouwprogramma, dat in regionaal verband door de provincie is geaccordeerd en ligt het plangebied binnen bestaand stedelijk gebied. Er wordt dus evenwel voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Conclusie Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het Rijksbeleid.
3.2
Provinciaal beleid
Het provinciale beleid is uiteengezet in de Omgevingsvisie Provincie Fryslân. De belangrijkste uitgangspunten uit het provinciale beleid zijn in de regelgeving vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân. De nieuwe omgevingsverordening is nog niet vastgesteld. Omgevingsvisie Provincie Fryslân 'De romte diele' De hoofdambitie van de provincie voor de Friese leefomgeving is brede welvaart in een vitaal, veerkrachtig, karakteristiek en gezond Fryslân. In de Omgevingsvisie werkt de provincie de provinciale ambities, opgaven, doelen en werkwijze voor de komende jaren uit. De werkwijze is gestoeld op negen principes: Inhoudelijke principes: 1. zuinig ruimtegebruik; 2. omgevingskwaliteit als ontwerpbasis; 3. koppelen van ambities; 4. gezondheid en veilig; Samenwerkingsprincipes: 5. rolbewust; 6. decentraal wat kan; 7. ja, mits; 8. aansluiting zoeken; 9. sturen op proces, ruimer op inhoud. Dit is vertaald naar vier urgente opgaven die de provincie wil aanpakken: 1. Fryslân houdt de leefomgeving vitaal, leefbaar en bereikbaar; 2. Fryslân zet de energietransitie met kracht voort; 3. Fryslân wordt klimaat-adaptief ingericht; 4. Fryslân versterkt de biodiversiteit. Om de leefomgeving vitaal, leefbaar en bereikbaar te houden moeten onder meer voldoende woningen worden voorzien in de provincie. Daarbij zet de provincie met name in op benutting van bestaande locaties en bestaande
16
capaciteit. Wanneer in het bestaand bebouwd gebied niet aan de behoefte kan worden voldaan, is uitbreiding van een stad of dorp mogelijk. In dit geval gaat het om een inbreidingslocatie, waar in de huidige situatie reeds zes woningen juridisch-planologisch mogelijk zijn op basis van het geldende bestemmingsplan. In de voorgenomen ontwikkeling worden met dit nieuwe bestemmingsplan nog slechts vier woningen mogelijk gemaakt. Het aantal woningen in het plangebied neemt daarmee af. Er is dus geen sprake van een toename. Dit past binnen het provinciaal beleid. Verordening Romte In de Verordening Romte zijn regels gesteld die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. De Verordening Romte wordt naar verwachting in 2023 vervangen door de nieuwe Omgevingsverordening. De provincie wil stedelijke ontwikkelingen zoveel mogelijk plaats laten vinden binnen bestaand stedelijk gebied. Het plangebied maakt deel uit van het bestaand bebouwd gebied van Oudebildtzijl, waarmee de ontwikkeling in overeenstemming is met het provinciaal beleid voor wat betreft de locatie. In artikel 3.1 van de verordening is het volgende opgenomen ten aanzien van woningbouw: 1.
Een ruimtelijk plan kan mogelijkheden voor woningbouw bevatten indien de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw in overeenstemming zijn met een woonplan, dat de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft. 2. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan een woningbouwproject bevatten dat niet is opgenomen in een woonplan, indien: a. het woningbouwproject niet meer dan 3 woningen bevat dan wel, voor zover gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied, niet meer dan 11 woningen bevat, en b. in de plantoelichting is gemotiveerd dat en op welke wijze overschrijding van het woningbouwprogramma van het woonplan kan worden voorkomen door uitwisseling of fasering van projecten. In dit geval is reeds sprake van woningbouwmogelijkheden op deze locatie. Omdat het aantal woningen in de toekomstige situatie afneemt, is het plan op voorhand in overeenstemming met de gemeentelijke woonvisie. Conclusie Het voornemen is in overeenstemming met het provinciale beleid en de provinciale regelgeving.
3.3
Gemeentelijk beleid
Woonvisie Waadhoeke 2020-2030 Samen Sterk In 2020 heeft de gemeente Waadhoeke haar eerste Woonvisie vastgesteld. De woonvisie vormt een beginpunt in het behalen van de gemeentelijke doelen op het gebied van wonen, om van daaruit met de dorpen verder te werken aan hun toekomst. De woonvisie is gebaseerd op onder meer een woningmarktonderzoek, prestatieafspraken met corporaties en huurdersorganisaties, uitkomsten van vragen aan bewoners, de schouw van bestaande buurten die de gemeente elke vier jaar doet. De hoofdlijn van de visie is als volgt.
