Bijlage - Regels
Tekst van het document
Werken werkzaamheden die worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een erkende archeologische partij; 7. Werken en werkzaamheden die op een afstand van minimaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bouwwerk worden uitgevoerd. 13.9 Activiteit werken en werkzaamheden – aanwijzing vergunningplicht
31
Het is verboden zonder omgevingsvergunning op een voor Waarde-archeologie-4 aangeduide locatie de volgende werken en werkzaamheden dan bedoeld in artikel 13.8 te verrichten. 1. Werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan100m2 2. Werkzaamheden met een diepte van meer dan 0,3 meter onder maaiveld, of 3. Ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – enkeerdgronden' werkzaamheden met een diepte van meer dan 0,5 meter onder maaiveld. 4. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplantingen, waarbij de stobben worden verwijderd; 5. het ophogen en egaliseren van gronden; 6. het verlagen van het waterpeil; 7. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; 8. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers en andere wateren; 9. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend worden boomteelt en graszodenteelt; 10. het afplaggen van heide- of natuurgebieden; 11. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies waarbij de breedte van de grondwerken meer dan 50 cm bedragen; 12. het slopen van gebouwen en verwijderen van funderingen. 13.10 Activiteit werken en werkzaamheden – specifieke beoordelingsregels a.
Een omgevingsvergunning kan worden verleend indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders de archeologische waarde van de grond voldoende is vastgesteld. b. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de afmetingen en de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden. c. Alvorens burgemeester en wethouders beslissen over een omgevingsvergunningaanvraag winnen zij schriftelijk advies in bij een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg omtrent de vraag of door afwijking van de bouwregels geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. 13.11 Activiteit werken en werkzaamheden – specifieke aanvraagvereisten a. De omgevingsvergunning kan worden verleend indien bij de aanvraag door de aanvrager een archeologisch rapport is overlegd, waaruit, naar het oordeel van het bevoegd gezag, blijkt dat: b. geen archeologische waarden zijn vastgesteld, of c. de archeologische waarden van het terrein voldoende worden veiliggesteld, of; d.
de betrokken archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen. e. Indien uit het in onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; 32
2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; 3. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een erkende archeologische partij of deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; 5. richtlijnen geven omtrent de wijze waarop omgegaan wordt met (toevals)vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. f. het overleggen van een rapport is niet nodig als de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg, afdoende is vastgesteld.
33
Artikel 14 WAARDE – ARCHEOLOGIE-5 14.1 Voorrangsregeling De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2. 14.2 Toepassingsbereik De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde-archeologie-5. 14.3 Functieomschrijving De voor Waarde-archeologie-5 aangewezen locaties zijn, behalve voor andere daar voorkomende functies, bedoeld voor de instandhouding en bescherming van de op of in de grond aanwezige of te verwacht archeologische waarden. 14.4 Bouwactiviteiten - toelaatbaar a. Het is op een voor Waarde-archeologie-5 aangewezen locatie toegelaten één bouwwerk of meerdere bouwwerken te bouwen: 1. met een gezamenlijk oppervlakte van maximaal 250m2: 2. Met een diepte van maximaal 0,3 meter onder maaiveld, of 3. Ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – enkeerdgronden' met een diepte van maximaal 0,5 meter onder maaiveld; 4. Een gebouw of bouwwerk ter vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing op de bestaande plaats, waarbij de oppervlakte op of onder peil niet wordt vergroot. 14.5 Bouwactiviteiten – aanwijzing vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning op een voor Waarde-archeologie-5 aangeduide locatie een ander gebouw of bouwwerk als bedoeld in artikel 14.4 te bouwen. 14.6 Bouwactiviteiten – specifieke beoordelingsregels a.
