Bijlage 4 - Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Waterbeleid Rijksoverheid Nationaal Water Programma 2022 - 2027 De minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken hebben in 2022 het Nationaal Water programma (NWP) 2022 – 2027 vastgesteld. Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen en ambities van het nationale waterbeleid en het beheer van de Rijkswateren en Rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).
27
Klimaatverandering, milieuverontreiniging en ruimtedruk vormen de komende jaren grote uitdagingen. Ook moet infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand worden gehouden en waar nodig vervangen of gerenoveerd. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, woningbouw en de landbouw is noodzakelijk. Het NWP beschrijft hoe we hiermee omgaan en hoe we zorgen dat water een leidend principe is in de ruimtelijke inrichting van Nederland.
Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptie De relevante beleidsontwikkelingen op het gebied van water worden bij het Rijk opgenomen in het Deltaprogramma. Hierin is voor verschillende thema’s beschreven wat het beleid is en hoe het Rijk dat in overleg met overige partners wil gaan bereiken. Het Deltaprogramma bestaat uit verschillende onderwerpen op het gebied van water. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het Deltaprogramma Ruimtelijke adaptie het meest relevant, omdat hierin de consequenties van de klimaatontwikkelingen voor Nederland zijn opgenomen, evenals de maatregelen die we moeten nemen om 'klimaat adaptief' te worden. Een deel van deze maatregelen zal ruimtelijke impact hebben. Met klimaat adaptief wordt bedoeld: het klimaat veerkrachtig en robuust inrichten van Nederland, gegeven de klimaatontwikkelingen die op ons afkomen. Op basis van de internationale en nationale klimaatmodellen is de verwachting dat het weer in Nederland extremer gaat worden. Dat betekent: meer hevige regenbuien (veel neerslag in korte tijd) en langere periodes met droogte en hitte. Dit heeft consequenties voor de leefbaarheid in steden en dorpen en voor bijna alle (economische) sectoren in Nederland. Met het nemen van klimaat robuuste maatregelen wordt ingespeeld op deze veranderingen waarmee we steden en dorpen leefbaar houden en (economische) schade door wateroverlast, droogte en hitte beperken.
Waterschap De Dommel Waterschap De Dommel is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwaterheeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit.
Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) 'Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving'. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk dient in 2050 de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig te zijn. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert daarbij drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie:
28
Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan; Wat schoon is moet schoon blijven. Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO) Bouw of uitbreiding van woningen, bedrijven of wegen veroorzaken vaak een groei in het verharden van dak en erf. Regenwater dat op stenen of wegen valt, stroomt meestal snel via een riool of een sloot weg. Hoe meer (tuinen van) steen, hoe meer regenwater weg stroomt. Bij hevige buien kan hierdoor wateroverlast ontstaan. Bijvoorbeeld water vanuit het riool op straat, omdat deze het regenwater niet aan kan. Of overstroming van een sloot of beek. Dat geeft dan weer risico’s voor de gezondheid en kan zorgen voor bijvoorbeeld schade in- en rondom huizen. Maar ook in droge perioden zorgt al dat afvoeren voor problemen. Het regenwater krijgt niet meer de tijd om weg te zakken in de bodem en het grondwater aan te vullen. In droge zomers hebben landbouw en natuur dan water te weinig. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Voorkomen moet worden dat regenwater snel verdwijnt in het riool of in de sloot. Het waterschap gebruikt daarvoor de voorkeursvolgorde voor (schoon) regenwater: 1. 2. 3. 4. 5.
Opnieuw gebruiken; Vasthouden / in laten trekken in de grond; Water bergen; Afvoeren naar sloten of rivieren; Afvoeren naar een riool.
Waterschapsverordening De waterschapsverordening, voorheen de keur, is een verzameling regels die het waterschap gebruikt om dammen, dijken, sloten, beken, rivieren, gemalen en stuwen te beschermen. Bij werkzaamheden in, met of rondom het water is wet- en regelgeving uit de waterschapsverordening van toepassing. In de waterschapsverordening van het waterschap is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen (Artikel 2.2, vijfde lid: 'Het is verboden zonder omgevingsvergunning water te lozen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam'). De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de beleidsregel 'Hydrologische uitgangspunten bij de regels Waterschapsverordening voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Het verbod uit artikel 2.2 van de waterschapsverordening is van toepassing tenzij: Het afkoppelen van het bestaand verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of; de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak.
De toename van het verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel. Benodigde retentiecapaciteit gevoeligheidsfactor x 0,06.
(in m3) =
toename verhard oppervlak
(in m2) x
Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: De bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand
29
(GHG) te liggen; Afvoer mag niet meer bedragen dan 2/l/s/ha; De afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 500 m2 of groter is, wordt vanuit het waterschap compenserende maatregelen geëist. Wanneer er sprake is van een plan met een toename van verhard oppervlak groter dan 10.000 m2 komt men in het vergunningentraject terecht en wordt er samen met initiatiefnemer en de gemeente bekeken hoe er compensatie kan plaatsvinden.
Gemeente Vught De gemeente heeft het rioleringsbeleid vastgesteld in het Programma Water en Riolering 2022-2026 (PWR). Met de opzet van het PWR wordt aangesloten op de Omgevingsvisie Noord-Brabant waarin het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit centraal staat. Met de bestuurlijke vaststelling van dit PWR ligt er een basis om de waterketenbelangen in de Omgevingsvisie te verankeren. Met het PWR wordt invulling gegeven aan de wettelijke zorgplichten afval-, hemel- en grondwater (de basisopgave). Een overzicht van het beleid dat de gemeente voert ten aanzien van de drie zorgplichten is opgenomen in Bijlage C van het PWR. In het verlengde van de zorgplicht heeft de gemeente de ambitie om, binnen de reikwijdte van de zorgplichten, bij te dragen aan gemeenschappelijke doelen zoals klimaatadaptatie, duurzaamheid en een gezonde leefomgeving. Om invulling te geven aan deze visie en bijbehorende ambities/gemeenschappelijke doelen zijn voor de planperiode 2022-2026 de volgende speerpunten geformuleerd: 1. Werken aan een robuust en klimaatbestendig systeem continueren. 2. Continueren integraal werken. 3. Samenwerken met inwoners en ondernemers. Met het PWR wordt daarnaast bijgedragen aan de volgende omgevingsgerichte lange termijn-doelstellingen: Bescherming van de volksgezondheid. Droge voeten (bebouwd gebied). Schoon water en een schone (water)bodem.
