CConstaterende datwaadhoeke
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Gemeenteraad Waadhoeke 4 november 2021, gemeente waadhoeke33.017 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

1.

Het bestuur stelt regels vast ter zake van van het financieel beleid, het financiële beheer en Geen inhoudelijke en tekstuele wijzigingen. de inrichting van de financiële organisatie overeenkomstig het bepaalde in artikel 212 Gemeentewet.

2.

Het bestuur stelt regels vast voor de controle op het financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. Het overeenkomstig het bepaalde in artikel 213 Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

1.

Het bestuur zendt voor de in artikel 34b van de Wet gemeenschappelijke regelingen Met de aankondiging van de nieuwe Wet gemeenschappelijke regelingen verschuiven de genoemde datum de algemene financiële en beleidsmatige kaders en een door het bestuur data omtrent de begroting. Om die reden wordt er in de regeling verwezen naar de wet en vastgestelde ontwerpbegroting toe aan de raden van de deelnemende gemeenten. niet naar specifieke data, zodat de regeling niet volgend jaar opnieuw aangepast hoeft te worden. De beleidsmatige kaders zoals door de besturen van de deelnemende gemeenten vastgesteld, worden tijdig aan het bestuur gezonden. De financiële impact van de beleidsmatige kaders wordt vervolgens door de Dienst verwerkt in de begroting.

Hoofdstuk 6: Financiële bepalingen

17.

18

1.

Het bestuur stelt regels vast ter zake van van het financieel beleid, het financiële beheer en de inrichting van de financiële organisatie overeenkomstig het bepaalde in artikel 212 Gemeentewet.

2.

Het bestuur stelt regels vast voor de controle op het financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. Het overeenkomstig het bepaalde in artikel 213 Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

1.

Het bestuur zendt voor 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders, een door het bestuur vastgestelde ontwerpbegroting en de voorlopige jaarrekening vergezeld van een behoorlijke toelichting, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten. De beleidsmatige kaders zoals door de besturen van de deelnemende gemeenten vastgesteld, worden tijdig aan het bestuur gezonden. De financiële impact van de beleidsmatige kaders wordt vervolgens door de Dienst verwerkt in de begroting.

2.

3.

19.

Voorschriften financieel beheer

Begroting

15.

16.

2.

De raden van de deelnemende gemeenten kunnen bij het bestuur hun zienswijzen kenbaar maken, binnen acht weken na toezending van de ontwerpbegroting. Het bestuur reageert gemotiveerd op deze zienswijzen en voegt de commentaren, waarin deze zienswijzen zijn vervat, bij de ontwerpbegroting. Het bestuur stelt de begroting, zo nodig en mogelijk met verwerking van de zienswijzen van de deelnemende gemeenten, uiterlijk 10 juli vast.

3.

5.

Het bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval voor 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, toe aan Gedeputeerde Staten.

5.

Het bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval voor de in artikel 34 lid 2 van de Wet gemeenschappelijke regelingen genoemde datum, toe aan gedeputeerde staten.

6.

Het bepaalde in dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de besluiten tot wijziging van de begroting met dien verstande dat wijzigingen in de begroting ook kunnen worden vastgesteld gedurende het jaar waarvoor de begroting geldt en in dat geval het zenden aan Gedeputeerde Staten niet voor 1 augustus hoeft plaats te vinden.

6.

Het bepaalde in dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de besluiten tot wijziging van de begroting met dien verstande dat wijzigingen in de begroting ook kunnen worden vastgesteld gedurende het jaar waarvoor de begroting geldt en in dat geval hoeft het zenden aan gedeputeerde staten niet voor de in de vorige lid bedoelde datum plaats te vinden.

1.

Het bestuur zendt de voorlopige jaarrekening, vergezeld van een behoorlijke toelichting, voor 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting geldt, aan de raden van de deelnemende gemeenten.

1.

2.

Het bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft.

2.

Het bestuur zendt de voorlopige jaarrekening vergezeld van een behoorlijke toelichting Ook hier zijn de data n.a.v. de beoogde wijziging van de Wet gemeenschappelijke voor de in artikel 34b van de Wet gemeenschappelijke regelingen genoemde datum, aan de regelingen vervangen door verwijzingen naar die wet. raden van de deelnemende gemeenten. In navolging van de begroting is ook unanimiteit voor de jaarrekening vereist om zo maximale sturing vanuit de deelnemende gemeenten te hebben. Het bestuur stelt de jaarrekening unaniem vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft.

3.

Het bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, maar in ieder geval voor 15 juli van het jaar volgend op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan gedeputeerde staten.

3.

Het bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, maar in ieder geval voor de in artikel 34 lid 4 van de Wet gemeenschappelijke regelingen genoemde datum, aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan gedeputeerde staten.

4.

Vaststelling van de jaarrekening strekt het bestuur en de directeur tot décharge behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden.

4.

Vaststelling van de jaarrekening strekt tot décharge van het bestuur en de directeur behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden.

5.

In de jaarrekening wordt voor elk van de deelnemende gemeenten het bedrag opgenomen dat voor rekening van de desbetreffende gemeente komt onder verrekening van de eventuele vergoedingen voor diensten die de gemeente aan de dienst heeft geleverd.