17
In de woonvisie wordt gesteld dat op korte termijn vraag is naar zowel levensloopbestendige woningen als gezinswoningen. Verder wordt verwacht dat het aantal inwoners in de regio Noordwest-Fryslân de komende 10 jaar daalt. Er is echter nog wel sprake van een groei in het aantal huishoudens, omdat de huishoudensgrootte afneemt. In de woonvisie zijn bandbreedtes per kern opgenomen: een verdeling van de totale behoefte aan woningen tot 2024. Voor Oudebildtzijl geldt dat deze binnen de post 'Kleine dorpen' valt. Voor deze dorpen geldt een negatieve vraag naar woningen. Het aantal woningen zal dus moeten dalen, met maximaal 85. Nieuwbouw is alleen mogelijk in de vorm van maatwerk. Omdat in dit geval in het geldende bestemmingsplan zes woningen mogelijk zijn, en er nu vier mogelijk worden gemaakt in het nieuwe plan, neemt het aantal woningen binnen het plangebied af. Dit sluit aan bij de gemeentelijke woonvisie. Conclusie Het voornemen past binnen het gemeentelijk woonbeleid.
18
Hoofdstuk 4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. In geval van een gemengd gebied kan worden gewerkt met een verkleinde richtafstand. Toetsing Het plangebied ligt in het noordwesten van de dorpskern van Oudebildtzijl. In de omgeving zijn voornamelijk woningen aanwezig. Toch is ook sprake van enkele tussenliggende bedrijfspercelen. De dichtstbijzijnde betreffen de Albadaweg 21 en 29, ten zuidoosten en noordoosten van het plangebied. Voor beide locaties geldt in principe dat bedrijven tot en met milieucategorie 2 zich er mogen vestigen. Aanvullend is ter plaatse van Albadaweg 29 een scheepstimmerbedrijf toegestaan. Het gaat hierbij en een relatief klein scheepstimmerbedrijf, dat op kleine schaal en in kleine maat schepen timmert. Voor Albadaweg 21 geldt in principe een richtafstand van 30 meter en voor Albadaweg 29 van 50 meter.
Hoewel de planlocatie binnen de richtafstand van deze bedrijfspercelen valt, is het zo dat voor beide percelen op kortere afstand reeds sprake is van woningen. Deze woningen zijn maatgevend voor de percelen en bepalen de geluidruimte die de bedrijven hebben. Bovendien zijn ook binnen het plangebied al woningen toegestaan in het huidige bestemmingsplan. In het nieuwe bestemmingsplan komen de woningen op grotere afstand van de bedrijfspercelen te staan dan nu het geval is. Conclusie Er kan daarom op basis van de geldende regeling geconcludeerd worden dat woningen binnen het plangebied mogelijk zijn en dat er reeds andere woningen in de omgeving maatgevend zijn voor de bedrijfspercelen. Op basis daarvan is geen nader onderzoek noodzakelijk en wordt geconcludeerd dat het woonklimaat ter plaatse aanvaardbaar is.
4.2
Ecologie
Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming.
19
Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden. De Natura 2000-gebieden zijn door de Minister van Economische Zaken aangewezen gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden. Daarnaast bestaat het Natuur Netwerk Nederland (NNN) uit gebieden die worden aangewezen in de provinciale verordening. Binnen de NNN-gebieden mogen in beginsel geen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden. Toetsing Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde gebieden als Natura 2000 en Natuur Netwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Waddenzee op circa 3,7 kilometer afstand tot het plangebied. Het plangebied valt binnen bestaand stedelijk gebied. Binnen het plangebied worden slechts vier woningen gerealiseerd, waar er voorheen zes mogelijk waren. Omdat het aantal woningen afneemt, zal ook de verkeersgeneratie afnemen. Daarom kan redelijkerwijs gesteld worden dat de ontwikkeling in het plangebied geen significante gevolgen heeft voor omringende beschermde natuurgebieden. Natura 2000-gebieden: stikstofdepositie In Nederland staan veel Natura 2000-gebieden onder druk door een overbelasting van stikstofdepositie.
