Bijlage - Handreikingen archeologisch onderzoekstraject
Tekst van het document
Bijlage 12 Handreikingen voor het archeologisch onderzoekstraject In deze bijlage staan enkele handreikingen indien een archeologisch onderzoekstraject moet worden doorlopen.
1. Ruimtelijke ordening en bevoegd gezag 1.1 Ruimtelijke ordening Om aan de wettelijke verplichtingen te voldoen heeft het college ervoor gekozen om de Erfgoedwet (straks Omgevingswet) te implementeren en de geldende bestemmingsplannen aan te passen via een Paraplubestemmingsplan Archeologie. De gemeente volgt het reguliere proces van de 10-jarige actualisatie van vigerende bestemmingsplannen en straks de Omgevingsplannen om aan de wettelijke eisen te voldoen. Voor grote delen van het gemeentelijke grondgebied gold in diverse bestemmingsplannen al een regeling ter bescherming van archeologische waarden. Soms werd daarin nog indirect verwezen naar de sterk verouderde Indicatieve kaart Archeologische Waarden (IKAW), maar het zal duidelijk zijn dat de nieuwe inventarisatiekaarten, de nieuwe archeologische verwachtingskaart en de archeologische beleidsadvieskaart van 2021 het nieuwe uitgangpunt zullen gaan vormen. Aan de hand van de beleidsadvieskaart kan nu nauwkeuriger worden aangegeven welke aanwezige en te verwachten waarden voorkomen in het gebied van een op te stellen of te wijzigen bestemmingsplan of omgevingsplan. De archeologische (en cultuurhistorische) waarden zullen daarbij worden afgewogen tegenover andere belangen. Het gemeentelijke archeologiebeleid zal vertaald worden in de regels van het bestemmingsplan.
In de regels worden archeologiebeschermende maatregelen voorgeschreven bij het verlenen van omgevingsvergunningen (bouwen, slopen, andere werken) en zijn ook vrijstellingsgrenzen geformuleerd waaronder geen archeologisch onderzoek zal worden gevraagd. Het algemene uitgangspunt is om behoud van archeologische waarden in originele context (behoud ‘ in situ’) na te streven en bodemverstoringen dieper dan 30 cm onder maaiveld niet toe te staan. 1.2 Vrijstellingsbeleid De gemeente heeft van de wetgever ruimte gekregen om beargumenteerd naar boven en naar onder toe af te wijken van de wettelijke onderzoeksvrijstelling van 100 m2.1 Het gaat hierbij om het bruto bodemverstorings-oppervlak in verband met een nieuwe ontwikkeling. In de beleidsadvieskaart is daartoe onderscheid gemaakt in de categorieën zeer hoge en hoge archeologische waarde en in drie categorieën met te verwachten archeologische waarden. Per beleidscategorie zijn verschillende vrijstellingsoppervlakten van toepassing. De laatste beleidscategorie betreft terreinen zonder archeologische waarde waar altijd een vrijstelling geldt. Bij het formuleren van de regels en vrijstellingsgrenzen is ook gekeken naar wat conform voorgaande jurisprudentie gangbaar is in Nederland en hoe naburige gemeenten hiermee omgaan.
De onderzoeksvrijstelling is in het leven geroepen om relatief kleine bodemverstoringen vrij te stellen van onderzoek. Relatief moet gezien worden in het licht van de waardestelling van de aanwezige waarden, dan wel de inschatting van de te verwachten waarden. Zo is de vrijstelling voor Beleidscategorie 1 gebieden met een zeer hoge archeologische waarde: geen onderzoek bij oppervlakten kleiner dan 1 m2 en een diepte van 30 cm onder maaiveld, omdat beredeneerd kan worden dat in dergelijke gebieden al bij relatief kleine ingrepen mogelijk bijzondere archeologische waarden aangetast worden. Met het ruimere vrijstellingenbeleid buiten de categorie 1 gebieden kan bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak voor effectief archeologisch onderzoek worden verkregen. Bovendien is uit meerdere studies gebleken, dat onderzoeken op kleine oppervlakten in het buitengebied weinig archeologische informatie met meerwaarde opleveren.2
1 Artikel 41a Monumentenwet 1988. 2
Hazenberg et al. 2007. 1
1.3 Bevoegd gezag Tot 2007 was de provincie het bevoegd gezag aangaande archeologie binnen de gemeentegrenzen, met uitzondering van de beschermde archeologische rijksmonumenten. De gemeenten leunden als het ware op de provincie en de provinciaal archeoloog in het bijzonder. Vanaf de wijziging van de Monumentenwet in september 2007 is de gemeente bevoegd gezag geworden voor de meeste initiatieven, met uitzondering van ontgrondingen of gemeente-overstijgende projecten, zoals provinciale wegen. Dit betekent, dat de zorg voor het gemeentelijk bodemarchief niet langer vrijblijvend is, maar dat de gemeente verantwoordelijkheid heeft en moet nemen voor het behoud en beheer van het archeologisch en cultuurhistorisch erfgoed. Daarnaast stelt ook de nieuwe Omgevingswet dat de gemeenteraad bij het vaststellen van een bestemmingsplan of omgevingsplan rekening moet houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.