5.

In de jaarrekening wordt voor elk van de deelnemende gemeenten het bedrag opgenomen dat voor rekening van de desbetreffende gemeente komt.

4.

Jaarrekening

14.

Het bestuur kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden opdragen aan de directeur van de dienst voor arbeidsovereenkomsten met ambtenaren beneden het functieniveau 12.

Hoofdstuk 6: Financiële bepalingen

Voorschriften financeel beheer

Overige werknemers

4.

Jaarrekening

17.

De raden van de deelnemende gemeenten kunnen bij het bestuur hun zienswijzen kenbaar Ten aanzien van de wijziging in lid 3 is het niet nodig om ook nog de zienswijzen bij maken over de ontwerpbegroting, binnen de termijn genoemd in artikel 35 lid 1 van de ontwerpbegroting toe te voegen, omdat deze reeds in het bezit zijn van het bestuur. Wet gemeenschappelijke regelingen. Het bestuur reageert gemotiveerd op deze zienswijzen. Het bestuur stelt de begroting, zo nodig en mogelijk met verwerking van de zienswijzen van Ten aanzien van lid 4 is de datum van 10 juli komen te vervallen. Dit is in lijn met de de deelnemende gemeenten, unaniem vast. aanstaande wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen. De begroting moet unaniem worden vastgesteld, om zo de sturing vanuit de deelnemende gemeentebesturen zo optimaal mogelijk te maken. Zij kunnen op die manier in beginsel geen kosten opgelegd krijgen waarmee zij niet hebben ingestemd.

Bijdragen deelnemende gemeenten

20.

1.

In de begroting wordt aangegeven welke bijdrage elke gemeente verschuldigd is voor de uitvoering van de taken van de dienst. Op de gemeentelijke bijdrage wordt de vergoeding voor eventuele diensten van een gemeente aan de dienst in mindering gebracht.

2.

3.

21.

1.

1.In de begroting wordt aangegeven welke bijdrage elke gemeente verschuldigd is voor de uitvoering van de taken van de Dienst.

De deelnemende gemeenten dragen er zorg voor dat de dienst te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen.

2.

2.De deelnemende gemeenten dragen er zorg voor dat de Dienst te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen.

De bedrijfsvoeringskosten die de dienst aan de gemeenten toerekent, worden door middel van een verdeelsleutel over de gemeenten verdeeld:

3.

3.De kosten die de Dienst aan de deelnemende gemeenten toerekent, bestaan uit directe en indirecte kosten: a.

ii.

Voor het bepalen van het inwonertal, het aantal voorzieningen en het aantal uitkeringsgerechtigden geldt 1 januari van het betreffende boekjaar als peildatum.

b. b.Indirecte kosten: deze kosten betreffen de bedrijfsvoeringskosten van de Dienst. De kosten worden op basis van een verdeelsleutel toegerekend aan de gemeenten. De volgende uitgangspunten zijn van toepassing:

iii.

Alle extra bedrijfsvoeringskosten van de dienst, die worden veroorzaakt door vastgesteld gemeentelijk beleid, dat afwijkt van het door de beleidspool voorgestelde beleid in Noordwest Friesland, worden door de dienst aan de betreffende gemeente doorberekend.

i.

30% wordt verrekend onder de gemeenten naar rato van het aantal inwoners per gemeente en 70% wordt verrekend onder de gemeenten naar rato van het aantal voorzieningen dan wel uitkeringsgerechtigden per gemeente.

Na afloop van elk kalenderjaar vindt tussen de dienst en de deelnemende gemeenten een definitieve afrekening plaats van:

ii.

ii.Voor het bepalen van het inwonertal, het aantal voorzieningen en het aantal uitkeringsgerechtigden geldt 1 januari van het betreffende boekjaar als peildatum.

a.Directe kosten: deze kosten worden rechtstreeks toegerekend aan de gemeente waarvoor de kosten zijn gemaakt.

a.

Middelen inzake de uitvoering van de Wetten zoals genoemd in artikel 1a (de “programmalasten”)

4.

4.Eventuele specifieke middelen uit fondsen en doeluitkeringen die door het Rijk aan de gemeenten worden verstrekt, bedoeld voor de uitvoering van taken waarmee de Dienst is belast, worden door de Dienst beheerd.

b.

De gerealiseerde bedrijfsvoeringskosten.

5.

5.Kennelijke onbillijkheden die uit de toepassing van dit artikel voortvloeien, worden ter beslissing voorgelegd aan het bestuur.

5.

Eventuele specifieke middelen uit fondsen en doeluitkeringen die door het Rijk aan de gemeenten worden verstrekt, bedoeld voor de uitvoering van taken waarmee de dienst is belast, worden door de dienst beheerd.

6.

Over wijzigingen met betrekking tot de wijze waarop verrekening met de gemeenten plaatsvindt, beslist het bestuur.

6.

Kennelijke onbillijkheden die uit de toepassing van dit artikel voortvloeien, worden ter beslissing voorgelegd aan het bestuur.

7.

Over wijzigingen met betrekking tot de wijze waarop verrekening met de gemeenten plaatsvindt, beslist het bestuur.

