Bijlage - Verhalen uit WOII-verbinding route station-Kamp Vught
Tekst van het document
Bijlage 1: Verhalen uit WOII – verbinding route station – Kamp Vught In witte letters op donkerblauw staat het er echt: Boschlaan, met ‘Sch’. Op dit wit gepleisterde huis, vlakbij de spoorwegovergang en de IJzeren Man, aan de doorgaande weg vanuit Vught naar Cromvoirt. Welke passant realiseert zich dat hier de Boslaan nog in de oude vooroorlogse spelling is weergegeven? Wie bedenkt dat dit het straatnaambordje geweest kán zijn waar de ogen van de joodse gevangene David Koker onwillekeurig langs gleden toen hij op een prachtige, zonnige vrijdag (28 mei 1943) terugkwam van een dagje wieden in de perkjes van de tuin van de kamp commandant? Hij schrijft in zijn dagboek die avond: ‘’Ik had bijna tranen in mijn ogen, toen ik door het dorp kwam en huiskamers zag. Wat zijn we al niet ver. En op de terugweg de mensen. Veel vacantiegangers, die een pieus gezicht trekken als wij voorbij gaan, met onze sterren en onze SS-man achter ons. Vakantiedrukte om de IJzeren Man heen.’’ De eveneens Joodse Klaartje de Zwarte-Walvisch komt in maart met honderden lotgenoten vanuit de Hollandse Schouwburg aan in Vught. Zij beschrijft haar aankomst als volgt: “Een rit van ongeveer anderhalf uur, en in het stikdonker arriveerden we te Vught. Weer geschreeuw en gekrijs. Dit alles om ons te bemoedigen. (…) Kinderen werden in autobussen gezet, maar wij moesten lopen naar het kamp.
Een tocht van vijf kwartier. Als mieren sleepten we ons over de weg, half bezwijkend onder de last van de zware bagage.” En drie maanden later, op 2 juli 1943, moet zij onvermijdelijk deze plaats weer verlaten, langs het straatnaambordje Boschlaan, op weg naar een onzekere bestemming: “Door een floers van tranen stapte ik in een autobus en reden we weg, reden we door prachtige lanen, langs mooie villa’s en het is dan moeilijk zich te realiseren dat men een gevangene is. Hoe benijdde ik de mensen die ik zag wandelen. Sommigen zwaaiden ons dag, maar dat mocht niet van de Hollandse SS die in elke autobus meereed.” In Vught worden de ramen gesloten wanneer opnieuw de stank van het Crematorium naar binnen dreigt te dringen. En worden gordijnen gesloten wanneer de aanblik van de bejaarden, moeders en kinderen die passeren even te veel wordt. Desalniettemin worden ook vele handen uitgestoken, deuren geopend, briefjes gesmokkeld en boterhammen gesmeerd. Dát is een belangrijke constatering: de directe confrontatie met het leed en het lijden van medemensen leidde bij veel mensen tot verontwaardiging en een bereidheid om te helpen. De inwoners van Vught en omgeving waren door toevallige omstandigheden tijdens de oorlogsjaren, of ze nu wilden of niet, getuige van veel leed.
Niemand in Vught kon later met droge ogen zeggen niet geweten te hebben van dat concentratiekamp op de Vughtse Heide. De gevangenentransporten voor kamp Vught kwamen aan en vertrokken vanaf het station Vught. In de jaren 1943 en 1944 kwamen tienduizenden mensen aan in Vught, op weg naar het kamp, en gingen ook even zovelen weer weg uit Vught. De meesten op weg naar een onverbiddelijke eindbestemming. De eerste gevangenen liepen nog door de straten van Vught. Later zette men bussen in om de ophef en verontwaardiging van de omstanders te omzeilen. De straten van Vught waren in de jaren 1943-1944 regelmatig gevuld met Joodse gezinnen die vanuit Amsterdam (Hollandse Schouwburg) naar kamp Vught gingen. Vanaf daar gingen ze richting doorgangskamp Westerbork. Daarnaast waren er veel politieke gevangenen afkomstig uit kampen en gevangenissen elders in het land. Soms hadden ze het geluk vrijgelaten te worden in Vught, maar
in veel gevallen werden ook zij op transport gezet naar een concentratiekamp in Duitsland. In totaal verbleven tussen januari 1943 en begin september 1944 ongeveer 12.000 Joden en meer dan 19.000 politieke en andere groepen gevangenen in Kamp Vught.