Bijlage - Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Tekst van het document
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Helvoirt, Huis voor Vincent
Gemeente Vught
Datum: 22 februari 2023 Plannummer: 210317
INHOUD
1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3
Aanleiding De m.e.r.-beoordeling Leeswijzer
3 4 6
2
Kenmerken van het plan
7
2.1 2.2 2.3 2.4
Inleiding Beschrijving plan Omvang van het plan Overige kenmerken van het plan
7 7 11 11
3
Plaats van het plan
13
3.1 3.2 3.3
Inleiding Het bestaande grondgebruik Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu
13 13 15
4
Kenmerken van het potentiële effect
19
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5
Inleiding Natuur Verkeer Geluid Luchtkwaliteit
19 20 23 24 25
5
Conclusie
27
Gebruikte onderzoeken/bronnen
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Het voornemen bestaat om de oude Dr. Landmanschool en directeurswoning aan de Kastanjelaan 10-12 in Helvoirt te herontwikkelen, waarbij de bijzondere opzet en karakteristieke architectuur, alsook de cultuurhistorische waarde en betekenis voor het dorp wordt gerespecteerd. Dit is beoogd door de realisatie van ‘Huis voor Vincent’: een culturele basis voor ontmoeting, creativiteit en sociale betrokkenheid door een ontwerp bestaande uit verschillende artistieke, culturele en maatschappelijke functies, aangevuld met woonfuncties voor kunstenaars en begeleid wonen. De veranda wordt herbouwd en op het achterterrein wordt voorzien in een nieuwe serre en een paviljoen. Daarnaast wordt de openbare ruimte ingericht met een beelden- en moestuin aan de achterzijde en een bloementuin aan de voorzijde. Het monumentale exterieur van het schoolgebouw en de directeurswoning blijven behouden. Ook het interieur wordt zoveel als mogelijk intact gelaten. Aan de achterzijde van zowel het schoolgebouw als de directeursgebouw wordt de later toegevoegde bebouwing – die geen cultuurhistorische waarde heeft – gesloopt, om plaats te maken voor respectievelijk de serre/paviljoen en woonruimte.
Ligging plangebied (in rood) Bron: PDOK
Om het beoogde ontwikkeling te kunnen realiseren wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. In de toelichting van het bestemmingsplan moet de haalbaarheid van de ontwikkeling worden aangetoond en in dat kader vindt toetsing plaats aan van toepassing zijnde wetgeving. Uit toetsing van de ontwikkeling aan de m.e.r.-wetgeving, blijkt dat de beoogde ontwikkeling is aan te merken als een activiteit als bedoeld in categorie D.11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r., namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsplan met inbegrip van de bouw van winkelcentra
3
of parkeerterreinen’. Het onderhavige plan blijft onder de bij deze activiteit genoemde drempelwaarden, die in paragraaf 1.2 nader worden besproken. Vanwege het feit dat onder de drempelwaarden wordt gebleven, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Ook dient op basis van het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer een m.e.r.beoordelingsbesluit te worden genomen door het bevoegde gezag (college) voorafgaand aan het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan. Het bevoegde gezag neemt de beslissing of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen. In het kader van voorgaande is voorliggende vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld. Deze kan tevens worden gebruikt als aanmeldingsnotitie. Op basis van deze aanmeldingsnotitie kan het bevoegde gezag de gevolgen beoordelen van het plan en de beslissing nemen of er een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is in het kader van dit plan.
1.2
De m.e.r.-beoordeling Het instrument milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is een hulpmiddel om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De wettelijke basis voor de m.e.r. is de Wet milieubeheer. In de uitvoeringswetgeving, het Besluit m.e.r., staat wanneer een m.e.r. of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het plan mogelijk maakt, de omvang ervan en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven.
Schema m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r. (Bron: www.Infomil.nl).
Bovenstaande afbeelding laat zien dat wanneer een besluit over een activiteit die qua omvang boven de C-drempel blijft voor dat besluit een m.e.r.-plicht geldt. Tussen de C- en D-drempel geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Onder de D-drempel moet het bevoegd gezag via een vormvrije beoordeling nagaan of een formele m.e.r.beoordeling nodig is. In een m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een plan mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Ook in de vormvrije m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een plan mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Deze beoordeling is qua inhoud vormvrij.
4
Als belangrijke nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten, dan moet de formele m.e.r.beoordelingsprocedure worden doorlopen. Uiteraard kan ook direct voor een m.e.r. gekozen worden. Sedert een recente wetswijziging, waarmee een herziening van de Europese m.e.r.richtlijn is geïmplementeerd, is ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling aan regels gebonden. De toetsingscriteria lagen al vast, maar nu zijn er ook procedureregels. Voorafgaand aan de besluitvorming over het besluit, moet een aanmeldingsnotitie worden ingediend bij het bevoegd gezag. Op grond van de inhoud van deze notitie moet het bevoegd gezag binnen zes weken gemotiveerd oordelen of voor de activiteit een MER moet worden opgesteld. Dit besluit hoeft niet openbaar te worden gemaakt. Wel zal in het ontwerp van het besluit aan deze m.e.r.-beoordelingsbeslissing moeten worden toegelicht. Voor plannen, die een kader vormen voor een activiteit waarvoor op grond van de bijlage bij het Besluit m.e.r. een m.e.r. moet worden doorlopen dan wel een formele m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd, moet een planMER worden opgesteld. Toetsing aan Besluit m.e.r. Onderhavig plan (de realisatie van woningbouw in een oud schoolgebouw) wordt als een activiteit genoemd in bijlage onderdeel D van het Besluit m.e.r.