1.

De geldmiddelen van de dienst bestaan uit:

1.

De geldmiddelen van de dienst bestaan uit:

Samenstelling gelden

19.

a.

middelen ten behoeve van de uitvoering van de wetten zoals genoemd in artikel 1a;

a.

b.

middelen ten behoeve van de bedrijfsvoeringskosten zoals genoemd in artikel 20.

b. middelen ten behoeve van de bedrijfsvoeringskosten zoals genoemd in artikel 18 van deze regeling.

2.

De middelen ten behoeve van de uitvoering van de wetten worden per deelnemende gemeente beschikbaar gesteld op basis van de daadwerkelijke uitgaven. Deze middelen zullen jaarlijks voor het begrotingsjaar worden geraamd en per maandelijks voorschot ter beschikking worden gesteld.

3.

De middelen benodigd ter dekking van de bedrijfsvoeringskosten worden jaarlijks voor het begrotingsjaar begroot en worden op basis van de begroting maandelijks door de deelnemende gemeenten bevoorschot.

Aanvullend op de verdeelsystematiek van de bedrijfsvoeringskosten is de verdeelsystematiek van de programmalasten opgenomen. Deze systematiek is grotendeels gebaseerd op de verdeelsystematiek van de vorige versie.

De bedrijfsvoeringskosten worden op basis van een verdeelsleutel toegerekend aan de gemeenten. 30% wordt verrekend onder de gemeenten naar rato van het aantal inwoners per gemeente en 70% naar rato van het aantal voorzieningen dan wel uitkeringsgerechtigden per gemeente.

Hoofdstuk 7: Wijziging, toetreding, uittreding en opheffing Toetreding

18.

i.

4.

Samenstelling gelden

Bijdrage deelnemende gemeenten

Het voormalig lid 3 is in de nieuwe versie niet meer van toepassing. Verder hebben er geen inhoudelijke wijzigingen, maar slechts tekstuele aanpassingen plaatsgevonden.

middelen ten behoeve van de uitvoering van de wetten; artikel 1a;

2.

De middelen ten behoeve van de uitvoering van de wetten en de bedrijfsvoeringskosten van de Dienst worden per deelnemende gemeente beschikbaar gesteld op basis van de daadwerkelijke uitgaven. Deze middelen zullen jaarlijks voor het begrotingsjaar door de Dienst worden geraamd en als voorschot ter beschikking worden gesteld.

1.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die wenst toe te treden, richt het verzoek aan het bestuur.

Hoofdstuk 7: Wijziging, toetreding, uittreding en opheffing 22.

1.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die wenst toe te treden, richt het verzoek aan het bestuur van de Ddienst.

Toetreding

20.

Geen inhoudelijke wijzigingen, maar slechts tekstuele aanpassingen.

Uittreding

Wijziging

Opheffing en liquidatie

Geschillen

23.

24

25.

26.

2.

Het bestuur stuurt het verzoek als bedoeld in lid 1 zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen twee maanden na binnenkomst ervan door aan de colleges. van de deelnemende gemeenten. Het bestuur brengt een advies uit aan de colleges over de toetreding en de eventueel daaraan te verbinden voorwaarden.

2.

Het bestuur stuurt het verzoek als bedoeld in lid 1 zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen twee maanden na binnenkomst ervan door aan de colleges.. Het bestuur brengt een advies uit aan de colleges over de toetreding en de eventueel daaraan te verbinden voorwaarden.

3.

De toetreding vindt plaats indien alle colleges van de deelnemende gemeenten daarmee kunnen instemmen. De betreffende colleges kunnen pas instemmen met toestemming van de betreffende raden.

3.

De toetreding vindt plaats indien alle colleges daarmee kunnen instemmen. De betreffende colleges kunnen pas instemmen met toestemming van de betreffende raden

1.

Het college van een van de deelnemende gemeenten kan tot uittreding besluiten.

1.

Een college kan tot uittreding besluiten.

2.

Van het besluit als bedoeld in lid 1 geeft het betreffende college uiterlijk drie kalendermaanden voor het einde van het kalenderjaar kennis aan het Bbestuur.

2.

Van het besluit als bedoeld in lid 1 geeft het betreffende college uiterlijk drie maanden voor het einde van het kalenderjaar kennis aan het bestuur.

3.

De uittreding vindt niet eerder plaats dan op 31 december van het jaar volgend op het jaar waarin het bestuur van het besluit als bedoeld in lid 1 in kennis is gesteld.

3.

4.

De financiële schade die door uittreding aan de Ddienst is toegebracht, inclusief de hierdoor ontstane kosten voor boventalligheid en ontslagvergoedingen, wordt aan de uittredende gemeente in rekening gebracht.

4.

5.

Voor de vaststelling van de financiële schade als bedoeld in lid 4 wordt door het bestuur en de Ddiens enhet betreffende college de uittredende gemeente gezamenlijk een advies gevraagd aan een onafhankelijke deskundige. Het advies van de deskundige is voor partijen bindend, onverminderd het bepaalde in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen..

5.

