CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Bijlagen Welstandsnota Helvoirt gemeente Vught

Raadsvergadering 2 maart 2023, gemeente VughtBij agendapunt: Vaststellen Welstandsnota Helvoirt, gemeente Vught, beeldkwaliteitsplannen, typologiekaart en overige bijlagen3.679 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

BIJLAGEN

Inhoudsopgave

BIJLAGEN Bijlage 1: Bebouwingskenmerken Bijlage 2: Begrippenlijst Bijlage 3: Monumentenlijst Bijlage 4: Historische boerderijen

pagina

1 2 2 15 18

Bijlage 1: Bebouwingskenmerken

Bijlagen

1

Bijlage 2: Begrippenlijst

2

Bijlagen

Bijlage 2: Begrippenlijst Aanbouw:

een grondgebonden toevoeging van een afzonderlijke ruimte aan een hoofdgebouw; deze toevoeging heeft een directe verbinding met dit hoofdgebouw; de toevoeging is in bouwkundig opzicht ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

Aangekapt:

met kap bevestigd aan dakvlak.

Aardtinten:

roodbruine tinten.

Achtererfgebied:

erf aan de achterkant en aan de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant van het hoofdgebouw;

Achterkant:

de achtergevel, het achtererf en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) niet gekeerd is naar de weg of openbaar groen.

Afdak:

dak dat is aangebracht tegen een muur of gebouw om tegen neerslag te beschermen.

Afstemmen:

in overeenstemming brengen met.

Antennedrager:

antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne.

Antenne-installatie: installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie. Asymmetrische kap: zadeldak met twee ongelijke dakvlakken. Authentiek:

Bijlagen

Overeenstemmend met het oorspronkelijke, origineel, eigen kenmerken dragend, oorspronkelijk.

3

Bebouwing:

één of meer gebouwen en/of andere bouwwerken.

Bedrijfsbebouwing: gebouwen ten behoeve van bedrijven zoals hallen, werkplaatsen en loodsen, hebben meestal een utilitair karakter. Behouden:

handhaven, bewaren, in stand houden.

Belendend: Beschermd stadsof dorpsgezicht:

naastgelegen, (direct) grenzend aan. gebied dat vanwege de ruimtelijke of cultuurhistorische waarde is aangewezen tot beschermd gebied krachtens de Monumentenwet 1988

Bestemmingsplan: door de gemeenteraad vastgesteld plan als bedoeld in artikel 10 WRO waarin gebruik van grond en bebouwingsvoorschriften zijn vastgelegd. Bestrating: Bijbehorend bouwwerk:

Bijgebouw:

verharding zoals straatstenen of tegels.

Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw of ander bouwwerk met een dak; een gebouw, dat in bouwkundig en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en ten dienste staat van dat hoofdgebouw; een bijgebouw kan zowel vrijstaand zijn als niet-vrijstaand (aangebouwd) zijn; een bijgebouw heeft geen directe verbinding met het hoofdgebouw.

Blinde muur / gevel: gevel of muur zonder raam, deur of andere opening. Boeiboord:

opstaande kant van een dakgoot of dakrand, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal.

4

Bijlagen

Boerderij:

gebouw of gebouwen op een erf met een (oorspronkelijk) agrarische functie en het daarbij behorende woonhuis.

Bouwblok:

een aan alle zijden door straten, wegen of groen begrensde groep gebouwen, die een stedenbouwkundige eenheid vormt.

Bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk.

Bouwlaag:

verdieping van een gebouw.

Bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het bestemmingsplan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan.

Bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

Bovenbouw:

het bovendeel van een gebouw; heeft meestal betrekking op de schuine kap van een huis met de daarbij behorende kopgevels.

Buitengebied:

buiten de bebouwde kom gelegen gebied, ook wel landelijk gebied genoemd.

Bungalow:

meestal vrijstaande woning waarvan alle vertrekken op de begane grond zijn gesitueerd.

Buurtschap:

verzameling woningen of boerderijen buiten de bebouwde kom.