2 2.1
Het archeologische onderzoekstraject Algemeen
Archeologisch onderzoek in Nederland dient te worden uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De KNA is bindend en bevat alle eisen waaraan archeologisch onderzoek en het beheer van archeologisch vondst- en documentatiemateriaal minimaal moet voldoen. Ook de eisen waaraan de uitvoerders van het onderzoek moeten voldoen staan hierin vermeld. Dit geldt voor zowel de commerciële archeologische bedrijven als voor de (gravende) overheidsdiensten. Het archeologische traject is opgesplitst in een drietal stappen. De drie onderzoeksstappen bestaan achtereenvolgens uit een bureauonderzoek (stap 1), een Inventariserend Veldonderzoek (stap 2) en indien noodzakelijk, behoud van de vindplaats (stap 3). In het diagram in bijlage 9 is het gehele traject schematisch weergegeven. Elke door een archeologisch instelling uitgevoerde stap dient te resulteren in een KNA-conform onderzoeksrapport en bevat een selectieadvies waarin wordt toegelicht en onderbouwd of een vervolgonderzoek (in de vorm van een volgende stap) al dan niet noodzakelijk is. In met name de kleinere onderzoekslocaties kunnen evenwel stap 1 en 2 worden samengevoegd, met de resultaten van zowel het bureauonderzoek als het inventariserend veldonderzoek in één onderzoeksrapport. Dit is een veel gebruikte praktische oplossing om de (veelal particuliere) verstoorder niet onnodig op kosten te jagen.
De bevoegde overheid, meestal de gemeente, dient het onderzoeksrapport te toetsen en op basis van het selectieadvies een selectiebesluit te nemen waarmee een vervolgonderzoek al dan niet dient te worden uitgevoerd. De kosten voor archeologisch onderzoek vallen volgens het principe ‘de verstoorder betaalt’ toe aan de initiatiefnemer van een ontwikkeling waarbij het bodemarchief tot op het archeologisch niveau verstoord dreigt te worden. Dat dient initiatiefnemers te ontmoedigen om bodemingrepen te doen in archeologisch kwetsbare gebieden. Gaan de kosten uit boven de draagkracht van de aanvrager, dan zal moeten worden uitgeweken naar een andere locatie of dienen indien mogelijk alternatieve (goedkopere) maatregelen genomen te worden ter bescherming van de archeologische waarden, bijvoorbeeld door archeologievriendelijk te bouwen.
Vergunningstrajecten Indien bij de gemeente een vergunningaanvraag binnenkomt of indien de gemeente zelf plannen wil initiëren, dient het aan de archeologische beleidsadvieskaart gekoppelde bestemmingsplan/omgevingsplan te worden geraadpleegd om na te gaan of de aanvrager verplicht is om archeologisch onderzoek te laten verrichten of dat het betreffende terrein vrijgesteld is van archeologisch onderzoek. Om dit goed te kunnen beoordelen, zijn in deze paragraaf enkele nadere bepalingen uiteen gezet. • Bij het toetsen van omgevingsvergunningen op onderzoeksplicht is naast de verstoringsdiepte de oppervlakte waarbinnen bodemingrepen gaan plaatsvinden van belang. Met de oppervlakte wordt de som van de oppervlakken bedoeld waarbinnen bodemingrepen gaan plaatsvinden dieper dan de vrijstellingsgrenzen van 30 cm beneden maaiveld. • In het geval een ingreep niet onderzoeksplichtig is, geldt deze vrijstelling alleen voor de oppervlakte van de ingreep. Voor het overige deel van het plangebied blijft de dubbelbestemming ‘archeologie’ gelden. • In het geval dat na inventariserend onderzoek is gebleken dat binnen de ingreep geen vervolgonderzoek noodzakelijk is, geldt de vergunning alleen voor de oppervlakte van de ingreep. Voor het overige deel van het plangebied blijft de dubbelbestemming ‘archeologie’ gelden. 2
•
•
•
2.2