Bij ruimtelijke inrichtingen dient rekening te worden gehouden met de gevolgen van de klimaatverandering om zo waterschade te voorkomen en de gevolgen indien er schade optreedt te beperken. De gemeentelijke zorg voor het beheer van afvloeiend hemelwater heeft betrekking op het afvloeiend hemelwater van openbaar terrein en afvloeiend hemelwater dat niet op particulier terrein kan worden verwerkt. De eigenaar van het terrein waarop het hemelwater valt is primair verantwoordelijk voor de verwerking van het hemelwater. De gemeente hoeft het hemelwater afkomstig van particulier terrein niet te ontvangen. Alleen als de houder van het verzamelde hemelwater dit redelijkerwijs niet kan afvoeren. Nieuwbouwplannen van woningbouw en infrastructuur kunnen tot een toename van afvoerend verhard oppervlak leiden. Hierdoor ontstaat een versnelde afvoer van hemelwater met mogelijk wateroverlast tot gevolg. Bij dergelijke ontwikkelingen geldt dan ook het uitgangspunt dat plannen zo veel mogelijk hydraulisch neutraal uit worden gevoerd en dat
30
percelen zo minimaal als mogelijk verhard zijn. Het Bouwbesluit vereist dat nieuwe bebouwing wordt voorzien van een gescheiden afvoer/verwerking van schoon en afvalwater. Hierbij geldt dat wanneer een terrein na sloop langer dan 2 jaar braak ligt de ontwikkeling als nieuwbouw wordt beschouwd, en alle verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden in een waterbergingsopgave. Indien afvoer naar oppervlaktewater plaatsvindt, gelden de hydrologische uitgangspunten van de Brabantse waterschappen. Het uitgangspunt is dat de wateropgave binnen het plangebied wordt gerealiseerd. De berging/retentievoorziening moet aan de volgende eisen voldoen: De bodem van de voorziening ligt boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). De afvoer uit de voorziening vindt plaats via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het hemelwaterriool of oppervlaktewater. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben. Er moet altijd een overloopconstructie zijn, om beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen. Bij grote gebiedsontwikkelingen bekijken gemeente en waterschap samen met de initiatiefnemer of er kansen zijn om gelijktijdig met de invulling van de wateropgave de kwaliteit en/of belevingswaarde van de leefomgeving te vergroten.
Bijvoorbeeld door vergroening, verdrogingsbestrijding en recreatie. Afspraken over de invulling van de wateropgave bij nieuwe ontwikkelingen worden vastgelegd in de waterparagraaf.
Toekomstige ontwikkeling De herontwikkeling voorziet in de bouw van een woongebouw met 54 appartementen. Het verhard oppervlak in de toekomstige situatie bedraagt circa 1.017 m2 (met inbegrip van bijgebouwen, erf verharding en/of bestrating). Op basis van de af te koppelen verhard oppervlak en de bergingseis bedraagt de waterbergingsopgave voor het planlocatie in totaal circa 61 m3 (1.017 m2 x 0,06m).
Waterhuishouding Randvoorwaarden en uitgangspunten Voor de planontwikkeling is geen digitale watertoets doorlopen. Het waterschap maakt geen onderdeel uit van de digitale watertoets op watertoets.nl. Er wordt daarom verwezen naar het waterschap zelf. Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren); Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren); Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd; De wateropgave baseren op de daadwerkelijke toekomstig verhard oppervlak. Vooralsnog is uitgegaan van 1.016 m2. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren conform 60 mm gerekend over het aantal m2; Wateropgave 61 m3; Afvoer mag niet meer bedragen dan 2/l/s/ha Bij infiltratievoorziening dient deze binnen vijf "droge" dagen (max 2 mm neerslag per 24 uur) beschikbaar te zijn;
31
Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG; GHG 4,0 m +NAP; Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden); Geen gebruik van uitlogende (bouw)materialen. Hemelwater Water wordt bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen en op een duurzame wijze verwerkt. In de toekomstige situatie wordt het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld en binnen de planlocatie verwerkt. Aangezien de projectlocatie een beperkte oppervlakte heeft, zal de waterbergingsopgave worden gerealiseerd in de nabijgelegen percelen welke onderdeel zijn van het overkoepelende uitwerkingsplan Baarzen Vught. Om inzicht te krijgen in het ruimtebeslag van een (toekomstige) bergingsvoorziening is navolgend een bergingsvoorziening in de vorm van infiltratiekratten uitgewerkt. De ligging en exacte afmetingen worden nog nader bepaald bij de uitwerking van het totale plan van de ontwikkeling Baarzen Vught. Afhankelijk van het type voorziening en de belastbaarheid hebben ondergrondse systemen een bepaalde gronddekking nodig. De GHG en de benodigde gronddekking zijn bepalend of een ondergrondse bergingsvoorziening zonder verlies van berging kan worden aangelegd. De initiatiefnemer zal de positie en afmetingen nader bepalen aan de hand van de definitieve terreininrichting.
Bij de berekening is uitgegaan van de inhoud van de Q-Bic+ Infiltratie unit van Wavin (430 liter). Er is gekozen voor de toepassing van de Q-Bic+ infiltratiekrat omdat deze inspecteerbaar en reinigbaar is. Het gebruik van andere systemen is uiteraard ook mogelijk. Het Q-Bic+ infiltratiekrat van Wavin heeft de volgende kengetallen: Holle Ruimte: 95 % Lengte: 1,2 m Breedte: 0,6 m Hoogte: 0,6 mƒn Netto inhoud: 430 liter (0,43 m3) Aansluitingen: 160-500 mm buis Minimale gronddekking 1. Groenzones (onbelast): 0,30 m 2. Lichte verkeersbelasting (1 ton wiellast): 0,30 m 3. Zware verkeersbelasting (10 ton wiellast): 0,80 m Om de wateropgave van 61 m3 met kratten te kunnen bergen zijn in totaal 142 kratten benodigd. Wanneer de kratten niet worden gestapeld, is een minimaal oppervlak benodigd van ca. 105 m2 (1,2 m x 0,6 m x 142 st). Op basis van de bodemopbouw en textuur worden geen problemen verwacht met de lediging van het toekomstige systeem. De ledigingscapaciteit of ledigingstijd wordt naast de doorlatendheid van de bodem mede bepaald door het infiltratieoppervlak van een voorziening. De ledigingstijd is de tijd die nodig is om een hemelwatervoorziening te ledigen wanneer het volledig gevuld is. Op basis van de bodemopbouw en textuur worden geen problemen verwacht met de lediging van het toekomstige systeem.
Binnen het uitwerkingsplan Baarzen Vught zal het beschreven systeem per m2 verhard oppervlak 60 mm neerslag geborgen worden. In een situatie waarbij in een korte tijd meer regen valt kan tijdelijk een water-op-straat situatie ontstaan. Afstroming van hemelwater richting gebouwen en/of aangrenzende percelen dient te worden voorkomen. Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het
32
(veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk.
