CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Ontwerpbestemmingsplan - Toelichting

Raadsvergadering 7 maart 2024, gemeente VughtBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan `De Dijk 5-7, Helvoirt'12.509 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan De Dijk 5-7 Helvoirt PLANTOELICHTING

NL.IMRO.0865.bgBPdedijk57-ON01

1

Titel: Datum: Projectnummer:

Bestemmingsplan De Dijk 5-7, Helvoirt 03-10-2023 2020.149

Adviesbureau: Auteurs:

Wintraecken Advies B.V. Teun van de Camp Msc. (planoloog) en mr. David Wintraecken (planjurist) David Wintraecken Harry Bolsiuslaan 13 5481 BN Schijndel (073) 850 51 29 / (06) 146 488 29 info@wintraeckenadvies.nl www.wintraeckenadvies.nl

Contactpersoon: (Post)adres: Telefoon: E-mail: Website:

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies.

2

INHOUDSOPGAVE 1.

2.

3.

4.

5.

INLEIDING ....................................................................................................................................... 5 1.1

Achtergrond en doel van het plan ........................................................................................... 5

1.2

Ligging en begrenzing van het plangebied .............................................................................. 7

1.3

Vigerende bestemmingsplann ................................................................................................. 8

1.4

Leeswijzer ................................................................................................................................ 9

BESCHRIJVING BESTAANDE SITUATIE .................................................................................... 10 2.1

Huidige situatie omgeving ..................................................................................................... 10

2.2

Plangebied ............................................................................................................................. 10

VISIE OP HET PLAN(GEBIED)..................................................................................................... 13 3.1

Aanleiding landschappelijke versterking ............................................................................... 13

3.2

Landschappelijke versterking: visie ....................................................................................... 13

3.3

Landschappelijke versterking: inrichting ................................................................................ 14

BELEIDSKADER ........................................................................................................................... 16 4.1

Inleiding ................................................................................................................................. 16

4.2

Rijksbeleid ............................................................................................................................. 16

4.3

Provinciaal beleid .................................................................................................................. 17

4.4

Gemeentelijk beleid ............................................................................................................... 28

CULTUURHISTORIE EN ARCHEOLOGIE ................................................................................... 32 5.1 Cultuurhistorie .............................................................................................................................. 32 5.2

Archeologie ............................................................................................................................ 35

6.

GROENSTRUCTUUR EN FLORA EN FAUNA ............................................................................. 37

7.

WATER .......................................................................................................................................... 38

8.

MILIEU-HYGIËNISCHE VERANTWOORDING ............................................................................ 40 8.1

Inleiding ................................................................................................................................. 40

8.2

M.e.r.-beoordeling ................................................................................................................. 40

8.3

Bodem ................................................................................................................................... 42

8.4

Geluid .................................................................................................................................... 43

8.5

Milieuzonering (geur en industrielawaai) ............................................................................... 44

8.6

Luchtkwaliteit ......................................................................................................................... 45

3

8.7

Externe veiligheid .................................................................................................................. 48

9.

VERKEER EN PARKEREN ........................................................................................................... 52

10.

JURIDISCHE PLANOPZET ....................................................................................................... 53

10.1

Het bestemmingsplan als juridisch instrument ...................................................................... 53

10.2

Systematiek van de regels .................................................................................................... 53

10.3

Bebouwing algemeen ............................................................................................................ 54

10.4

Toelichting bestemmingen ..................................................................................................... 54

11.

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID .................................................................................... 55

12.

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID .......................................................................... 56

Bijlage 1: Landschappelijke versterking, De Dijk 5-7, GV Advies, maart 2022 Bijlage 2: Watertoets, De Dijk 5-7 te Helvoirt, MILON, Referentie: 20231188, 5 juli 2023

4

1. INLEIDING 1.1 Achtergrond en doel van het plan Initiatiefnemer, te weten de eigenaar van de opstallen en gronden aan De Dijk 5-7 te Helvoirt, heeft een principeverzoek ingediend bij de gemeente Haaren om het geconstateerde teveel aan oppervlakte bijgebouwen binnen de grenzen van het adres De Dijk 5-7 te Helvoirt te legaliseren. De gemeente heeft in augustus 2018 laten weten niet onwelwillend te staan tegenover dit verzoek. Echter verbindt de gemeente wel enkele voorwaarden aan deze legalisering. Het planvoornemen betreft dus de legalisering van bijgebouwen behorende tot het adres de Dijk 5-7. In het vigerende bestemmingsplan is bepaald dat de gezamenlijke oppervlakte van bij eenzelfde woning behorende vergunningplichtige bijgebouwen en overkappingen niet meer dan 100 m² mag bedragen. De oppervlakte van de bestaande, met vergunning opgerichte, bijgebouwen bedraagt 241 m2. Dit betreft een oude rietgedekte Vlaamse schuur met een oppervlakte van circe 152 m2 en een mantelzorgwoning met een oppervlakte van circa 89 m2. Deze gebouwen worden door de gemeente als bijgebouwen bij de oorspronkelijke woning c.q. het kennelijke hoofdgebouw aangemerkt. De maximale oppervlakte, zoals bepaald in het bestemmingsplan, wordt hiermee aldus ruimschoots overschreden. Het totale oppervlak aan bijgebouwen in de huidige situatie bedraagt inmiddels 430 m2.

Op het perceel zijn namelijk ook aanwezig: een overdekt zwembad, een schuilhok/kippenhok en een garage. Conform het vigerende bestemmingsplan zijn burgemeester en wethouders bevoegd om ontheffing te verlenen ten behoeve van het bouwen van bijgebouwen en overkappingen tot een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 200 m². Dit onder voorwaarde dat de gezamenlijke oppervlakte van de bij de betreffende woning behorende, bestaande, niet voor bewoning bestemde gebouwen tenminste 25%, doch ten minste evenveel als de met ontheffing gevraagde oppervlakte wordt gesloopt. Initiatiefnemer heeft teveel oppervlakte aan bijgebouwen op zijn perceel staan. Een aantal bijgebouwen is feitelijk gezien dus illegaal. De gemeente wil echter in beginsel legaliseren, en verleent onder voorwaarden haar medewerking. Gemeente heeft eind 2016 te kennen gegeven dat tenminste aan de volgende voorwaarden dient te worden voldaan, tot legalisering van de bestaande bijgebouwen, welke het maximumaantal van 200 m2 overschrijden: 1. Er moet voorzien zijn in een goede landschappelijke inpassing;