Categorie D.11.2 betreft namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsplan met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De drempelwaarde is als volgt geformuleerd: “in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.” De oppervlakte van het totale plangebied bedraagt circa 0,4 hectare (4.000 m2) en het plan voorziet in de realisatie van diverse cultureel-maatschappelijke functies en maximaal 23 (zorg)woningen. Gezien het voorgaande blijft onderhavige activiteit ruim onder de drempelwaarde en zou een vormvrije m.e.r.-beoordeling benodigd zijn. Doel vormvrije m.e.r-beoordeling Het doel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is het geven van inzicht in de milieueffecten van de voorgenomen activiteit aan het bevoegd gezag. Er wordt in een vormvrije m.e.r.-beoordeling een antwoord gegeven op de vraag of er vanwege de uitvoering van de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. In voorliggend rapport wordt inzicht gegeven in de milieueffecten en daarmee vormt dit rapport de benodigde vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Het rapport is de aanmeldingsnotitie waarmee het college een m.e.r.-beoordelingsbeslissing wordt gevraagd over het bijbehorende bestemmingsplan.
5
Criteria voor toetsing In het voorliggend rapport wordt op de milieueffecten van het voornoemde plan ingegaan, waarbij, conform artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r. juncto de leden 1 tot en met 3 van artikel 7.16 van de Wet milieubeheer, ingezoomd wordt op de volgende onderdelen: − kenmerken van de activiteit; − plaats waar de activiteit wordt verricht; − kenmerken van de gevolgen van de activiteit. Aan de hand van de behandeling van deze criteria wordt onderzocht of voor de ontwikkelingen al dan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn.
1.3
Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgen drie hoofdstukken waarin nader wordt ingegaan op het onderhavige plan en de eventuele milieugevolgen. Navolgend wordt ingegaan op de kenmerken van het plan in hoofdstuk 2, in hoofdstuk 3 wordt de plaats van het plan beschreven en de kenmerken van het potentiële effect komen in hoofdstuk 4 aan bod. Het rapport wordt afgesloten met een eindconclusie in hoofdstuk 5.
6
2 2.1
Kenmerken van het plan Inleiding In dit hoofdstuk worden de kenmerken van het plan besproken. De aard en de omvang van het plan worden in beeld gebracht, Ook wordt gekeken naar overige aspecten: cumulatie, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en het risico op ongevallen.
2.2
Beschrijving plan
2.2.1
Planbeschrijving Het karakteristieke oude schoolgebouw en de naastgelegen directeurswoning zijn al ruim 100 jaar beeldbepalend in Helvoirt, en dragen door de geschiedenis heen op verschillende wijzen bij aan het welzijn in de gemeenschap. Het voornemen bestaat om het gebouw te herontwikkelen ten behoeve van verschillende functies die elkaar aanvullen en bestendigen. Dit is beoogd door de realisatie van ‘Huis voor Vincent’: een culturele basis voor ontmoeting, creativiteit en sociale betrokkenheid door een ontwerp bestaande uit verschillende artistieke, culturele en maatschappelijke functies, aangevuld met woonfuncties voor kunstenaars en begeleid wonen. De veranda wordt herbouwd en op het achter terrein wordt voorzien in een nieuwbouwserre en een nieuw paviljoen. Daarnaast wordt de openbare ruimte ingericht met een beelden- en moestuin aan de achterzijde en een bloementuin aan de voorzijde. Het monumentale exterieur van het schoolgebouw en de directeurswoning blijven behouden. Aan de achterzijde van zowel het schoolgebouw als de directeursgebouw wordt de nadien toegevoegde bebouwing gesloopt om plaats te maken voor respectievelijk de serre/paviljoen en woonruimte. De begane grond wordt hoofdzakelijk ingericht ten behoeve van de maatschappelijke, culturele en artistieke functies.
Dit behelst een toeristisch punt, koffiecorner en ontmoetingsplek in de veranda, repetitieruimte voor de harmonie in de oude gymzaal en atelierruimtes in de beoogde nieuwe serre en het paviljoen. Daarnaast worden drie woningen in de tuin mogelijk gemaakt. Twee van deze woningen betreffen kunstenaarswoningen. De derde betreft begeleid wonen. In de voormalige school worden in totaal maximaal zestien appartementen gerealiseerd voor begeleid wonen. In de naastgelegen directeurswoning zijn nog eens vier woningen beoogd. In totaal biedt het perceel dus ruimte voor 23 woningen. Voor de invulling van de zorg bestaat het voornemen om woonruimte te bieden aan verstandelijk gehandicapten (zorgprofiel 3 of hoger). Navolgend is een impressie van deze woningen opgenomen, waarna eveneens de indeling van de begane grond is weergegeven.