Waterschapsverordening Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc. is in het kader van de waterschapsverordening een vergunning van het waterschap benodigd en zal in overleg aangevraagd moeten worden.
Riolering Hemelwater en afvalwater wordt gescheiden ingezameld, verwerkt en aangeleverd. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater wijzigen. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden.
Infiltratie In het kader van de gehele gebiedsontwikkeling 'Hart van de Baarzen' is in opdracht van de gemeente Vught een infiltratieonderzoek uitgevoerd naar de infiltratiemogelijkheden van de plaatselijke bodem en de benodigde infiltratievoorzieningen die aangelegd moeten worden. Het infiltratieonderzoek, de infiltratieberekeningen, de infiltratiememo en de beoogde locaties van de infiltratievoorzieningen zijn aan voorliggende ruimtelijke onderbouwing toegevoegd als Bijlage 4, Bijlage 5, Bijlage 6 en Bijlage 7. Binnen het plangebied van de gebiedsontwikkeling is weinig oppervlakte beschikbaar voor een bovengrondse infiltratievoorziening. Er is daarom gekozen om ondergrondse infiltratievoorzieningen te realiseren onder de rijbanen, parkeervakken en groenstroken. Via kolken en regenafvoeren van de daken wordt het hemelwater naar de infiltratievoorzieningen geleid. Onder de parkeervakken en trottoir van de nieuwe Lidl supermarkt wordt een ondergrondse infiltratievoorziening gerealiseerd. Hierbij de kanttekening dat er rekening gehouden dient te worden met de watertransportleiding parallel aan de Rouppe van der Voortlaan. In de groenstrook behorende bij het nieuwe woongebouw van Charlotte van Beuningen (onderhavig projectgebied) wordt een ondergrondse infiltratievoorziening gerealiseerd.
Hierbij de kanttekening dat er rekening gehouden dient te worden met de locatie van de WKO-voorziening. Onder de parkeervakken van de nieuwe koopappartementen wordt een ondergrondse infiltratievoorziening gerealiseerd. Hierbij de kanttekening dat er rekening gehouden dient te worden met de wortels van de grote eiken langs de Hertoglaan. In de groenstroken langs de patiowoningen parallel aan de Brabantlaan worden ondergrondse infiltratievoorzieningen gerealiseerd. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de wortels van de bestaande bomen. Onder het schoolplein worden op vier verschillende plaatsen ondergrondse infiltratiekratten gerealiseerd. Rekening dient gehouden te worden met de definitieve inrichting van het schoolplein. De ondergrondse infiltratievoorzieningen van het noordelijke en zuidelijke parkeerterrein worden in de rijbanen gesitueerd. De infiltratievoorzieningen hebben voldoende infiltratiecapaciteit, zodat deze na 24 uur weer volledig beschikbaar is.
Conclusie Aan de hand van de uitgevoerde watertoets en de infiltratieonderzoeken is aangetoond dat op een duurzame wijze kan worden omgegaan met de waterbelangen. Het aspect water
33
vormt geen belemmering voor het realiseren van voorstaande ontwikkeling.
4.4
Ecologie
Per 1 januari 2024 is de voormalige Wet natuurbescherming (Wnb) opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluitnatuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Vanuit Europese- en nationale regelgeving dient onderzocht te worden welke effecten de voorgenomen ingreep heeft op beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) en op beschermde flora en fauna.
Beoordeling en conclusie Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zijn in opdracht van de Woonstichting Charlotte van Beuningen ecologische onderzoeken uitgevoerd naar beschermde plant- en diersoorten die aanwezig zijn dan wel gebruik maken van het projectgebied. Uit deze onderzoeken is gebleken dat de benodigde werkzaamheden van dit project kunnen leiden tot negatieve effecten voor de gierzwaluw, huismus, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Om de benodigde werkzaamheden te kunnen uitvoeren, zonder in overtreding te zijn met de (voormalige) Wnb, heeft de Woonstichting Charlotte van Beuningen op 13 juni 2022 een ontheffing aangevraagd krachtens artikel 3.3, eerste lid, van de Wnb. De Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant heeft op 16 augustus 2023 de aangevraagde ontheffing verleend. Deze ontheffing is geldig voor de periode tot en met 15 augustus 2028. De ontheffing Wnb is als Bijlage 8 toegevoegd aan voorliggende ruimtelijke onderbouwing.
4.5
Stikstofdepositie
Een ontwikkeling mag niet leiden tot een significant verstorend effect op de soorten waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen. De juridische basis zijn de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. Per gebied zijn voor de soorten en habitattypen instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Het grootste gedeelte van de Nederlandse natuurgebieden heeft te lijden onder verzuring, vermesting en verdroging. Hierdoor gaan kwetsbare en vaak bijzondere planten- en diersoorten achteruit en maken plaats voor meer algemene soorten. Een teveel aan stikstof, in de vorm van stikstofoxiden en ammoniak, is hier voor een groot deel debet aan. Voor wat betreft stikstofdepositie dient voor nieuwe of gewijzigde plannen onderzocht te worden of er sprake kan zijn van een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Met behulp van een rekenprogramma (Aerius Calculator) moet worden bepaald of een plan een bijdrage (>0,00 mol N/ha/jaar) aan stikstofdepositie veroorzaakt ter plaatse van Natura 2000-gebieden. Indien een bijdrage van 0,00 mol N/ha/jaar wordt berekend, kan worden gesteld dat er geen sprake is van een bijdrage en daarmee het initiatief niet tot significante negatieve effecten kan leiden. Ten behoeve van onderhavig project is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd van zowel de aanlegfase als de toekomstige gebruiksfase.
De volledige berekeningen en bijbehorende rapportage is aan voorliggende ruimtelijke onderbouwing toegevoegd als Bijlage 9. Hieronder volgt een korte samenvatting met de belangrijkste resultaten en conclusies.
Beoordeling Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied. Binnen
34
een straal van circa 3,3 tot 6 kilometer van het projectgebied zijn wel drie Natura 2000-gebieden aanwezig waar stikstofgevoelige habitattypen aanwezig kunnen zijn. Deze betreffen: Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek; Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen; en Kampina & Oisterwijkse Vennen. Uit de uitgevoerde berekeningen kan geconcludeerd worden dat zowel gedurende de aanlegfase als de gebruiksfase van het plan de stikstofbijdrage 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Hierdoor kan het initiatief niet tot significante negatieve effecten leiden ter plaatse van de Natura 2000-gebieden.
Conclusie Voor wat betreft het aspect stikstofdepositie zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van het initiatief.