Voor de vaststelling van de financiële schade als bedoeld in lid 4 wordt door het bestuur en het betreffende college gezamenlijk een advies gevraagd aan een onafhankelijke deskundige. Het advies van de deskundige is voor partijen bindend, onverminderd het bepaalde in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

1.

Wijziging van de regeling kan worden voorgesteld door een college.

1.

Wijziging van de regeling kan worden voorgesteld door een college of door het bestuur.

2.

Een wijziging van de regeling behoeft instemming van alle colleges en de goedkeuring van de raden van de deelnemende gemeenten.

2.

Een wijziging van de regeling behoeft instemming van alle colleges na verkregen toestemming van de raden van de deelnemende gemeenten.

3.

De wijziging treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de gewijzigde regeling conform artikel 26 van de Wet gemeenschappelijke regelingen bekend is gemaakt, tenzij het wijzigingsbesluit anders bepaalt.

3.

De wijziging treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de gewijzigde regeling conform artikel 26 van de Wet gemeenschappelijke regelingen bekend is gemaakt, tenzij het wijzigingsbesluit anders bepaalt.

1.

De regeling kan worden opgeheven indien alle colleges van de deelnemende gemeenten daartoe besluiten.

1.

De regeling kan worden opgeheven indien alle colleges daartoe besluiten.

2.

Het liquidatieplan wordt door het bestuur, gehoord de collegesdeelnemende gemeenten, vastgesteld.

2.

Het liquidatieplan wordt door het bestuur, gehoord de colleges, vastgesteld.

3.

Het liquidatieplan voorziet in de verplichtingen van de gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing.

3.

Het liquidatieplan voorziet in de verplichtingen van de gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing.

4.

Het liquidatieplan voorziet in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel.

4.

Het liquidatieplan voorziet in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel.

5.

Het bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie.

5.

Het bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie.

6.

Het bestuur blijft ook na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie is voltooid.

6.

Het bestuur blijft ook na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie is voltooid.

Geschillen omtrent de toepassing, in de ruimste zin, van de regeling tussen de deelnemende colleges onderling of tussen deelnemende colleges en het bestuur worden overeenkomstig artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen behandeld.

Uittreding

Begroting

Opheffing en liquidatie

Geschillen

21.

22.

23.

24.

Inhoudelijk is de verwijzing naar artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen toegevoegd. Het advies van een onafhankelijke deskundige blijft politiek bindend voor partijen, onverminderd het bepaalde in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Partijen behouden het recht om in administratief beroep en beroep bij de De uittreding vindt niet eerder plaats dan op 31 december van het jaar volgend op het jaar bestuursrechter te gaan. Dit recht kan met het bindend advies niet worden weggenomen. waarin het bestuur van het besluit als bedoeld in lid 1 in kennis is gesteld. Verder tekstuele wijzigingen. De financiële schade die door uittreding aan de Dienst is toegebracht, inclusief de hierdoor ontstane kosten voor boventalligheid en ontslagvergoedingen, wordt aan de uittredende gemeente in rekening gebracht.

1

2

3

Voordat een geschil, als bedoeld in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen wordt voorgelegd aan gedeputeerde staten, legt het bestuur het geschil voor aan een geschillencommissie.

Goedkeuring is gewijzigd naar ‘de verkregen toestemming’. In juridische termen is goedkeuring wezenlijk anders dan toestemming. Goedkeuring vindt achteraf plaats en toestemming is nodig voorafgaand aan besluitvorming (zie art. 10:25 en art. 10:32 Awb). De Wet gemeenschappelijke regelingen schrijft toestemming voor (zie art. 1 lid 2 en 3 Wgr).

Geen inhoudelijke wijzigingen, maar slechts tekstuele aanpassingen.

Aan het artikel is de procedure van een geschillencommissie toegevoegd. De procedure komt in veel gemeenschappelijke regelingen voor, waarbij de geschillencommissie een politiek bindend advies geeft. Vinden partijen geen oplossing via de geschillencommissie, dan blijft het altijd mogelijk om het geschil voor te leggen aan de gedeputeerde staten, De geschillencommissie bestaat uit drie leden. Eén lid wordt aangewezen door het bestuur conform artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. De wijziging doet hier niet en één lid door het college van de betrokken gemeente. Deze leden wijzen gezamenlijk een aan af, waardoor het geen beperking is, maar een extra tussenoplossing kan zijn mocht derde lid aan dat tevens zal optreden als voorzitter van de commissie. zich een geschil binnen de samenwerking voordoen. De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken bestuursorganen en zo nodig derden die van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de aard van het geschil en/of het feitencomplex.

Hooofdstuk 8: Overige en slotbepalingen Archief

Duur en inwerkingtreding

4

De geschillencommissie brengt in beginsel binnen drie maanden na het begin van haar werkzaamheden aan de betrokken bestuursorganen advies uit over de mogelijkheden tot een overeenstemming over de oplossing van het gerezen geschil te komen. Bij acceptatie van het advies zullen partijen ter zake van de oplossing een vaststellingsovereenkomst sluiten.

5

Indien het advies van de commissie niet leidt tot een oplossing van het geschil, wordt dit voorgelegd aan de gedeputeerde staten overeenkomstig het bepaald in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Aan gedeputeerde staten wordt eveneens het dossier van de geschillencommissie overgelegd.