Conformeren:

zich voegen naar, gelijkvorming maken, aanpassen aan, afstemmen op.

Context:

omgeving, situatie, geheel van omringende ruimtelijke kenmerken.

Bijlagen

5

Contrasteren:

een tegenstelling vormen.

Dak:

afdekking van een gebouw, vlak of hellend dak, waarop dakbedekking is aangebracht.

Dakbedekking:

materiaal en constructie waarmee een dakvlak is afgedekt om te voorkomen dat er water binnenkomt.

Dakbeschot:

bedekking van een kap, bestaande uit planken of delen, die over de gordingen of de daksparren zijn aangebracht.

Dakhelling:

de hoek van het dak.

Dakkapel:

uitbouw op een hellend dakvlak.

Dakopbouw:

een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok van het dak, die het silhouet van het oorspronkelijke dak verandert.

Daknok:

hoogste punt van een schuin dak.

Dakraam:

raam in een hellend vlak.

Dakvlak:

een vlak van het dak/kap.

Dakvoet:

laagste punt van een schuin dak.

Damwandprofiel:

metalen beplatingsmateriaal met een damwandprofilering.

Detail:

ontmoeting van verschillende bouwdelen zoals gevel en dak of gevel en raam.

Detaillering:

uitwerking, weergave van de verschillende onderdelen c.q. aansluitingen.

6

Bijlagen

Diversiteit:

verscheidenheid, afwisseling, variatie.

Ensemble:

architectonische en stedenbouwkundige compositie van meerdere panden.

Erf:

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden

Eerste verdieping:

tweede bouwlaag van de woning of het woongebouw, een souterrain of kelder niet daaronder begrepen.

Erker:

kleine toevoeging van ten hoogste één bouwlaag aan de gevel van een gebouw, meestal uitgevoerd in hout en glas.

Flat:

groot gebouw met meerdere verdiepingen/woonlagen. De appartementen in de flat zijn meestal gelijkvloers en worden op hun beurt flat/flatjes genoemd.

Galerij:

gang aan de buitenkant van een (flat)gebouw die toegang verschaft tot de afzonderlijke woningen.

Gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Geleding:

verticale of horizontale indeling van de gevel door middel van inspringingen.

Gepotdekseld:

horizontaal gedeeltelijk over elkaar vallende gevelbeplating (oorspronkelijk houten planken).

Gevel:

buitenmuur van een gebouw (afhankelijk van de plaats de voor-, zij- of achtergevel).

Bijlagen

7

(Gevel)geleding:

onderverdeling van de gevel in kleinere vlakken. Verticale, horizontale of figuratieve indeling van de gevel door middel van gevelopeningen, metselwerk, inspringingen of andere gevelkenmerken en -detailleringen.

Goot:

waterafvoer, veelal tussen gevel en dakvlak.

Gootklos:

in de muur bevestigd stuk balk te ondersteuning van een goot.

Gootlijn:

veelal horizontale lijn die een goot of meerdere goten aan de gevel vormen.

Groengebied:

gebied met veel beplanting zoals parken, plantsoenen, sportterreinen en natuurgebieden.

Hoekaanbouw:

grondgebonden toevoeging meestal van één bouwlaag aan de hoek van een gebouw.

Hoofdgebouw:

gebouw of gedeelte daarvan dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

Hoogbouw:

gebouwen van meer dan vier lagen.

Individueel gebouw: zelfstandig, op zichzelf staand gebouw. Industriegebied:

gebied bestemd voor de vestiging van industrie.

Installatie:

set van elektrische beeld- en/of geluidsapparatuur, het aanbrengen van technische toestellen (montage) en/of deze toestellen zelf.

Kap:

samenstel van houten, ijzeren of betonnen onderdelen dat de dakbedekking draagt.

Kavel:

grondstuk, kadastrale eenheid.

Kern:

centrum van een dorp of stad.

8

Bijlagen

Kop:

in het algemeen gebruikt om de smalle kant van een rechthoekige vorm aan te duiden, bijvoorbeeld een gebouw.

