CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - APV 2022

Raadsvergadering 16 december 2021, gemeente VughtBij agendapunt: Wijziging Algemene Plaatselijke Verordening (APV) 202222.210 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Rubriek:

Citeertitel:

05.01

Algemene Plaatselijke Verordening Vught

Vaststellin

30-10-2008

Publicatie:

30-12-2008

Inwerking:

07-01-2009

Wijziging:

10-06-2010

Publicatie:

18-08-2010

Inwerking:

01-10-2010

Wijziging:

14-10-2010

Publicatie:

27-10-2010

Inwerking:

01-11-2010

Wijziging:

30-06-2011

Publicatie:

13-07-2011

Inwerking:

21-07-2011

Wijziging:

06-10-2016

Publicatie:

12-10-2016

Inwerking:

01-11-2016

Wijziging

14-12-2017

Publicatie:

20-12-2017

Inwerking:

01-01-2018

Wijziging

12-12-2019

Publicatie:

18-12-2019

Inwerking:

01-01-2020

g:

Wijziging

Publicatie

Inwerking:

Opm.:

Algemene Plaatselijke Verordening Vught 2022

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1:1

Definities

Artikel 1:2

Beslistermijn

Artikel 1:3

Indiening aanvraag (vervallen)

Artikel 1:4

Voorschriften en beperkingen

Artikel 1:5

Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

Artikel 1:6

Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

Artikel 1:7

Termijnen

Artikel 1:8

Weigeringsgronden OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID, VOLKSGEZONDHEID

HOOFDSTUK 2

EN MILIEU Afdeling 1

Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden

Artikel 2:1

Samenscholing en ongeregeldheden

Artikel 2:1a

Gebiedsontzegging

Afdeling 2

Betogingen

Artikel 2:2

Optochten (Opgenomen in afdeling 7, evenementen)

Artikel 2:3

Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

Artikel 2:4

Afwijking termijn (Opgenomen in artikel 2:3)

Artikel 2:5

Te verstrekken gegevens(Opgenomen in artikel 2:3)

Afdeling 3

Verspreiden van gedrukte stukken

Artikel 2:6

Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen (Vervallen)

Afdeling 4

Vertoningen e.d. op de weg

Artikel 2:7

Feest, muziek en wedstrijd e.d. (Opgenomen in afdeling

7, evenementen) Artikel 2:8

Dienstverlening (vervallen)

Artikel 2:9

Straatartiest e.d. (Opgenomen in afdeling 7,

evenementen)

Afdeling 5

Bruikbaarheid en aanzien van de weg

Artikel 2:10

Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg

Artikel 2:10a

Plaatsen van (sandwich)borden op, aan of boven de weg

Artikel 2:11

(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

Artikel 2:12

(Omgevings)vergunning voor het maken, veranderen van een uitweg

Afdeling 6

Veiligheid op de weg

Artikel 2:13

Veroorzaken van gladheid (vervallen)

Artikel 2:14

Winkelwagentjes(vervallen)

Artikel 2:15

Hinderlijke beplanting of voorwerp

Artikel 2:16

Openen straatkolken e.d.(vervallen)

Artikel 2:17

Kelderingangen e.d.(vervallen)

Artikel 2:18

Rookverbod in bossen en natuurterreinen

Artikel 2:19

Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (vervallen)

Artikel 2:20

Vallende voorwerpen (vervallen)

Artikel 2:21

Voorzieningen voor verkeer en verlichting

Artikel 2:22

Objecten onder hoogspanningslijn (vervallen)

Artikel 2:23

Veiligheid op het ijs (vervallen)

Afdeling 7

Evenementen

Artikel 2:24

Definities

Artikel 2:25

Evenement

Artikel 2:25a

Vergunningsvrij evenement(opgenomen in artikel 2:25)

Artikel 2:26

Ordeverstoring

Afdeling 8

Toezicht op openbare inrichtingen

Artikel 2:27

Begripsbepalingen

Artikel 2:28

Exploitatievergunning openbare inrichting

Artikel 2:29

Sluitingstijden

Artikel 2:30

Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting

Artikel 2:31

Verboden gedragingen

Artikel 2:32

Handel binnen openbare inrichtingen (vervallen)