Hooofdstuk 8: Overige en slotbepalingen 27.

28.

1.

De directeur draagt namens het bestuur zorg voor de archiefbescheiden (DIV) van de Ddienst overeenkomstig de door het bestuur vast te stellen regeling met inachtneming van de geldende Archiefwet 1995.

2.

Bij opheffing van de regeling worden alle bescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen, overgedragen aan de deelnemende gemeenten.

1.

De gewijzigde regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd en treedt in werking op 1 januari 2021.

2.

Het college van gemeente Waadhoeke zendt de gewijzigde regeling aan Gedeputeerde Staten en maakt de regeling op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend.

Archief

Duur en inwerkingtreding

25.

26.

1.

De directeur draagt namens het bestuur zorg voor de archiefbescheiden (DIV) van de Dienst overeenkomstig de door het bestuur vast te stellen regeling met inachtneming van de Archiefwet 1995.

2.

Bij opheffing van de regeling worden alle bescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen, overgedragen aan de deelnemende gemeenten.

1.

De gewijzigde regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd en het wijzigingsbesluit treedt in werking op 1 januari 2022.

2.

Het college van de gemeente Waadhoeke maakt de regeling overeenkomstig artikel 26 van de Wet gemeenschappelijke regelingen bekend.

3.

Het voorgaande lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging, verlenging of opheffing van de regeling, alsmede op besluiten tot toetreding en uittreding.

4.

Het bestuur draagt zorg voor de registratie van de regeling overeenkomstig artikel 26, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen en de registratie in het Handelsregister.

Geen inhoudelijke wijzigingen, maar slechts tekstuele aanpassingen.

Het artikel is gewijzigd i.v.m. de Wet elektronische publicaties, die per 1 juli 2021 in werking is getreden.

Slotbepaling

29.

In alle gevallen waarin de regeling niet voorziet, treden de deelnemende colleges met elkaar in overleg.

Slotbepaling

27.

In alle gevallen waarin de regeling niet voorziet, treden de colleges met elkaar in overleg.

Geen inhoudelijke wijzigingen, maar slechts tekstuele aanpassingen.

Citeertitel

30.

Deze regeling kan aangehaald worden als de gewijzigde Gemeenschappelijke regeling van bedrijfsvoeringsorganisatie de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân 2022.

Citeercitel

28.

Deze regeling kan aangehaald worden als de Gemeenschappelijke regeling Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân 2022.

Geen inhoudelijke wijzigingen, maar slechts tekstuele aanpassingen.

1 aanpassing datum Raadsadvies Wijziging GR Dienst SoZaWe.docx

INT

AAN DE RAAD Agenda: 04-11-2021 Franeker, 14-09-2021

Onderwerp gewijzigde GR Dienst SoZaWe Noard West Fryslan Portefeuillehouder Wethouder B. Tol Auteur Pier van Olphen 0618311389 Samenvatting Vorig jaar is besloten tot omvorming van de gemeenschappelijke regeling (GR) Sociale Dienst NWF in een GR Bedrijfsvoeringsorganisatie (BVO). Voor de vier deelnemende gemeenten is regeling is per 01-01-2021 van kracht en alle betrokken partijen geven sindsdien vorm en inhoud aan deze nieuwe samenwerkingsrelatie. Voor haar werkzaamheden heeft de BVO een koppeling nodig met de Basis Registratie Personen (BRP) ter verificatie van gegevens. De Rijksdienst voor identiteitsgegevens (RvIG) heeft geconstateerd dat de BVO formeel niet meer gebruik mag maken van deze koppeling. Dit heeft te maken met het verschil van bevoegdheden onder de voormalige gemeenschappelijke regeling en de huidige regeling die thans geldt voor de BVO. De uitvoering is nu gemandateerd aan de BVO, de uitvoeringsverantwoordelijkheid ligt daardoor formeel bij de gemeenten, nu de BVO formeel niet verantwoordelijk is mag zij geen gebruik maken van de BRP-koppeling. De RvIG heeft de BVO dispensatie verleend om te komen tot een rechtsgeldige oplossing. De oplossing kan gezocht worden in twee richtingen, namelijk in een technische of in een juridische. Gebleken is dat de technische oplossingen weinig kans van slagen bieden.

De juridische oplossing is gericht op het aanpassen van de huidige gemeenschappelijke regeling. De uitvoering dient in plaats van gemandateerd, te worden gedelegeerd aan de BVO. Door de juridische oplossing wordt de uitvoeringsverantwoordelijkheid verplaatst van de gemeenten naar de BVO. Er is nu een nieuwe regeling opgesteld die enerzijds de BVO weer in staat stelt rechtsgeldig gebruik te maken van de BRP-koppeling, en anderzijds rekening houdt met de door de deelnemende gemeenten eerder meegegeven uitgangspunten ten aanzien van de wens en *CONCEPT*