Kortgevelboerderij: Een type boerderij die veelvuldig in Brabant voorkomt. De kortgevelboerderij heeft dezelfde kenmerken als de eveneens veelvuldig in Brabant voorkomende langgevelboerderij. Bij de kortgevelboerderij zit de voordeur alleen niet, zoals bij de langgevelboerderij het geval is, in de lange gevel maar in de korte gevel. Laag:

zie bouwlaag.

Laagbouw:

gebouwen van één of twee lagen.

Landelijk gebied:

zie buitengebied.

Latei:

draagbalk boven gevelopening.

Lessenaarsdak:

dak met één hellend, niet onderbroken, dakvlak.

Lijst:

een meestal versierde en geprofileerde rand als bekroning van de bovenzijde van een gevel.

Lint:

langgerekte weg met daarlangs bebouwing.

Luifel:

een plat uitgebouwd afdak, vaak boven een deur.

Maaiveld:

bovenzijde van het terrein dat een bouwwerk omgeeft, de grens tussen grond en lucht.

Mansardekap:

dakvorm waarbij het onderste deel van het dak steiler is dan het bovenste deel waardoor ene geknikte vorm ontstaat.

Markies:

opvouwbaar zonnescherm.

Bijlagen

9

Massa:

volume van een gebouw of bouwdeel.

Metselverband:

het zichtbare patroon van metselwerk.

Middenstijl:

verticaal deel in het midden van een deur- of raamkozijn.

Monument:

aangewezen onroerend goed als bedoeld in de Monumentenwet 1988 of als bedoeld in een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening voorzover aanwezig op het tijdstip van het ter inzage leggen van het ontwerp van deze welstandsnota.

Muurdam:

penant, gedeelte van een muur tussen twee openingen (vensters of deuren) waarvan de hoogte groter is dan de breedte.

Negge:

het vlak c.q. de maat tussen de buitenkant van de gevel en het kozijn.

Nok:

horizontale snijlijn van twee dakvlakken, de hoogste lijn van het dak.

Onderbouw:

het onderdeel van een gebouw, heeft meestal betrekking op de begane grond van een huis met een zadeldak.

Ondergeschikt:

voert niet de boventoon.

Ontsluiting:

de toegang tot een terrein of een gebouw.

Oorspronkelijk:

origineel, aanvankelijke vorm, authentiek.

Oorspronkelijke gevel:

gevel van een gebouw zoals deze oorspronkelijk (ten tijde van de oplevering van het gebouw) was.

10

Bijlagen

openbaar toegankelijk gebied:

weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer;

Openbaar groen:

met het openbaar groen wordt bedoeld hetgeen daaronder in het normale spraakgebruik wordt verstaan, zoals parken plantsoenen en speelveldjes, die het gehele jaar (of een groot deel van het jaar) voor het publiek toegankelijk zijn. Een weiland, bossage of water kan in dit verband niet worden aangemerkt als openbaar groen.

Oriëntatie:

de richting van een gebouw.

Overstek:

bouwdeel dat vooruit steekt ten opzichte van het eronder gelegen deel.

Paneel:

rechthoekig vlak, geplaatst in een omlijsting.

Parcellering:

indeling in percelen.

Penant:

gemetselde steunpilaar van het fundament van een gebouw. Gedeelte van een gevel tussen twee openingen (vensters of deuren) waarvan de hoogte groter is dan de breedte.

Pilaster:

weinig uitspringende muurpijler, die dient om een boog of hoofdgestel te dragen.

Plaatmateriaal:

bouwmateriaal dat in plaatvorm geleverd wordt, zoals hout (triplex en multiplex), kunststof (o.a. trespa) of staal (vlak of met profiel).

Planmatige bebouwing:

Bijlagen

groep gebouwen herkenbaar uitgevoerd volgens een vooraf opgesteld stedenbouwkundig c.q. architectonisch plan.

11

Plasticiteit:

ruimtelijkheid in de gevel, uitspringende of diepliggende vormen of kozijnen geven meer plasticiteit aan een gevel.

