Bijlage - BUCA Martinilaan 8 (Martinihal)
Tekst van het document
Investeringskosten (€) incl. BTW
Dekking van de investering (€) incl. BTW
€ 3.000.000
Terugverdientijd bouwkosten (jaren)
€ 2.000.000
80 70
€ 2.500.000
€ 1.500.000
60
€ 2.000.000
50
€ 1.000.000 € 1.500.000
40 € 500.000
€ 1.000.000
30 20
€-
€ 500.000
Rendabel
€NOM
Gebouw Adres Vloeroppervlakte Bouwjaar Energielabel
Martinihal Martinilaan 8 2484 1985 G
Advies bouwteam Voor elke locatie worden twee modellen uitgewerkt Streven Nul Op de Meter (NOM) en een model Meeste Besparing per Euro (MBE), het MBE model vraagt een lagere investering maar bespaart ook minder CO2. Per gebouw geeft het bouwteam een advies wat zij voor deze locatie het meest geschikte model vinden. Het gebouw heeft een slecht energielabel maar verbruikt - naar rato van de omvang - relatief minder gas. Dit komt doordat de binnentemperatuur in de sporthal doorgaans lager ligt en hierdoor minder verwarmd wordt dan in gebouwen met een andere verblijfsfunctie.
De bouwkosten hebben het grootste aandeel in de investeringskosten. Met name de vervanging van de gevel en het dak. Dit is nodig om het gebouw op goede wijze te kunnen isoleren en om de nieuwe PV panelen te kunnen bevestigen. Het de gebouwschil wordt hierdoor meteen vernieuwd en onderhoudsarm. Het verschil tussen NOM en MBE ontstaat doordat in model MBE de gasketel voor verwarming blijft zorgen en de gebouwschil niet geisoleerd wordt. In model NOM wordt een warmtepomp geplaatst voor warmwater en verwarming, gekoppeld aan nieuwe luchtbehandelingskasten met warmteterugwinning, hier blijft de ketel alleen behouden als backupvoorziening voor extreme koude. Er is een accuopslag nodig i.v.m. netcongestie omdat de bestaande aansluiting onvoldoende capaciteit heeft om de nieuwe installaties te laten draaien.
Het NOM-scenario past beter bij de langetermijnambitie van de gemeente om alle gebouwen uiterlijk in 2030 zo goed als fossielvrij te hebben, echter de kosten voor de gebouwaccu zijn voor deze locatie dermate hoog, dat zij niet opwegen tegen het restverbruik gas t.o.v. het MBE-scenario. Het advies is om hier te wachten op het natuurlijke vervangingsmoment van de ketel en het oplossen van de netcongetie problemen zodat het gebouw ineens gasloos gemaakt kan worden zonder inzet van een gebouwaccu. Aandachtspunt is wel dat dan ook de gehele gevel nog geisoleerd dient te worden wat nogmaals een overlastmoment voor het gebruik met zich meebrengt. Op basis van bovenstaande en kosten-baten overwegingen adviseert het bouwteam om te kiezen voor het MBE-scenario. Deze variant biedt een toekomstbestendige oplossing wanneer deze vanuit het MJOP op een natuurlijk vervangingsmoment van de ketel over enkele jaren alsnog naar NOM wordt gebracht, MBE heeft een lagere investering en kan mogelijk deels worden gedekt via de DUMAVA-subsidie. Deze subsidiekans is in de BUCA's nog niet opgenomen omdat het onzeker is of de subsidie wordt toegekend.
MBE
(Rest)Verbruik Gas (m3)
(Rest)Verbruik Elektriciteit (kWh) 100.000 80.000
15.000
50% 40%
60.000
10.000
30% 20%
40.000
5.000
20.000
10% 0
0% NOM
Nul Op de Meter (NOM) is nu nog geen verplichting waaraan gemeenten moeten voldoen. Wel moeten alle gebouwen klimaatneutraal zijn in 2050. Voor 2030 is een richtlijn geformuleerd dat minimaal 40% CO2 reductie op het vastgoed wordt behaald in 2030. Gemeente Vught heeft als doel om voor 2030 al haar gebouwen te verduurzamen zodat deze geen of zo min mogelijk fossiele brandstoffen gebruiken. Wanneer gebouwen geen elektra of gas meer gebruiken voldoen deze aan de NOM doelstelling. In het MBE model blijft het grootste deel van het gasverbruik behouden. Dit betekent dat voor 2050 alsnog de ingreep en investering naar gasloos moet worden doorgevoerd door plaatsing van een warmtepomp en isoleren van de gevels. Een logisch moment is om dit te doen vanuit het MJOP op het natuurlijke vervangingsmoment van de ketel en de netcongestie problematiek mogelijk verholpen is.