INT

noodzakelijkheid meer grip te hebben op het sociaal domein. Belangrijk is dat de uitgangpunten die aan de basis stonden van de wijziging van de GR per 1 januari 2021 blijven behouden. Dit uitgangspunt is sterk verankerd in artikel 4 lid 2. Hierin wordt geregeld dat het vaststellen én het evalueren van het beleid niet worden overgedragen. Er wordt hiermee aan de BVO op het gebied van beleidsvorming geen ruimte gelaten. Toch zijn ook nog een aantal andere artikelen aangepast. Een externe adviseur heeft de GR in zijn geheel doorgelicht en toekomstbestendig gemaakt. Er zijn ook aanpassingen doorgevoerd die aansluiten bij de (gewijzigde) wetgeving, waaronder de Wet gemeenschappelijke regeling en de Gemeentewet, maar ook toekomstige wetgeving. Zo zijn bijvoorbeeld de artikelen 16 en 17 aangepast vooruitlopend op de nieuwe Wet gemeenschappelijke regelingen. Doublures zijn uit teksten gehaald, bijvoorbeeld bij artikel 13. Artikel 26 is bijvoorbeeld gewijzigd omdat de Wet elektronische publicaties in juli dit jaar in werking is getreden. Een helder overzicht is opgenomen in bijlage 4. De oude regeling en de nieuwe regeling zijn hier naast elkaar gezet en de wijzigingen zijn toegelicht in de rechterkolom. De wijzigingen die nodig zijn om gebruik te kunnen maken van de BRP-koppeling zijn in geel weergegeven, de overige wijzigingen zijn in blauw weergegeven.

Daar waar geen wijzigingen hebben plaatsgevonden staat dat ook (in groen) vermeld.

Voorstel 1. Uw college toestemming te verlenen de gewijzigde gemeenschappelijke Regeling Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noard West Fryslan vast te stellen.

Inleiding Per 1 januari is de gemeenschappelijke regeling van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân (verder: de Dienst) gewijzigd. Reden van deze wijziging was om de Dienst om te vormen naar een bedrijfsvoeringsorganisatie (BVO). Het doel was om de beleidsvorming -en bepaling op het gebied van het Sociaal Domein nadrukkelijker terug te leggen bij de deelnemende gemeenten. Die nieuwe regeling is per 01-01-2021 van kracht en alle betrokken partijen geven sindsdien vorm en inhoud aan deze nieuwe samenwerkingsrelatie. De regeling zoals hij nu geldt beoogt dus het beleid en de toegang (WMO/Jeugdwet) bij de gemeente neer te leggen, en met name de uitvoeringstaken/administratie, via een mandaatconstructie bij de BVO. Duidelijk is geworden dat dat mandaat zorgt voor uitvoeringsproblemen. Het blijkt dat op grond van de huidig geldende regeling dat de Dienst niet meer zelfstandig de BRP-

2/6

INT

koppeling (basisregistratie persoonsgegevens) kan bevragen/gebruiken voor die gemandateerde taken en bevoegdheden. De Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG) heeft voor dit lopende jaar de Dienst nog dispensatie verleend. Het wegvallen van de BRP-koppeling lijkt een detail, echter het heeft verstrekkende gevolgen voor alle processen en dienstverlening richting de burger. Voorbeelden van mogelijke problemen die kunnen ontstaan zijn: de beschikkingen worden naar het verkeerde adres gestuurd (datalek), de verkeerde gemeente betaalt voor de voorziening, de voorziening wordt niet beëindigd terwijl daar wel aanleiding voor is, de verkeerde klantgegevens gaan naar de aanbieders. Deze uitvoeringsproblemen zijn uiteraard ongewenst. Ze leiden tot het overhevelen van taken van de Dienst naar de gemeenten, omleidingen, meerwerk, enzovoort. Dat komt de kwaliteit en integraliteit van de uitvoering niet ten goede. Dat was niet de bedoeling van het omvormingsproces. De huidige regeling moet dus worden aangepast, zodanig dat de Dienst haar autorisaties conform BRP wet -en regelgeving kan gebruiken én dat de uitgangspunten zoals ze beoogd waren met de wijziging van 1 januari in stand blijven. Beoogd (meetbaar) effect Voorliggend voorstel voorkomt uitvoeringsproblemen in de klantprocessen. Dit doordat de Dienst blijvend gebruikt kan maken en een BRP-koppeling.

Motivering Argumenten 1.1 De colleges hebben toestemming van uw raad nodig om de regeling te wijzigen. De colleges zijn bevoegd om de regeling vast te stellen, zij kunnen dit echter niet doen zonder toestemming van uw raad. Analyse Aan een ter zake kundige externe partij (PROOF Adviseurs) is de vraag voorgelegd welke juridische- en/of technische wijzigingen een mogelijke oplossing bieden. PROOF Adviseurs heeft daarvoor een memo (bijlage 2.) opgesteld, waarin één juridische oplossing en twee technische oplossingen worden aangedragen. Oplossingsrichtingen 1. Als juridische oplossing is aangedragen het huidige mandaat om te vormen naar delegatie. 2. Als eerste technische oplossing is aangedragen de Dienst middels een besluit van de minister als ‘derde’ via de gemeenten of zelfstandig toegang te laten krijgen tot de BRPkoppeling.