Plint:

een duidelijk te onderscheiden horizontale lijn aan de onderzijde van een gebouw.

Portiek:

gemeenschappelijk trappenhuis.

Potstal:

een oud staltype dat nog wel eens voorkomt bij biologische melkveehouders, vanwege de waardevolle mest die met dit systeem ontstaat. De koeien staan op stro en laten daarin hun mest vallen. Op de laag van stro en mest wordt regelmatig nieuw stro geworpen. De bodem van stro en mest wordt zodoende steeds hoger en één of twee keer per jaar uitgemest en over het land uitgereden.

Renovatie:

vernieuwing van een gebouw.

Rijtjeshuis/woning: huis als onderdeel van een reeks aaneengebouwde, gelijkende woningen. Rollaag:

horizontale rij stenen boven een gevelopening of aan de bovenzijde van een gemetselde wand.

Sanering:

herinrichting door middel van sloop en vervangende nieuwbouw.

Schilddak:

dak met vier hellende vlakken waarvan twee grote en twee kleine vlakken.

Schuur:

bijgebouw ten behoeve van opslag.

Slagenlandschap:

een landschap met langgerekte ontginningslinten met haaks daarop een stelsel van smalle kavels gescheiden door afwateringssloten.

Speklaag:

lichte natuurstenen band als afwisseling in baksteenmetselwerk Oorspronkelijk van natuursteen, later ook van kunststeen of beton.

12

Bijlagen

Situering:

de plaats van een bouwwerk in zijn omgeving.

Stads- en dorpsvernieuwing: maatregelen voor de verbetering of vervanging van bebouwing en de openbare ruimte daaromheen. Tactiel:

met de tastzin verbonden.

Textuur:

de voelbare structuur van een materiaal (bij metselwerk dus de oneffenheden van de steen en het voegwerk).

Tiendakkernederzetting:

In dergelijke nederzettingen hadden landeigenaren een stuk grond in hun bezit. Deze grond werd verpacht aan boeren. De pachters dienden meestal een tiende deel van hun opbrengst aan de landeigenaren af te staan (dit stelsel is afgeschaft bij de tiendwet van 1909).

Uitbouw:

een grondgebonden vergroting van een bestaande ruimte behorende tot het hoofdgebouw; deze vergroting heeft een directe verbinding met dit hoofdgebouw; de vergroting is in bouwkundig opzicht ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

Voorerfgebied:

Onder voorerfgebied wordt het erfdeel verstaan dat geen onderdeel uitmaakt van het achtererfgebied. (Het gaat hier dus om het voorerf en de delen van het zijerf die naar openbaar toegankelijk gebied zijn gekeerd dan wel op minder dan 1 m van de voorkant van het hoofdgebouw zijn gelegen.)

Voorgevelrooilijn:

voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan, de beheersverordening dan wel de gemeentelijke bouwverordening

Bijlagen

13

Voorkant:

de voorgevel, het voorerf en het dakvlak aan de voorzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde direct grenst aan openbaar toegankelijk gebied.

Windveer:

plank aan weerskanten van een pannendak, bevestigd langs de buitenste rij pannen.

Wolfsdak/ wolfseinden:

Meestal een zadeldak waarvan één of beide dakschilden op de kop zijn afgeknot.

Woonwagen:

voor bewoning bestemd gebouw dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst en op een daartoe bestemd perceel is geplaatst.

Zadeldak:

dak met twee tegenovergestelde dakvlakken die bij de nok samenkomen.