Artikel 2:33

Het college als bevoegd bestuursorgaan

Afdeling 8A Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet Artikel 2:34a

Definities

Artikel 2:34b

Reguliering paracommerciële rechtspersonen

Artikel 2:34c

Artikel 2:34c Proeverijen in slijtersbedrijven

Afdeling 9

Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf

Artikel 2:35

Begripsbepalingen (vervallen)

Artikel 2:36

Kennisgeving exploitatie (vervallen)

Artikel 2:37

Nachtregister (vervallen)

Artikel 2:38 Afdeling 10

Verschaffing gegevens nachtregister (vervallen)

Toezicht op speelgelegenheden

Artikel 2:38a

Definities

Artikel 2:39

Speelgelegenheden

Artikel 2:40

Kansspelautomaten

Afdeling 10¹ Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemingsklimaat Artikel 2:40a

Verbod exploiteren bedrijf zonder benodigde vergunning

Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2:41

Betreden gesloten woning of lokaal

Artikel 2:42

Plakken en kladden

Artikel 2:43

Vervoer plakgereedschap e.d.(vervallen)

Artikel 2:44

Vervoer inbrekerswerktuigen

Artikel 2:44a

Vervoer geprepareerde voorwerpen

Artikel 2:45

Betreden van plantsoenen e.d. (vervallen)

Artikel 2:46

Rijden over bermen e.d. (vervallen)

Artikel 2:47

Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

Artikel 2:48

Verboden drankgebruik

Artikel 2:49

Verboden gedrag bij of in gebouwen (vervallen)

Artikel 2:50

Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten

Artikel 2:51

Neerzetten van fietsen e.d.(vervallen)

Artikel 2:52

Overlast van fiets of bromfiets op markt- en kermisterrein e.d.(vervallen)

Artikel 2:53

Bespieden van personen (vervallen)

Artikel 2:54

Bewakingsapparatuur (vervallen)

Artikel 2:55

Nodeloos alarmeren (vervallen)

Artikel 2:56

Alarminstallaties (vervallen))

Artikel 2:57

Loslopende honden

Artikel 2:58

Verontreiniging door honden

Artikel 2:59

Gevaarlijke honden

Artikel 2:59a

Gevaarlijke honden op eigen terrein

Artikel 2:60

Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

Artikel 2:61

Wilde dieren (vervallen)

Artikel 2:62

Loslopend vee

Artikel 2:63

Duiven (vervallen)

Artikel 2:64

Bijen (vervallen)

Artikel 2:64a

Vernietiging van rupsen en rupsennesten

Artikel 2:65

Bedelarij

(vervallen)

Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel 2:66

Definities (vervallen)

Artikel 2:67

Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

(vervallen) Artikel 2:68

Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht(vervallen)

Artikel 2:69

Vervreemding van door opkoop verkregen goederen

(vervallen) Artikel 2:70

Handel in horecabedrijven (vervallen)

Afdeling 13 Vuurwerk Artikel 2:71

Begripsbepalingen

Artikel 2:72

Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

Artikel 2:73

Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

Artikel 2:73a

Carbidschieten

Afdeling 14 Drugsoverlast Artikel 2:74

Drugshandel op straat.

Artikel 2:74a

Openlijk drugsgebruik

Afdeling 15 Bestuurlijke ophouding, veiligheidsricicogebieden en cameraToezicht op openbare plaatsen Artikel 2:75

Sluiting gebouw

Artikel 2:76

Veiligheidsrisicogebieden

Artikel 2:77

Cameratoezicht op openbare plaatsen

Artikel 2:78

Gebiedsontzegging (verplaatst naar hfst 2, art 2:1a

Artikel 2:79

Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentwet

HOOFDSTUK 3

REGULERING PROSTITUTIE, SEKSBRANCHE EN AANVERWANTE ONDERWERPEN

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 3:1

Afbakening

Artikel 3:2

Definities

Afdeling 2

Vergunning seksbedrijf

Artikel 3:3

Vergunning

Artikel 3:4

Concentratie seksinrichtingen

Artikel 3:5

0-optie prostitutie en maximering aantal seksinrichtingen

Artikel 3:6

Aanvraag

Artikel 3:7

Weigeringsgronden

Artikel 3:8

Eisen met betrekking tot vergunning

Artikel 3:9

Intrekkingsgronden

Artikel 3:10

Melding gewijzigde omstandigheden

Artikel 3:11

Verlenging vergunning (vervallen)