5

2. De ontwikkeling is op het gebied van gezondheid en veiligheid inpasbaar (geluid, geur, luchtkwaliteit, bodem en externe veiligheid); 3. Er is zorgvuldig omgegaan met de belangen van bewoners en belanghebbenden in de omgeving. Dit betekent dat de plannen zijn besproken met de omgeving en dat hier een terugkoppeling van is, waarin is aangetoond hoe is omgegaan met de uitkomsten van dit gesprek; 4. De ontwikkeling heeft een meerwaarde voor de omgeving; 5. Er moet voldaan worden aan de sloopverplichting. In het verleden is aangegeven dat elke vierkante meter aan bijgebouwen boven de 200 m2, dient te worden gecompenseerd met een factor 4* aan sloop van bebouwing elders in het buitengebied (* inmiddels bijgesteld naar factor 2). Een andere optie is dat initiatiefnemer een bijdrage levert aan het sloopfonds van de gemeente, á €25,- per vierkante meter** (** inmiddels bijgesteld naar €20,-). Begin 2017 heeft de gemeente Haaren nieuw beleid ten aanzien van vrijkomende agrarische bebouwing vastgesteld, waarbij bovenstaande punten onverminderd van kracht zijn, maar waarbij tevens is komen vast te staan dat overtollige bebouwing dient te worden verantwoord en worden opgenomen in een bestemmingsplan. In dit bestemmingsplan dient dan ook aandacht te worden besteed aan het provinciale beleid te aanzien van (stedelijke) ontwikkelingen in het buitengebied.

Specifiek betekent deze aanvulling dat er aandacht moet worden besteed aan kwaliteitsverbetering van het landschap zoals dat is opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Initiatiefnemer heeft reeds in een vroeg stadium een landschappelijk versterkingsplan laten opstellen om de gewenste legalisering van het grootste deel van de bijgebouwen te bewerkstelligen. Deze versterking van het landschap vindt plaats op de direct naast het plangebied gelegen gronden, welke reeds in eigendom zijn van initiatiefnemer. Aan dit plan wordt in hoofdstuk 3 van deze plantoelichting meer aandacht besteed. De vigerende bestemming ‘Wonen’ staat het niet toe het planvoornemen te realiseren, aangezien het maximaal aantal toegestane vierkante meters aan bijgebouwen wordt overschreden. Derhalve dient er een wijziging van het bestemmingsplan plaats te vinden om het omschreven planvoornemen te kunnen realiseren. Dit bestemmingsplan legt een planologische en juridische basis om te komen tot de realisatie van het planvoornemen door middel van een vergroting van het bouwvlak. In dit kader worden de ruimtelijke en milieu-hygiënische effecten van de ontwikkeling nader beschouwd. Kortom, het bestemmingsplan onderbouwt dat het (bouw)plan past binnen het betrokken

6

gebied. Ook moet blijken hoe het plan zich verhoudt, zowel in negatieve als positieve zin, tot de aanwezige functies, waarden en kwaliteiten binnen het plangebied en de directe omgeving ervan. Aan de volgende deels juridische voorwaarden dient te worden voldaan: • het motiveren van de afwijking(en) van de geldende bestemming(en) middels het opstellen van een bestemmingsplan; • het met een bestemmingsplan aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid; • het in procedure brengen van het bestemmingsplan. Zoals in het verdere vervolg van deze plantoelichting zal blijken, heeft het plan geen negatieve ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische gevolgen voor het plangebied en de directe omgeving ervan. Het bestemmingsplan dient verder te voldoen aan de Wabo (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) en de standaarden die zijn ontwikkeld voor DURP (Digitale Uitwisseling in Ruimtelijke Processen) en de RO Standaarden 2012 (Regeling Standaarden Ruimtelijke Ordening): • IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening 2012); • SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012); • STRI2012 (Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten 2012). 1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied De navolgende afbeelding betreft een luchtfoto met de ligging en begrenzing van het plangebied (bron: maps.google.nl).

Hieruit blijkt dat de locatie waarop de bebouwing aanwezig is direct grenst aan de gronden welke zullen worden gebruikt om de landschappelijke versterking te bewerkstelligen. Tevens is zichtbaar dat beide locaties zijn ingeklemd tussen de Provinciale weg N65 en De Dijk.

7

1.3 Vigerende bestemmingsplann Binnen het plangebied gelden de volgende bestemmingsplannen: • Bestemmingsplan “Parapluplan kamerverhuur Vught”, vastgesteld 22 juli 2021; • Bestemmingsplan “Buitengebied Vught, 2022” vastgesteld 21 juli 2022; • Bestemmingsplan “Parapluplan Archeologie”, vastgesteld 6 april 2023. Voorliggend bestemmingsplan is in beginsel een herziening van het geldende bestemmingsplan “Buitengebied Vught 2022”. Voor zover van toepassing en noodzakelijk worden daarin ook de regels uit beide vastgestelde parapluplannen verwerkt. Voorgenomen afwijking vigerend bestemmingsplan De vigerende bestemming ‘Wonen – 2’ staat het niet toe het planvoornemen te realiseren, aangezien het maximaal aantal toegestane vierkante meters aan bijgebouwen van 100 m2 – met ontheffing, onder voorwaarden: 200 m2 – wordt overschreden. Zoals reeds in de inleiding van deze toelichting beschreven, betreft onderhavig planvoornemen feitelijk de legalisering van een aantal van de reeds aanwezige bijgebouwen in het plangebied. Een en ander is mogelijk, mits aan de door de gemeente gestelde voorwaarden wordt voldaan. Één van de voorwaarden is dat in een bestemmingsplan wordt verantwoord op welke manier de bijgebouwen zijn ingepast met aandacht voor het vigerende

8

beleid en de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aspecten. Deze plantoelichting geeft derhalve een planologisch-juridische regeling ten behoeve van de realisatie/legalisering van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling. 1.4 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie. Hoofdstuk 3 geeft de visie op het plan in relatie tot het plangebied en de directe omgeving. Hoofdstuk 4 behandelt het beleidskader. De hoofdstukken 5 tot en met 9 gaan in op de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aspecten. De juridische aspecten worden toegelicht in hoofdstuk 10, de onderdelen economische uitvoerbaarheid in hoofdstuk 11 en de maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 12.