7
Impressie begane grond en openbare ruimte (Bron: Braaksma & Roos Architectenbureau).
8
Impressie woningen 1e verdieping (Bron: Braaksma & Roos Architectenbureau).
Impressie woningen 2e verdieping (Bron: Braaksma & Roos Architectenbureau).
9
Zoals hiervoor kort benoemd zijn in de directeurswoning vier appartementen beoogd. Hiervoor wordt aan de achterzijde een deel gesloopt en teruggebouwd. De uitgangspunten voor deze werkzaamheden zijn in de navolgende afbeelding weergegeven, waarna impressies zijn weergegeven van de toekomstige stedenbouwkundige massa als geheel.
Ontwikkeling directeurswoning (Bron: Braaksma & Roos Architectenbureau).
Impressie toekomstige massa bezien vanuit het zuidoosten (Bron: Braaksma & Roos Architectenbureau).
10
Impressie toekomstige massa bezien vanuit het noordwesten (Bron: Braaksma & Roos Architectenbureau).
Met de onderhavige ontwikkeling is aandacht voor duurzaamheid. Er wordt gebruik gemaakt van zonnepanelen en van warmtepompen. Daarnaast zal de isolatie worden verbeterd. Met de onderhavige ontwikkeling is sprake van een toekomstbestendige invulling van een monumentaal pand, waarbij de beleefbaarheid, samenhang en identiteit wordt versterkt.
2.3
Omvang van het plan Het gehele plangebied kent een oppervlakte van circa 4.000 m2. Het plan voorziet in de realisatie van in totaal circa 23 (zorg)woningen en het maatschappelijk centrum.
2.4
Overige kenmerken van het plan
2.4.1
Cumulatie met andere plannen Cumulatie met andere projecten is niet aan de orde. Er wordt dus geen cumulatie verwacht met andere ontwikkelingen in de directe nabijheid van het plangebied.
2.4.2
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Natuurlijke hulpbronnen zijn alle in de natuur aanwezige stoffen die van economisch nut kunnen zijn. Naast natuurlijke grondstoffen, die in productieprocessen gebruikt worden, maken hulpbronnen (economische) activiteiten mogelijk (deze worden daarbij niet verbruikt). De toetsing in deze paragraaf blijft beperkt tot het gebruik van natuurlijke hulpbronnen die binnen dan wel in de directe nabijheid van het plangebied voorkomen. Tijdens de realisatie van de beoogde nieuwbouw wordt tijdelijk gebruik gemaakt van brandstof, elektriciteit, eventueel spoelwater en eventueel grond bij de graafwerk11
zaamheden. De precieze hoeveelheden en te gebruiken bouwstoffen zijn op dit moment nog niet inzichtelijk te maken. De nieuwe functie maakt geen gebruik van natuurlijke hulpbronnen in de direct nabijheid van het plangebied. In het geheel legt het plan hiermee geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. 2.4.3
Productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder Tijdens de tijdelijke realisatie van de nieuwbouw wordt gewerkt met stikstof- en fijnstof-emitterende materieel (machines, etc.). Hiernaast zullen de aanlegwerkzaamheden in beperkte mate gepaard gaan met afvalstoffen (zoals overtollig bouwmaterialen) en hinder (bijv. geluid). Verder vindt geen productie plaats die leidt tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen. Het beoogde plan heeft een verkeersaantrekkende functie. Er is daarom sprake van mogelijke effecten op het gebied van geluid, lucht en verkeer (bijvoorbeeld hinder, doorstroming, veiligheid).
2.4.4
Risico van ongevallen Onderhavig plan vormt in algemene zin geen bijzonder risico voor de omgeving. Het plan brengt geen wezenlijke risico’s met zich mee.
12
3 3.1
Plaats van het plan Inleiding In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de omgeving waarin de activiteiten plaatsvinden, alsmede de eventuele kwetsbaarheid van dit gebied voor de voorgenomen activiteiten. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het plangebied zelf, maar ook naar de aangrenzende gebieden.
3.2
Het bestaande grondgebruik Het plangebied omvat de oude Dr. Landmanschool en de directeurswoning aan de Kastanjelaan 10-12 te Helvoirt. De school werd gebouwd in 1918 door de Helvoirtse huisarts Landman. Tot 1974 was de school enkel toegankelijk voor jongens. Daarna werd het een algemeen toegankelijke school. Het gebouw was in eerste instantie voorzien van één laag met schildkap, een veranda met poort en een omsloten speelplaats. De speelplaats was gesitueerd aan de voorzijde, aangezien het gebouw ver terug ligt ten opzichte van de Kastanjelaan. Vanaf 1950 werd er een extra laag gebouwd, alsmede een gymzaal aan de achterkant. Inmiddels is het voorterrein niet meer omsloten en is de veranda niet meer aanwezig. De achterkant is vertroebeld. In de gehele geschiedenis kent de gevel van de school een symmetrisch gevelaanzicht. De navolgende afbeelding toont de ontwikkeling van het gebouw door de tijd.