Artikel 3:12

Sluitingstijden seksinrichtingen(vervallen)

Afdeling 3

Uitoefenen seksbedrijf

Artikel 3:13

Adverteren

Artikel 3:14

Leeftijd en verblijfstitel prostituees; verbod werken voor onvergund prostitutiebedrijf

Artikel 3:15

Bedrijfsplan (vervallen)

Artikel 3:16

Minimale verhuurperiode werkruimte (vervallen)

Artikel 3:17

Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder

(vervallen) Artikel 3:18

Raamprostitutie

Artikel 3:19

Straatprostitutie

Artikel 3:20

Handhaving straatprostitutie (vervallen)

Afdeling 4

Overige bepalingen

Artikel 3:21

Verbodsbepaling klanten

Artikel 3:22

Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotischPornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke

HOOFDSTUK 4

BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE

Afdeling 1

Geluid- en lichthinder

Artikel 4:1

Definities

Artikel 4:2

Aanwijzing collectieve festiviteiten

Artikel 4:3

Incidentele festiviteiten

Artikel 4:4

Verboden incidentele festiviteiten

Artikel 4:5

Onversterkte muziek

Artikel 4:6

Overige geluid- of lichthinder

Artikel 4:6a Afdeling 2

Mosquito (vervallen)

Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

Artikel 4:7

Straatvegen (vervallen)

Artikel 4:8

Natuurlijke behoefte doen

Artikel 4:9

Toestand van sloten en andere wateren en nietopenbare riolen en putten buiten gebouwen (vervallen)

Afdeling 3

Het bewaren van houtopstanden

Artikel 4:10

Definities

Artikel 4:10a

Monumentale en waardevolle bomenlijst

Artikel 4:11

Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

Artikel 4:11a

Weigeringsgronden (Vervallen, opgenomen in 4:11)

Artikel 4:11b

Geldigheid vergunning

Artikel 4:11c

Bijzondere vergunningsvoorschriften

Artikel 4:11d

Herplant-/instandhoudingsplicht

Artikel 4:11e

Schadevergoeding

Artikel 4:11f

Afstand tot de erfgrenslijn

Artikel 4:11g

Bestrijding iepziekte

Afdeling 4

Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

Artikel 4:13

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.

Artikel 4:14

Stankoverlast door gebruik van dierlijke meststoffen

(vervallen) Artikel 4:15

Verbod hinderlijke of gevaarlijke handelsreclame

Artikel 4:16

Reclamevergunning

Afdeling 5

Kamperen buiten kampeerterreinen

Artikel 4:17

Begripsbepalingen

Artikel 4:18

Nachtverblijf buiten kampeerterreinen

Artikel 4:19

Aanwijzing kampeerplaatsen

Afdeling 6

Verbod op het gebruik van (wens)ballonnen

Artikel 4:20 HOOFDSTUK 5

Verbod op het gebruik van (wens)ballonnen ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE

Afdeling 1

Parkeerexcessen

Artikel 5:1

Definities

Artikel 5:2

Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.