Indien binnen een gebied waarvoor een vergunning is aangevraagd meerdere archeologische waarden aanwezig zijn, dan geldt de onderzoeksplicht/vrijstellingsgrens behorend tot de hoogste waarde. In de vergunning wordt naast de verplichting tot onderzoek tevens de voorwaarde gesteld dat de vergunde werkzaamheden pas mogen worden gestart nadat het betreffende terrein door het bevoegd gezag is vrijgegeven. In het geval van een (definitieve) opgraving of opgraving/proefsleufonderzoek (variant archeologische begeleiding) mogen de vergunde werkzaamheden pas van start gaan op het moment dat aan de voorwaarde voldaan is dat het veldwerk conform het PvE is afgesloten en een bewijs van opdracht voor het vervaardigen van een rapport aan een erkend opgravingsbedrijf bij de gemeente is ingediend. Deze opdracht is gebaseerd op een door B&W en de depothoudende partij3 goedgekeurd evaluatieverslag/selectierapport van het veldwerk. Wanneer in de vergunning de voorwaarde is opgenomen dat technische maatregelen getroffen moeten worden om archeologische waarden ‘in situ’ te kunnen behouden, dient door specificatie van deze technische maatregelen te worden aangetoond dat sprake is van duurzaam behoud. Bureauonderzoek (stap 1)
Door middel van een bureaustudie, waarbij literatuur over landschappelijke ontwikkeling, historische gegevens en bekende archeologische waarden worden geraadpleegd, wordt een gespecificeerd verwachtingsmodel opgesteld. Aangezien een gemeentelijke verwachtingskaart aanwezig is, voorziet het raadplegen hiervan, inclusief achterliggende informatie, in hoge mate in de noodzakelijke informatie ten behoeve van een bureauonderzoek. De onderzoeksinspanning kan beperkt blijven. Desalniettemin dient in deze fase indien aanwezig lokaal aanwezige expertise (o.a. gemeentelijk archiefmedewerkers, amateurarcheologen en beroepsarcheologen) te raadplegen. Mogelijk dat zich recent verstoringen hebben voorgedaan die niet op de verwachtingskaart staan weergegeven. Binnen de historische kernen loont het altijd om het bouwarchief in te zien. Mogelijk zijn gebouwen onderkelderd waardoor de kans op het aantreffen van nog intacte archeologische vindplaatsen afneemt. Met name bij beekdalonderzoek is een uitgebreide bureaustudie relevant. Het kan leiden tot het beperken van het te onderzoeken areaal. Het bureauonderzoek resulteert derhalve in een gedetailleerd beeld van de betreffende locatie op basis waarvan een goed onderbouwd advies kan worden gegeven. Dit advies kan zijn dat geen of wel vervolgonderzoek noodzakelijk is.
Indien vervolgonderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek nodig is, dient te zijn vermeld middels welke methode. 2.3
Inventariserend Veldonderzoek (stap 2)
Bij het inventariserend veldonderzoek (IVO) wordt een veldonderzoek uitgevoerd dat is toegespitst op de kansrijke zones zoals deze uit het bureauonderzoek naar voren zijn gekomen. Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde verwachting middels waarnemingen in het veld, waarbij aanvullende informatie wordt verkregen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het onderzoeksgebied. Het inventariserend veldonderzoek resulteert in een rapport met een inhoudelijk (selectie-) advies. Op basis van dit rapport dient het bevoegd gezag een selectiebesluit te nemen. Het rapport dient te zijn uitgewerkt tot het niveau waarop het selectiebesluit gefundeerd genomen kan worden. Deze onderzoeksfase kan worden onderverdeeld in een drietal substappen, te weten de verkennende, karterende en waarderende fase. Het doel van een verkennende fase is het vaststellen van de intactheid van de bodem. Een karterende fase is gericht op de opsporing van archeologische vindplaatsen. In de waarderende fase wordt beoordeeld of de nieuwe vindplaats wel of niet behoudenswaardig is. Afhankelijk van de fase binnen het inventariserende onderzoek, de locatie, de bodemopbouw, de diepte van de te verwachten archeologische resten en het verwachte type vindplaats zijn verschillende onderzoeksmethoden mogelijk.
Hierbij moet gedacht worden aan een oppervlaktekartering, geofysisch onderzoek, een booronderzoek, een archeologische begeleiding of een proefsleuvenonderzoek. In onderstaande alinea’s zal kort worden ingegaan op de verschillende onderzoeksmethoden. In bijlage 10 is een samenvatting weergegeven van de onderzoeksrichtlijnen.
