Bijlage - Overzicht wijzigingen
Tekst van het document
Oude tekst:
Gewijzigde tekst:
Artikel 2:1a Gebiedsontzegging 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of zedelijkheid, aan degene die strafbare feiten of openbare orde verstorende feiten verricht of zich gedraagt in strijd met artikel 2:74 en artikel 2:74a een verbod opleggen om zich gedurende 72 uur te bevinden op in dat verbod aangewezen plaats(en), waar of in de omgeving waarvan de gedragingen hebben plaatsgehad. 2.Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie wordt geconstateerd dat hij opnieuw strafbare feiten of ordeverstorende feiten verricht, of dat hij zich opnieuw gedraagt in strijd met de in het eerste lid genoemde artikelen, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste vier weken te bevinden op in dat verbod aangewezen plaats(en), waar of in de omgeving waarvan de gedragingen hebben plaats gehad. 3. Een verbod als genoemd in het tweede lid kan slechts worden opgelegd indien de strafbare feiten of openbare orde verstorende feiten binnen een jaar na het opleggen van het verbod, opgelegd op grond van het eerste of tweede lid, zijn geconstateerd.
4.De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede
Artikel 2:1a Gebiedsontzegging 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of zedelijkheid, aan degene die strafbare feiten of openbare orde verstorende feiten verricht of zich gedraagt in strijd met artikel 2:74 en artikel 2:74a een verbod opleggen om zich gedurende ten hoogste 10 dagen te bevinden op in dat verbod aangewezen plaats(en), waar of in de omgeving waarvan de gedragingen hebben plaatsgehad. 2.Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie wordt geconstateerd dat hij opnieuw strafbare feiten of ordeverstorende feiten verricht, of dat hij zich opnieuw gedraagt in strijd met de in het eerste lid genoemde artikelen, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste acht weken te bevinden op in dat verbod aangewezen plaats(en), waar of in de omgeving waarvan de gedragingen hebben plaats gehad. 3.
Een verbod als genoemd in het tweede lid kan slechts worden opgelegd indien de strafbare feiten of openbare orde verstorende feiten binnen een jaar na het opleggen van het verbod, opgelegd op grond van het eerste of tweede lid, zijn geconstateerd. 4.De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede
Toelichting: Deze wijziging geeft de burgemeester de bevoegdheid een langer durende gebiedsontzegging op te leggen. In de praktijk blijkt hieraan behoefte te zijn. Uiteraard zal de duur van de gebiedsontzegging proportioneel moeten zijn.
lid genoemde verboden, indien dat in verband met de persoonlijk omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. 5.Het is verboden zich te gedragen in strijd met het door de burgemeester opgelegde verbod. Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd: a. indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; b. indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht of het in strijd is met het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d. indien het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de provinciale wegenverordening of het provinciaal wegenreglement.
lid genoemde verboden, indien dat in verband met de persoonlijk omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. 5.Het is verboden zich te gedragen in strijd met het door de burgemeester opgelegde verbod. Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg. 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd: a. indien door de uitweg de bruikbaarheid van de weg wordt aangetast, waaronder begrepen de beschikbaarheid van openbare parkeerplaatsen; b. indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht of het in strijd is met het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d. indien het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de provinciale wegenverordening of het provinciaal wegenreglement.
Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:
Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:
De tekst in het tweede lid onder a is wat ruimer geformuleerd. De afweging of het behoud van een openbare parkeerplaats zwaarder moet wegen, blijft bestaan.
De procedure om telkens een besluit te nemen om het rookverbod te laten ingaan, blijkt in de praktijk
a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode; b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 4. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
a. te roken; b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 4. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d. --
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d. 1. Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap. 2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.
Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen ---
Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1. Het is verboden zonder redelijk doel: a. zich in een portiek of poort of onder een overkapping bij een gebouw op te houden; b. in, op of tegen een raamkozijn of een drempel
omslachtig. In de Loonse- en Drunense duinen geldt op grond van de Duinverordening al een rookverbod voor het hele jaar. De APV wordt hiermee in overeenstemming gebracht.