Artikel 5:3

Te koop aanbieden van voertuigen

Artikel 5:4

Defecte voertuigen

Artikel 5:5

Voertuigwrakken

Artikel 5:6

Kampeermiddelen en andere voertuigen

Artikel 5:7

Reclamevoertuigen

Artikel 5:8

Parkeren van grote of uitzicht belemmerende voertuigen

Artikel 5:9

Parkeren van uitzicht belemmerende Voertuigen

(vervallen, opgenomen in 5:8) Artikel 5:10

Parkeren van voertuigen anders dan op de rijbaan

Artikel 5:11

Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

Artikel 5:12

Overlast van fiets of bromfiets (vervallen)

Afdeling 2

Collecteren

Artikel 5:13

Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurswerving

Afdeling 3

Venten

Artikel 5:14

Definities

Artikel 5:15

Ventverbod

Artikel 5:16

Vrijheid van meningsuiting (vervallen)

Afdeling 4

Standplaatsen

Artikel 5:17

Definities

Artikel 5:18

Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

Artikel 5:19

Toestemming rechthebbende

Artikel 5:20

Afbakeningsbepalingen (vervallen: opgenomen in art.

5:18) Artikel 5:21 Afdeling 5

Aanhoudingsplicht (vervallen)

Snuffelmarkten (Vervallen: art.5:22 en 5:23 opgenomen onder hfst

7 evenementen) Afdeling 6

Openbaar water

Artikel 5:24

Voorwerpen op, in of boven openbaar water

Artikel 5:25

Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen

(vervallen, opgenomen in art.5:25) Artikel 5:26

Aanwijzingen ligplaats (vervallen, opgenomen in artikel

5:25) Artikel 5:27

Verbod innemen ligplaats

Artikel 5:28

Beschadigen van waterstaatswerken (vervallen)

Artikel 5:29

Reddingsmiddelen (vervallen)

Artikel 5:30

Veiligheid op het water (vervallen)

Artikel 5:30a

Verbod magneetvissen

Artikel 5:31

Overlast aan vaartuigen (vervallen)

Afdeling 7

Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden

Artikel 5:31a

Definities

Artikel 5:32

Crossterreinen

Artikel 5:33

Beperking verkeer in natuurgebieden

Afdeling 8

Verbod vuur te stoken

Artikel 5:34

Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

Afdeling 9

Verstrooiing van as

Artikel 5:35

Begripsbepalingen (vervallen)

Artikel 5:36

Verboden plaatsen (vervallen)

Artikel 5:37

Hinder of overlast (vervallen)

HOOFDSTUK 6

STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 6:1

Strafbepaling

Artikel 6:2

Toezichthouders

Artikel 6:3

Binnentreden woningen

Artikel 6:4

Intrekking oude verordening

Artikel 6:5

Overgangsbepaling

Artikel 6:6

Inwerkingtreding

Artikel 6:7

Citeertitel

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: a. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; b. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel de Wet algemene bepalingen

omgevingsrecht of ten aanzien van een al

verleende omgevingsvergunning; c. bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1, eerste lid van de

Bouwverordening;

d. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de

Wegenverkeerswet 1994;

e. college: het college van burgemeester en wethouders; f. gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet daaronder wordt

verstaan;

g. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; h. motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; i. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; j. openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; k. parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. l. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of

persoonlijk recht;

m.voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens,

kinderwagens en rolstoelen;

n. weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b van de

Wegenverkeerswet 1994

o. Regulier evenement (A): een vergunningplichtig evenement met beperkte impact op de omgeving waarbij het onwaarschijnlijk is dat dit leidt tot risico’s voor de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid en/of het milieu. Als zodanig geclassificeerd met behulp van de behandelscan van Veiligheidsregio Brabant Noord p. Aandachtevenement (B): een vergunningplichtig evenement met een gemiddelde impact op de omgeving waarbij het mogelijk is dat dit leidt tot risico’s voor de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid en/of het milieu. Als zodanig geclassificeerd met behulp van de behandelscan van Veiligheidsregio Brabant Noord q. Risico-evenement (C): een vergunningplichtig evenement met grote impact op de omgeving waarbij het waarschijnlijk is dat die gebeurtenis leidt tot risico’s voor de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid en/of het milieu. Als zodanig geclassificeerd met behulp van de behandelscan van Veiligheidsregio Brabant Noord

Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. In afwijking van het eerste lid geldt voor een aanvraag voor een aandachtevenement een beslistermijn van 12 weken en voor een risicoevenement een beslistermijn van 16 weken. 4. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning of ontheffing als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, of artikel 4:11.