Voor kleine plannen waarvan op voorhand (en goed gemotiveerd) kan worden onderbouwd dat deze - vanwege bijvoorbeeld de grote afstand tot Natura 2000-gebieden - geen negatieve gevolgen kunnen hebben voor de relevante Natura 2000-gebieden, kan een passende beoordeling van de stikstofdepositie achterwege blijven. Hiermee geeft het ministerie ruimte voor een kwalitatieve onderbouwing voor kleine (woningbouw)projecten. In dit geval ligt het plangebied op circa 3,7 kilometer afstand van een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. Bij kleine stedelijke ontwikkelingsprojecten, zoals dit woningbouwplan geldt dat er in de gebruiksfase alleen vanuit verkeer enige stikstofemissie is te verwachten, aangezien er gasloos gebouwd moet worden. In dit geval neemt het aantal woningen dat juridisch-planologisch mogelijk is, af. Waar er nu zes woningen zijn toegestaan, worden er in het nieuwe bestemmingsplan slechts vier toegestaan. Als gevolg hiervan zal ook de verkeersgeneratie afnemen, wat voor minder stikstofuitstoot zorgt dan in de huidige situatie mogelijk is. Daarom hoeft voor dit plan geen vergunning op grond van de Wnb te worden aangevraagd. Bovendien hebben de gronden in het geldende bestemmingsplan ook al een woonbestemming die voorziet in een bouwvlak.
Soortenbescherming In de Wnb wordt onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en daarnaast de overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Toetsing In het plangebied wordt een leegstaande kavel ontwikkeld tot woonpercelen. Op dit moment is er slechts sprake van bouwrijp grasland, dat goed onderhouden wordt. Het gebied biedt geen bijzondere kenmerken voor beschermde soorten om zich hier op te houden. Het naastgelegen perceel betreft een woonperceel dat intensief in gebruik is. De kans dat zich hier beschermde soorten ophouden is vrijwel nihil waardoor geen onderzoek noodzakelijk is.
20
Er kunnen enkele meer algemene soorten voorkomen in het plangebied waarvoor een vrijstelling geldt in geval van schade aan deze soorten. Op deze soorten is wel de zorgplicht van toepassing. Deze kan tot uiting worden gebracht door zo te werken dat dieren de kans krijgen om te vluchten naar habitat buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden of dieren naar een dergelijke habitat te verplaatsen.
4.3
Bodem
Toetsingskader Met het oog op een goede ruimtelijke ordening, moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet ten minste verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming van toepassing. In de wet is geregeld dat als ter plaatse van een plangebied ernstige verontreinigingen worden aangetroffen, er sprake is van een saneringsgeval. Toetsing Ten behoeve van dit bestemmingsplan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, dat is opgenomen in bijlage 1. In het onderzoek is alleen een licht verhoogd gehalte in het grondwater aangetoond. Het gemeten gehalte is echter dusdanig dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen nieuwbouwplannen.
4.4
Geluid
Toetsingskader Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeurgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeurgrenswaarde van 48 dB. Toetsing Het plangebied ligt binnen bestaand stedelijk gebied. De wegen direct rondom het plangebied betreffen alle 30 km/uur wegen. Voor deze wegen is het niet noodzakelijk een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uit te voeren. Omdat Oudebildtzijl bovendien een zeer kleinschalig dorp is en er een beperkt aantal woningen rondom het plangebied staan, is het ook niet de verwachting dat er grote aantallen verkeersbewegingen langs het plangebied plaatsvinden. Verder zal de akoestische situatie overeenkomen met de reeds bestaande woningen aan de Ds. Marinus Mooijstraat en de A.C. Bakkerstraat en zijn de gronden in het geldende bestemmingsplan al voor wonen bestemd. Door te voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit zal een goed akoestisch binnenklimaat worden gerealiseerd.
Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
21
4.5
Water
Toetsingskader Van groot belang voor de ruimtelijke ordeningspraktijk is de wettelijk verplichte 'watertoets'. De watertoets kan worden gezien als een procesinstrument dat waarborgt dat gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder. Het onderhavige plangebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân. Toetsing Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het Wetterskip Fryslân. De uitkomst van deze toets is dat de normale procedure van toepassing is. Dit houdt in dat de aanwezige wateraspecten van invloed zijn op het plan. Hiermee wordt rekening gehouden tijdens de uitvoering van de plannen. Het resultaat van de watertoets is opgenomen als bijlage 2. Waterkwantiteit In de huidige situatie is het plangebied geheel onverhard en ingericht als grasland dat bouwrijp is gemaakt. Er zijn echter in het geldende plan al wel bouwmogelijkheden, voor zes woningen. Daarmee is ook een bepaalde mate aan verharding reeds toegestaan in het plangebied en hier is ook reeds rekening mee gehouden in de waterhuishouding. In de toekomstige situatie worden uiteindelijk slechts vier woningen met bijgebouwen gerealiseerd.
De verharding als gevolg hiervan neemt af ten opzichte van de huidige planologische regeling en mogelijkheden. Om die reden is geen watercompensatie noodzakelijk in het plangebied. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering het geldend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. In dit geval wordt aangesloten op de bestaande riolering aan de A.C. Bakkerstraat en de Ds. Marinus Mooijstraat. Het hemelwater wordt zoveel mogelijk geïnfiltreerd. Overtollig water wordt eventueel afgevoerd naar naastgelegen oppervlaktewater. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Hier wordt in de uitvoeringsfase rekening mee gehouden.