14

Bijlagen

Bijlage 3: Monumentenlijst

Bijlagen

15

ALFABETISCHE LIJST RIJKS- EN GEMEENTELIJKE MONUMENTEN

Gemeentelijke monumenten HELVOIRT 1. Achterstraat 1 2. Achterstraat 61 3. De Heikant 4 4. De Heikant 8 5. De Voort 4 6. Helvoirtsestraat 36 7. Hoenderstraat 5 8. Hoge Raam 3 9. ’t Hoog (maria-kapel) 10. ’t Hoog 1 11. Kastanjelaan 2 12. Kastanjelaan 5 13. Kastanjelaan 10 14. Kastanjelaan 12 15. Kastanjelaan 27 16. Kerkstraat ong. (zerk past. Becx) 17. Klein Laar 1 18. Klein Laar 3 19. Molenstraat 2 20. Molenstraat 14 21. Molenstraat 30 22. Nieuwkuikseweg 7 23. Nieuwkuikseweg 19 24. Nieuwkuikseweg 38 25. Nieuwkuikseweg 52 26. Oude Rijksweg 30-30a 27. Oude Rijksweg 34

16

Bijlagen

28. Oude Rijksweg 36 29. Torenstraat 8 30. Torenstraat 16 31. Udenhoutseweg 8 (schuur) 32. Udenhoutseweg 9-11

Rijksmonumenten Zie het Rijksmonumentenregister van de Rijksdienst voor Cultureel erfgoed.

Bijlagen

17

Bijlage 4: Historische boerderijen

18

Bijlagen

Historische boerderijen In Helvoirt staan veel historische boerderijen. De meeste boerderijen in de streek zijn van het ‘Hallehuis-type’ en een variant daarop; de langgevelboerderij. De Vlaamse schuur komt ook een aantal malen voor. In Brabant zijn de daken van de boerderijen aan de voor- of achterzijde vaak voorzien van een wolfseind en/of een schild. Daarnaast zijn er ook enkele boerderijen die opgaande gevels hebben. De historische achtergrond van de boerderijen vraagt om een zorgvuldige benadering in het kader van welstand, ondanks het feit dat de historische boerderijen veelal reeds onder de monumentenwet vallen. Welstandseenheden Verspreid over Helvoirt. Ontstaansgeschiedenis Rond 1500 was er in Noord-Brabant sprake van één type boerderij, het hallehuis. Deze oorspronkelijke boerderij komt in vrijwel geheel Noord-Brabant en dus ook in Helvoirt, gemeente Vught. De Meierij was van oudsher een welvarende streek in de nabijheid van de op één na grootste stad van Nederland. Men kon hier marktgericht boeren en door die welvaart ook degelijk bouwen. Kenmerkend voor het hallehuis is dat het dak steunt op een H-vormige balkenconstructie (ge-koppelde ankerbalkgebinten) en niet op de buitenmuren. Het hallehuis kent een veelvoud aan vormen die samenhangen met haar historische ontwikkeling, verschillen in het landschap en in de welvaart van zijn eigenaren of bewo-ners.

Diezelfde ontwikkeling is terug te vinden op het boerenerf. Er bestaat een aantal gemeenschappelijke kenmerken voor deze boerderijen: - In zijn meest oorspronkelijke vorm omsluiten de wanden van de boerderij één grote slechts door de houten stijlen ingedeelde ruimte, waarin mens en dier onderdak vinden. Bij de jonge boerderijen zit tussen deze houten stijlen een ankerbalkgebint;

Bijlagen

19

-

-

Er is sprake van een driebeukig gelede ruimte, drie naast elkaar gelegen ruimten, waarvan het middendeel onder de nok ligt. Alle werkzaamheden worden in deze ruimte (‘’halle’’) verricht. Het vee stond in een potstal, centraal in de stalruimte. Hierdoor had men weinig werkruimte; er kon bijvoorbeeld geen hooiwagen binnen. Het gedorste graan sloeg men op de zolder boven het woongedeelte op via een luik in de korte gevel pal onder het wolfseind. Een kenmerkende ontwikkeling is dat de deeldeur in de zijgevel zit en de staldeuren in de achtergevel; de koeien staan dan aan de achter- en zijwand en de deeldeur ligt centraal.