Artikel 1:3 Indiening aanvraag

(Vervallen)

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt.

Artikel 1:7 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan respectievelijk acht weken of drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. 3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid kan een vergunning of ontheffing ook worden geweigerd als de aanvraag betrekking heeft op een aandachtevenement of risico-evenement en de aanvraag daarvoor minder dan respectievelijk 12 of 16 weken voor beoogde datum van het evenement is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

HOOFDSTUK 2

OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID, VOLKSGEZONDHEID EN MILIEU

Afdeling 1.

Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden

Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden

1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Degene die op een openbare plaats a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op een bevel van een ambtenaar van de politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. 5. Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:1a Gebiedsontzegging 1.

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat, de

veiligheid van personen of goederen, de

gezondheid of zedelijkheid, aan degene die strafbare feiten of openbare orde

verstorende feiten verricht of zich gedraagt in strijd met artikel 2:74 en artikel 2:74a een verbod opleggen om zich gedurende 72 uur te bevinden op in dat verbod aangewezen plaats(en), waar of in de omgeving waarvan de gedragingen hebben plaatsgehad. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie wordt geconstateerd dat hij opnieuw strafbare feiten of ordeverstorende feiten verricht, of dat hij zich opnieuw gedraagt in strijd met de in het eerste lid genoemde artikelen, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste vier weken te bevinden op in dat verbod aangewezen plaats(en), waar of in de omgeving waarvan de gedragingen hebben plaats gehad. 3. Een verbod als genoemd in het tweede lid kan slechts worden opgelegd indien de strafbare feiten of openbare orde verstorende feiten binnen een jaar na het opleggen van het verbod, opgelegd op grond van het eerste of tweede lid, zijn geconstateerd. 4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid genoemde verboden, indien dat in verband met de persoonlijk omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. 5. Het is verboden zich te gedragen in strijd met het door de burgemeester opgelegde verbod.

Afdeling 2.

Betogingen

Artikel 2:2 Optochten

(Vervallen. Opgenomen in afdeling 7. Evenementen)

Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare

manifestaties, geeft daarvan vóór de

openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van

beëindiging;

d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in

behandeling nemen buiten de in lid 1 gestelde termijn.

Artikel 2:4 Afwijking termijn

(Vervallen. Opgenomen in artikel 2:3)

Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens

(Vervallen. Opgenomen in artikel 2:3)

Afdeling 3.

Verspreiden van gedrukte stukken

Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

(Vervallen)

Afdeling 4.

Vertoningen e.d. op de weg

Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.

(Vervallen. Opgenomen in afdeling 7. Evenementen)

Artikel 2:8 Dienstverlening

(Vervallen)

Artikel 2:9 Straatartiest e.d.

(Vervallen. Opgenomen in afdeling 7. Evenementen) Afdeling 5.

Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien veilig gebruik van openbare plaatsen

Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg of openbare plaats 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd:

a. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 4. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden. 5. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2.24; b. terrassen als bedoeld in artikel 2:27, tweede lid; c. standplaatsen als bedoeld in artikel 5.17; d. voor sandwichborden als bedoeld in artikel 2.10a; e. door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen; f. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 6.

Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de provinciale wegenverordening, of het provinciaal wegenreglement.

7. De weigeringsgrond, bedoeld in het derde lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken. 8. De weigeringsgrond, bedoeld in het derde lid, onder c, is niet van toepassing als in de voorkoming van overlast wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 9. Op aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing

Artikel 2:10a Plaatsen van (sandwich)borden op, aan of boven de weg

1. Het is verboden zonder voorafgaande melding aan het college op, aan of boven de weg een (sandwich)bord te plaatsen, aan te brengen of te hebben. 2. Het college laat binnen drie weken na ontvangst van de melding weten of zij met de melding akkoord gaat en of zij aan het plaatsen, aanbrengen of hebben van een (sandwich)bord voorschriften stelt. 3. De melding mag in principe gedaan worden door verenigingen, stichtingen, politieke partijen en overheidsinstellingen. 4. Het plaatsen van (sandwich)borden is alleen toegestaan voor plaatselijke aangelegenheden, zijnde: a. Evenementen in de gemeente Vught (op grond van artikel 2:24) b. Tijdelijke en incidentele activiteiten zonder winstoogmerk in de gemeente Vught. Deze activiteiten hebben een sociaal-cultureel karakter of een maatschappelijk belang. Bovendien heeft de activiteit geen betrekking op een commercieel merk of product, tijdelijke prijskortingen of commerciële acties voor een product of deel van het assortiment en is de activiteit niet gericht op het maken van bedrijfsreclame. 5. Ongeacht de aanvraag, zijn op het plaatsen, aanbrengen of hebben van een (sandwich)bord de volgende voorschriften van toepassing: a. per aangelegenheid mogen maximaal 15 (sandwich)borden worden geplaatst; b. de afmeting van een (sandwich)bord mag maximaal 1 meter bij 1,2 meter bedragen; c.

een (sandwich)bord mag slechts een week voor aanvang van de aangekondigde gebeurtenis worden geplaatst en moet 24 uur na afloop van de aangekondigde gebeurtenis worden verwijderd; d. een (sandwich)bord mag niet aan een boom of verkeersbord worden bevestigd; e. een (sandwich)bord mag geen gevaar of belemmering opleveren voor het verkeer. 6. Het college kan in het belang van openbare orde en veiligheid of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen met betrekking tot de locaties van de sandwichborden, waaronder het aanwijzen van vaste locaties voor het plaatsen van sandwichborden.

7. Het college kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 1. 8. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op een (sandwich)bord waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet, tenzij dit (sandwich)bord: a. door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengt aan de weg; b. gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg, of c. een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend: als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het

Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer

rijkswaterstaatswerken, de provinciale

wegenverordening, de

waterschapskeur of de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren (AVOI). 5. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet

bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig

beslissen) van toepassing.

Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd: a. indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; b. indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht of het in strijd is met het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d. indien het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de provinciale wegenverordening of het provinciaal wegenreglement.

Afdeling 6.

Veiligheid op de weg

Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid

(Vervallen)

Artikel 2:14 Winkelwagentjes

(Vervallen) Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.

(Vervallen)

Artikel 2:17 Kelderingangen e.d.

(Vervallen)

Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode; b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 4. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp

(Vervallen)

Artikel 2:20 Vallende voorwerpen

(Vervallen

Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare

verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd

of verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de

Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de

Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn

(Vervallen)

Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs

(Vervallen) Afdeling 7.

Evenementen

Artikel 2:24 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare

manifestaties;

f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39; g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid,

onder f.

2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid b. een braderie c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg e. een straatfeest of buurtbarbecue op één dag (klein evenement) f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s g. het optreden van een straatmuzikant h. een snuffelmarkt

3. In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 250 personen; b. het evenement plaatsvindt op één locatie; c. het evenement tussen 9.00 en 01.00 uur plaatsvindt; d. een aanwezige geluidsinstallatie een geluidsniveau van maximaal 75 dB(A) en 80 dB(C) op de meest belaste gevel van een woning produceert en niet langer duurt dan tot uiterlijk 22.00 uur; e. het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; f. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van maximaal 25 m² per object en niet meer dan drie objecten per evenement; g. slechts kleine objecten worden geplaatst waarin minder dan 50 personen tegelijkertijd aanwezig zijn; Artikel 2:25 Evenement 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een

evenement te organiseren.