Ontwikkeling gebouw door de tijd Bron: Braaksma & Roos Architectenbureau
De gebouwen zijn karakteristiek en beeldbepalend. Het huis en de voorgevel van de school zijn gemeentelijke monumenten. De gebouwen staan inmiddels zo’n tien jaar leeg en worden verhuurd aan een aantal verenigingen: de harmonie Kunst Adelt, de boekenclub, een kledingmarkt en de EHBO-vereniging; hiernaast huurt een kunstenaar er een atelier. Navolgende afbeeldingen tonen de huidige situatie van het plangebied, met links het schoolgebouw en rechts de directeurswoning.
13
Huidige situatie plangebied Bron: Google Maps
Het plangebied bevindt zich in de kern van Helvoirt (gemeente Vught, provincie Noord-Brabant). De omgeving van Helvoirt kenmerkt zich door agrarische gronden. In de nabijheid liggen natuurgebieden als Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen en Leemputten. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van woonhuizen en winkels. Ten oosten en zuiden van het plangebied zijn winkels aanwezig Ten noorden is een spoorlijn gelegen. Navolgende afbeelding toont een luchtfoto van de locatie.
Luchtfoto met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: PDOK
14
3.3
Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu
3.3.1
Inleiding Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu heeft te maken met de gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is een analyse gedaan naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Echter, behalve gebieden die op grond van de richtlijn als gevoelig worden beschouwd, zijn er ook gebieden waar krachtens nationale en provinciale regels in het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling rekening mee dient te worden gehouden. Het resultaat van de analyse wordt hierna beknopt gepresenteerd. Wanneer er een grote relevantie is voor de in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling centraal staande ingrepen, wordt er een toelichting gegeven.
3.3.2
Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn In de navolgende tabel is de toetsing opgenomen aan alle typen gebieden zoals genoemd in bijlage III van de Richtlijn. Type gebied
Juridisch kader
Relevantie voor de activiteit
Wetlands
Conventie van Ramsar
In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen aangewezen Wetlands aanwezig.
Kustgebieden
Het plangebied is niet gelegen in een kustgebied.
Berggebieden en bosgebieden
Wet natuurbescherming
Het plangebied is niet gelegen
Reservaten en natuurparken:
Nationale Landschappen zijn
Het plangebied ligt niet in een
•
Nationale Landschappen
benoemd in de Nota Ruimte
nationaal landschap of park.
•
Nationale parken
Nationale Parken zijn onderdeel
in een berg- en bosgebied.
van de EHS. 3.3.2.1
Speciale beschermingszones,
Wet natuurbescherming
In de omgeving van het plange-
door de lidstaten aangewezen
bied liggen enkele Natura 2000-
krachtens Richtlijn 79/409/EEG
gebieden (zie verder onder 1).
(Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn) Gebieden waarin de bij com-
Europese milieurichtlijnen (o.a.
Het plangebied ligt niet in ge-
munautaire wetgeving vastge-
kaderrichtlijn Luchtkwaliteit, ka-
bieden waar op basis van
stelde normen inzake milieu-
derrichtlijn water)
communautaire wetgeving
kwaliteit reeds worden
reeds normen worden over-
overschreden
schreden.
Gebieden met hoge bevol-
Het plangebied is niet gelegen
kingsdichtheid
in een gebied met hoge bevolkingsdichtheid.
15
Type gebied
Juridisch kader
Relevantie voor de activiteit
Landschappen van
•
Verdrag van Valletta
In het plangebied zijn histori-
•
historisch belang
•
Monumentenwet
sche bouwwerken of monumen-
•
cultureel belang
•
Gemeentelijk landschaps-
tale panden gelegen (zie verder
ontwikkelingsplan
onder 2). In het plangebied
o •
beschermd stads- en dorpsgezicht
geldt conform het geldende be-
archeologisch belang
stemmingsplan geen archeologische dubbelbestemming, daarnaast zijn geen grondwerkzaamheden benodigd. Er is daarom geen sprake van mogelijke negatieve effecten op eventueel aanwezige archeologische waarden.
1. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is het netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie, die worden beschermd op grond van de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Deze richtlijnen geven aan welke typen natuur en welke soorten beschermd moeten worden. De lidstaten wijzen daarvoor speciale beschermingszones aan en moeten instandhoudingsmaatregelen nemen om deze gebieden te beschermen.
Kaart met globale ligging van het plangebied (Wijk bij Duurstede) ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden. Bron: AERIUS-Calculator.
Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’, bevindt zich op circa 1,7 km afstand ten westen van het plangebied. Op ongeveer
16
3,9 kilometer ten noorden van het plangebied bevindt zich daarnaast het Natura 2000gebied ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’, en het Natura-2000 gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ bevindt zich op circa 5,5 km ten zuiden van het plangebied. Op voorhand kan niet worden gesteld dat geen sprake is van negatieve milieueffecten op dit natuurgebied. Daarom wordt in hoofdstuk 4 nader ingegaan op het aspect natuur. 4. Cultuurhistorische waarden Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Zowel de voorgevel van het oude schoolgebouw (Kastanjelaan 12) als de voormalige directeurswoning (Kastanjelaan 10) betreffen gemeentelijke monumenten. Met de voorgenomen herontwikkeling worden de monumentale waarden gerespecteerd en worden aspecten van het verleden teruggebracht. Het monumentale aanzien wordt op deze wijze daarom niet aangetast. Naast het terugbrengen van de veranda voorziet het plan in het ordenen van de vertroebelde achterzijde van het terrein. Zo wordt het monumentale karakter van het plangebied niet alleen gerespecteerd, maar ook versterkt. Ten slotte heeft er een waardestelling plaatsgevonden van zowel het exterieur als het interieur.