In Helvoirt lagen de meeste boerderijen sinds de middeleeuwen gegroepeerd rondom betrekkelijk kleine akkerbouwcomplexen en de natte graslanden. Veelal lagen deze boerderijen op de hoger gelegen gronden, de dekzandruggen. Hier overheerste het akkerbouwbedrijf waarbij de nadruk lag op de teelt van granen. Bij elke boerderij behoorde vanouds een bouwkamp, een hoger gelegen stuk bouwland en wat lager gelegen weideof hooiland. Rondom het cultuurland lagen de woeste gronden. Deze deden dienst als gemeenschappelijke weidegrond en voor het steken van plaggen. De plaggen werden gebruikt voor brandstof en de bemesting van de akkers. Door de groei van de bevolking aan het einde van de 17 e eeuw ontstond een nijpend gebrek aan grond en woonruimte. Onder invloed van landbouwhervormers en grootgrondbezitters werden de woeste gronden verdeeld onder de grootgrondbezitters. Eerst werden de lagere gronden omgezet in grasland. Later werden ook de heidegronden ontgonnen. Op het nieuw ontgonnen land werden grote aantallen nieuwe, vaak kleine, boerderijen gebouwd. Van de oude boerderijen is bekend dat deze in de 17e eeuw werden vernieuwd en vergroot. De 19e eeuw bracht weer een verbouwingsgolf tot stand waarbij de oude gevels van de boerderij werden vervangen door baksteen. De boerderijen zijn dus vaak ouder dan ze er uit zien.

Een andere ontwikkeling was die van een gebouw met een topgevel georiënteerd op de openbare weg naar een langwerpig gebouw die met de lange zijde op de openbare weg stond georiënteerd. Het woongedeelte raakte geleidelijk aan geheel op de zijgevel (straatzijde) georiënteerd en in het bedrijfsgedeelte werden een dwarsdeel en grondtas opgenomen, waardoor de stal- en deeldeur ook in de zijgevel moesten worden verplaatst. Deze ontwikkeling drong de Meierij vanuit het zuiden binnen. Het eindstadium van deze ontwikkeling was een éénbeukig gebouw zonder gebint, waarbij de moerbalken op de gemetselde muren rustten en de dakstoel de basis werd van de dakconstructie.

20

Bijlagen

Karakteristiek Langgevelboerderij De langgevelboerderij is het boerderijtype dat het meest voorkomt. Dit type ligt vaak met de lange zijde evenwijdig aan de weg. De langgevelboerderij is in drie delen opgedeeld, te weten: woonhuis, stalgedeelte en schuurgedeelte (behalve als er een Vlaamse schuur op het erf staat). De meeste langgevelboerderijen hebben een steile dakhelling van ongeveer 45 graden. Bij oudere boerderijen is de dakhelling vaak iets steiler (circa 50 graden). Het dak kent óf een met muldenpannen gedekte kap, óf een met riet gedekte kap óf een deels met riet en deels met pannen gedekte kap. De met muldenpannen gedekte daken dateren uit de twintiger jaren. Van oudsher worden de volgende kleuren/materialen gebruikt: -Raamwerk: wit; -Kozijnen: zandkleur; -Voordeur: donkergroen; -Luiken: donkergroen; -Staldeur: zwart; -Eventuele houten aan- en uitbouwen, vrijstaande en niet-vrijstaande bijgebouwen: zwart gepotdekselde planken. Het langsgeveltype staat in de langsrichting van de weg. Tussen weg en het gebouw ligt vaak een tuin met een haag. De entree van de kavel ligt naast de hoofdbe-bouwing. Op het achtererf staat een schuur of is beplanting aanwezig. Een houtwal of een sloot begrenst de kavel.

Vlaamse schuur De Vlaamse schuur is karakteristiek voor de Brabantse zandgronden. De Vlaamse schuur komt in verschillende vormen regelmatig voor. De Vlaamse schuur is te herkennen aan de opbouw van de gebinten. Aan de hoogste kant steekt de ankerbalk door over de gebintstijl. Door een schoor wordt deze overstek sterk gemaakt en wordt extra hoogte gecre-

Bijlagen

21

eerd. In de lengterichting is een extra langsbalk van gebint naar gebint aanwezig. Door deze constructie ontstaat de typische vorm met een hoge en een lage kant. Een enkele keer is de Vlaamse schuur gekoppeld aan de boerderij. Gebruikelijk is dit allerminst.