4.6
Bedrijven en milieuzonering
Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige functies kan de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij de ontwikkeling van milieugevoelige functies in de directe omgeving van bedrijfsfuncties en bij de vestiging of uitbreiding van (nieuwe) bedrijfsfuncties in de directe omgeving van gevoelige functies. In de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' wordt informatie gegeven over de gemiddelde milieubelasting van verschillende typen bedrijfsfuncties en -activiteiten, waarbij deze zijn ingedeeld in verschillende milieucategorieën. De milieucategorie geeft daarbij een indicatie over de minimale afstand die tussen de milieubelastende- en milieugevoelige functies moet worden aangehouden, als gevolg van hinder in de vorm van geur, stof, geluid en of gevaar. De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'. In bepaalde gevallen is echter sprake van een 'gemengd gebied'. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een lint in een dorpskern waar meerdere functies naast elkaar zitten. Of bij een gebied dat langs een ontsluitingsweg ligt of een gebied in het buitengebied met meerdere functies. De afstanden tot de milieucategorieën zijn weergegeven in de onderstaande tabel. Milieu categorie
Richtafstand tot 'rustige woonwijk' 1 10 2 30 3.1 50 3.2 100 4.1 200 4.2 300 5.1 500 5.2 700 5.3 1000 6 15000 Tabel 4.1 Richtafstanden VNG-publicatie
Richtafstand tot 'gemengd gebied' 0 10 30 50 100 200 300 500 700 1000
Beoordeling Het
plangebied van de gebiedsontwikkeling 'Hart
van de Baarzen' is
in het
35
bestemmingsplan "De Baarzen/Vughtse Hoeven" bestemd als 'Gemengd'. Binnen deze bestemming zijn de gronden aangewezen voor: a. b. c. d. e. f.
religieuze doeleinden; onderwijskundige doeleinden; sociaalculturele doeleinden; overheidsdoeleinden; ontmoetingsruimte; wonen.
Op grond van het geldende bestemmingsplan is ter plaatse van het projectgebied een mix van verschillende functies toegestaan, waaronder ook wonen. Uitgezonderd de overschrijding van de maximum bouwhoogte, is de beoogde ontwikkeling van het woongebouw binnen de kaders van het bestemmingsplan mogelijk te maken. Omdat wonen ter plaatse van het projectgebied reeds is toegestaan kan geconcludeerd worden dat hier geen sprake is van onevenredige hinder als gevolg van omliggende bedrijven en andere niet-woonfuncties. De gebiedsontwikkeling van het 'Hart van de Baarzen' is gelegen te midden van de Vughtse woonwijk De Baarzen. In de nabije omgeving van het ontwikkelingsgebied zijn nagenoeg uitsluitend woonfuncties aanwezig waardoor er voor de omgeving van het projectgebied kan worden gesproken van een 'rustige woonwijk'. Het beoogde nieuwe woongebouw van Charlotte van Beuningen betreft zelf een milieugevoelige functie (wonen) waar vanuit geen hinder op omliggende milieugevoelige functies kan worden verwacht. Het nieuwe woongebouw zal daarmee ook niet leiden tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van de omgeving. Ten noordwesten van het projectgebied is het schoolgebouw met bijbehorend schoolplein van basisschool De Lichtstraat aanwezig.
Voor woningen in een rustige woonwijk wordt door de VNG geadviseerd om een afstand van 30 meter aan te houden ten opzichte van een basisschool om geluidhinder van deze functie te beperken. De afstand tussen het geprojecteerde nieuwe woongebouw en de basisschool bedraagt circa 30 meter waarmee kan worden voldaan aan de richtafstand van de VNG. In het kader van de herontwikkeling van het 'Hart van de Baarzen' wordt voor de definitieve nieuwe inrichting van het schoolplein geadviseerd om, daar waar mogelijk, een afstand van minimaal 30 meter aan te houden ten opzichte van de omliggende woningen om geluidhinder te beperken.
Conclusie Ter plaatse van het nieuwe woongebouw van Charlotte van Beuningen wordt geen hinder als gevolg van de bedrijfsvoering van omliggende functies verwacht. De ontwikkeling van het nieuwe woongebouw zal eveneens niet leiden tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van de omgeving en een belemmering van de bedrijfsvoering van omliggende functies.
4.7
Cultureel erfgoed
In de ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het projectgebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden. De facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen hiermee te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
36
4.7.1
Cultuurhistorie
Bij ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant dient in het kader van de bescherming van waardevolle cultuurhistorische elementen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Op deze kaart staan de bepalende cultuurhistorische elementen afgebeeld.
Figuur 4.1 Uitsnede CHW provincie Noord-Brabant (projectgebied aangeduid met blauwe cirkel)
De locatie van het projectgebied en de nabije omgeving was tot ongeveer de jaren '70 van de vorige eeuw onbebouwd. Van oudsher (1830) moet het een weinig ontsloten open gebied van hooi- en graslanden zijn geweest, met op enkele plaatsen natte plakken. De voornaamste wegen waren de Den Esschen Dijk, de Wolfskamersweg en de Oude Molen Weg. Het enige wat in de huidige situatie nog refereert aan de historische situatie is het natte natuurpark De Kwebben. In de jaren '70 van de vorige eeuw is de bebouwing van de Vughtse buurt De Baarzen ontstaan. Het betreft hier complexgewijze woningebouw ten behoeve van de opvang van de woningbehoefte in de regio 's-Hertogenbosch. De bebouwing bestaat overwegend uit geschakelde, halfvrijstaande en vrijstaande woningen in twee bouwlagen met een kap. Een uitzondering zijn de woningen in Klein Brabant en de flats aan de Van Sasse van Ysseltstraat. De Baarzen is daarbij een duidelijk voorbeeld van volkshuisvesting uit de jaren '70. Aan de hand van de onderstaande uitsneden van de kaarten van Topotijdreis.nl is te zien dat De Baarzen in de loop van de jaren '70 van de vorige eeuw is ontstaan en sindsdien is doorontwikkeld tot de bestaande situatie.
37
Figuur 4.2 Uitsneden kaarten Topotijdreis.nl (locatie projectgebied blauw omcirkeld)
Beoordeling en conclusie Op grond van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant zijn er zowel binnen het projectgebied als de nabije omgeving geen elementen van cultuurhistorische waarde aanwezig. Daarnaast laat de Erfgoedkaart 2015 ook geen cultuurhistorische waarden zien in of rondom het projectgebied. Geconcludeerd kan worden dat bij de uitvoering van de beoogde ontwikkeling van het projectgebied geen sprake zal zijn van negatieve effecten op cultuurhistorisch waardevolle elementen. Aan de hand van de kaarten van Topotijdreis.nl is te zien dat de bebouwing binnen het projectgebied en de nabije omgeving is ontstaan in de '70 en '80 van de vorige eeuw. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt gezien sluit het beoogde nieuwe woongebouw goed aan bij de bestaande flatgebouwen aan de overzijde van de Van Sasse van Ysseltstraat.