Een omgevingsvergunning kan worden verleend indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders de archeologische waarde van de grond voldoende is vastgesteld. b. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de afmetingen en de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden. c. Alvorens burgemeester en wethouders beslissen over een omgevingsvergunningaanvraag winnen zij schriftelijk advies in bij een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg omtrent de vraag of door afwijking van de bouwregels geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. 14.7 Bouwactiviteiten – specifieke aanvraagvereisten a. De omgevingsvergunning kan worden verleend indien bij de aanvraag door de aanvrager een archeologisch rapport is overlegd, waaruit, naar het oordeel van het bevoegd gezag, blijkt dat: 1. geen archeologische waarden zijn vastgesteld, of 2. de archeologische waarden van het terrein voldoende worden veiliggesteld, of; 34
3. de betrokken archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen. b. Indien uit het in onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; 3. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een erkende archeologische partij of deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; 5.
richtlijnen geven omtrent de wijze waarop omgegaan wordt met (toevals)vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. c. het overleggen van een rapport is niet nodig als de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg, afdoende is vastgesteld. 14.8 Activiteit werken en werkzaamheden – toelaatbaar a. Het is op een voor Waarde-archeologie-5 aangewezen locatie toegelaten de volgende werken en werkzaamheden te verrichten: 1. Werken en werkzaamheden met een oppervlakte van maximaal 250m2; 2. Werken en werkzaamheden met een diepte van maximaal 0,3 meter onder maaiveld, of; 3. Ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – enkeerdgronden' werken en werkzaamheden met een diepte van maximaal 0,5 meter onder maaiveld; 4. Werken en werkzaamheden die het normale onderhoud en/of beheer betreffen overeenkomstig de overige bestemmingen van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; 5. Werken werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; 6.
Werken werkzaamheden die worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een erkende archeologische partij; 7. Werken en werkzaamheden die op een afstand van minimaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bouwwerk worden uitgevoerd. 14.9 Activiteit werken en werkzaamheden – aanwijzing vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning op een voor Waarde-archeologie-5 aangeduide locatie de volgende werken en werkzaamheden dan bedoeld in artikel 14.8 te verrichten. 35
1. Werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan250m2 2. Werkzaamheden met een diepte van meer dan 0,3 meter onder maaiveld, of 3. Ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – enkeerdgronden' werkzaamheden met een diepte van meer dan 0,5 meter onder maaiveld. 4. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplantingen, waarbij de stobben worden verwijderd; 5. het ophogen en egaliseren van gronden; 6. het verlagen van het waterpeil; 7. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; 8. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers en andere wateren; 9. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend worden boomteelt en graszodenteelt; 10. het afplaggen van heide- of natuurgebieden; 11. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies waarbij de breedte van de grondwerken meer dan 50 cm bedragen; 12. het slopen van gebouwen en verwijderen van funderingen. 14.10 Activiteit werken en werkzaamheden – specifieke beoordelingsregels a. Een omgevingsvergunning kan worden verleend indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders de archeologische waarde van de grond voldoende is vastgesteld. b.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de afmetingen en de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden. c. Alvorens burgemeester en wethouders beslissen over een omgevingsvergunningaanvraag winnen zij schriftelijk advies in bij een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg omtrent de vraag of door afwijking van de bouwregels geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. 14.11 Activiteit werken en werkzaamheden – specifieke aanvraagvereisten a. De omgevingsvergunning kan worden verleend indien bij de aanvraag door de aanvrager een archeologisch rapport is overlegd, waaruit, naar het oordeel van het bevoegd gezag, blijkt dat: b. geen archeologische waarden zijn vastgesteld, of c. de archeologische waarden van het terrein voldoende worden veiliggesteld, of; d. de betrokken archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen. e.
Indien uit het in onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; 36
3. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een erkende archeologische partij of deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; 5. richtlijnen geven omtrent de wijze waarop omgegaan wordt met (toevals)vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. f. het overleggen van een rapport is niet nodig als de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg, afdoende is vastgesteld.