9

2. BESCHRIJVING BESTAANDE SITUATIE 2.1 Huidige situatie omgeving Het plangebied ligt ten oosten van Helvoirt, aan de Dijk 5-7. De Dijk is parallel gelegen aan de provinciale weg N65, welke een verbinding vormt tussen Tilburg (west) en Vught (oost). Het plangebied is omgeven door percelen welke in gebruik zijn voor agrarische en woondoeleinden in het buitengebied.

2.2 Plangebied In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als woonperceel met hoofdwoning, woning met mantelzorg en diverse bijgebouwen. Navolgende foto’s (bron: Projectbureau Orbis) laten het plangebied en tevens de woning met bijgebouwen zien.

10

11

12

3. VISIE OP HET PLAN(GEBIED) 3.1 Aanleiding landschappelijke versterking Om onderhavig planvoornemen tot legalisering van een deel van de aanwezige bijgebouwen plaats te laten vinden, dient er landschappelijke versterking plaats te vinden. In overleg met gemeente heeft initiatiefnemer projectbureau Orbis in de arm genomen om met de gestelde voorwaarden van de gemeente de aanwezige omgevingskwaliteiten, zoals vastgesteld door gemeente en provincie, en de wensen van initiatiefnemer een plan op te stellen waarmee de kwaliteit van het landschap wordt versterkt. In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan de wijze waarop Orbis deze voorwaarden, kwaliteiten en wensen in een landschappelijke versterkingsplan heeft verwerkt. Het plan als geheel is als bijlage 1 bij dit bestemmingsplan opgenomen. 3.2 Landschappelijke versterking: visie De beoogde ruimtelijke ingreep wordt voorafgegaan door een visie, waarbij voorwaarden, kwaliteiten en wensen een plek krijgen. De visie op het plangebied gelegen aan De Dijk omhelst ten eerste het ontwikkelen en versterken van de zichtas vanuit de N65 op het achterliggende open gebied. Daarnaast wordt gestreefd naar een kwaliteitsimpuls van het aangewezen gebied met kenmerkende, kwalitatieve maatregelen. Voorts wordt gestreefd naar een landschappelijke inpassing van de aangrenzende bebouwing.

Een landschappelijke inpassing en versterking van De Dijk 5-7 wordt nagestreefd. In de visie op het plan wordt ook gesteld dat de uitheemse coniferenhaag dient te worden verwijderd. Ook de kippenkooi (voor locatie: zie afbeelding paragraaf 2.2.) en een van de aanwezige hekwerken zullen worden verwijderd. Op navolgende afbeelding is de visie op het landschappelijke versterkingsplan in kaart gebracht.

13

3.3 Landschappelijke versterking: inrichting De visie op het plangebied heeft geleid tot een gedegen inrichtingsplan, welke een plek geeft aan de in de visie opgestelde uitgangspunten. De beplanting in onderhavig versterkingsplan is geselecteerd op basis van inheemse soorten. Deze soorten komen van oorsprong in de regio voor waarmee er enerzijds een bijdrage wordt gegeven aan de oorspronkelijke uitstraling van de regio en anderzijds betreft dit plantmateriaal wat past bij de aanwezige groeiomstandigheden. Bij de keuze van beplanting is het mogelijk om de keuze te maken voor autochtoon plantmateriaal. Deze keuze wordt aanbevolen omdat hiermee meer duurzaam plantmateriaal wordt aangeschaft. Het is mogelijk dat de beplanting in onderhavig plan niet met autochtoon keurmerk leverbaar is, er kan dan worden gekozen voor regulier plantmateriaal.

14

Een ander heeft geleid tot het inrichtingsplan zoals opgenomen in onderstaande afbeelding. De visie is vertaald door plaats te geven aan hoogstam fruitbomen, houtsingels een gemengde, geschoren haag en een bloemenweide. Het gewenste zichtas vanaf de N65 op het aangrenzende open gebied krijgt vorm door de inrichting van een poel.

Geconcludeerd kan worden dat het plan bijdraagt aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande omliggende kwaliteiten en daarmee een positieve functionele invulling vormt. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de land(schapp)elijke uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse.

15

4. BELEIDSKADER 4.1 Inleiding Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbindende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun belangen veilig te stellen. Het beleid van de gemeente Haaren vormt het kader waarbinnen de functionele en ruimtelijke ontwikkeling wordt vastgesteld. De ruimtelijke ontwikkelingsplannen van Rijk, provincie en regio vormen randvoorwaarden voor het gemeentelijke beleid. Voor zover relevant voor de plannen worden in de volgende paragrafen het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid toegelicht. 4.2 Rijksbeleid Het voorliggende plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een (relevante) ruimtereservering geldt. Uitsluitend het nationale belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’, als vervat in de ladder voor duurzame verstedelijking, is van toepassing op het onderhavige bestemmingsplan.

Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Bro) Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Het procesvereiste van het doorlopen van de Ladder is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de SVIR, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Artikel 3.1.6, tweede lid, luidt nu als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het

16

bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Gelet op de onderliggende ontwikkeling voorziet het plan niet in een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (AbRS 18 december 2013, nummer 201302867/1/R4).