4.7.2
Archeologie
Sinds juli 2016 is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale wet, de Erfgoedwet. De onderdelen die betrekking hebben tot de omgang met archeologische waarden in de fysieke leefomgeving zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet overgaan in deze wet.
Archeologiebeleid gemeente Vught Op 19 mei 2022 heeft de Gemeenteraad van Vught het 'Beleidskader archeologie 2022' vastgesteld. Het beleidskader omvat archeologische verwachtings- en beleidskaarten en per verwachtingswaarde normen wanneer archeologische onderzoek wordt vereist bij een bepaalde mate van bodemverstoring. Het doel van dit archeologiebeleid is het verbeteren van de omgang met archeologische resten als informatiebron van het lokale verleden en het benutten ervan bij de verdere ontwikkeling van de gemeente. Het ondergrondse culturele erfgoed en de maatschappelijke waarden ervan verdienen namelijk een verder uitgewerkt en integraal archeologiebeleid.
38
Het "Paraplubestemmingsplan Archeologie" is op 6 april 2023 door de gemeenteraad van Vught vastgesteld. Dit paraplubestemmingsplan regelt de planologisch-juridische borging van het gemeentelijke archeologiebeleid. In het parapluplan worden de archeologische waarden voorzien van een dubbelbestemming. De dubbelbestemming geldt boven de (enkel)bestemming van de gronden.
Figuur 4.3 Uitsnede Archeologische beleidskaart Vught (projectgebied is rood omlijnd)
Beoordeling en conclusie Zoals op de bovenstaande uitsnede van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Vught is te zien, zijn de gronden ter plaatse van het projectgebied aangeduid zonder een archeologische verwachtingswaarde. Op de verbeelding van het paraplubestemmingsplan Archeologie zijn de gronden van het projectgebied daarom ook niet voorzien van een archeologische dubbelbestemming. Ten aanzien van de beoogde ontwikkelingen binnen het projectgebied is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Bij de uitvoering van de werkzaamheden zal wel te allen tijde rekening worden gehouden met de meldingsplicht in het geval van archeologische toevalsvondsten.
4.8
Verkeer en parkeren
Voor het aspect verkeer en parkeren zijn de uitgangspunten dat de beoogde ontwikkeling van het plangebied niet mag leiden tot een onveilige verkeerssituatie en een belemmering van de verkeersafwikkeling. Daarnaast dient de volledige parkeerbehoefte van de ontwikkeling binnen het eigen projectgebied te worden opgelost.
4.8.1
Verkeer
Een gebiedsontwikkeling kan leiden tot veranderingen in de verkeersgeneratie van en naar een bepaald gebied. Van belang is dat deze veranderingen niet mogen leiden tot negatieve gevolgen voor de verkeersafwikkkeling en de verkeersveiligheid van de bestaande infrastructuur. Voor de berekening van de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van de algemene kencijfers van het CROW en wordt rekening gehouden met de beoogde functie van de ontwikkeling,
39
de locatie en de stedelijkheidsgraad van de gemeente.
Beoordeling en conclusie Dit project beoogde de ontwikkeling van een woongebouw met 54 sociale huurappartementen ter plaatse van het projectgebied, gelegen op de hoek van de Hertoglaan en Van Sasse van Ysseltstraat te Vught. Op basis van de 'Parkeerbeleid en Parkeernota 2013-2022' van de gemeente Vught is de locatie van het projectgebied gelegen binnen de zone 'rest bebouwde kom' en betreft Vught een matig stedelijke gemeente. Op basis van de kencijfers van het CROW heeft een sociale huurwoning, gelegen binnen een gebied dat is aan te duiden als 'rest bebouwde kom' in een matig stedelijke gemeente, een gemiddelde verkeersgeneratie van 4,9 mvt/e (motorvoertuigbewegingen per etmaal). De totale verkeersgeneratie na realisatie van het woongebouw met 54 sociale huurwoningen bedraagt circa 264,6 mvt/e (4,9 x 54) . De verkeerswegen die het projectgebied ontsluiten betreffen voornamelijk erftoegangswegen met een maximumsnelheidsregime van 30 km/uur. De theoretische capaciteit van deze wegen bedraagt maximaal 4.000 mvt/e. In praktijk wordt de theoretische capaciteit van deze wegen niet gehaald. Op de onderstaande kaart zijn de verkeersintensiteiten van de wegen in de omgeving van het projectgebied weergegeven. Deze kaart is ontwikkeld op basis van data afkomstig van INWEVA en het Brabantse verkeersmodel BBMA.
Te zien is dat de verkeersintensiteit van de erftoegangswegen in de omgeving van het projectgebied, in de meeste gevallen, niet meer dan 2.000 mvt/e bedraagt, de theoretische maximumcapaciteit (4.000 mvt/e) wordt op geen enkele erftoegangsweg overschreden. Hoewel de data afkomstig is uit het jaar 2019, wordt niet verwacht dat de verkeersintensiteit van deze wegen in de afgelopen vijf jaar zodanig is toegenomen dat er sprake zal zijn van overschrijdingen van de verkeerscapaciteit. De verwachting is dat de verkeersgeneratie van het projectgebied gemakkelijk op de omliggende wegen afgewenteld kan worden. Het huidige wegennet is hiervoor efficiënt genoeg ingericht. Er hoeven voor de ontwikkeling van het woongebouw geen wijzigingen aan de Hertoglaan of de Van Sassen van Ysseltstraat plaats te vinden om te zorgen voor een verkeersveilige situatie. Het projectgebied is daarnaast goed bereikbaar per bus, gezien de aanwezige bushaltes in de nabije omgeving aan de Brabantlaan, Hertoglaan en de Pieter Vreedesingel.
40
Figuur 4.4 Uitsnede kaart motorvoertuigen per etmaal (bron: Dataportaal Brabant)
4.8.2
Parkeren
In het kader van de gehele gebiedsontwikkeling heeft Aveco de Bondt in opdracht van de gemeente Vught een parkeeronderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage van het parkeeronderzoek is als Bijlage 10 toegevoegd aan voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Hieronder volgt een korte samenvatting.