37
ARTIKEL 15 GEBIEDSAANDUIDINGEN 15.1 Overige zone – boringsvrije zone 15.1.1 Toepassingsgebied De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die op de verbeelding zijn aangewezen als overige zone-boringsvrije zone. 15.1.2. Functieomschrijving De voor overige zone-boringsvrije zone aangewezen locaties zijn, behalve voor andere daar voorkomende functies, bedoeld voor de het behoud van de beschermende kleilaag in de bodem. 15.2 Overige zone - stalderingsgebied 15.2.1 Voorrangsregeling De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2. 15.2.2 Toepassingsbereik De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die op de verbeelding zijn aangewezen als overige zone-stalderingsgebied. 15.2.3 Functieomschrijving De voor overige zone-stalderingsgebied aangewezen locaties zijn, behalve voor andere daar voorkomende functies, bedoeld voor het stellen van nadere regels voor het oprichten van dierenverblijven voor hokdierhouderijen. 15.3 Overige zone – enkeerdgronden 15.3.1 Toepassingsgebied De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die op de verbeelding zijn aangewezen als overige zone-enkeerdgronden. 15.3.2. Functieomschrijving Ter plaatse van de gronden met de aanduiding overige zone – enkeerdgronden gelden specifieke regels. Deze regels zijn opgenomen in de dubbelbestemmingen “Archeologie”.
38
Hoofdstuk 4 Algemene regels
Artikel 16 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. Artikel 17 Algemene bouwregels 17.1 Bestaande bebouwing Bestaande legale bebouwing welke in overeenstemming is met de functie volgens dit plan, maar ten tijde van de ter inzagelegging van dit plan afwijkend is van één of meer bebouwingsregels, wordt geacht aan de regels van het omgevingsplan te voldoen. In dit geval mag de bestaande bebouwing worden gehandhaafd maar niet worden vergroot. 17.2 Bouwactiviteiten - toelaatbaar 17.2.1 Ondergeschikte bouwdelen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt. 17.2.1 Ondergronds bouwen a. Op plaatsen waar hoofdgebouwen - en bijbehorende bouwwerken zijn of gelijktijdig worden gebouwd mag eveneens ondergronds gebouwd worden, direct aansluitend mogen in- dan wel uitritten ten behoeve van de ondergrondse bouwwerken worden gebouwd. b.
De verticale diepte mag bij ondergronds bouwen niet meer bedragen dan 3,5 m. 17.3 Bouwactiviteiten – aanwijzing vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende bouwactiviteiten te verrichten: a. Het bouwen van een gebouw of bouwwerk met een afwijkende maatvoering ten opzichte van de in deze regels voorgeschreven minimale en/of maximale maten (hoogte, oppervlakte, inhoud etc.) bouwgrenzen en percentages; b. Het bouwen van ondergrondse bouwwerken op andere locaties dan onder het hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk. 17.4 Bouwactiviteiten – beoordelingsregels Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw of bouwwerk met een afwijkende maatvoering kan worden verleend indien: a. De bouwhoogte van een bouwwerk geen gebouw zijnde maximaal 10 meter bedraagt; b. De bouwhoogte van een kunstwerk en zend-, ontvang- en/of een sirenemast maximaal 40 meter bedraagt waarbij dit niet in de functie 'bos’ is toegestaan; en: 1. de noodzaak vanuit een goede of doelmatige functionele, stedenbouwkundige, bouwkundige of architectonische inpassing aanwezig is; 2. de afwijking alleen mag worden toegepast indien elders in deze regels geen andere regels voor afwijking zijn opgenomen voor afwijking van deze maten; 3. de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd; 39
4. De hierdoor in het gebied aanwezige waarden niet onevenredig worden geschaad Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing: a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. in het belang van een goede landschappelijke inpassing van bebouwing en verhardingen; c. ter waarborging van de verkeersveiligheid; d. ter waarborging van de sociale veiligheid; e. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding. 17.5 Bouwactiviteiten – beoordelingsregels parkeren a. een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden, waarbij sprake is van een parkeerbehoefte, kan pas worden verleend nadat is vastgesteld dat in voldoende mate in parkeergelegenheid op eigen terrein kan worden voorzien; b. De op het tijdstip van de aanvraag van de omgevingsvergunning geldende parkeernorm uit de beleidsnota ‘Parkeernota gemeente Vught’ moet worden gehanteerd of de daarvoor in de plaats tredende parkeernota; c. Indien de ‘Parkeernota gemeente Vught’ niet van toepassing is, gelden de kencijfers van de CROW. d. Als de noodzakelijke parkeervoorzieningen onvoldoende op eigen terrein kunnen worden gerealiseerd, dient aan te worden getoond op welke wijze op andere wijze in de parkeerbehoefte wordt voorzien; e.