Welstandscriteria Voor de erfinrichting wordt verwezen naar het ‘’Beeldkwaliteitplan buitengebied’’ van de gemeente Haaren. ligging in de omgeving: 1. Hoofdbouwvormen dienen op de weg gesitueerd te zijn met de voorgevel op de belangrijkste openbare ruimte georiënteerd. Hierbij dient de oorspronkelijke situering van de hoofdbouwmassa gerespecteerd te worden. Behalve het hoofdobject (meestal de boerderij) moet bij de situering vooral ook de ensemblewaarde van het complex de aandacht krijgen: zoals andere oorspronkelijke bouwwerken, het erf maar ook de omgeving van de boerderij. 2. Bijbehorende bouwwerken dienen bij voorkeur achter de hoofdbebouwing te liggen, maar minimaal 3 meter achter de voorgevelrooilijn indien de kavelbreedte dit in verband met doorzichten toelaat. 3. Het bouwplan moet passen in de omgeving waarbij bestaande ‘’groene’’ kwaliteiten (zoals bos- en houtopstanden, laanbeplantingen e.d.) worden gerespecteerd. massa en vorm van het gebouw: 4. Bij renovatie van boerderijen dient de originele vorm(geving) het uitgangspunt te zijn. 5. Bij vervangende nieuwbouw bij voorkeur de oorspronkelijke eenvoudige hoofdvorm van de boerderij als beeldbepalend element in het landschap bewaren. Een hoofdvorm met één of anderhalve verdieping met steile kap is het uitgangspunt. 6. Bij grote ingrepen moet zorgvuldig met de boerderij worden omgesprongen.

De verdeling ‘’woon-huisbedrijfsgedeelte’’ dient als uitgangspunt te worden genomen bij grote ingrepen.

22

Bijlagen

detaillering, materiaal en kleur van het gebouw: 7. Gootlijsten, speklagen en andere gevelelementen zijn eenvoudig maar zorgvuldig gedetailleerd en zijn wat betreft maatvoering, architectuur en kleur goed afgestemd op de hoofdboerderij. 8. De voorgevel kent vaak een eenvoudige indeling met een duidelijk onderscheid tussen woon- en bedrijfsgedeelte. Veel voorkomende gevelelementen zijn houten luiken, vlechtingen in metselwerk, sierankers, strekken boven vensters en deuren. Bovendien zijn de gevels boven de kozijnen vaak in de vorm van rollagen afgewerkt; 9. Lijnvormige elementen dienen niet te worden onderbroken. 10. Uitdrukkingen van de functie dienen te worden gerespecteerd (zoals hooideuren, draagbalken, (mest)luiken, en dergelijke); 11. Grote gevelvlakken hebben een duidelijke eenduidige textuur, zoals baksteen of houten gepotdekselde planken. 12. Toegestane materialen voor gevel en dak zijn metselwerk van bakstenen met soms een gepleisterde plint, houten kozijnen, dakpannen (veelal gesmoorde Hollandse pannen), rietbedekkingen. Toepassingen van kunststof, aluminium of staal zijn ongewenst; 13. Het kleurgebruik dient te worden beperkt tot aardkleuren. Toepassing van sterk contrasterende kleuren is ongewenst. 14. Dakkapellen alleen toevoegen ter vervanging van een eerder exemplaar. Voor meer daglicht op het zoldergedeelte (bijv.

bij het ombouwen van boerderij naar meerdere wooneenheden) heeft het de voorkeur om smalle en verticale dakramen toe te passen i.p.v. dakkapellen. 15. Bij het plaatsen van loodsen en schuren bij boerderijen dient het toepassen van damwandprofielen te worden voorkomen en dient er gestreefd te worden naar donker gepotdekselde houten planken of daarop gelijkend materiaal.

Bijlagen

23

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=589d273c-149c-4af3-8918-b8a134e873d0