De in het plan voorziene ontwikkeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. Gezien het voorgaande vormt de ladder voor duurzame ontwikkeling geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling. 4.3 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Noord-Brabant en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Toetsingskader Het provinciale ruimtelijke beleid staat de realisering van de plannen niet in de weg. Hoofddoelstellingen van de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ‘zuinig ruimtegebruik’ met daaraan gekoppeld de ‘concentratie van verstedelijking’. De accenten moeten hierbij liggen op ‘inbreiding’ en ‘herstructurering’. Concentratie van verstedelijking De provincie stuurt op concentratie van verstedelijking: het is belangrijk dat er verschil bestaat en blijft bestaan tussen de steden en dorpen. De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant en is onderverdeeld in ‘concentratiegebieden’ en ‘overig

17

stedelijk gebied’. In concentratiegebieden wordt de bovenlokale groei van verstedelijking opgevangen. Daarnaast moet hier een hoog voorzieningenniveau geboden worden, waardoor de (suburbane) kernen en dorpen buiten het concentratiegebied het huidige (landelijke) karakter behouden. In overig stedelijk gebied is grootschalige verstedelijking ongewenst. Wel kan hier voor de eigen behoefte gebouwd worden. Naast concentratie van verstedelijking wil de provincie binnen de stedelijke structuur het volgende bereiken: • zorgvuldig ruimtegebruik; • meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit; • betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur; • versterking van de economische kennisclusters. Voor onderhavig initiatief spelen de elementen ‘zorgvuldig ruimtegebruik’ en ‘meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit’ een rol. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat de kansen voor functiemenging, inbreiding, herstructurering en zo nodig transformatie in het stedelijk gebied goed worden benut, inclusief de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtegebruik. Hierdoor is minder ruimte nodig voor stedelijke uitbreidingen. Het ‘aansnijden van nieuwe ruimte’ voor verstedelijking wordt in samenhang bezien met deze mogelijkheden.

Door meer aandacht te schenken aan beheer en onderhoud van het bestaand stedelijke gebied worden in de toekomst ingrijpende herstructureringen voorkomen. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit Karakteristieke verschillen tussen dorpen en steden vervagen. Uitbreidingswijken en werklocaties in steden en dorpen gaan steeds meer op elkaar lijken. De provincie wil dat nieuwe ontwikkelingen meer inspelen op het karakter en de kwaliteit van de plek. Door bij stedelijke ontwikkelingen uit te gaan van het verschil in omvang en karakter van de verschillende kernen, wordt het contrast tussen stad en dorp behouden. Dit versterkt de identiteit en aantrekkelijkheid van kernen en hun relatie met het omliggende landschap. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Het beleid uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant is verwerkt in de regels die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie. De onderwerpen die in de verordening staan komen dus uit de provinciale omgevingsvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij één

18

van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. In de verordening is een aantal aspecten opgenomen die van toepassing zijn op onderhavig plan. Deze zullen hierna worden besproken. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant bevorderen. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kernkwaliteiten van NoordBrabant. De provincie biedt ontwikkelingsruimte in het buitengebied, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan het behouden wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe ruimtelijke kwaliteiten. De provincie onderscheidt een achttal thema’s waarin beleidsuitgangspunten zijn opgenomen. Deze thema’s zijn tevens in kaart gebracht. Onderstaande tabel illustreert welke thematische kaarten in principe van toepassing zijn op het plangebied en welke niet. Thema / kaartnaam Milieubescherming Landbouw Stedelijke ontwikkeling en erfgoed Natuur en stiltegebieden Grondwaterbescherming, waterveiligheid en –berging Basiskaart Landelijk gebied. Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Watersystemen, -veiligheid en -berging

Van toepassing Nee Ja Nee Ja Nee Ja Ja Ja

Rechtstreeks werkende regels: landbouw Binnen het kaartbeeld ‘Rechtstreeks werkende regels: landbouw’ is het plangebied aangeduid als ‘Bescherming Natura 2000’, ‘Landelijk gebied’, ‘Verbod uitbreiding veehouderij’ en ‘Stalderingsgebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

19

Onderhavig plangebied is gelegen in het ‘Landelijk gebied’ van de provincie Noord-Brabant. Binnen de provincie wordt onderscheid gemaakt in het landelijke en het stedelijke gebied. Binnen deze eerste aanduiding is onder voorwaarden een stedelijke ontwikkeling mogelijk. De andere aanduidingen betreft ‘Bescherming Natura 2000’, ‘Verbod uitbreiding veehouderij’ en ‘Stalderlingsgebied. Deze hebben enkel invloed op bestaande veehouderijbedrijven. Onderhavig plan betreft de legalisering van bestaande bijgebouwen en de daarmee samengaande landschappelijke versterking, in het buitengebied van de kern Helvoirt. De uitgangspunten en regeling ten aanzien van het verbod op uitbreidingen van veehouderijen hebben hier geen invloed op, en andersom doet onderhavig planvoornemen geen afbreuk aan deze beleidsregels. Binnen de primair agrarische gebieden is de provincie terughoudend met de (verdere) ontwikkeling van niet-agrarische functies. De land- en tuinbouw heeft in deze gebieden het primaat. Bij stedelijke ontwikkelingen in het door de provincie Noord-Brabant aangewezen landelijke gebied dient te worden voorzien in een kwaliteitsverbetering. Artikel 3.9 ‘kwaliteitsverbetering landschap’ zegt hierover het volgende:

20

Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.

Lid 4 Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken. Doorwerking plan(gebied) Onderhavig planvoornemen behelst de legalisering van bijgebouwen bij een bestaande woonbestemming. Binnen de kaders van de provinciale regelgeving is deze ontwikkeling c.q. legalisering mogelijk, indien voldoende aandacht wordt besteed aan de voorwaarden opgesteld in artikel 3.9 van de Interim Omgevingsverordening. Dit artikel heeft met name betrekking op de zorgvuldige inpassing van het nieuwe plan in de bestaande omgeving. Hierbij wordt de voorgestane ontwikkeling geïntegreerd binnen bestaand gebied, met vooraf vastgestelde kwaliteiten. Met respect voor deze omgevingskwaliteiten wordt een zorgvuldig

21

landschappelijk versterkingsplan opgesteld welke de kwaliteiten ter plaatse een plaats bieden in de nieuwe situatie. Het landschappelijk versterkingsplan is terug te vinden als bijlage 1 van dit bestemmingsplan. In hoofdstuk 3 deze plantoelichting is een en ander kort toegelicht. Initiatiefnemer levert tevens een bijdrage aan het gemeentelijke sloopfonds. In de inleiding van deze toelichting is aangegeven om welk bedrag het gaat en hoe dit bedrag tot stand is gekomen. Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ is het plangebied aangeduid als ‘Attentiezone waterhuishouding’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

Een plangebied dat is gelegen binnen de ‘Attentiezone waterhuishouding’ strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. Een bestemmingsplan stelt in ieder geval regels over het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 centimeter beneden