Deze waardestelling functioneert daarbij tevens als randvoorwaarde waarbinnen de herontwikkeling plaats zal vinden. Met inachtneming van voorgaande zijn daarom geen negatieve effecten te verwachten wat betreft het aspect cultuurhistorische waarden. Dit aspect wordt in hoofdstuk 4 daarom ook niet nader onderzocht. 3.3.3
Toetsing overige gevoelige gebieden Naast de gebiedstypen die specifiek zijn genoemd in bijlage III van de Richtlijn, is getoetst aan de gevoelige gebieden op grond van overig nationale of provinciale wetgeving of beleid. Type gebied
Juridisch kader
Relevantie voor de activiteit
Natuurnetwerk Nederland (voor-
Provinciale verordening
Het plangebied maakt geen deel
heen: Ecologische Hoofdstruc-
uit van het Natuurnetwerk Ne-
tuur)
derland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).
Gebied geschikt voor be-
Wet natuurbescherming
schermde soorten
Het plangebied is mogelijk geschikt voor beschermde soorten (zie verder onder 3).
Weidevogelgebied en ganzen-
Provinciale verordening
foerageergebied
Het plangebied ligt niet in een beschermingsgebied voor weidevogels en ligt ook niet in de nabijheid van een dergelijk gebied.
17
Type gebied
Juridisch kader
Relevantie voor de activiteit
Stiltegebied
Wet milieubeheer
Het plangebied is niet gelegen in
Provinciale verordening
een stiltegebied.
Bodembeschermingsgebied
Provinciale verordening
Het plangebied is niet gelegen in
Grondwaterbeschermingsgebied
Provinciale verordening
een bodembeschermingsgebied. Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.
3. Beschermde soorten Gelet op het karakter van het plangebied en haar omgeving kunnen mogelijk beschermde dier- of plantensoorten aanwezig zijn, dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht.
18
4 4.1
Kenmerken van het potentiële effect Inleiding In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de potentiële effecten van de activiteiten. In dit hoofdstuk gaat het om de interactie tussen beide voorgaande hoofdstukken. Hetgeen beschreven is over de kenmerken van het plan en de plaats van het plan zijn bepalend voor de milieuaspecten die in dit hoofdstuk nader aan de orde worden gesteld. Voor alle thema’s geldt dat conform de Europese richtlijn gelet wordt op de duur, frequentie en onomkeerbaarheid van het effect. Tevens wordt aandacht besteed aan de mogelijke cumulatieve effecten op de diverse aspecten als gevolg van de beoogde woningbouw. Hoofdstuk 2 laat zien dat het plan de realisatie van (zorg)woningen en een maatschappelijke functie betreft. Dit is een ontwikkeling die zorgt voor de aantrekking van enig verkeer. Hoofdstuk 3 laat zien dat de omgeving van het plangebied een beperkt aantal kwetsbaarheden kent. In de omgeving bevinden zich enkele Natura 2000-gebieden. Verder kunnen beschermde dier- of plantensoorten in het plangebied aanwezig zijn. Nader te beoordelen aspecten Op basis van de voorgaande twee hoofdstukken worden de volgende milieuaspecten in dit hoofdstuk nader behandeld: − natuur: het plan kan voor wat betreft gebiedsbescherming leiden tot gevolgen voor de omliggende Natura 2000-gebieden.
Het plan kan wat betreft soortenbescherming leiden tot negatieve milieueffecten op beschermde flora en fauna. − verkeer: de nieuwe ontwikkeling zal leiden tot een toename van het (gemotoriseerde) verkeer. Er zal nader worden beoordeeld of sprake is van negatieve (milieu-) effecten op het gebied van doorstroming en veiligheid. − geluidshinder: het plan heeft een verkeersaantrekkende werking en leidt dus mogelijk ook tot een toename van geluidshinder (door verkeer) op de omgeving. Tevens kunnen de beoogde maatschappelijke functies voor enige vorm van geluidproductie zorgen. − luchtkwaliteit: de toename van het verkeer kan leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van verkeer. Aspecten waarbij op voorhand geen effecten zijn te verwachten Van de overige milieuaspecten wordt op basis van de beoordeling van de kenmerken het concrete plan en de bestaande situatie zoals omschreven in de voorgaande hoofdstukken op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot betekenisvolle milieueffecten. Om alle aspecten nog kort langs te lopen: − archeologie: er is geen sprake van negatieve effecten voor archeologische waarden door onderhavig project. − water: in het plangebied zijn geen waterstaatkundige werken, zoals dammen, dijken en andere vormen van waterkeringen aanwezig, die een beschermend planologisch regime behoeven.