22
Veiligheid en waterkeringen Het plangebied raakt voor een klein deel de buitenbeschermingszone die rondom het Oude Bildtdijkkanaal is gelegen. Alleen de zuidwesthoek van het plangebied ligt hier binnen. Op deze gronden worden geen bouwmogelijkheden mogelijk gemaakt, maar uitsluitend groenvoorzieningen. De beschermingszone wordt hiermee niet aangetast. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. Er is geen sprake van beschermingszones in het plangebied.
4.6
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) van belang. Projecten die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging zijn op grond van de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Tevens moet worden bekeken of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is voor de voorgenomen functie. Toetsing Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland is er in de directe omgeving van het plangebied sprake van een goede luchtkwaliteit. Dit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. Het aantal woningen in het plangebied neemt af, waardoor op voorhand gesteld kan worden dat dit niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het project valt ook onder de NIBM-regeling.
4.7
Archeologie
Toetsingskader Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie.
23
FAMKE Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd-bronstijd (300.000 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1500 n Chr.). Toetsing Conform zowel de steentijd-bronstijd advieskaart als de ijzertijd - middeleeuwen advieskaart is geen onderzoek noodzakelijk, ongeacht de grootte van de ontwikkeling. Met dit advies is dan ook geen onderzoek noodzakelijk en vormt het aspect archeologie geen belemmering voor dit plan.
4.8
Cultuurhistorie
Toetsingskader Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Toetsing Om te onderzoeken of sprake is van cultuurhistorische waarden is gebruik gemaakt van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân. Hieruit komt naar voren dat het plangebied deel uitmaakt van wederopbouwwijken 1960-1970. De waarde van wederopbouwarchitectuur ligt vooral in de stedenbouwkundige structuren en de ruimtelijke opbouw van de wijk en de positie van de woonblokken en de ruime groenaanleg hierbinnen. De wederopbouw is groot qua omvang en spreiding en complex qua ontwerpkwaliteit, cultuurhistorisch belang en waardering. Zij heeft een nadrukkelijke weerslag gehad in de ruimtelijke context en is dan ook belangrijk voor de ontwikkeling van de grotere woonkernen in Fryslân. In de kleinere dorpen is ook het bijbouwen van 3 of 4 huizen als nieuwe wijk beschouwd omdat in dit in die dorpen beeldbepalend kan zijn. In de huidige situatie zijn er geen woningen (meer) in het plangebied aanwezig.
De cultuurhistorische waarde van de wederopbouwwijken wordt door middel van het project hersteld. Er is daarom geen noodzaak om maatregelen te nemen ter behoud van cultuurhistorische waarden.
4.9
Externe veiligheid
Toetsingskader Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over 'externe veiligheid' om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
24
Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10-6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, geldt deze norm als streefwaarde. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Toetsing In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd. In de nabijheid is geen sprake van risicovolle inrichtingen, buisleidingen en transportroutes. Daarmee vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de ontwikkeling in het plangebied.
4.10 Kabels en leidingen Toetsingskader In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden. Toetsing Binnen het plangebied is geen sprake van kabels en leidingen waar rekening mee gehouden dient te worden. Het aspect kabels en leidingen vormt daarom geen belemmering voor dit plan.
4.11 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 7 juli 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.
25
Toetsing In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). In de beoogde ontwikkeling worden echter minder woningen gerealiseerd dan nu mogelijk is. Daarmee is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en is een vormvrije m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk. Uit deze toelichting blijkt verder dat het project geen belangrijke milieueffecten tot gevolg heeft.
26
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Het juridisch systeem
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, digitaal en analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld conform deze standaarden. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
5.2
Toelichting op de bestemmingen
In het voorliggende bestemmingsplan wordt de beoogde situatie vastgelegd. Het plangebied in dit plan heeft drie bestemmingen gekregen. Deze zijn opgezet volgens het geldende bestemmingsplan en de recente standaarden van de gemeente Waadhoeke. Groen Binnen het plangebied wordt aan de zuidwestzijde één strook bestemd als 'Groen'. Het gaat om een openbare groenvoorziening. Deze gronden worden niet bij de te realiseren woonpercelen getrokken. De bestemmingsregeling is afgestemd op het geldende bestemmingsplan. Binnen de regeling zijn naast groenvoorzieningen onder meer wegen en paden toegestaan, omdat hier tevens een voetpad langs loopt. Er zijn geen gebouwen toegestaan. Tuin Conform de plansystematiek zijn de voorerven van de woningen bestemd als 'Tuin'. Om te borgen dat aan de voorzijde van de woningen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd zijn deze niet toegestaan binnen deze bestemming. Verder zijn wel opritten, groenvoorzieningen, waterlopen en -partijen en parkeervoorzieningen toegestaan. Wonen - 1 De woonpercelen zijn bestemd als 'Wonen - 1'. De bestemming is afgestemd op de geldende regeling in het gebied. Met een maximale goothoogte van 4 meter en een dakhelling tussen de 40 en 60 graden is de maatvoering in overeenstemming gebracht met naastgelegen percelen.