22

maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist op grond van de Ontgrondingenwet. Voorts dient aandacht te worden besteed aan de aanleg van drainage en dienen er regels te worden opgesteld omtrent het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen. Doorwerking plan(gebied) Onderhavig planvoornemen behelst de legalisering van reeds bestaande bijgebouwen binnen een bestaand plangebied, gecombineerd met een landschappelijke versterking van het gebied direct naast dit plangebied gelegen. Ten behoeve van deze ontwikkeling zullen gronden niet worden geroerd en zal het oppervlak aan verharding door enkele sloopwerkzaamheden zelfs afnemen. Met het opstellen en het in een later stadium ook daadwerkelijk uitvoeren van het landschappelijke versterkingsplan wordt recht gedaan aan de status die het plangebied waarin de versterking wordt gerealiseerd, heeft. Hierin krijgen de kwaliteiten en behoeften ten aanzien van natuur, bodem en water een plek. Instructieregels gemeenten: basiskaart landelijk gebied Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: basiskaart landelijk gebied’ is het plangebied aangeduid als ‘Landelijk gebied’ en ‘Groenblauwe mantel’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

23

Onderhavig plangebied is gelegen in het ‘Landelijk gebied’ en de ‘Groenblauwe mantel’ van de provincie Noord-Brabant. Binnen de provincie wordt onderscheid gemaakt in het landelijke en het stedelijke gebied. Binnen deze eerste aanduiding is onder voorwaarden een stedelijke ontwikkeling mogelijk. Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Voor het water wordt vooral ingezet op kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen, zoals het 'Wijstverschijnsel' (het opstuwen van grondwater) op de Peelrandbreuk in Oost-Brabant, in de beekdalen en op de overgangen van zand/veen naar klei in de 'Naad van Brabant'. Binnen de groenblauwe mantel is volop ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties zoals landbouw en recreatie, met een meer extensief karakter en als die bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap. De ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve functies, zoals stedelijke ontwikkeling of intensieve vormen van recreatie of en landbouw (zoals de bouw van kassen, (bezoekers-)intensieve recreatie, of concentratiegebieden voor intensieve landbouwfuncties) passen minder bij het karakter van deze gebieden.

Daarom geldt binnen de groenblauwe mantel soms aanvullende regels voor de ontwikkeling van die functies. Bijvoorbeeld in geval van stedelijke ontwikkeling die vanwege de groen-rood verhouding juist bijdraagt aan de ontwikkeling van de kwaliteiten van gebied. De waarden in de groenblauwe mantel zijn vaak gekoppeld aan het bodem-watersysteem (zoals de aanwezigheid van een kwel), aan landschapselementen (zoals houtwallen en heggen), of aan het voorkomen van bijzondere planten en dieren. De groenblauwe mantel richt zich niet alleen op het beschermen van die waarden maar juist ook op de ontwikkeling daarvan. Daarom geldt binnen de groenblauwe mantel dat ontwikkelingen bijdragen aan de natuur- en landschapswaarden en het bodem- en watersysteem. Het beleid richt zich ook op een toename van de belevingswaarde en de recreatieve waarde van het landschap. Nieuwe ontwikkelingen passen daarom qua aard en schaal bij het ontwikkelingsperspectief voor de groenblauwe mantel en houden rekening met omliggende waarden. Gemeenten werken het concrete beleid binnen een gebied verder uit, rekening houdend met deze achterliggende doelstellingen. Hierbij is veel achtergrondinformatie beschikbaar, zoals de gebiedspaspoorten en de gebiedsgerichte ontwikkeling van gebieden zoals opgenomen in het Groenblauw Stimuleringskader.

24

Doorwerking plan(gebied) Met het legaliseren van de bijgebouwen vindt er een vorm van verstedelijking plaats in het ‘Landelijk gebied’ en de ‘Groenblauwe mantel’. Ontwikkelingen als deze zijn op voorhand niet uitgesloten. Eerder in de beschrijving van de provinciale beleidskaders is al beschreven dat ontwikkelingen in het landelijke gebied mogelijk zijn, mits er een gedegen belangenafweging is gemaakt en er aantoonbaar rekening wordt gehouden met de aanwezige kwaliteiten. In onderhavig geval is er sprake van een ruime compensatie van de toegenomen verharding in vorm van het landschappelijk versterkingsplan, waarbinnen natuurontwikkeling een kans krijgt en de omgevingskwaliteiten zijn geïntegreerd en waar mogelijk zullen worden versterkt. Dit is onder meer gebeurd door vooraf te onderzoeken welke kwaliteiten er aanwezig zijn, en deze kwaliteiten vervolgens in te passen, en waar mogelijk te versterken door middel van het opstellen en uitvoeren van een landschappelijk versterkingsplan. Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ is het plangebied aangeduid als ‘Stalderingsgebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

25

De aanduiding ‘Stalderingsgebied’ heeft enkel invloed op bestaande agrarische bedrijven. Onderhavig plan betreft de legalisering van reeds bestaande bijgebouwen. De uitgangspunten en regeling ten aanzien van staldering heeft hier geen invloed op, en andersom doet onderhavig planvoornemen geen afbreuk aan deze beleidsregel. Doorwerking plan(gebied) De aanduidingen binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ zijn niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling. Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid en -berging Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid en berging’ is het plangebied aangeduid als ‘Norm wateroverlast buiten stedelijk gebied’ en ‘Attentiezone waterhuishouding’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

De aanduiding ‘Attentiezone waterhuishouding’ is reeds behandeld bij het kaartbeeld Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden. Voorts heeft elke plek een aanduiding welke iets regelt ten aanzien van omgang met water. Onderhavig plangebied is gelegen in het buitengebied van Helvoirt. De norm ten aanzien van

26

wateroverlast buiten stedelijk gebied is hier dan ook op van toepassing. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt buiten Stedelijk gebied, als norm een overstromingskans van: • 1/100 per jaar voor gebieden met de ruimtelijke bestemming hoofdinfrastructuur en spoorwegen; • 1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw; • 1/25 per jaar voor akkerbouw; • 1/10 per jaar voor grasland. Voor bebouwing die is gelegen buiten stedelijk gebied geldt de norm van het omringende landgebruik. De gestelde norm betreft een inspanningsverplichting. Doorwerking plan(gebied) De genoemde inspanningsverplichting is reeds geleverd door initiatiefnemer. Hierop aangevuld wordt binnen de locatie waarop de landschappelijke versterking plaats gaat vinden veel ruimte gereserveerd voor de opvang en infiltratie van hemelwater. Conclusie Een en ander doet geen afbreuk aan het bestaande land(schapp)elijke karakter ter plaatse. Het stedelijke karakter van deze functie is minimaal en passend bij de omgeving. Initiatiefnemer is het er alles aan gelegen om het bouwplan te laten voldoen aan de voorwaarden, zoals genoemd in artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening door aan deze voorwaarden te voldoen, en hiermee gepaard gaand het landschappelijk versterkingsplan in de praktijk te brengen.