Beoordeling Voor de bepaling van de parkeerbehoefte van de beoogde nieuwe ontwikkelingen is gebruik gemaakt van de Parkeerbeleid- en parkeernota Vught 2013-2022. Voor de projectlocatie wordt uitgegaan van de parkeernormen behorende bij de gebiedsclassificatie 'Vught rest bebouwde kom'. In het parkeeronderzoek is het plangebied van de gebiedsontwikkeling verdeeld in een noordelijk deel en een zuidelijk deel. Onderhavige ontwikkeling is daarbij gelegen in het zuidelijke deel. Bij het berekenen van de parkeerbalans moet ook rekening gehouden worden met de aanwezigheidspercentages. Niet iedere doelgroep die wil parkeren is gelijktijdig in het gebied aanwezig. Dit biedt kansen voor het gebruik van het parkeeraanbod door verschillende doelgroepen op verschillende tijden, dit wordt dubbelgebruik genoemd. De parkeernota van de Gemeente Vught bevat rekenwaarden voor het rekenen met aanwezigheidspercentages. Daarmee wordt de parkeerbehoefte uitgerekend waarbij dubbelgebruik wordt toegepast. Voor het zuidelijke deel wordt de hoogste parkeerbehoefte in een doorgaanse week verwacht op een zaterdagmiddag, dit dagdeel is dan ook maatgevend voor het berekenen van de parkeerbalans.
41
Tabel 4.2 Berekening parkeerbehoefte zuidelijk deel Hart van de Baarzen
In de bovenstaande tabel is de parkeerbalans van het zuidelijke deel berekend op een zaterdagmiddag. De totale parkeerbehoefte van alle functies in het zuidelijke deel betreft 112,3 parkeerplaatsen. Geadviseerd wordt om een marge van 10% extra parkeercapaciteit op te nemen, waardoor de parkeerbehoefte toeneemt tot 123,4 parkeerplaatsen. Afgerond zijn er 124 parkeerplaatsen nodig om de parkeerbehoefte te kunnen opvangen. Er zijn in de openbare ruimte of op eigen terrein, verspreid over verschillende locaties, in totaal 48 parkeerplaatsen aanwezig. De resterende 76 parkeerplaatsen die benodigd zijn om te voorzien in de parkeerbehoefte worden opgevangen in de openbare ruimte. In het zuidelijke deel van het Hart van de Baarzen zal een nieuw openbaar parkeerterrein worden aangelegd met 76 parkeerplaatsen, waarmee de totale parkeerbehoefte kan worden opgevangen.
Figuur 4.5 Toewijzing van parkeren zuidelijk deel Hart van de Baarzen
42
Conclusie Met het uitgevoerde parkeeronderzoek is aangetoond dat de parkeerbehoefte van het gehele plangebied van de gebiedsontwikkeling Hart van de Baarzen kan worden opgelost. De gebiedsontwikkeling zal naar verwachting niet leiden tot onevenredige parkeerhinder en/of -overlast op de nabije omgeving.
4.9
Luchtkwaliteit
Projecten moeten worden getoetst aan de rijksomgevingswaarden voor de luchtkwaliteit. Deze verplichting geldt niet voor projecten die geen tot weinig luchtverontreinigingen veroorzaken. Het project draagt dan 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtvervuiling waardoor toetsing aan de rijksomgevingswaarden niet noodzakelijk is.
Beoordeling Niet in betekenende mate (NIBM) Op grond van artikel 5.54 lid b.onder 1° van het Bkl behoren woningbouwprojecten met ten hoogste 1.500 woningen en één ontsluitingsweg tot de standaardgevallen die aan te wijzen zijn als NIBM-projecten. Onderhavig initiatief betreft de bouw van een woongebouw met 54 appartementen en is daarom ook aan te wijzen als zijnde een NIBM-project. Een toetsing aan de rijksomgevingswaarden is niet noodzakelijk.
Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) van het RIVM is daartoe bepaald wat de totale concentraties zijn van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) nabij het projectgebied. De toetsresultaten ter plaatse van de dichtstbijzijnde rekenpunten, alsmede de bijbehorende grenswaarden, zijn weergegeven in onderstaande tabel.
Tabel 4.3 Gegevens Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (bron: CIMLK)
Uit de bovenstaande tabel blijkt dat de concentraties van de maatgevende stoffen voor de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied ruim onder de grenswaarden blijven. Derhalve kan er ter plaatse van het projectgebied worden gesproken van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van de luchtkwaliteit. Aan de hand van de Schone lucht Kaarten van het RIVM is de blootstelling aan luchtverontreiniging ter plaatse van het projectgebied in kaart gebracht. Ter plaatse van het projectgebied worden de grenswaarden voor roet, fijnstof en stikstofdioxide niet overschreden. Er derhalve worden geconcludeerd dat er ten aanzien van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
43
Figuur 4.6 Uitsneden Schone Lucht Kaarten (bron: RIVM)
Conclusie Uit bovenstaande beoordeling blijkt dat de bijdrage van het project 'niet in betekenende mate' is en derhalve geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden benodigd is. Tevens kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het projectgebied sprake is van een goed woonen leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.
4.10
Externe veiligheid
Externe veiligheid is gericht op het bereiken en in stand houden van een veilige fysieke leefomgeving. Ten aanzien van externe veiligheid zijn in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels opgenomen met als doel de kans te beperken dat mensen die in de omgeving van een activiteit met externe veiligheidsrisico's verblijven door een ongeval met die activiteiten. Onder activiteiten met externe veiligheidsrisico's worden onder andere verstaan: bedrijven met gevaarlijke stoffen; het basisnet met vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); buisleidingen met gevaarlijke stoffen; windturbines. Bij de realisatie van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen in de nabijheid van risicovolle activiteiten moet rekening worden gehouden met het plaatsgebonden risico. Dit is een maat voor de kans dat iemand op een bepaalde plaats in de omgeving van een activiteit met externe veiligheidsrisico's overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij die activiteit of door een ongeval met een
44
windturbine. De overlijdenskans van die persoon mag in beginsel niet meer dan één op de miljoen per jaar zijn. De brand-, explosie-, en gifwolkaandachtsgebieden maken inzichtelijk in welk gebied zich bij een incident nog levensbedreigende gevolgen voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Voor veel activiteiten met externe veiligheidsrisico's zijn in het Bkl vaste afstanden bepaald voor brand- en explosieaandachtsgebieden. Meer dan bij het risico op brand of een explosie is het risico op een gifwolk sterk afhankelijk van variabelen die niet op voorhand bepaald kunnen worden zoals windkracht en windrichting. De omvang van gifwolkaandachtsgebieden bij inrichtingen met giftige stoffen zal daarom per risicobron berekend moeten worden. De maximale begrenzing van het gifwolkaandachtsgebied is bepaald op 1,5 kilometer vanaf de locatie binnen de begrenzing van de activiteit. Deze begrenzing sluit aan bij de door de brandweer en hulpverlengingsdiensten gehanteerde levensbedreigende waarde (LBW). Uit een oogpunt van proportionaliteit en kosteneffectiviteit is het gifwolkaandachtsgebied beperkt tot het gebied waarbinnen mogelijke fysieke veiligheidsmaatregelen in verhouding staan tot de veiligheidswinst die deze opleveren.