Om te voorkomen dat bijbehorende bouwwerken voor de voorgevel gebouwd worden, is opgenomen dat deze op minimaal 1 meter achter de voorgevel gebouwd moeten worden. Ook de maatvoering van bijbehorende bouwwerken is afgestemd op de geldende regeling in Oudebildtzijl.
27
28
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Overleg Het bestemmingsplan is eerst als voorontwerp aan overlegpartners toegezonden. Hierop hebben overlegpartners de mogelijheid gekregen om een overlegreactie in te dienen op het plan. Er zijn twee overlegreacties binnen gekomen, van de Provncie Fryslân en van de Brandweer Fryslân. Provincie Fryslân De provincie gaf in haar reactie aan dat zij van mening zijn dat de dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd Dorpsgezicht op het plangebied van toepassing moet worden, omdat het plangebied onderdeel is van het beschermd dorpsgezicht 'Oude en Nieuwe Bildtdijken'. Daarnaast geeft de provincie in overweging om de woningen natuur inclusief te bouwen. Reactie Conform het geldende bestemmingsplan ligt het plangebied buiten het beschermd dorpsgezicht dat door de provincie wordt benoemd. Deze ligt meer geconcentreerd rondom de Dominee Schulingstraat / Monnikebildtdijk. Om die reden is er geen dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd Dorpsgezicht' opgenomen. Verder zal in de uitvoering worden bekeken wat ten aanzien van natuur inclusief bouwen kan worden uitgevoerd. Brandweer Fryslân In haar reactie heeft de Brandweer Fryslân geadviseerd om na te denken over de eenzijdige bereikbaarheid van de woonwijk waarin het plangebied ligt. Dit in relatie tot de wenselijkheid voor de brandweer om een willekeurige incidentlocatie via twee onafhankelijke routes te kunnen benaderen.
Verder heeft de brandweer geen opmerkingen op het plan. Reactie De bereikbaarheid van de woonwijk valt buiten de scope van dit bestemmingsplan. Daarom heeft deze opmerking niet tot aanpassingen in het plan geleid. Zienswijze Vervolgens wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode wordt eenieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). De uitkomsten hiervan kunnen nieuwe niet voorziene uitgangspunten voor het bestemmingsplan geven. Vaststelling Het bestemmingsplan wordt vervolgens al dan niet gewijzigd vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens deze periode bestaat voor belanghebbenden de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.
29
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Het bestemmingsplan vormt het toetsingskader voor een particuliere ontwikkeling. De initiatiefnemer heeft aannemelijk gemaakt dat het plan financieel haalbaar is. Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. De gemeente en initiatiefnemer zullen onderling kostenafspraken maken met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling. Hierin worden de kosten verzekerd en worden afspraken gemaakt ten aanzien van planschade.