Op deze manier wordt er een passende invulling gegeven aan het plangebied. In deze paragraaf zijn de belangen en regels van de provincie Noord-Brabant behandeld. Er is verantwoord op welke wijze er met dit plan wordt voldaan of wordt tegemoet gekomen aan de randvoorwaarden die de provincie in haar beleid heeft opgenomen. Het belangrijkste onderdeel van de verantwoording zit in de kwaliteitsverbetering die vergezeld dient te gaan met de legalisering van de bijgebouwen in het buitengebied. Derhalve is de verantwoording voor voorliggend plan met name daarop gericht. Tevens biedt het aan dit plan toegevoegde versterkingsplan inzicht in de ontwikkeling op het gebied van natuur en landschap. De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de ambities die de provincie nastreeft en heeft geformuleerd in de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Onderhavig plan zal aansluiten bij c.q. geen afbreuk

27

doen aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de structuurvisie en verordening. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van onderhavige ontwikkeling wordt gemotiveerd in de hoofdstukken 5 tot en met 9. 4.4 Gemeentelijk beleid De provinciale ruimtelijke beleidskaders zijn of moeten worden vertaald in het gemeentelijke ruimtelijke beleid. Gezien het feit dat onderhavig planvoornemen in de feitelijke situatie geen ontwikkeling betreft, is een uitgebreide toetsing aan het gemeentelijke beleid niet van toepassing. Onderhavig bestemmingsplan wordt opgesteld, na veelvuldig, constructief overleg met de gemeente Haaren. Er is afgesproken om met name de aandacht te richten op het provinciale beleid en daarin specifiek de beleidsregel ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteitsverbetering in het landelijke gebied. Structuurvisie Haaren 2013 De historische routes zijn de hoofdelementen van de huidige stedenbouwkundige opbouw. Het open beekdal van de Ruijsbossche Waterloop ligt aan de oostzijde van de kern Haaren en vormt een sterke ruimtelijke begrenzing voor de kern Haaren. Langs de Helvoirtseweg en de Kerkstraat is sprake van een transparante, zachte bebouwingsrand naar dit beekdal waarbinnen nog mogelijkheden zijn voor bebouwing.

Ook de bebouwing langs de Haarendijk, de Nemelaerstraat, het Eind en de Pastoor Jansenstraat kenmerkt zich door een zachte bebouwingsrand aan het open beekdal. Deze bebouwingsranden zijn minder transparant. Om toch relaties te behouden met het landelijk gebied, de transparantie, dient er geen bebouwing meer toegevoegd te worden in deze randen. De ligging van het beekdal tussen deze straten is bijzonder en dient zeker behouden te blijven. Vanuit de zuidkant vormt de Haarendijk de verbinding met het Eind. Voor het Eind geldt dat de oorspronkelijke structuur van de oude Brink nog herkenbaar is in zowel de verkavelings- als verkeersstructuur. De separate ligging van het Eind aan de zuidoostkant van de kern is uniek te noemen en dient als zodanig behouden te blijven. Aan de zuid- en westzijde van de kern bepaalt het ongelijkmatige verloop van de begrenzing een grote diversiteit in karakter. Over het geheel genomen kan hier gesproken worden van een harde kernrand door de dichte bebouwingsranden en de minimale relaties met het landelijk gebied. Door woningbouw te realiseren in het gebied ten westen van de Tempeliersweg wordt de begrenzing van Haaren aan deze zijde sterk verbeterd, waarbij de voorkeur uitgaat naar een transparante, zachte bebouwingsrand. Hierbij dient er voor gewaakt te worden dat de entree aan deze zijde van Haaren een landelijke uitstraling blijft

28

houden. De woningen aan de zuidzijde van de Kantstraat tussen het Holleneind en de Monseigneur Zwijsenstraat hebben namelijk een zeer landelijke uitstraling door de diepe, groene voortuinen en de lage bebouwingselementen. Het oostelijke deel van de Kantstraat, vanaf de Vogelenzang vormt een geleidelijke overgang naar het landelijk gebied door vrijliggende bebouwingselementen in verspringende rooilijnen, waarbij het landelijk gebied tussen de bebouwings- SAB 21 elementen door tot aan de Kantstraat reikt. Het beekdal van de Raamse Loop vormt aan deze zijde de ruimtelijke begrenzing van de kern Haaren. De afronding van bedrijventerrein ‘t Hopveld aan de noordzijde van de kern, met bedrijven die een representatieve uitstraling hebben, verbetert de entreesituatie van Haaren aan deze zijde. Wat het gemeentelijke beleidskader betreft, zoals opgenomen in de Structuurvisie, betreft kan worden gesteld dat ten aanzien van de stedelijke ontwikkeling er in zekere zin sprake is van een conserverend karakter en dat met het landschappelijke versterkingsplan een ruime compensatie voor deze ontwikkeling wordt geleverd. Daarnaast stort de initiatiefnemer een reeds tussen gemeente en initiatiefnemer afgesproken bedrag in het gemeentelijke sloopfonds.

Tot slot kan worden gesteld dat met het totaalplan van legalisering en compensatie in de vorm van natuurontwikkeling en de financiële bijdrage, duurzaamheid wordt nagestreefd en de waarden en kwaliteiten van het plangebied worden geaccepteerd. Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en uitgangspunten zoals verwoord in de diverse planologische beleidsstukken van de gemeente Haaren. Regeling Kwaliteitsverbetering van het landschap Naar aanleiding van het uitgangspunt ten aanzien van het leveren van een kwaliteitsverbetering van het landschap, zoals opgenomen in artikel 3.9 van de Interim Omgevingsverordening, en de daaromtrent gemaakte regionale afspraken heeft de gemeente Vught de regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap gemeente Vught 2022’ vastgesteld. Deze paragraaf bevat een beschrijving van de wijze van kwaliteitsverbetering van het landschap. Aan de orde komen: • De benodigde investering; • De feitelijke tegenprestatie • De zekerstelling van kwaliteitsverbetering.