In de nieuwe situatie neemt bovendien het verhard oppervlak slechts in geringe mate toe ten opzichte van het geldende
19
− − − −
bestemmingsplan. De negatieve gevolgen op het gebied van waterkwaliteit en waterhuishouding zijn daarmee op voorhand nihil tot niet bestaand. externe veiligheid: de functies in onderhavig plan leiden niet tot externe veiligheidseffecten. landschap en cultuurhistorie: er is geen sprake van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden door onderhavig project. bodem: onderhavig plan bevat geen onderdelen die mogelijk bedreigend zijn voor de bodem. geurhinder: de functies in onderhavig plan leiden niet tot geurhinder.
De voorgaande aspecten worden daarom in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling niet nader besproken. Opzet van de beoordeling De inhoud van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is met name gebaseerd op algemeen beschikbare informatie, aangevuld met onderzoeken die zijn uitgevoerd ten behoeve van het bestemmingsplan.
4.2
Natuur
4.2.1
Huidige situatie Het plangebied bestaat uit een oud schoolgebouw met naastgelegen directeurswoning. In het oostelijke gedeelte van het plangebied stonden twee alleenstaande bomen, vermoedelijk een azijnboom en een kers. In het zuidelijke gedeelte was een verwilderde tuin aanwezig, met een aantal hoge bomen en wat struikgewas. Beide gebouwen staan vermoedelijk leeg of deels leeg. De overige gronden bestaan uit kort gemaaid grasland. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van het plangebied ten tijde van het locatiebezoek voor het uitgevoerde natuuronderzoek1
Het oude schoolgebouw;
De directeurswoning;
1 SAB (2021). Quick scan natuur. Kastanjelaan, Helvoirt. Projectnummer: 210317
20
De verwilderde achtertuin;
4.2.2
Achterzijde directeurswoning.
Effecten ontwikkeling SAB heeft met een quick scan natuur 2 onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. Gebiedsbescherming In de buurt van het plangebied zijn de Natura 2000-gebieden Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek en Kampina & Oisterwijkse Vennen gelegen. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura 2000-gebieden is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied niet uit te sluiten. Derhalve is een onderzoek naar stikstofdepositie in zowel de aanleg- als ook de gebruiksfase uitgevoerd3. Uit de uitgevoerde berekeningen van de aanlegfase (bij het toepassen van 6% en 7% AdBlue en een elektrische kraan op bouwstroom) blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden.
Uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase blijkt ook dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden ten gevolge van de ontwikkeling. Er is geen vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming benodigd. Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het plangebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk.
2
SAB (2021). Quick scan natuur. Helvoirt, Kastanjelaan 10-12. Projectnummer: 210317. 15 juli 2021.
3
SAB (2023). Onderzoek stikstofdepositie. Helvoirt, Kastanjelaan. Projectnummer: 210317. 22 februari 2023. 21
Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Mogelijk is er een nestplaats aanwezig van de sperwer, boomvalk, roek of ransuil. Nestplaatsen van deze soorten zijn jaarrond beschermd. Om hierover duidelijkheid te krijgen dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien nestplaatsen of essentieel leefgebied van deze soorten aanwezig blijkt, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen.
Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Verder zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen en steenmarter aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten is een aanvullend onderzoek ecologie4 uitgevoerd. Hieruit blijkt dat in het plangebied geen nesten van huismus, gierzwaluw, boomvalk, ransuil, roek en sperwer aanwezig zijn. Ook zijn geen verblijfplaatsen of essentiële leefgebieden van steenmarter of vleermuizen aangetroffen. De beoogde ingreep leidt daarom niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is derhalve niet benodigd. Andere essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van andere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, zijn niet aanwezig. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. Houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie Gezien voorgaande, en ervan uitgaande dat voornoemde werkwijzen worden uitgevoerd, is voor wat betreft natuur op zijn hoogst sprake van een beperkt negatief milieueffect.
Dit geldt enkel voor het aspect soortenbescherming. In ieder geval kan een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu worden uitgesloten.
4
Blom Ecologie (2022) Aanvullend onderzoek ecologie. Kastanjelaan 10-12 te Helvoirt. Projectnummer: 2021-856. 16 augustus 2022. 22
4.3
Verkeer
4.3.1
Huidige situatie De locatie betreft een momenteel leegstaand schoolgebouw met directeurswoning. Er vinden derhalve geen verkeersbewegingen plaats ten gevolge van het huidige gebruik.