30
Bijlagen toelichting
Bijlage 1 Verkennend bodemonderzoek
Verkennend bodemonderzoek aan de Ds. Marinus Mooijstraat in Oudebildtzijl (nieuwbouw woningen)
Rapportnummer: Status: Datum:
220148/JvdM Definitief, versie 1 22 maart 2022
Opdrachtgever:
Rho Adviseurs Druifstreek 72c 8911 LH LEEUWARDEN
Realisatie:
WMR Rinsumageest bv Van Aylvawei 40 9105 KT RINSUMAGEAST T 0511 - 425050 F 0511 - 424184 I www.wmr.nl E milieu@wmr.nl
COLOFON Project: Opdrachtgever: Rapportnummer: Projectleider: Projectleider: Handtekening:
Verkennend bodemonderzoek Ds. Marinus Mooijstraat, Oudebildtzijl Rho Adviseurs 220148/JvdM J.J. van der Mei D.T. van der Mei
Datum:
22 maart 2022
Niets uit dit rapport mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de opdrachtgever. De activiteiten van WMR Rinsumageest bv zijn gewaarborgd middels de volgende certificaten: NEN-EN-ISO 9001 Kwaliteitsmanagementsystemen VCA**: Veiligheids Checklijst Aannemers SC-530: SCA Procescertificaat Asbestverwijdering SVMS-007: Procescertificaat Slopen BRL SIKB 1000: Procescertificaat Monsterneming voor partijkeuringen BRL SIKB 2000: Procescertificaat Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek BRL SIKB 6000: Procescertificaat Milieukundige begeleiding van bodemsaneringen BRL SIKB 7000: Procescertificaat Uitvoering Bodemsaneringen en lidmaatschap van:
Vereniging Van Milieu Adviesbureaus Bouwend Nederland
BRL SIKB 2000
Rapportnummer : 220148/JvdM
Blad : III
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING ..................................................................................................................................................................1 1.1 Algemeen ....................................................................................................................................................1 1.2 Aanleiding en doelstelling van het onderzoek............................................................................................1 1.3 Kwaliteitswaarborg .....................................................................................................................................1 1.4 Opbouw van het rapport ............................................................................................................................ 1
2
VOORONDERZOEK .....................................................................................................................................................2 2.1 Algemeen ....................................................................................................................................................2 2.2 Algemene locatiegegevens .........................................................................................................................2 2.3 Geraadpleegde bronnen.............................................................................................................................2 2.4 Actuele situatie en historische situatie ......................................................................................................2 2.5 Bodemopbouw en geohydrologie onderzoekslocatie ................................................................................3 2.6 Voorgaande bodemonderzoeken ...............................................................................................................3 2.7 Conclusie vooronderzoek ........................................................................................................................... 3 2.8 Opstelling onderzoekshypothese ...............................................................................................................3
3
VELD- EN LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN .........................................................................................................3 Veldwerkzaamheden .................................................................................................................................. 4 3.1 3.2 Laboratoriumonderzoek .............................................................................................................................4
4
TOETSINGSKADER .....................................................................................................................................................5
5
ANALYSERESULTATEN EN TOETSING.........................................................................................................................6 5.1 Grond ..........................................................................................................................................................6 5.2 Grondwater ................................................................................................................................................6 5.3 Aanvullend onderzoek ................................................................................................................................ 6
6
SAMENVATTING EN CONCLUSIE ...............................................................................................................................7 6.1 Samenvatting ..............................................................................................................................................7 6.2 Conclusie ....................................................................................................................................................7 6.3 Aanbevelingen ............................................................................................................................................7
Bijlagen:
1. Kadastrale kaart 2. Situatietekening 3. Boorprofielen 4. Analysecertificaten 5. Toetsingsresultaten
Verkennend bodemonderzoek Ds. Marinus Mooijstraat, Oudebildtzijl
WMR Rinsumageest bv
Rapportnummer : 220148/JvdM
1
INLEIDING
1.1
Algemeen
Blad : 1 van 7
In opdracht van Rho Adviseurs is door WMR Rinsumageest B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd aan de Ds. Marinus Mooijstraat in Oudebildtzijl. Het onderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725 (Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek) en NEN 5740 (Bodem - Onderzoeksstrategie bij verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond). 1.2
Aanleiding en doelstelling van het onderzoek Aanleiding van het verkennend onderzoek is de voorgenomen nieuwbouw van woningen. Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Op basis van de onderzoeksresultaten kan bepaald worden of de milieuhygiënische bodemkwaliteit voldoende geschikt is voor de voorgenomen nieuwbouwplannen.
1.3
Kwaliteitswaarborg Het veldwerk is uitgevoerd conform de SIKB-protocollen 2001 en 2002. WMR Rinsumageest bv is voor uitvoering van de veldwerkzaamheden bij (water)bodemonderzoek gecertificeerd door het KIWA volgens de BRL SIKB 2000 (certificaatnummer K9198). Het procescertificaat van WMR Rinsumageest bv en het hierbij behorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake de monsterneming en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie, aan een erkend laboratorium of de opdrachtgever. WMR Rinsumageest bv is op geen enkele wijze gelieerd of gekoppeld aan de opdrachtgever. Ook bestaan er geen eigendomsverhoudingen met betrekking tot het te onderzoeken terrein. Hiermee wordt voldaan aan de onafhankelijkheidseisen uit de BRL 2000. Daarnaast is in het belang van een gewaarborgde functiescheiding tussen opdrachtgever en opdrachtnemer geen sprake van een directe relatie (opdracht uit eigen organisatie). De analyses zijn uitgevoerd conform AS3000 in het erkende laboratorium van Eurofins Analytico.
1.4
Opbouw van het rapport In het voorliggende rapport komen de volgende aspecten aan de orde: • De resultaten van het vooronderzoek (hoofdstuk 2); • De uitgevoerde veld- en laboratoriumwerkzaamheden (hoofdstuk 3); • Het toetsingskader (hoofdstuk 4); • De analyseresultaten en de toetsing (hoofdstuk 5); • Een samenvatting van het onderzoek, conclusies en aanbevelingen (hoofdstuk 6). De bijbehorende tekeningen, boorprofielen en analysecertificaten zijn als bijlage opgenomen.