29

Ruimtelijke ontwikkelingen zijn in drie categorieën ingedeeld: • Categorie 1: geen ruimtelijke impact; geen tegenprestatie nodig; • Categorie 2: beperkte impact; landschappelijke inpassing volstaat; • Categorie 3: grote impact; landschappelijke inpassing én berekende kwaliteitsverbetering van het landschap. Onderhavig plan omvat de legalisering van bijgebouwen bij een woning. De oppervlakte van de totaal aantal legaliseren bijgebouwen bedraagt meer dan 100 m². Om deze valt onderhavig plan in categorie 3. Naast landschappelijke inpassing is tevens een berekende kwaliteitsverbetering van het landschap noodzakelijk. Landschappelijke inpassing In paragraaf 3.2 en 3.3 is de gewenste landschappelijke inpassing geïntroduceerd. Bijlage 1 omvat het beplantingsplan. In dit beplantingsplan worden de gewenste soorten, oppervlakten en maatregelen nader omschreven. Dit beplantingsplan is daarnaast juridisch verankerd in de regels behorende bij dit bestemmingsplan. Benodigde investering In de gemeentelijke regeling is opgenomen dat de bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap, behorende bij een categorie 3-ontwikkeling, ten minste 20% van de waardevermeerdering van de grond moet bedragen. De gemeente Vught heeft hiervoor rekenbedragen vastgesteld. Daarnaast heeft de gemeente Vught een sloopverplichting.

Bij de berekening van de bijdrage geldt de 471 m² aan bestaande bijgebouwen als uitgangspunt. Dit totaal mag met 200 m² worden gereduceerd, omdat dit reeds is toegestaan conform (destijds) vigerende bestemmingsplan. Echter heeft de gemeente in het verleden reeds 241 m² aan bijgebouwen legaal vergund. Daarmee geldt de berekening niet voor 271 m², maar voor 230 m² aan bijgebouwen. Van deze 230 m² wenst de initiatiefnemer er 36,6 m² teniet te doen. De uiteindelijke berekening gaat uit van 193,4 m². De waardevermeerdering van het toevoegen van bijgebouwen met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 100 m² bij een woning bedraagt € 250 per m². Voor onderhavig plan betekent dit een waardevermeerdering van (193,4 x 250 =) € 48.350,-. De bijdrage in de kwaliteitsverbetering van het landschap bedraagt derhalve (20% x 48.350 =) € 9.670,-. Feitelijke tegenprestatie De feitelijke tegenprestatie bestaat uit de gemeentelijke sloopverplichting en de investeringen voor de landschappelijke maatregelen.

30

Sloopverplichting De legalisering van de bijgebouwen dient tevens gepaard te gaan met een sloopverplichting of een bijdrage aan het gemeentelijke groenfonds. Deze bijdrage bedraagt € 20,- per vierkante meter. De berekening gaat uit van 193,4 m². De sloopverplichting bedraagt daarmee ( 2x 193,4 =) 386,8 m² te slopen bebouwing. Aan de sloopverplichting kan niet worden voldaan, daarom wordt een bijdrage aan het groenfonds gedaan. De totale bijdrage aan het groenfonds is (193,4 x 20 =) € 7.736,-. Bijdrage kwaliteitsverbetering Reeds is aangegeven dat er een investering nodig is van € 9.670,-. De bijdrage aan het groenfonds mag daarop in mindering worden gebracht, waardoor er een benodigde investering van ( 9.670 – 7.736 =) €1.934,- resteert. Bijlage 1 laat zien dat de landschappelijke maatregelen uit het landschappelijk versterkingsplan vertegenwoordigen een waarde van € 5.044,-. Onderstaande tabel toont aan dat de bijdrage van de sloopverplichting aan het groenfonds en de waarde van de landschappelijke maatregelen de bijdrage aan de kwaliteitsverbetering ruimschoots borgen.

Benodigde investering Bijdrage Sloopverplichting Totaal

Bijdrage kwaliteitsverbetering Tegenprestatie € 9.670,- Landschappelijke - € 7.736,- maatregelen €1.934,- Totaal

€ 5.044,-

€ 5.044,-

Zekerstelling kwaliteitsverbetering De Interim Omgevingsverordening eist dat bij het vaststellen van een ruimtelijk besluit is aangetoond dat de kwaliteitsverbetering van het landschap financieel, juridisch en feitelijk is geborgd. Voorliggend bestemmingsplan bevat daartoe een voorwaardelijke verplichting. Daarnaast is in een anterieure overeenkomst de uitvoering, het in stand houden en beheren van het landschappelijke versterkingsplan conform het plan vastgelegd.

31

5. CULTUURHISTORIE EN ARCHEOLOGIE 5.1 Cultuurhistorie Toetsingskader Belangrijk bij de afweging of er gebouwd kan worden is het nagaan of in of rondom het plangebied belangrijke archeologische en cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het voorkomen van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat er ter plaatse niet gebouwd kan worden, maar geeft aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden, waarmee de Monumentenwet 1988 en de daarmee samenhangende wetten en regelingen zijn komen te vervallen. Een gedeelte van de Monumentenweg 1988 wordt opgenomen in de Erfgoedwet een ander deel zal worden opgenomen in de Omgevingswet (welke nog niet van kracht is), het betreft: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; • bescherming van stads- en dorpsgezichten. Deze thema’s vallen nu onder het Overgangsrecht in de Monumentenwet. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Bro gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten.

In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. In de toelichting van de ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller van de ruimtelijke onderbouwing is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het eventueel aanwezig zijn van cultuurhistorische waarden wil niet per definitie zeggen dat een bepaalde ruimtelijke

32

ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar geeft wel aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) . Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. In de directe omgeving van De Dijk 5-7 liggen enkele historische elementen, zoals historische stedenbouw van hoge waarde. De stedenbouwkundige structuur is een verdere uitbreiding van de oude kern van Helvoirt en ontstond langs de rijksweg Tilburg-Den Bosch. De structuur van de nederzetting is nog goed herkenbaar, vooral omdat deze nog gaaf is. De Dijk 2-2a betreft een rijksmonument, genaamd ‘Het Oude Nest’. Dit pand heeft relaties met kasteel Zwijnsbergen. Daarnaast is De Dijk 12 cultuurhistorisch waardevol.