Dit artikel hangt samen met het verbod aanplakbiljetten of gebouwen te bekladden. Dit verbod blijkt voor de BOA’s lastig te handhaven, omdat pas tot aanhouding kan worden overgegaan bij constatering van overtreding van het verbod. Het nieuwe artikel 2:43 geeft hun de mogelijkheid al in een vroegtijdig stadium te kunnen optreden. Het tweede lid zorgt ervoor dat het verbod niet geldt, indien de materialen niet zijn bestemd voor het beplakken of bekladden van openbare plaatsen. Dit is een veel voorkomende vorm van overlast, die burgers ervaren. Met het opnemen van dit artikel kunnen de BOA’s handhavend
Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties 1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d. --
van een gebouw te zitten of te liggen. 2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw. Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties
Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d. 1. Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan, indien daarmee hinder of gevaar voor het verkeer ontstaat of als daardoor anderszins overlast veroorzaakt kan worden. 2. Het is verboden fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen
optreden tegen deze overlast.
De Hoge Raad heeft in een arrest van 24 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1946) bepaald dat dit artikel onverbindend is wegens strijd met artikel 7 van de Grondwet (vrijheid van meningsuiting).
Dit is een veel voorkomende vorm van overlast, die burgers ervaren. Met het opnemen van dit artikel kunnen de BOA’s handhavend optreden tegen deze overlast.
plaatsen. 3. Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud zijn of die in een verwaarloosde toestand verkeren op de weg te laten staan. 4. Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen of voor een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt. Artikel 4:11a Weigeringsgronden ---
Artikel 5:8 Parkeren van grote of uitzicht belemmerende voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren:
Artikel 4:11a Noodkap 1. Het college van burgemeester en wethouders verleent een omgevingsvergunning voor noodkap in het geval zich de urgentie tot onmiddellijke kap voordoet. Het besluit treedt op grond van artikel 6.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) onmiddellijk in werking en wordt achteraf bekend gemaakt. 2. Van noodkap is in ieder geval sprake indien: - de houtopstand wegens ziekte besmettingsgevaar oplevert of; - het een dode/terminale/onstabiele boom betreft die direct gevaar oplevert voor bebouwing, bewoners, gebruikers van het perceel of weggebruikers. Artikel 5:8 Parkeren van grote of uitzicht belemmerende voertuigen 1. Het is verboden een voertuig (daaronder begrepen een aanhangwagen) dat een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren:
In de huidige APV ontbreekt een regeling voor noodkap. In dit artikel wordt de procedure gegeven voor de situatie dat een boom met spoed dient te worden gekapt.
De huidige regeling met een persoonlijke aanschrijving is erg omslachtig. Nadat het college de aanwijzingsbesluiten heeft genomen, kan eenvoudig worden gehandhaafd.
2. 3.
4. 5.
6.
a. op een plaats, nadat het college bij persoonlijke aanschrijving heeft medegedeeld dat dit naar haar oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. op een weg, nadat het college bij persoonlijke aanschrijving heeft medegedeeld dat dit parkeren naar haar oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte; c. op de weg bij een voor bewoning of ander voor dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. Het college kan van de in het eerste lid, onder a en b, gestelde verboden ontheffing verlenen. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 uur tot 18.00 uur. Het in het eerste lid, onder c, gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
a.
op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte; c. op de weg bij een voor bewoning of ander voor dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2. Het college kan van de in het eerste lid, onder a en b, gestelde verboden ontheffing verlenen. 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 4. Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 uur tot 18.00 uur. 5. Het in het eerste lid, onder c, gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
In het aanwijzingsbesluit worden ook gebieden aangewezen waar grote voertuigen wel mogen worden geparkeerd.
beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod, niet van toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover er geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden. Er is in ieder geval sprake van gevaar indien door het college een periode als bedoeld in artikel 2:18 lid 1 sub c is aangewezen (rookverbod). 3. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale milieuverordening.
Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod, niet van toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover er geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden. 3. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale milieuverordening.
Dit betreft een technische wijziging. Omdat het rookverbod volgens de voorgestelde wijziging van artikel 2:18 permanent gaat gelden, is er geen sprake meer van door het college aangewezen perioden. Bij ontheffingen van het stookverbod zal altijd het voorbehoud worden gemaakt dat de ontheffing niet geldt, indien het college heeft gemeld dat gebruik ervan wegens (droge) weersomstandigheden niet gewenst is.