Verkennend bodemonderzoek Ds. Marinus Mooijstraat, Oudebildtzijl
WMR Rinsumageest bv
Rapportnummer : 220148/JvdM 2
VOORONDERZOEK
2.1
Algemeen
Blad : 2 van 7
Het vooronderzoek is uitgevoerd op basis van de NEN 5725. Het vooronderzoek heeft zich gericht op de onderzoekslocatie en de aangrenzende percelen. 2.2
Algemene locatiegegevens In bijlage 1 is een kadastrale kaart opgenomen, waarop de onderzoekslocatie en de directe omgeving zijn weergegeven. In onderstaande tabel zijn de locatiegegevens samengevat. Tabel 2.1: Overzicht locatiegegevens Adres locatie Kadastrale gegevens Oppervlakte onderzoekslocatie Huidig gebruik
2.3
Ds. Marinus Mooijstraat, Oudebildtzijl Gemeente Lieve Vrouwe Parochie, sectie B, diverse nummers Circa 1.700 m2 Braakliggend terrein
Geraadpleegde bronnen Voor het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Opdrachtgever • Locatie-inspectie (gecombineerd met veldwerk) • Dinoloket • Bodeminformatiesysteem Nazca-i • Google Earth/Maps/Streetview • Het Kadaster (www.kadaster.nl)
2.4
Actuele situatie en historische situatie De onderzoekslocatie aan de Ds. Marinus Mooijstraat bevindt zich in de woonkern van Oudebildtzijl. In het verleden is ter plaatse bebouwing gesitueerd geweest. Het terrein ligt grotendeels braak. Op de oostzijde van de onderzoekslocatie, aan de Van Albadaweg 25 en 27, zijn twee bijgebouwen gesitueerd. PFAS In opdracht van de Fumo is onderzoek verricht naar het voorkomen van PFAS is de provincie Fryslân. Het onderzoek is uitgevoerd door Antea Group (23 januari 2020, projectnummer 0457469.100). Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat de gemiddelde gehalten aan PFAS in Fryslân lager of gelijk zijn aan de door het ministerie vastgestelde tijdelijke achtergrondwaarden. Hiermee is grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart weer mogelijk. Voor de locatie aan de Ds. Marinus Mooijstraat zijn er geen aanwijzingen voor een verontreiniging met PFAS. PFAS is onder andere water-, vet- en vuilafstotend. Ze zitten in verschillende producten. Bijvoorbeeld in smeermiddelen, voedselverpakkingsmaterialen, blusschuim, anti-aanbaklagen van pannen, kleding, textiel en cosmetica. Ook worden ze gebruikt in verschillende industriële toepassingen en processen. Toekomstige situatie Het ligt in de bedoeling om woningen op de locatie te realiseren. De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 1.700 m2 .
Omliggende percelen Aan de noord- en oostzijde van het terrein bevinden zich woningen met tuin. Aan de zuid- en westzijde lopen de Ds. Marinus Mooijstraat en A.C. Bakkerstraat. Van de directe omgeving zijn geen gegevens bekend omtrent milieuverdachte activiteiten en calamiteiten. In bijlage 2 is een situatietekening van de onderzoekslocatie opgenomen.
Verkennend bodemonderzoek Ds. Marinus Mooijstraat, Oudebildtzijl
WMR Rinsumageest bv
Rapportnummer : 220148/JvdM 2.5
Blad : 3 van 7
Bodemopbouw en geohydrologie onderzoekslocatie De regionale bodemopbouw in de omgeving van de onderzoekslocatie is afgeleid uit ondergrondgegevens van het Dinoloket (boring B05F001). De resultaten tot 10,0 m -mv zijn in tabel 2.2 weergegeven. Tabel 2.2: Bodemopbouw omgeving onderzoekslocatie Diepte (m -mv)
Lithologie (textuur)
Lithostratigrafie
0,0 - 2,0 2,0 - 7,0 7,0 - 9,0 9,0 - 10,0
Niet benoemd Klei Zand Klei
Holocene afzettingen Holocene afzettingen Holocene afzettingen Holocene afzettingen
Uit het grondwaterbeschermingsplan van de provincie Fryslân blijkt dat de locatie niet in een grondwaterbeschermingsgebied ligt. De grondwaterstroming van het freatisch grondwater is niet bekend. De grondwaterstroming wordt in de regel met name bepaald door lokale watergangen en voorkeursstromingen (als gevolg van o.a. vijvers en sloten). 2.6
Voorgaande bodemonderzoeken Ter plaatste van een deel van de onderzoekslocatie is in 2003 een verkennend bodemonderzoek (Grontmij, rapportnr. 150869, 7 juni 2003) uitgevoerd. Uit de analyseresultaten blijkt dat in zowel de boven- als ondergrond geen verhoogde gehalten zijn gemeten.