Bij de situering van parkeerplaatsen in het openbaar gebied mogen het stedenbouwkundig beeld, het groene karakter van de omgeving, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast. Artikel 18 Algemene gebruiksregels 18.1 Gebruiksactiviteiten algemeen - verbod Onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan: a. Het verrichten van exploratie- en exploitatieboringen ten behoeve van de winning van delfstoffen; b. Het gebruik van onbebouwde gronden als standplaats en ligplaats van onderkomens; c. Mestbewerking van niet ter plaatse geproduceerde mest door (niet) grondgebonden agrarische bedrijven; d. Verblijfsrecreatieve voorzieningen en voorzieningen voor tijdelijke huisvesting van seizoenswerknemers voor permanente bewoning; e. het gebruik dat afwijkt van de functieomschrijvingen, waaronder in ieder geval wordt begrepen het gebruik als kamergewijs bewoond pand; f. het gebruiken van standplaatsen voor ambulante handel. 18.2 Gebruiksactiviteiten algemeen – aanwijzing vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een pand te gebruiken voor: a. Kamergewijze bewoning b. Aan huis verbonden beroep en bedrijf 18.2 Gebruiksactiviteiten algemeen – beoordelingsregels 18.2.1 Gebruik als kamergewijs bewoond pand 40
a. Een omgevingsvergunning voor het gebruiken van een pand als kamergewijs bewoond pand voor kamerverhuur voor maximaal 4 personen wordt toegelaten indien: 1. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefklimaat; 2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straatbeeld en het woonkarakter van de wijk of buurt, waarbij ook het fietsparkeren en opslag van afval een toetsingskader is; 3. geen onevenredige toename van de verkeersaantrekkende werking plaatsvindt; 4. voldaan wordt aan de realisatie en het in stand houden van voldoende parkeerplaatsen waarbij de op het tijdstip van aanvraag van de omgevingsvergunning geldende parkeernorm uit de beleidsnota 'Parkeernota gemeente Vught' moet worden gehanteerd of de daarvoor in de plaats tredende parkeernota, waarbij kamerverhuur qua parkeernorm gelijkgesteld wordt met huur van een etage; 5. niet meer dan 10% van de woningen in de straat gebruikt wordt als kamergewijs bewoond pand voor kamerverhuur; 6. per persoon wordt voorzien in voldoende gebruiks- en leefoppervlakte, waarbij geldt: a. de minimale gebruiksoppervlakte 9 m2 bedraagt; b. de minimale leefoppervlakte 25 m2 bedraagt; b. De omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien: 1. niet wordt voldaan aan het in lid 19.2.1 onder a beschreven toetsingskader; 2.