4.3.2
Effecten ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 23 (zorg)woningen en de realisatie van cultureel-maatschappelijke functies. De ontwikkeling van onderhavig project heeft gevolgen voor het verkeer en de wegen in de omgeving van het projectgebied. Aan de hand van CROW-kentallen is de verkeersgeneratie berekend. Voor de locatie worden 23 zorgwoningen gehanteerd. In hoofdstuk A4.7 van de CROW-publicatie 381, ‘Hoofdgroep gezondheidszorg en (sociale) voorzieningen’ zijn ten behoeve van een verpleeg- en verzorgingstehuis alleen parkeerkencijfers opgenomen, maar geen kencijfers voor het bepalen van de verkeersgeneratie, derhalve wordt in lijn met geldende jurisprudentie7 uitgegaan van de kencijfers voor de functie ‘Aanleunwoning en serviceflat’. Hiernaast wordt uitgegaan van de kentallen van ‘Theater/schouwburg’ voor de maatschappelijke functie. Onderstaande tabel geeft de verkeersgeneratie. Verkeersgeneratie kenmerk
aantal
kencijfer
per
gemiddeld
Serviceflat
23
2,45
woning
56,4
13,1
100 m2 bvo
262,0
Theater, Schouwburg
20
totaal verkeersbewegingen:
318,4
totaal afgerond:
320
Zoals weergegeven wordt de verkeersgeneratie geschat op 320 bewegingen. Hiervoor geldt dat de afwikkeling voor 50% vanaf de nieuwbouw in de richting van het kruispunt Kastanjelaan/Torenstraat gebeurt, en 50% in de richting van het kruispunt Kastanjelaan/Achterstraat. De Kastanjelaan is ongeveer 6 meter breed. Gezien de nieuwe verkeersbewegingen nagenoeg uitsluitend bestaat uit lichte voertuigbewegingen, is de weg voldoende breed voor de afwikkeling. Ook gezien de intensiteit (voor het maatgevende jaar in 2033) van de Kastanjelaan 2.307 voertuigbewegingen per etmaal bedraagt en die van de Torenstraat 4.123 voertuigbewegingen per etmaal, zoals opgenomen in het akoestisch onderzoek9, worden geen capaciteitsbelemmeringen verwacht. Gezien voorgaande worden voor wat betreft verkeer geen negatieve (milieu)effecten verwacht op het gebied van doorstroming en veiligheid.
7
201505871/1/R6 Raad van State
9
SAB (2023). Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai Kastanjelaan, Helvoirt. Projectnummer: 210317 23
4.4
Geluid
4.4.1
Huidige situatie De locatie is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied, waar verwacht kan worden dat in de bestaande situatie reeds sprake is van een enig geluidsniveau als gevolg van omringende wegen en de spoorlijn.
4.4.2
Effecten ontwikkeling Verkeersaantrekkende werking In de beoogde ontwikkeling worden maximaal 23 (zorg)woningen gerealiseerd in combinatie met een maatschappelijke functie. Hierdoor zullen de verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige situatie toenemen. Het verkeer wordt grotendeels ontsloten op de Kastanjelaan en (verderop) op de Torenstraat. Er zal een mogelijke geluidstoename optreden op de woningen gelegen aan deze wegen, ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Uit de Wet Geluidhinder is af te leiden dat bij een geluidstoename van 1,5 dB de geluidstoename merkbaar toeneemt en mogelijk maatregelen gewenst zijn. Deze toename komt neer op een verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling van circa 40% (licht verkeer). Zoals eerder vermeld komt de berekende verkeersgeneratie neer op 320 bewegingen. Gezien de intensiteit op de Kastanjelaan en Torenstraat in 2033 (2.307 en 4.206 respectievelijk10) worden geen problemen verwacht op het gebied van geluidstoename. De verkeerstoename bedraagt namelijk ongeveer 14%. Er is dus naar verwachting geen sprake van een merkbare geluidstoename nabij de genoemde wegen. Cultureel-maatschappelijke functies De ontwikkeling beoogd bewust in een combinatie van zowel hinderveroorzakende functies (bijvoorbeeld de repetitie- en expositieruimte) en hindergevoelige functies (de (zorg)appartementen) te voorzien.
Zo poogt men een levendig gebied te creëren waarbij verschillende functies in harmonie met elkaar samengaan en van elkaar gebruik maken. De omgeving is te classificeren als ‘gemengd gebied’ met een afwisseling van functies. Er is hier dus sprake van functiemenging en derhalve wordt deze systematiek gevolgd. De beoogde functies in het plangebied zijn allemaal te scharen onder categorie A of B, zoals opgenomen in de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009). Dergelijke functies zijn direct naast of beneden woningen toegestaan, omdat de ruimtelijke uitstraling c.q. milieubelasting dusdanig beperkt is, dat dit het woon- en leefklimaat niet onevenredig aantast. Daarmee is een goed woon- en leefklimaat voldoende verzekerd, zowel binnen het plangebied, als in de directe omgeving. Gezien voorgaande is geen sprake van een negatief milieueffect voor het aspect geluid.