3 Indien de gemeente geen eigen depot heeft betreft de depothoudende partij de provincie Drenthe.
3
Verkennende fase De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden en om na te gaan of de verwachte bodemopbouw daadwerkelijk intact aanwezig is. Binnen de gemeente Vught kan het uitvoeren van een oppervlaktekartering in combinatie met een geoarcheologisch booronderzoek een zeer geschikte methode zijn voor de verkennende fase. Het doel hierbij is om binnen het plangebied kansarme zones uit te sluiten en kansrijke zones te selecteren voor vervolgonderzoek. Een dergelijke methode is zeer geschikt voor gebieden waar geen afdekkende laag wordt verwacht en waar archeologische indicatoren aan het oppervlak aanwezig zouden moeten zijn. Voorwaarde is echter wel dat de vondstzichtbaarheid aan het oppervlak goed is (geploegde akker). In het geval van bijvoorbeeld stuifzanden of de aanwezigheid van een esdek, is een verkennend booronderzoek een goede methode om te achterhalen wat de dikte van deze laag is en of nog een intacte bodem aanwezig is onder de afdekkende pakketten. Het verkennend veldonderzoek is extensief van karakter en derhalve relatief goedkoop. Er dient echter rekening te worden gehouden met het feit dat een verkennend veldonderzoek kan resulteren in een vervolgonderzoek in de vorm van een karterend dan wel waarderend veldonderzoek.
Indien middels een verkennend booronderzoek kan worden aangetoond dat een plangebied geheel is verstoord tot onder het niveau waarop archeologische resten worden verwacht, dan resulteert de verkennende fase in het geheel vrijgeven van een gebied. In bijlage 10 staan de richtlijnen weergegeven waaraan een verkennend onderzoek moet voldoen.
Karterende fase Tijdens de karterende fase wordt het plangebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen. Tot dusver bestaat een karterende fase meestal uit een booronderzoek, zo mogelijk aangevuld met een oppervlaktekartering. In bijlage 10 staan de richtlijnen weergegeven waaraan een dergelijk onderzoek moet voldoen. De voordelen van karterend booronderzoek bestaan uit het feit dat het snel uitgevoerd kan worden en in verhouding tot een proefsleuvenonderzoek goedkoop is. Van belang is ook dat het een non-destructief onderzoek betreft. Eventueel aanwezige vindplaatsen worden bij dit type onderzoek niet onnodig beschadigd. Het nadeel van karterend booronderzoek is dat dit type onderzoek niet geschikt is om vindplaatsen waarvan de archeologische resten voornamelijk uit grondsporen bestaan op te sporen. Grondsporen zijn middels een booronderzoek niet te traceren. Voorbeelden van dergelijke vindplaatsen zijn grafvelden of nederzettingen waar weinig of geen mobilia (meer) aanwezig zijn, zoals nederzettingen uit de metaaltijden. Ook voor stads- en dorpskernen is karterend booronderzoek ongeschikt. In dergelijke gevallen is karterend onderzoek door middel van proefsleuven (of proefputten) een betere methode. De nadelen van dergelijk onderzoek zijn echter de hogere kosten en de langere voorbereidingstijd.
Een voordeel is dat direct uitsluitsel verkregen wordt over de aanwezigheid van een vindplaats. Karterend proefsleuvenonderzoek kan, mits goed gecoördineerd, naadloos overgaan in waarderend proefsleuvenonderzoek waardoor binnen het gehele traject tijd gewonnen wordt. In bijlage 10 staan de richtlijnen weergegeven waaraan een dergelijk onderzoek moet voldoen.
Waarderende fase Indien tijdens de verkennende of karterende fase van het veldonderzoek een archeologische vindplaats is aangetroffen, is een waarderende fase noodzakelijk. Een dergelijke waarderende fase van het inventariserend veldonderzoek dient om meer duidelijkheid te verkrijgen over de aard, omvang, diepteligging, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten. Op deze wijze kan gekomen worden tot een waardebepaling van de betreffende site. Een waarderend inventariserend veldonderzoek bestaat meestal uit een proefsleuven/proefputten onderzoek. Alleen bij sommige steentijdsites is een waarderend booronderzoek een optie.4 Bij een waarderend onderzoek dient voor zover in dit stadium mogelijk de Nationale Onderzoeksagenda (NOaA) en indien beschikbaar, de provinciale en/of gemeentelijke onderzoeksagenda te worden betrokken. 5 Op basis van de waardestelling die uit het waarderend onderzoek naar voren is gekomen volgt een selectieadvies en selectiebesluit. Dit advies/besluit heeft betrekking op de volgende stap in het traject, namelijk behoud van de vindplaats (stap 3).