het gebouw waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd niet geschikt gemaakt kan worden om te voldoen aan de voor kamerverhuur geldende eisen uit het Bouwbesluit 2012; 3. kamerverhuur plaatsvindt in bijbehorende bouwwerken; 4. vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat afwijking van het geldende bestemmingsplan leidt tot overlast voor de openbare veiligheid, de openbare gezondheid, het woonmilieu, onevenredige afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of buurt en/of onevenredig afbreuk doet aan erfgoedwaarden, waardoor geen sprake is van een veilige fysieke leefomgeving en goede ruimtelijke ordening; 18.2.2 Aan huis gebonden beroep en bedrijf Een omgevingsvergunning voor het gebruik van ruimten binnen de woning en/of bijbehorende bouwwerken voor aan huis gebonden beroep en bedrijf, kan worden verleend indien dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en wordt voldaan aan de volgende regels: a. De uitoefening van een ondergeschikt aan huis gebonden beroep in een woning en bijbehorende bouwwerken bij de woning is toegestaan tot een oppervlakte van maximaal 25% van de vloeroppervlakte van de bedrijfswoning met een maximum van 60 m2; b.
De uitoefening van een ondergeschikt aan huis gebonden bedrijf van categorie 1 of 2 in een woning en bijbehorende bouwwerken bij de woning is toegestaan, zoals genoemd in de als 3 opgenomen Lijst van bedrijfsactiviteiten, tot een oppervlakte van maximaal 25% van de vloeroppervlakte van de bedrijfswoning met een maximum van 60 m2. Aan sub a en sub b zijn de volgende voorwaarden verbonden:
41
a. bedoeld gebruik mag geen onevenredige hinder voor het woonmilieu opleveren en geen onevenredige afbreuk doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt; dit betekent onder meer dat: 1. het gebruik naar aard met het woonkarakter van de omgeving in overeenstemming moet zijn en het geen voorzieningen betreft met een publieksaantrekkend karakter; 2. het gebruik de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in de woning of het bijgebouw uitvoert, tevens de gebruiker van de woning is; 3. het betreft niet zodanig verkeersaantrekkende activiteiten die verkeersoverlast veroorzaken of die verkeersmaatregelen, waaronder extra parkeervoorzieningen, noodzakelijk maken in de openbare ruimte en/ of er geparkeerd wordt op eigen terrein; 4. het gebruik niet gepaard gaat met horeca en/of detailhandel, uitgezonderd beperkte verkoop die ondergeschikt is aan de uitoefening van de betrokken activiteiten; 5. de normale afwikkeling van het verkeer mogelijk blijft en de verkeersveiligheid komt niet in het geding; 6. prostitutie niet is toegestaan. Artikel 19 Werken en werkzaamheden 19.1 Aanleggen van leidingen Het is verboden de volgende werken en/of werkzaamheden te verrichten: a. het aanleggen van leidingen ten behoeve van de exploratie-, exploitatie of winning van delfstoffen; b.
het aanleggen van transportleidingen voor brandstof, gas, riolering, water of andere stoffen, anders dan ter plaatse van de voor Waarde-Leiding - Brandstof, Waarde Leiding - Gas 1, Waarde - Leiding - Gas 2, Waarde -Leiding - Riool en Waarde Leiding – Water aangewezen locaties.
42
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Artikel 20 Overgangsrecht Artikel 20.1 Overgangsrecht bouwwerken Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-Omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning en afwijkt van dit TAM-Omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd. Na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan. Bestaande bebouwing die krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk is opgericht en in overeenstemming is met dit TAM-Omgevingsplan, maar afwijkt van één of meer bebouwingsregels, wordt geacht aan dit TAM-omgevingsplan te voldoen. Hieronder wordt tevens vergunde bebouwing verstaan, die nog moet worden opgericht. Artikel 20.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-Omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met dit TAM-Omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a., te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c.
Indien het gebruik, bedoeld onder a., na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-Omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met dit plan voor de inwerkingtreding van dit TAM-Omgevingsplan, daaronder begrepen het overgangsrecht van dat plan.
43
Bijlagen 1. 2. 3. 4.
Landschapsinrichtingsplan Te slopen opstallen en verharding Lijst van bedrijfsactiviteiten Beeldkwaliteitsplan Ruimte-voor-ruimte woningen op de hoek Molenstraat/Gestelstraat in Helvoirt
44