Vanwege de wisselende en slecht voorspelbare aanwezigheid van de risicobron bij het transport van gevaarlijke stoffen, gelden voor transportroutes die in het Basisnet zijn opgenomen vaste afstanden voor aandachtsgebieden, te weten: brandaandachtsgebieden: 30 meter; explosieaandachtsgebieden: 200 meter; en gifwolkaandachtsgebieden: 300 meter. Beoordeling In het kader van externe veiligheid zijn op basis van Bijlage VI onder C. van het Bkl 'kwetsbare gebouwen' in beginsel alle gebouwen met een woonfunctie en/of bestemd voor nachtverblijf. De voorgenomen ontwikkeling van het projectgebied met sloop en nieuwbouw voorziet daarmee in de ontwikkeling van kwetsbare gebouwen. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft op de Atlas Leefomgeving de kaart 'Veiligheidsinformatie milieubelastende activiteiten' gepubliceerd. Op deze kaart zijn alle actuele activiteiten met externe veiligheidsrisico's weergegeven.
45
Figuur 4.7 Veiligheidsinformatie milieubelastende activiteiten (bron: Ministerie IenW)
Op de bovenstaande uitsnede van de kaart van het Ministerie van IenW is te zien dat er binnen het projectgebied geen activiteiten met externe veiligheidsrisico's aanwezig zijn. Ter plaatse van het projectgebied zijn tevens geen brand- en explosieaandachtsgebieden van toepassing van zowel inrichtingen met externe veiligheidsrisico's en transportroutes van gevaarlijke stoffen. De gifwolkaandachtsgebieden zijn nog niet volledig opgenomen op de kaart van het Ministerie van IenW. De dichtstbijzijnde risicobron van een gifwolkaandachtsgebied betreft het spoorwegtraject tussen 's-Hertogenbosch en Boxtel op een afstand van circa 430 meter ten oosten van het projectgebied. De vaste begrenzing van 300 meter voor een gifwolkaandachtsgebied van deze transportroute reikt daarmee niet tot aan het projectgebied. Binnen een straal van 1,5 kilometer van het projectgebied zijn tevens geen inrichtingen met giftige stoffen aanwezig. Gifwolkaandachtsgebieden behorende bij inrichtingen met giftige stoffen zijn daardoor eveneens niet van toepassing op het projectgebied.
Conclusie Ter plaatse van het projectgebied gelden geen belemmeringen wat betreft externe veiligheid. Een nader onderzoek is niet benodigd. Het aspect externe veiligheid staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.
4.11
Schaduwwerking
De zon speelt een grote rol bij woningen of andere bouwwerken. Zonlicht heeft invloed op humeur, werkprestaties en woongenot, waardoor er veel waarde wordt gehecht aan voldoende zonlicht. Vanuit het Bouwbesluit zijn er daarom regels opgenomen voor voldoende daglicht in verblijfruimten van een nieuw te bouwen bouwwerk. Het Bouwbesluit zegt echter niets concreets over het wegnemen van zonlicht bij andere gebouwen. De rijksoverheid heeft ook geen andere wet- en regelgeving die hierop betrekking hebben. Bij de ontwikkeling van een nieuw bouwwerk, bestaat de kans dat het zonlicht van omwonende wordt afgenomen als gevolg van de schaduwwerking van het nieuwe bouwwerk. Omdat een toename van schaduw door nieuwbouw kan ongewenst zijn is het belangrijk om ervoor te zorgen dat er voldoende bezonning en schaduw overblijft op de omgeving. Het onafhankelijk onderzoeksinstituut TNO heeft een 'lichte' en een 'strenge' norm voor bezonning: de 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari - 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam; de 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de perioden 21 januari - 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. Deze normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen.
Noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht, waardoor deze zijn uitgesloten van deze normen. De TNO-norm is niet per wet verplicht gesteld, maar gemeenten kunnen er wel voor kiezen om deze norm te hanteren.
Beoordeling
46
Ter plaatse van het projectgebied geldt een maximum toegestane bouwhoogte van 11 meter. Het beoogde nieuwe woongebouw heeft een bouwhoogte van circa 16,3 meter, waarmee de maximum bouwhoogte met ruim 5 meter wordt overschreden. Als gevolg van de hogere bouwhoogte zal ook de schaduwwerking van het nieuwe woongebouw toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling van het woongebouw is een schaduwstudie uitgevoerd die als Bijlage 11 is toegevoegd aan voorliggende ruimtelijke onderbouwing. In de schaduwstudie is de verwachtte schaduwwerking van het nieuwe woongebouw geprojecteerd op de volgende maatgevende datums: 21 maart: de dag dat de zon op 'half' staat,precies tussen de stand van 22 december en 21 juni in (zomertijd); 21 juni: de dag dat de zon het hoogst staat; 21 september: de dag dat de zon op 'half' staat, precies tussen de stand van 21 juni en 22 december in (wintertijd); 21 december: de dag dat de zon het laagst staat. De schaduwwerking van het nieuwe woongebouw op de bestaande gebouwen die ten westen en noorden van het projectgebied zijn gelegen zal niet leiden tot een overschrijding van zowel de 'lichte' als de 'strenge' TNO-norm. De schaduwwerking van het nieuwe woongebouw zal het meeste effect hebben op westelijke buitengevels van de twee woonflats die zijn gelegen ten oosten van het projectgebied.
Als gevolg van de schaduwwerking van het nieuwe woongebouw, zullen de westelijke buitengevels van de twee woonflats op 21 december geen direct zonlicht meer ontvangen. Hoewel de datum 21 december maatgevend is voor de schaduwwerking is deze datum echter uitgesloten van zowel de 'lichte' als 'strenge' TNO-norm. Als gevolg van de schaduwwerking van het nieuwe woongebouw kan er voor de westelijke gevels van deze woonflats niet worden voldaan aan de 'strenge' TNO-norm. Dit houdt in dat er in de periode van 21 januari tot 22 november geen 3 zonuren per dag gegarandeerd kunnen worden op de westelijke buitengevels van de woonflats. De schaduwwerking van het nieuwe woongebouw zal naar verwachting echter niet leiden tot een overschrijding van de lichte TNO-norm ten opzichte van de westelijke buitengevels van de naastgelegen woonflats. Op het onderstaande figuur is te zien dat op 21 maart tussen 12:30 uur en 14:50 uur minimaal 2 uur en 20 minuten zonuren zijn gegarandeerd op de westelijke buitengevels van de naastgelegen woonflats. Op 21 september zijn tussen 13:15 uur en 15:50 uur minimaal 2 uur en 15 minuten zonuren gegarandeerd. Op deze maatgevende datums kan worden voldaan aan de 'lichte' TNO-norm.