33

Onderstaande historische kaarten van topotijdreis.nl laten de ontwikkeling en groei van het gebied tussen 1925 en 1970 zien.

1925

1970

Doorwerking plan(gebied) De panden waarop onderhavig planvoornemen betrekking heeft, bezitten geen monumentale status. Tevens heeft de ontwikkeling geen negatieve invloed op de cultuurhistorische waarden van de directe omgeving. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het (bestemmings)plan.

34

5.2 Archeologie

Toetsingskader Doel van het archeologische onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologische onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen. Doorwerking plan(gebied) Er is een archeologische dubbelbestemming van kracht op het plangebied. Echter kan met zekerheid worden gesteld dat onderhavig planvoornemen niet leidt tot tenietdoening van cultuurhistorisch waardevolle panden of graafwerkzaamheden welke de eventueel aanwezige archeologische waarden kunnen aantasten. Na uitvoering van onderhavig planvoornemen blijft de archeologische dubbelbestemming dan ook onveranderd van kracht op het plangebied. Mocht er in de toekomst toch worden besloten tot het uitbreiding van verhard oppervlak, en hieraan voorafgaand gronden worden geroerd, dan zal bevoegd

35

gezag mogelijke alsnog een onderzoek naar archeologische waarden uitgevoerd willen hebben. Voor nu is dat echter niet aan de orde. In algemene zin geldt altijd wel een meldingsplicht, indien er tijdens de bouwgraafwerkzaamheden alsnog archeologische indicatoren aangetroffen worden. Conclusie Uit archeologisch perspectief zijn er geen belemmeringen voor het (bestemmings)plan.

36

6. GROENSTRUCTUUR EN FLORA EN FAUNA Toetsingskader Wet natuurbescherming (Wnb) Vanaf 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: De Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Deze nieuwe wet bestaat uit minder regels en is overzichtelijker dan de drie voorgaande wetten. Het doel van de wet is om de biodiversiteit in Nederland te beschermen. Onder de Wnb geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht houdt in dat tegen de werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, zo veel mogelijk worden voorkomen. Indien toch schadelijke werkzaamheden worden uitgevoerd, moeten maatregelen worden genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Onder de Wnb geldt dat door de provincie onderzocht moet worden of ruimtelijke ingrepen effect hebben op de beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde bosopstanden en dat het project of plan de natuurlijke kenmerken en/of soorten van het betrokken gebied niet significant aantast. Doorwerking plan(gebied) Het plangebied zal wat bebouwing, vorm en omvang betreft niet of nauwelijks worden gewijzigd. Er vinden in ieder geval geen significante uitpandige sloopwerkzaamheden plaats.

De belangrijkste waarden op het gebied van flora en fauna worden met onderhavig plan niet bedreigd, maar juist een plek gegeven in het landschappelijke versterkingsplan. Voorafgaand aan de uitwerking van dit plan, is geïnventariseerd welke kwaliteiten het plangebied bezit, en welke kwaliteiten benodigd zijn om een kwaliteitsverbetering ter plaatse te weeg te brengen. De flora en fauna krijgen op deze manier dus een belangrijke plek in het plan. Negatieve effecten op eventueel aanwezige beschermde soorten in de omgeving kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten. Conclusie Vanuit het oogpunt van flora en fauna zijn er geen belemmeringen voor het (bestemmings)plan.

37

7. WATER Toetsingskader Bij de watertoets gaat het om het verantwoorden van de waterhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten. Met behulp van de watertoets wordt er naar gestreefd om het waterhuishoudkundig aspect in combinatie met het ruimtelijke beleid toe te passen op het beoogde plangebied, waarbij op basis van de voorgenomen ontwikkelingen gezocht is naar een hydrologisch neutrale oplossingsrichting. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit besluit verplicht tot het opnemen van ‘een beschrijving van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding’ in de toelichting van ruimtelijke plannen van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. Vanuit verschillende overheidsniveaus zijn beleid en uitgangspunten geformuleerd voor wat betreft de omgang met afstromend hemelwater. De belangrijkste uitgangpunten hierbij zijn het hydrologisch neutraal ontwikkelen en het doorlopen van de volgorde ‘her-gebruikvasthouden-berging-afvoer’. Het uiteindelijke doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten.

Het waterschap heeft een beleidsnota met uitgangspunten ten behoeve van de watertoets. Hierbij staan de volgende principes centraal: • wateroverlastvrij bestemmen; • gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer’; • hydrologisch neutraal bouwen; • water als kans; • meervoudig ruimtegebruik; • voorkomen van vervuiling • rekening houden met waterschapsbelangen. De voornoemde principes liggen in lijn met het landelijke beleid ten aanzien van de watertoets. Gestreefd dient te worden naar een waterhuishoudkundig minimaal gelijkwaardige situatie. Het belangrijkste gegeven is het geohydrologisch compenseren van

38

een eventuele toename van verharde oppervlakte, waardoor hemelwater versneld kan worden afgevoerd. Doorwerking plan(gebied) Door MILON is een watertoets uitgevoerd. Het wateradvies van MILON is hierna letterlijk Overgenomen, de integrale watertoets is bijgevoegd als bijlage 2. De vereiste compensatie wordt berekend door de toename in verhard oppervlak (m 2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m) en met de plaatselijke gevoeligheidsfactor (1). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m 3). De benodigde compensatie bedraagt 44 m3 (730 m2 x 0,06 x 1). In het landschappelijk inpassingsplan is voorzien in de aanleg van een poel die zorgt voor een toename van de bergingscapaciteit op locatie. Door een licht verhang aan te brengen rondom de poel kan het hemelwater onder vrij verval naar de poel stromen. Gezien het voornemen van de initiatiefnemer om een poel te graven en de aanwezigheid van twee sloten in de directe omgeving, worden additionele bergingsvoorzieningen niet nodig geacht

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=af0df72e-cb63-47c0-8cdd-739692645dda