0 Huidig
MBE
NOM
MBE
Huidig
Gasverbruik hier wordt getoond wat het huidige gasverbruik is van het gebouw voor de verduurzaming en hoeveel van het gasverbruik nog resteert nadat de verduurzaming heeft plaatgevonden. In het geval van NOM is het gebouw gasloos zonder gasaansluiting. In het model MBE blijft het grootste deel het gasverbruik behouden, doordat de gasketel behouden blijft. Het voordeel hiervan is dat de investering lager is dan direct naar een all-electric oplossing te gaan. Het nadeel is dat er nog steeds gas verbruikt wordt tot het moment dat de netcongestie problemen zijn opgelost en de gebouwaansluiting genoeg vermogen kan leveren voor de warmtepomp.
3 2
Salderen energieopwekking PV 3,5
3
3
2,5
2,5
2
2
1,5
1,5
1
1
0,5
0,5
0
0 MBE
Netcongestie Hier wordt het mogelijke risico a.g.v. netcongestie problemen aangegeven. Omdat gebouwen in het geval van NOM all-electric verwarmd moeten worden moet dit of op de bestaande elektra aansluiting mogelijk zijn of moet er de mogelijkheid zijn om De bestaande elektra aansluiting te verzwaren. Op deze locatie is het niet mogelijk om all-electric te gaan verwarmen met een warmtepomp in de wintermaanden. Dit risico wordt opgelost door het plaatsen van een gebouwaccu die laadt wanneer er capaciteit is op het net en wanneer er teveel vraag is van de warmtepomp dan kan het tekort aan elektriciteitsvraag door de gebouwaccu worden aangevuld. Op het moment dat de netcongestie problemen op deze locatie zijn opgelost kan de accu op andere locaties worden heringezet. In het MBE-scenario is er ook een risico, op sommige momenten is er bij de netbeheerders ook al sprake van invoedingscongestie, waarbij er door een overschot aan zonnestroom in het gebied niet teruggeleverd kan worden. (Factor 0 = geen risico| Factor 5 = maximaal risico)
MBE
gasverbruik (alleen bij extreme koude als backup), echter doordat de verwarming elektrisch wordt uitgevoerd door een warmtepomp ontstaat een meerverbruik voor elektra. Hiervoor worden aanvullende zonnepanelen geplaatst, echter lukt het niet om alle elektra op te wekken met het beschikbare oppervlak voor PV panelen . In het MBE model is er geen sprake van een warmtepomp en is er geen sprake van restverbruik elektra. Hierbij is uitgegaan van de huidige salderingsregeling.
1
NOM
NOM
Elektraverbruik hier wordt getoond wat het huidige elektraverbruik is van het gebouw voor de verduurzaming en hoeveel van het elektraverbruik nog resteert nadat de verduurzaming heeft plaatgevonden. In het geval van NOM is er geen sprake meer van
Overlast voor gebruiker 3,5
4
Spouwmuurisolatie in de metselwerk gevels Isoleren panelen in kozijnen Vervangen beglazing voor HR++ en kierdichtingen Vervangen bestaande PV voor hoger rendement Luchtbehandelingskasten met warmteterugwinning Verlichting vervangen door LED verlichting in kantine Hoofdverdeelkast vervangen voor nieuwe installaties
NOM
20.000
60%
5
Isoleren en vernieuwen van het dak Isoleren en vernieuwen van de staalplaat gevels Spouwmuurisolatie in de metselwerk gevels Isoleren panelen in kozijnen Vervangen beglazing voor HR++ en kierdichtingen Vervangen bestaande PV voor hoger rendement Aanvullende PV panelen op de schuine daken Verwarming en tapwater met warmtepomp Luchtbehandelingskasten met warmteterugwinning Warmteterugwinningsysteem kleedkamers Elektrische opslag in gebouwaccu (i.v.m. netcongestie) Verlichting vervangen door LED verlichting in kantine Hoofdverdeelkast vervangen voor nieuwe installaties
10 0
MBE
De Terugverdientijd is de tijdsduur in jaren die het duurt om de bouwkosten terug te verdienen door lagere energiekosten. In deze berekening wordt uitgegaan van de gemiddelde energietarieven van afgelopen jaar (bron: CBS). De terugverdientijd ligt hoger dan de technische levensduur (vaak 20 jaar voor installaties en vaak 40 jaar voor bouwkundige onderdelen). Er is in de berekening geen rekening gehouden met mogelijke stijging van energietarieven in de toekomst, dit is afgelopen jaren wel de trend geweest waardoor de terugverdientijd in de praktijk korter kan zijn. De vervanging van installaties binnen de terugverdientijd is onderdeel van het normale onderhoud, de besparingen blijven doorlopen na vervanging. De kosten voor vervanging worden gedekt door het MJOP. NOM voorkomt dat we over tien tot twintig jaar opnieuw ingrijpend moeten investeren om aan wetgeving of klimaatdoelen te voldoen.