4
Dit geldt voornamelijk voor vindplaatsen uit het laat paleolithicum en het mesolithicum, aangezien sporen bij dergelijke sites slechts in beperkte mate voorkomen. 5 De gemeente Vught heeft momenteel geen onderzoeksagenda. 4
2.4
Behoud (stap 3)
Indien op basis van de waardering van een vindplaats wordt geadviseerd en besloten dat de vindplaats behoudenswaardig is, dan kan worden gekozen uit 2 vervolgstappen; behoud ter plaatse (in situ) of opgraven (behoud ex situ. Bij behoud in situ mag de aanwezige vindplaats niet worden verstoord en dient archeologievriendelijk gebouwd te worden. Soms kan een vindplaats nog worden ingepast in de plannen. In uitzonderlijke gevallen zal men de ontwikkeling niet voortzetten op het bewuste terrein. Bij behoud ex situ wordt de betreffende vindplaats niet in de bodem behouden, maar wordt de in de bodem aanwezige informatie door middel van een definitief onderzoek door documentatie en het bergen van vondsten veiliggesteld. Hierbij moet worden gedacht aan het opgraven van de vindplaats of aan een opgraving (variant archeologische begeleiding).
Behoud in situ Bij behoud in situ wordt de vindplaats behouden door planaanpassing, zodat de bodem niet verstoord wordt ter plaatse van de vindplaats dan wel tot op het archeologisch relevante niveau. Een dergelijk besluit is het beste instrument dat voorhanden is om een bijzondere vindplaats te kunnen beschermen. Het is tevens het meest ingrijpende instrument, aangezien het kan betekenen dat een geplande ontwikkeling niet door kan gaan, dan wel aangepast dient te worden. Logisch vervolg op een dergelijk besluit is een aangepaste inrichting, eventueel ook beheer, waardoor duurzaam fysiek behoud wordt bereikt. Tot slot is een administratieve vervolgmaatregel nodig, zodat bescherming via het bestemmingsplan (kenmerken als monument) wordt gerealiseerd.
Opgraven (behoud ex situ) Bij ‘definitief’ opgraven wordt de vindplaats opgegraven, waarbij relevante vondsten worden geborgen en sporen worden gedocumenteerd, ingetekend en gefotografeerd. Tevens worden monsters genomen van relevante contexten, die in aanmerking kunnen komen voor specialistisch onderzoek. Na de opgraving is het terrein in principe archeologie-vrij en zijn geen belemmeringen meer voor bodemverstorende activiteiten. Er zijn uitzonderingen, bijvoorbeeld als een terrein tot de geplande verstoringsdiepte wordt opgegraven en dus geen sprake is van volledige vrijgave. Voor de uitvoering van een opgraving is een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch PvE vereist. Een dergelijke vaak kostbare stap is een goede optie indien de archeologische vindplaats van dermate belang is dat de betreffende informatie niet verloren mag gaan, maar de geplande bouwwerkzaamheden economisch en maatschappelijk van dien aard zijn dat behoud in situ geen optie is.
Opgraving (variant archeologische begeleiding) Alleen in uitzonderlijke gevallen kan worden gekozen voor een opgraving, variant archeologische begeleiding. Mogelijke aanleidingen voor een begeleiding zijn: • •
•
wanneer als gevolg van fysieke belemmeringen geen mogelijkheid bestaat om adequaat vooronderzoek te doen; wanneer op grond van beschikbare informatie geconcludeerd is dat een opgraving niet (meer) nodig is, maar er wel behoefte is om die conclusie te staven. De begeleiding moet dan als een controlerend middel worden gezien; wanneer sprake is van bijzondere onderzoeksvragen bij uitvoeringstrajecten (bijvoorbeeld in de beekdalen).