2.7
Conclusie vooronderzoek Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn er geen aanwijzingen voor een vermoeden van bodemverontreiniging ter plaatse van de onderzoekslocatie.
2.8
Opstelling onderzoekshypothese Conform de NEN 5740 is voor de onderzoekslocatie een onderzoekshypothese met een onderzoeksstrategie opgesteld welke in tabel 2.3 worden weergegeven. Tabel 2.3: Onderzoekslocatie met onderzoeksstrategie (Deel-)locatie Oppervlakte (in m2) Onderzoekslocatie Circa 1.700 ONV-NL Onverdachte niet-lijnvormige locatie
Verdacht/onverdacht Onverdacht
Aard verwachte stoffen -
Onderzoeksstrategie ONV-NL
Het doel van het verkennend bodemonderzoek in deze situatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater in gehalten boven respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden. Opgemerkt wordt dat de gehanteerde onderzoeksstrategie (NEN 5740) niet geschikt is om de eventuele aanwezigheid van asbest in de bodem aan te tonen. Onderzoek naar asbest dient plaats te vinden conform de NEN 5707. Vooralsnog is er geen aanleiding voor het uitvoeren van een onderzoek naar asbest in de bodem conform NEN 5707. Bij de uitvoering van het veldwerk dient aandacht te worden besteed aan het eventueel zintuiglijk voorkomen van asbest op en in de bodem.
Verkennend bodemonderzoek Ds. Marinus Mooijstraat, Oudebildtzijl
WMR Rinsumageest bv
Rapportnummer : 220148/JvdM 3 3.1
Blad : 4 van 7
VELD- EN LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN Veldwerkzaamheden De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door de erkende monsternemer J.R. Duinstra volgens de SIKB-protocollen 2001 en 2002. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 24 februari 2022. De boringen zijn uitgevoerd met een edelmanboor. De grond van de boringen is per bodemlaag bemonsterd met een maximaal bemonsteringstraject van 0,5 meter. De peilbuis is, na voldoende doorpompen, bemonsterd op 4 maart 2022 met behulp van een slangenpomp. In tabel 3.1 is een overzicht weergegeven van de uitgevoerde veldwerkzaamheden. Tabel 3.1: Uitgevoerde veldwerkzaamheden (Deel-)locatie (oppervlakte)
Veldwerkzaamheden Uitvoering boring met peilbuis boring tot 2,0 m -mv boring tot 0,5 m -mv
Onderzoekslocatie (circa 1.700 m2)
Aantal 1 2 8
Codering boring nr. 1 nrs. 2 en 3 nrs. 4 t/m 11
De situering van de onderzoekslocatie en de boringen is weergegeven op de situatietekening in bijlage 2. Zintuiglijke waarnemingen en bodemopbouw Het maaiveld en de opgeboorde grond van iedere boring is zintuiglijk beoordeeld op het voorkomen van bodemvreemde en asbestverdachte materialen. Hierbij zijn geen bijzonderheden waargenomen. De bodemkundige beoordeling van de boringen is weergegeven op de boorprofielen in bijlage 3. Veldmetingen grondwater In tabel 3.2 zijn de resultaten van de veldmetingen van het grondwater weergegeven. Tabel 3.2: Resultaten veldmetingen grondwater Peilbuis
Filterstelling (cm -mv)
Grondwaterstand (cm -mv)
pH (-)
Ec (µS/cm)
Troebelheid (NTU)
1
190-290
140
7,2
120
<10
De gemeten waarden voor de zuurgraad en geleiding zijn normaal voor de omgeving waarin de onderzoekslocatie zich bevindt. De troebelheid van het grondwatermonster voldoet niet aan de verwachte natuurlijke waarde (0-10 NTU). Het meten van een verhoogde troebelheid is overigens niet bezwaarlijk maar kan gebruikt worden bij de interpretatie van de analyseresultaten. 3.2 Laboratoriumonderzoek De chemische analyses van de grond en het grondwater zijn uitgevoerd in het geaccrediteerde laboratorium van Eurofins Analytico. De samenstelling van de te analyseren monsters heeft plaatsgevonden op basis van de resultaten van het veldonderzoek. De monsters zijn dusdanig geselecteerd dat, na uitvoering van de analyses, een zo representatief mogelijk beeld verkregen wordt van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Tabel 3.3: Samenstelling (meng)monsters en analyses Deellocatie