3/6

INT

3. Als tweede technische oplossing is aangedragen de Dienst middels Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI) via Suwinet toegang tot de benodigde gegevens te laten krijgen. Ad 2. De kans om als derde via de gemeenten of zelfstandig toegang te krijgen tot de BRP-koppeling blijkt in de praktijk nihil. Daarnaast zou elke aan het samenwerkingsverband deelnemende gemeente een eigen, aparte BRP-aansluiting moeten krijgen. Privacywetgeving verplicht bovendien om het aantal informatieaanvragen per gemeente inzichtelijk te kunnen maken. De technische realisatie van een dergelijk systeem is kostbaar. Ook vraagt het veel meer onderhoud. Technisch werkt deze oplossing ook niet met de huidige backoffice applicatie. Ad 3. Suwinet zou gebruikt kunnen worden voor de Wmo 2015 en de Jeugdwet om de gegevens vanuit de gemeentelijke basisadministratie bij de gemeente te kunnen opvragen. Uit nader onderzoek en navraag bij BKWI blijkt echter dat het raadplegen van Suwinet wettelijk niet is toegestaan in het kader van de uitvoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet. Daarmee valt deze oplossingsrichting dus ook af. Ad 1. Daardoor blijft de juridische oplossing over. Het aanpassen van de GR dus. De uitvoering dient in plaats van gemandateerd, te worden gedelegeerd aan de BVO. Door de juridische oplossing wordt de uitvoeringsverantwoordelijkheid verplaatst van de gemeenten naar de Dienst.

De Dienst kan als verantwoordelijke de BRP-koppeling blijven gebruiken. Daarmee worden het concrete uitvoeringsprobleem ten aanzien van de BRPkoppeling en ook de overige uitvoeringsproblemen opgelost. Ook wordt een einde gemaakt aan het gedifferentieerde model (delegatie én mandaat) van de huidige gemeenschappelijke regeling (zie bijlage 2, memo PROOF-adviseurs). Dat komt de kwaliteit en integraliteit van de uitvoering ten goede. In het licht van de bovenstaande juridische oplossing is de gemeenschappelijke regeling aangepast. Die is te vinden in bijlage 3. Belangrijk is dat de uitgangpunten die aan de basis stonden van de wijziging van de GR per 1 januari 2021 blijven behouden. De belangrijkste wijziging betreft artikel 4. Toch zijn ook nog een aantal andere artikelen aangepast. De GR is in zijn geheel doorgelicht en toekomstbestendig gemaakt. Zo zijn bijvoorbeeld de artikelen 16 en 17 aangepast vooruitlopend op de nieuwe wet Gemeenschappelijke Regelingen. Doublures zijn uit teksten gehaald, bijvoorbeeld bij artikel 13. Artikel 26 is gewijzigd omdat de wet Elektronische publicaties in juli dit jaar in werking is getreden. Een helder overzicht is opgenomen in bijlage 4. De oude regeling en de nieuwe regeling zijn hier naast elkaar gezet en de wijzigingen zijn toegelicht in de rechterkolom.

De wijzigingen die nodig zijn om het hierboven beschreven probleem op te lossen zijn in geel weergegeven, de overige wijzigingen zijn in blauw weergegeven. Daar waar geen wijzigingen hebben plaatsgevonden staat dat ook (in groen) vermeld.

4/6

INT

Formele begroting Dienst De begrotingsbedragen voor voorzieningen in de Wmo en Jeugdwet worden samengesteld op basis van door de gemeenten vastgesteld beleid en gemeentelijke wensen. Tegelijk is het zo dat de voorliggende wijziging van de GR betekent dat de Dienst weer formeel begrotingen opstelt waarin de door de gemeente vastgestelde bedragen voor de voorzieningen Wmo en Jeugdwet zijn verwerkt. De gemeenteraden en colleges gaan over het brede budget van het sociale domein; dus over een veel ruimer gebied dan alleen de door de Dienst verwerkte voorzieningen. De bedragen in de Dienstbegroting en -jaarrekening maken onderdeel uit van dat brede budget. In de nieuwe regeling is ook opgenomen dat de begroting en jaarrekening door het bestuur van de Dienst unaniem worden vastgesteld. Daarmee blijft gemeentelijke consensus dus voorwaarde voor het vaststellen van die financiële stukken. Wat (terug-)verschuift is het feit dat de Dienst weer verantwoordelijk is voor de rechtmatigheid van de uitgaven. Dus de verantwoordelijkheid voor het beschikken, bestellen en betalen, ligt ook voor de accountantscontrole, volledig bij de Dienst als back-office. Alternatieven Alternatieve oplossingen zijn hiervoor omschreven, echter niet haalbaar geacht. Vervolg Na toestemming van uw raad, kan de regeling door uw college worden vastgesteld.

Inwonersparticipatie Niet van toepassing Communicatie Niet van toepassing Financiën Het voorstel heeft los van procedurele gevolgen, geen directe financiële gevolgen. Juridisch kader Wet gemeenschappelijke Regelingen Gemeentewet Bijlagen Bijlage 1: brief RvIG 21.141229 Bijlage 2: memo PROOF-adviseurs 21.141228 Bijlage 3: Gemeenschappelijke regeling BVO per 01-01-2022 21.141231 Bijlage 4: Was-Wordt overzicht GR met toelichting per artikel 21.141227 5/6

INT

NR.: De raad van de gemeente Waadhoeke

Gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke van 14-09-2021;

BESLUIT

1. Het college toestemming te verlenen de gewijzigde gemeenschappelijke Regeling Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noard West Fryslan vast te stellen.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 04-11-2021,

{{Signer2}}

{{Signer1}} Dit document is digitaal ondertekend.