Wanneer het gaat om een situatie dat de trefkans, verwachte omvang of complexiteit klein is, kan een opgraving (variant begeleiding) voor de vergunningvrager een aantrekkelijk alternatief zijn, omdat er tijden procedurewinst te halen is en op kosten van materieel bespaard kan worden. Men moet echter incalculeren dat dit ook kan tegenvallen, omdat men anders dan na een proefsleuvenonderzoek de duur van het onderzoek niet goed kan plannen. Bovendien kan bij het tevoorschijn komen van onverwachte contexten alsnog vertraging ontstaan. Archeologisch gezien is een opgraving (variant archeologische begeleiding) niet ideaal, maar onder strikte voorwaarden kan een begeleiding bij een laag archeologisch risico een aanvaardbare optie zijn. In beekdalsituaties is een opgraving (variant archeologische begeleiding) een goede optie omdat de trefkans gering is en de bodemgesteldheid preventief onderzoek vaak bemoeilijkt. Ook in het geval van de aanleg van kabels en leidingen is een opgraving (variant archeologische begeleiding) geschikt omdat het gaat om een lijnvormige verstoring die als een soort proefsleuf fungeert zonder dat deze leidt tot verbreding van het onderzoek. In de regel zullen sleuven voor kabels en leidingen echter te smal zijn om 5
zinvol archeologisch te kunnen begeleiden, vervanging van (diep)riolen en stadsverwarmingsbuizen zijn daarentegen wel zeer geschikt. In het geval van gas- en olieleidingen zijn de sleuven dermate breed dat regulier archeologisch onderzoek kan worden toegepast. In die gevallen waar bestaande bebouwing eerst nog gesloopt moet worden, kan men er voor kiezen om de sloop tot op of tot net onder het maaiveld door een archeoloog te laten begeleiden. Er wordt daarbij gekeken of archeologische resten aanwezig zijn. Bij aanwezigheid van archeologische resten mag op die locaties niet verder/dieper worden gesloopt. Als het puin is afgevoerd, kan dan op reguliere wijze proefsleuvenonderzoek plaats vinden. Uitgangspunt bij de uitvoering van een opgraving (variant archeologische begeleiding) is een goedgekeurd PvE. Een opgraving (variant archeologische begeleiding) wordt uitgevoerd onder het KNA protocol opgraven (indien er een sterk vermoeden bestaat dat archeologische resten aanwezig zijn). In andere gevallen kan ook gekozen worden voor een proefsleufonderzoek ((variant archeologische begeleiding). Afgezien van het bureauonderzoek kunnen en mogen gravende archeologische werkzaamheden alleen worden uitgevoerd door daartoe gecertificeerde bedrijven.6 2.5
Behoud ex situ
In artikel 50 van de Monumentenwet 1988 is vastgelegd dat vondstmateriaal dat tijdens archeologisch onderzoek wordt aangetroffen juridisch eigendom is van de depothouder. In de meeste gevallen is de provincie de depothouder. Alleen in die gevallen dat een gemeente een eigen depot heeft is de gemeente de eigenaar van het vondstmateriaal.7 Aangezien de gemeente Vught geen eigen depot heeft, geldt derhalve dat de provincie eigenaar is van alle tijdens archeologisch onderzoek aangetroffen vondstmateriaal binnen de gemeente Vught. In die hoedanigheid heeft de provincie als depothouder ook de bevoegdheid om eisen te stellen aan de wijze van levering van de vondsten aan het depot, de deselectie van het vondstmateriaal, de conservering en de tijdelijke opslag. Hiervoor zijn landelijke richtlijnen opgesteld die zijn opgenomen in de vigerende KNA, protocol 4010 depotbeheer en KNA 4.1 Landbodems, Wijzigingsblad.8 Een belangrijk aspect is dat de depothouder (provincie) op voorhand wordt geïnformeerd over gepland onderzoek door middel van het opsturen van het definitieve PvE.9 In het geval van de aanwezigheid en/of (de)selectie van vondstmateriaal dient de depothouder betrokken te worden bij het onderzoek, bijvoorbeeld middels overleg.
Het doel van depotbeheer is het duurzaam behoud van de informatie van archeologische monumenten ex situ, ten behoeve van toekomstig onderzoek en ten behoeve van de beleving van het cultureel erfgoed. Dit wordt onder meer bereikt door het op zodanige wijze bewaren en beheren van archeologische objecten en bijbehorende originele documentatie, dat de conditie van het materiaal zo stabiel mogelijk blijft en door het waarborgen van de toegankelijkheid van de ex situ bewaarde objecten en documentatie. Alle informatie die bij archeologisch onderzoek verzameld is, wordt volgens een voor professionals toegankelijk en logisch geordend systeem bewaard. Informatie bestaat uit vondsten, monsters en originele documentatie in woord en beeld. Alle materiaal staat geordend op een standplaats, waar zodanige condities heersen, dat vondsten, monsters en documentatie zo stabiel mogelijk kunnen worden bewaard. Tussen vondsten en bijbehorende documentatie moeten kruisverbanden te leggen zijn. 10 2.6
Vrijgeven