47
Figuur 4.8 Schaduwstudie 21 maart en 21 september
Conclusie Als gevolg van het nieuwe woongebouw zal de schaduwwerking vanuit het projectgebied toenemen ten opzichte van de huidige situatie. De schaduwwerking van het nieuwe woongebouw op de bestaande gebouwen die ten westen en noorden van het projectgebied zijn gelegen zal niet leiden tot een overschrijding van zowel de 'lichte' als de 'strenge' TNO-norm. De schaduwwerking van het nieuwe woongebouw zal het meeste effect hebben op de westelijke buitengevels van de twee woonflats ten oosten van het projectgebied. Naar verwachting zal de schaduwwerking van het nieuwe woongebouw ervoor zorgen dat de 'strenge' TNO-norm niet kan worden gehaald voor de westelijke buitengevels van de woonflats. Verwacht wordt dat 'lichte' TNO-norm wel kan worden gehaald.
4.12
Mer-beoordeling
Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Er zijn drie onafhankelijke aanvliegroutes die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht. Bepalend hierbij is de activiteit (of zijn de activiteiten) waarop het plan of besluit betrekking heeft. Het betreft de volgende drie stappen: 1. Toetsing aan het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Hiermee wordt getoetst of het plan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. Het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig. b. Het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D van de bijlage van
48
het Besluit m.e.r., en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor een plan als bedoeld in kolom 3 'plannen' geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht. c. Het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D: er moet beoordeeld worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd. d. De activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit wordt niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht. 2. In het geval van een plan: toetsing of het uitvoeren van een passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming voor dit plan verplicht is vanwege de hierin opgenomen activiteit(en). In dat geval is het plan mogelijk m.e.r.-plichtig. 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Door Provinciale Staten kunnen hierin aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen die kunnen leiden tot m.e.r.-plicht.
Beoordeling en conclusie De activiteit die met de ruimtelijke onderbouwing mogelijk wordt gemaakt, is de realisatie van een woongebouw met 54 sociale huurwoningen. Deze activiteit valt binnen onderdeel D. (D11.2 de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen). Er is geen definitie gegeven voor een 'stedelijk ontwikkelingsproject'. De activiteit blijft ruimschoots onder de drempelwaarde: Oppervlakte van 100 hectare of meer; Aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat; of Bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. zijn indicatieve waarden. Dit betekent dat het bevoegd gezag dient na te gaan of de beoogde activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Dit kan middels een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Op grond van de stappen 2 en 3 is geen directe aanleiding voor een m.e.r.-plicht.
Vormvrije m.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden beoordeeld of de activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. In voorgaande paragrafen zijn de mogelijk effecten ten aanzien voor de diverse milieu- en omgevingsaspecten nader beoordeeld. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatsen. Er is dan ook geen sprake van een m.e.r.-plicht.
49
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Financiële uitvoerbaarheid
In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie (Grexwet) opgenomen. Centrale doelstelling van de Grexwet is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijke kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij drie ruimtelijke besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of afwijkingsbesluit. Om daadwerkelijk na te kunnen gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden of er sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
In dit artikel is omschreven om welke bouwplannen het gaat, namelijk: de bouw van een of meer woningen; de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m2 of met een of meer woningen; de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies tenminste 1.500 m2 bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is.
Beoordeling en conclusie Ten behoeve van dit project is een anterieure overeenkomst gesloten met initiatiefnemer. In deze overeenkomst is het kostenverhaal opgenomen. Het opstellen van een exploitatieplan is derhalve in dit geval niet noodzakelijk.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1
Participatie
In het kader van participatie is het van belang dat derden (waaronder omwonenden) in een vroegtijdig stadium worden betrokken bij de voorbereiding van plan- en projectvorming. Met het tijdig uitvoeren van een participatieproces kunnen initiatiefnemers op tijd belangen, meningen en creativiteit vanuit de omgeving op tafel krijgen. In het kader van de ontwikkeling van een integrale gebiedsontwikkeling van het 'Hart van Baarzen' heeft de gemeente Vught meerdere bewonersbijeenkomsten georganiseerd om de stand van zaken van de verschillende deelprojecten toe te lichten, de omwonenden te
50
informeren en suggesties op te halen vanuit de omgeving. Charlotte van Beuningen heeft voor haar bewoners in de appartementen aan de overzijde van dit plan in 2022 en 2023 informatiebijeenkomsten gehouden over de vorm en omvang van het project in voorbereiding. Daarbij was voor alle bewoners van belang dat zij niet vanuit hun woonkamer uit gaan kijken op de woonkamers en balkons van de overburen. Dit sloot aan bij de keuze om de galerijen aan de straatzijde te situeren. Daarbij wordt worden de galerijen afgewerkt met begroeiing waardoor het gebouw een "natuurlijk groene" uitstraling krijgt. Bewoners zijn niet blij met de hoogte van het nieuwe gebouw, maar hebben er begrip voor dat er woonruimte moet worden gerealiseerd voor het grote aantal woningzoekenden. Aanvullend op de collectieve bijeenkomsten zijn individuele gesprekken gevoerd met bewoners recht tegenover het geplande project om vanuit hun woning de effecten en mogelijkheden aan de overzijde met elkaar te bespreken. Deze bewoners is de mogelijkheid geboden om in aanmerking te komen voor een van de nieuwe appartementen. Vooralsnog heeft geen van de bewoners aangegeven daar gebruik van te willen maken. Charlotte van Beuningen zal de bewoners periodiek blijven informeren over de ontwikkelingen van het nieuwbouwplan.
5.2.2
Ontwerpbeschikking
De ontwerp verklaring van geen bedenkingen en de ontwerpbeschikking zijn met ingang van 1 juni 2024 gedurende zes weken (tot en met 12 juli 2024) ter inzage gelegd in het gemeentekantoor te Vught. De aanvraag, de ontwerpbeschikking en de bijbehorende stukken waren daarnaast ook digitaal beschikbaar en te raadplegen via www.ruimtelijkeplannen.nl. Gedurende de terinzagelegging is één zienswijze ingediend. De zienswijze leidt niet tot een aanpassing. De volledige beantwoording van de zienswijze is te vinden in de Notitie beantwoording zienswijze, welke in Bijlage 12 is toegevoegd aan voorliggende ruimtelijke onderbouwing.