6/6

, voorzitter

, griffier

012 Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Waadhoeke 1 Dossier 1409 voorblad.pdf

Gemeenteraad Waadhoeke Dossiernummer

1409

Extern Zaak ID

2021-068603

Vertrouwelijk

Nee

Vergaderdatum

4 november 2021

Agendapunt

012

Titel

Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Waadhoeke

Eigenaar

Peters, J.

Portefeuillehouder

Haarsma

Bijlagen RV_ verordening VHO Waadhoeke.pdf Verordening VHO 2021.pdf toelichting wijziging verordening.pdf Verslag OOGO Waadhoeke d.d 6-7-2021.pdf 2021-068603 aanpassing datum RV_ verordening VHO Waadhoeke.pdf Geagendeerd

Vergaderdatum

Gemeenteraad Waadhoeke

28 oktober 2021

Gemeenteraad Waadhoeke

4 november 2021

Voorgesteld besluit De verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Waadhoeke vaststellen. Besluit De verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Waadhoeke vaststellen.

1 RV_ verordening VHO Waadhoeke.pdf

INT

AAN DE RAAD Agenda: 28-10-2021 Franeker, 27-9-2021

Onderwerp Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Waadhoeke Portefeuillehouder Wethouder N. Haarsma Auteur J. Peters, 0517 380380 Samenvatting Voor u ligt de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs (VVHO) Waadhoeke. Deze nieuwe Verordening is noodzakelijk vanwege het ontbreken van één Verordening voor de nieuwe gemeente Waadhoeke na de samenvoeging van de voormalige gemeenten het Bildt, Franekeradeel, Littenseradiel en Menameradiel. Verder worden er diverse wijzigingen doorgevoerd als gevolg van het vastgestelde Integraal Huisvestingsplan en wettelijke aanpassingen. Voorstel 1. De Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Waadhoeke vaststellen.

*CONCEPT* CONCEPT

1/5

INT

Inleiding Op grond van artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs (WPO), artikel 100 van de Wet op de Expertisecentra (WEC) en artikel 76 van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO), moet iedere gemeente een verordening voorzieningen huisvesting onderwijs (VVHO) hebben. In deze verordening staan de regels die lokaal van toepassing zijn op de huisvesting van de lokale scholen. Bijna alle gemeenten maken daarbij gebruik van de door de VNG in 1997 ontwikkelde gelijknamige modelverordening en de daaropvolgende aanpassingen. De gemeente Waadhoeke heeft na de samenvoeging van de voormalige gemeenten het Bildt, Franekeradeel, Littenseradiel en Menameradiel nog geen aangepaste verordening vastgesteld. Tevens heeft er In de afgelopen jaren een aantal wijzigingen plaatsgevonden in de modelverordening van de VNG. Als gevolg daarvan is de eerste VVHO voor Waadhoeke opgesteld en zijn alle wijzigingen t/m 2020 verwerkt. Een toelichting op de belangrijkste wijzigingen is in een bijlage opgenomen. Beoogd (meetbaar) effect Het intrekken van de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs van de voormalige gemeenten het Bildt, Franekeradeel, Littenseradiel en Menameradiel en het vaststellen van de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2021 Gemeente Waadhoeke.

Motivering Argumenten 1.1 De gemeente Waadhoeke beschikte nog niet over een verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Na de samenvoeging van de voormalige gemeenten het Bildt, Franekeradeel, Littenseradiel en Menameradiel is er nog geen verordening voor de gemeente Waadhoeke vastgesteld. 1.2 In deze verordening zijn alle wijzigingen tot en met 2020 verwerkt In de afgelopen jaren zijn de verordeningen van de samengevoegde gemeenten niet meer aangepast op basis van de aanpassingen in de modelverordening van de VNG. Door in onze verordening alle wijzigingen t/m 2020 te verwerken, is de verordening volledig up to date. 1.3 In deze verordening is een plek gegeven aan het gebruik van het Integraal Huisvestingsplan (IHP) als instrument voor Waadhoeke In de tweede helft van 2019 is gestart met de ontwikkeling van een Integraal Huisvestingsplan (hierna IHP) voor Waadhoeke. Het IHP is in december 2020 door de raad vastgesteld. Het IHP is een meerjarenprogramma waarin het huisvestingsbeleid en investeringsprogramma op het gebied van onderwijshuisvesting staat beschreven. Het IHP geeft voor de eerste 5 jaar concreet aan wat de opgave is met betrekking tot onderwijshuisvesting en geeft een doorkijk voor de langere termijn (15 jaar). De positie van het IHP ten opzichte van de verordening wordt nu vastgelegd (zie ook de toelichting in de bijlage: “Toelichting wijziging verordening”).

2/5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=waadhoeke&id=c6c3a856-7cfa-45d8-a197-9058c3e74ff3