De resultaten van archeologisch onderzoek kunnen gedurende de stappen 1 en 2 ook resulteren in het vrijgeven van een plangebied. Er hoeven dan geen vervolgstappen te worden gevolgd en de geplande bodemingrepen kunnen zonder beperkingen ten aanzien van archeologische waarden worden uitgevoerd. Het ontbreken van archeologische waarden, bijvoorbeeld als gevolg van verstoringen, is een veel voorkomende reden voor het vrijgeven van een plangebied. Echter, het kan ook voorkomen dat een vindplaats van dermate marginale betekenis is, of zodanig is verstoord, dat verder onderzoek een te laag kennisrendement oplevert. In die gevallen is verder onderzoek of bescherming niet noodzakelijk. Bij een 6 Een archeologisch bureau zal in de regel echter geen onderzoek uitvoeren op basis van een bureauonderzoek dat is
opgesteld door een niet archeologisch deskundige instelling/persoon. 7 In situaties waar de vondsten gedaan worden op grondgebied dat tot geen enkele gemeente behoort (nv. het Nederlandse deel van het continentaal plat in de Noordzee), is de staat eigenaar. 8 Dit protocol is via http://www.sikb.nl in te zien. 9 Dit geldt niet voor onderzoek waarvoor geen PvE is vereist, zoals bureau- en booronderzoek. 10 KNA 4.1, protocol 4010 depotbeheer. 6
dergelijk negatief selectieadvies kan ervoor worden gekozen om de vindplaats door lokale amateurarcheologen te laten onderzoeken, bijvoorbeeld via een gemeentelijk protocol. Hiervoor is toestemming van de RCE vereist en ook dan geldt een rapportageplicht. 2.7
Het selectiebesluit
Om de regierol over het archeologisch erfgoed van de gemeente goed te kunnen vervullen, kan de gemeente gebruik maken van een archeologisch adviseur, in het geval van de Gemeente Vught is dat een regioarcheoloog werkzaam bij Erfgoed s’-Hertogenbosch. Hij/zij kan adviseren over de goedkeuring van de wettelijk verplichte Programma’s van Eisen (PvE’s) voor sleuvenonderzoek, begeleidingen en opgraving, inhoudelijk overleg met aanvragers en bureaus, het beoordelen van concept-rapportages, de goedkeuring van definitieve rapportages van onderzoek. Hij/zij kan ook adviseren over te nemen selectiebesluiten aan het college, al dan niet via de ambtenaren belast met Erfgoed in de gemeente. Een rapportage van een inventariserend (veld)onderzoek wordt afgesloten met een aanbeveling of selectieadvies, zoals het vrijgeven van het terrein, het adviseren van nader onderzoek of het pleiten voor behoud in situ. Hierop dient het bevoegd gezag (het college van B&W) een besluit te nemen. De genoemde adviseur speelt hierin een adviserende rol.
Aanvullend op het bovenstaande en de onderzoeksadviezen van de beleidskaart is het gewenst dat het onderzoek betreffende het gemeentelijk erfgoed wordt uitgevoerd op grond van de KwaliteitsNorm Archeologie (KNA, meest actuele versie).11 Omdat de KNA alleen bindend is voor de archeologische beroepsgroep, dient de gemeente expliciet de KNA in haar beleid op te nemen om ook opdrachtgevers aan de KNA te verbinden, zodat zij deze ook op het naleven hiervan kan aanspreken. Hierdoor wordt een minimum kwaliteit van het archeologisch onderzoek in de gemeente gerealiseerd. 2.9
Extra beschermingsmaatregelen
Verordening Bij verordening kan de raad regels vaststellen die extra bescherming geven aan het archeologische erfgoed. Hierbij kan gedacht worden aan maatregelen om bij bouwplannen een archeologievriendelijke fundering toe te passen. Maar ook het in de APV opnemen van een verbod om een metaaldetector te gebruiken op archeologierijke terreinen kan als maatregel worden ingezet.
Gemeentelijke archeologische monumenten De gemeenteraad heeft de bevoegdheid om gemeentelijke monumenten aan te wijzen. Tot nu toe is daar niet voor gekozen en wordt het erfgoed op de meeste terreinen via het bestemmingsplan planologisch beschermd. Het verdient aanbeveling om terreinen van zeer hoge archeologische waarde (beleidscategorie 1) daarvoor in aanmerking te laten komen. Die terrein zouden na advisering en beoordeling door een commissie opgenomen kunnen in de gemeentelijke monumentenverordening of de erfgoedverordening. Daarin zouden bijvoorbeeld ook bijzondere cultuurhistorische waarden (bijvoorbeeld beeldbepalende panden) beschermd kunnen worden als dat nog niet in bestemmingsplannen is geregeld. Bij plotseling geconstateerde cultuurhistorische waarden is een procedure tot aanwijzing van gebouwen of terreinen tot gemeentelijk monument relatief sneller, dan het effectueren een beschermende regeling via het bestemmingsplan. In dat opzicht kan de aanwijzing als gemeentelijk monument ook worden gezien als een soort vangnetconstructie. Bij de omvorming van een al bestaande monumentenverordening naar de erfgoedverordening is het mogelijk gewenst om de aanwijzingsmogelijkheid uit te breiden naar gemeentelijke archeologische monumenten.