Netcongestie problemen
Maatregelen MB/€
Subsidies
25.000
80%
6
Maatregelen NOM
MJOP
De Dekking van de investering is opgebouwd uit vier dekkingsbronnen. Het rendabele deel is wat terugverdiend wordt door een lagere energierekening. Bij externe huurders wordt hiervoor een huuropslag in rekening gebracht, in ruil hiervoor krijgen zij lagere energielasten. Wanneer gebouwonderdelen vernieuwd of vervangen worden, bijvoorbeeld een ketel die vervangen wordt door en warmtepomp, dan wordt het deel dat in de MeerJaren Onderhouds Plannning gerserveerd was voor vervanging van de ketel toegevoegd aan de businesscae. Subsidies zijn alleen de subsidies die daadwerkelijk zijn toegekend. Als de Raad een keuze voor model heeft gemaakt kan de DUMAVA subsidie voor verduurzaming worden aangevraagd, hier wordt in de BUCA nog niet van uitgegaan. Deze subsidie kan tot 20% van de bouwkosten dekken. Het deel wat resteert is het onrendabele deel van de investering die nodig is om tot NOM of MBE te komen.
Benadering doelstelling NOM in 2030 90% 70%
Het MBE-scenario gaat gepaard gaat met een lagere investering en is financieel aantrekkelijker op de korte termijn, omdat de netcongestie problemen ervoor zorgen dat volledig NOM nog niet haalbaar is, tenzij geinvesteerd wordt in een zeer kostbare gebouwaccu. Het MBE model laat wel het grootste deel van het gasverbruik intact, dit blijft het geval totdat de netcongestie problemen zijn opgelost. Vanaf dat moment kan wel een NOM oplossing gerealiseerd worden.
NOM
MBE
Investeringskosten zijn de totale kosten om de veduurzaming te kunnen realiseren. Naast de bouwkosten bestaan deze ook uit voorbereidingkosten zoals berekeningen en ontwerpkosten, begeleidingskosten, onderzoeken, vergunningen, onvoorzien en leges.
Onrendabel
0 NOM
MBE
Overlast Tijdens de realisatie van de verduurzamingsmaatregelen blijven de gebouwen zoveel mogelijk in gebruik. Overlast wordt zoveel als mogelijk beperkt voor de gebruiker maar zal altijd aanwezig zijn. Voor deze locatie is overlast in beide modellen redelijk. Werkzaamheden met een grote impact vinden vooral aan de buitenzijde van het gebouw plaats. Gezien de functie van het gebouw zullen de overlast gevende werkzaamheden zoveel mogelijk in het zomerreces moeten plaatsvinden, wanneer verenigingen en scholen geen gebruik maken van de sporthal. Minder overlast gevende maatregelen kunnen wel tussen het reguliere gebruik door worden uitgevoerd. Realisatie in een zomerperiode betekent wel dat de verduurzaming gefaseerd wordt uitgevoerd en daardoor over een langere periode verspreid wordt voordat alle duurzaamhedismaatregelen worden opgeleverd. Het MBE model geeft iets minder overlast a.g.v. een kortere bouwtijd en het niet hoeven isoleren van de gevel. (Factor 0 = geen overlast | Factor 5 = maximaal overlast)
NOM
MBE
Risico's In de businesscae wordt gerekend met huidige energietarieven en mogelijkheden voor teruglevering. Op dit moment is teruglevering mogelijk door de huidige Salderingsregeling. Deze regeling stopt in 2027. Vanaf dan zal salderen niet meer mogelijk zijn en zal er een vergoeding voor teruglevering worden betaald. Op dit moment is het nog niet bekend hoe deze vergoeding eruit komt te zien. Mogelijk leidt dit tot een lagere financiele opbrengst uit de opgewekte zonne-energie en zorgt dit voor een langere terugverdientijd. In het model van NOM is er een gebouwaccu aanwezig, deze kan in dit geval ook worden ingezet om stroom op te slaan. Voor beide gevallen is dit een risico, voor model NOM is dit risico groter omdat hier meer zonnepanelen worden geplaatst.
(Factor 0 = geen risico | Factor 5 = maximaal risico)