10
SAB (2023). Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai Kastanjelaan, Helvoirt. Projectnummer: 210317 24
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Huidige situatie Om inzicht te krijgen in de huidige luchtkwaliteit zijn de kaarten met de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) bestudeerd. De navolgende tabel brengt de achtergrondconcentraties in de huidige situatie in beeld. Daarnaast is inzicht gegeven in de wettelijke grenswaarden voor de betreffende stoffen vanuit de ‘Wet Luchtkwaliteit’ (Titel 5.2 Wet milieubeheer); dit bedragen de jaargemiddelde immissieconcentraties. Kenmerk Stikstofdioxide (NO2) fijnstof (PM10) zeer fijnstof (PM2,5)
Achtergrondconcentratie (2020) 12 µg/m3 16 µg/m3 9 µg/m3
Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3
Stikstofdioxide en fijnstof huidige situatie Bron: Atlas Leefomgeving
Zoals te zien in de tabel zijn de achtergrondconcentraties voor stikstofdioxide en (zeer) fijnstof in de huidige situatie beneden de gestelde grenswaarden. 4.5.2
Effecten ontwikkeling Onderliggend project voorziet in de ontwikkeling van 23 extra zorgwoningen en een maatschappelijke functie. Gezien deze omvang is het project ruimschoots als NIBM aan te merken conform de ministeriële regeling ‘niet in betekenende mate’ (NIBM). Van plannen die onder de NIBM-grens blijven, wordt gesteld dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
NIBM-berekening toekomstige situatie
Dat onderhavig project onder de NIBM-grens blijft, is een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van negatieve effecten op het gebied van luchtkwaliteit. Hiernaast geldt dat in de bestaande situatie de achtergrondconcentraties van de luchtverontreinigende stoffen onder de wettelijke grenswaarden liggen. Gezien de beperkte omvang van het plan kan worden verwacht dat ook met de planbijdrage deze nog steeds ver
25
onder de wettelijke grenswaarden zullen liggen. Dit is eveneens een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van negatieve effecten op het gebied van luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
26
5
Conclusie In voorliggend rapport is beoordeeld of als gevolg van de beoogde herontwikkeling aan de Kastanjelaan 10-12 te Helvoirt nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. De onderstaande tabel geeft een overzicht van de beoordeelde milieuaspecten en de daarbij behorende conclusies weer, zoals deze in hoofdstuk 4 aan bod zijn gekomen. Aspect Natuur (gebiedsbescherming)
Natuur (soortenbescherming)
Verkeer
Beoordeling milieueffecten Het uitgevoerde natuuronderzoek wijst uit dat significant negatieve effecten op het nabij gelegen Natura-2000 gebied niet aan de orde zijn. Hiermee worden geen negatieve milieueffecten verwacht. Het uitgevoerde nader natuuronderzoek wijst uit dat in het plangebied geen nesten van huismus, gierzwaluw, boomvalk, ransuil, roek en sperwer aanwezig zijn. Ook zijn geen verblijfplaatsen of essentiële leefgebieden van steenmarter of vleermuizen aangetroffen. De beoogde ingreep leidt daarom niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is derhalve niet benodigd. Andere essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van andere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, zijn niet aanwezig. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. Gezien voorgaande is geen sprake van een negatief milieueffect voor het aspect soortenbescherming. De nieuwe ontwikkeling zorgt voor een verkeersaantrekkende werking zonder te verwachten afwikkelingsproblemen op de Kastanjelaan. Voor wat betreft verkeer worden geen negatieve milieueffecten verwacht op het gebied van doorstroming en veiligheid.
27
Aspect Geluid
Beoordeling milieueffecten Als gevolg van de nieuwe ontwikkelingen zal er sprake zijn van een verkeersaantrekkende werking ten opzichte van de huidige situatie. Hiermee zou sprake kunnen zijn van een toename van geluidshinder op bestaande omringende woningen. De toename van het verkeer op de omliggende wegen is echter minder dan 40% ten opzichte van de huidige verkeersintensiteit. De beoogde cultureel-maatschappelijke functies in het plangebied zijn allemaal te scharen onder categorie A of B, zoals opgenomen in de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009). Dergelijke functies zijn direct naast of beneden woningen toegestaan, omdat de ruimtelijke uitstraling c.q. milieubelasting dusdanig beperkt is, dat dit het woon- en leefklimaat niet onevenredig aantast. Daarmee is een goed woon- en leefklimaat voldoende verzekerd, zowel binnen het plangebied, als in de directe omgeving.
Lucht
Gezien voorgaande is geen sprake van een negatief milieueffect voor het aspect geluid. Er zijn geen nadelige gevolgen te verwachten. Het project draagt Niet in Betekenende Mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit en gezien de bestaande achtergrondconcentraties en de planbijdrage is geen sprake van een wezenlijke verslechtering.
De uitkomst van de in voorgaande hoofdstukken uitgevoerde toets is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet benodigd.
28
Gebruikte onderzoeken/bronnen Onderzoeken − Akoestisch onderzoek (SAB) − Quick scan natuur (SAB) − Nader onderzoek natuur (SAB) − Stikstofonderzoek (SAB) − Quick scan bedrijven en milieuzonering (SAB) Bronnen − Atlas leefomgeving http://www.atlasleefomgeving.nl/kijken − Publieke Dienstverlening op de kaart (PDOK) http://pdokviewer.pdok.nl/ − Milieu-kenniscentrum Infomil http://www.infomil.nl/ − CBS-Statline, statistische informatie http://statline.cbs.nl/Statweb/ − Wetgeving, overheidsportal http://wetten.overheid.nl/zoeken − AERIUS Calculator, kaartbeeld Natura 2000 https://calculator.aerius.nl/calculator/ − Natura 2000 Database http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx − Ontwerp Braaksma & Roos Architectenbureau