3
Publieksbereik
11
Dit is een landelijk geldende minimumnorm, die beschrijft hoe archeologische onderzoeksprocessen er uit moeten zien en de rollen van de verschillende spelers in het veld (archeologische bedrijven, opdrachtgevers van onderzoek, bevoegd gezag en depothoudende partijen). De KNA wordt regelmatig geactualiseerd en is raadpleegbaar op www.SIKB.nl.
7
3.1 Publieksontsluiting Onder publieksontsluiting wordt het geheel van maatregelen, die dienen om de bevolking en geïnteresseerden kennis te laten maken met het archeologisch erfgoed en de onderzoeken dien aangaande, verstaan. Hiermee kan draagvlak worden verkregen voor de soms hoge kosten die vaak gemoeid zijn met archeologisch onderzoek en beheer. Publieksontsluiting kan een grote rol spelen bij de bewustwording over erfgoed in de gemeente Vught, specifiek waar het gaat om archeologie en cultuurhistorie. Bij toekomstige mogelijkheden voor publieksontsluiting kan worden gedacht aan de volgende punten: • Archeologische onderzoeken via digitale kaart ontsluiten Op de archeologische beleidsadvieskaart kunnen de onderzoeksgebieden als punt of vlak worden aangegeven. Met een link kan het onderzoeksrapport daaraan opgehangen worden.
• Cultuurhistorische waardenkaart In 2015 is in een gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart gemaakt, die de bovengrondse cultuurhistorische waarden inzichtelijk maakt.12 Deze kaart zal middels de gemeentelijke website voor het publiek worden ontsloten; • Gemeentelijk beleid uitdragen Het gemeentelijke erfgoedbeleid kan via de gemeentelijke website voor het publiek worden ontsloten; • Educatieprogramma erfgoed Via de programmabegrotingen van cultuur en toerisme zou geld gereserveerd kunnen worden om het Erfgoed van Vught meer voor het voetlicht te brengen, bijvoorbeeld door lespakketten te maken, toeristische routes uit te zetten met aandacht voor vindplaatsen etc. • Het verbeelden van erfgoed Bij de inrichting van nieuwe gebieden kan eventueel aangetroffen archeologisch erfgoed ingepast worden en/of bovengronds verbeeld worden, of worden aangegrepen om de inrichting van de locatie aan te passen. Op die wijze kan archeologisch erfgoed als inspiratiebron voor de toekomst dienen en een nieuw te ontwikkelen gebied identiteit verlenen. • Vughts Museum en Archeologisch Depot voor Bodemvondsten Noord-Brabant In het Vughts Museum zijn al enkele vondsten uit de gemeente Vught structureel tentoongesteld. In het Archeologisch Depot voor Bodemvondsten Noord-Brabant wordt de provinciale collectie archeologie bewaard.
De provincie werkt meestal van harte mee om vondsten uit te lenen voor gemeentelijke exposities. • Vitrine gemeentehuis In de hal van het gemeentehuis zou met behulp van een vitrine permanente aandacht kunnen worden besteed aan het cultuurhistorische en archeologische erfgoed. • Folders Historische verenigingen hebben een belangrijke rol in het uitdragen van de lokale geschiedenis binnen de gemeente. Zij doen dit middels het organiseren van excursies en lezingen, soms ook door het uitbrengen van tijdschriften. Het themanummer Vughtse Schatten uit 202o is daar een mooi voorbeeld van.
3.2 Inzet amateur-archeologen en -historici Daar waar het professionele onderzoek ophoudt (bijvoorbeeld na een selectieadvies en -besluit tot vrijgave van een terrein) kan op advies van de archeologisch adviseur een amateur-archeoloog worden ingezet. Inzet van amateurarcheologen om de kosten van regulier onderzoek te drukken, is overigens niet toegestaan vanwege marktverstorende effecten. In een protocol kan worden opgenomen voor welke situaties dit kan gelden, hoe het proces in werking treedt en onder welke voorwaarden de amateur zijn werk dient te verrichten. De provinciaal archeoloog of regioarcheoloog heeft hierin eveneens een rol. Als de gemeente opdrachtgever is van een archeologisch onderzoek, kan zij het uitvoerend bureau opdragen amateur-archeologen bij het onderzoek te betrekken. Zij werken dan onder verantwoordelijkheid van het uitvoerende bureau. Door hun gebiedskennis kunnen amateur-archeologen een bijdrage leveren aan het onderzoek en binnen de gestelde kaders meedoen bij het uitdragen van archeologische kennis naar het publiek. 12
Berkvens en Leenders 2015a, b. 8