2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 4. Indien een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend, heeft de vergunning-houder voor de activiteiten die op grond van deze of enige andere gemeentelijke verordening vergunningsplichtig zijn of waarvoor een ontheffing of vrijstelling nodig is, geen vergunning, ontheffing of vrijstelling nodig mits de activiteiten in de vergunning zijn vermeld en plaatsvinden in of op de locatie zoals aangegeven in de vergunning. 5. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien de organisator tenminste drie weken voorafgaand aan het evenement daarvan schriftelijk

melding heeft gedaan aan de burgemeester. De burgemeester kan onder bijzondere omstandigheden deze termijn verkorten of een mondelinge melding ontvankelijk verklaren. 6. Bij de melding als bedoeld in het vijfde lid dient opgave te worden gedaan van: a.

de naam en adres van de organisator van het evenement;

b.

een beschrijving van het evenement met de activiteiten die zullen plaatsvinden;

c.

de datum waarop het evenement wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en beëindiging;

d.

de locatie dan wel de route van het evenement;

e.

de maatregelen die de organisator zal treffen om een regelmatig verloop van het

f.

evenement te bevorderen;

de overige gegevens die van belang kunnen zijn voor een concrete beoordeling van de melding.

7. Voor activiteiten die op de melding zijn vermeld en waarvoor op grond van deze of enige andere gemeentelijke verordening een vergunning is vereist of waarvoor een ontheffing of vrijstelling nodig is, heeft de organisator geen vergunning, ontheffing of vrijstelling nodig mits de activiteiten plaatsvinden op de locatie dan wel route zoals aangegeven in de melding en niet door de burgemeester zijn verboden. 8. De burgemeester kan binnen twee weken na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor een belang zoals opgenomen in artikel 1:8 van deze verordening in gevaar komt. 9. De burgemeester is bevoegd om in verband met de in het achtste lid genoemde belangen nadere voorschriften te stellen. 10. Het is verboden een evenement als bedoeld in het vijfde lid, te laten plaatsvinden, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien: a. de melding daarvan niet overeenkomstig het bepaalde in het zesde lid is gedaan; b. gehandeld wordt in afwijking van de gegevens die bij de melding zijn verstrekt;

c. gehandeld wordt is strijd met de nadere voorschriften zoals bedoeld in het negende lid; d. de burgemeester de melding van het evenement heeft afgewezen zoals bedoeld in het achtste lid. 11. Het vijfde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 12. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 13. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:25a Vergunningsvrij evenement

(Vervallen. Opgenomen in artikel 2:25 over evenement)

Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Afdeling 8.

Toezicht op openbare inrichtingen

Artikel 2:27 Definities 1. In deze afdeling wordt verstaan onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of

rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt of bereid; 2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. 3. Onder leidinggevende wordt verstaan: a. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt uitgeoefend; b. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een onderneming, waarin de openbare inrichting wordt uitgeoefend in een of meer inrichtingen; c. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van een openbare inrichting.

Artikel 2:28 Exploitatievergunning openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de

burgemeester.

2. De burgemeester weigert de vergunning als a. de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. b. de leidinggevende de leeftijd van 21 jaar niet heeft bereikt; c. de leidinggevende in enigerlei opzicht van slecht levensgedrag is; d. de leidinggevende onder curatele staat of is ontzet uit de ouderlijke macht of voogdij. 3. Het is verboden een alcoholvrij bedrijf voor het publiek geopend te hebben als de exploitant of de leidinggevende die als zodanig op de exploitatievergunning staat vermeld niet in het bedrijf aanwezig is.

4. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Bij de toepassing hiervan houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf. 5.

Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in

een a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; of d. bedrijfskantine of - restaurant. 6. In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10 beslist de burgemeester in geval van een

vergunningaanvraag die betrekking heeft op een of meer bij het

horecabedrijf behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras. 7. Onverminderd het gestelde in het derde en vierde lid kan de burgemeester de in het vijfde lid bedoelde gebruik van de weg ten behoeve van een of meer bij een horecabedrijf horende terrassen weigeren, indien: a. het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren; of b. een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg. 8. Het bepaalde in het vijfde en zesde lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde

onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer

rijkswaterstaatswerken of de provinciale

wegenverordening.

9. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet

tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid. Artikel 2:29 Sluitingstijden 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 06.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 03.00 uur en 06.00 uur, met uitzondering van 1 januari van ieder jaar. Voor een bij een inrichting behorend terras geldt een sluitingstijd van 01.00 uur in de periode van 1 mei tot 1 oktober en 24.00 uur voor de overige periode. 2. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 4. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 5. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet Milieubeheer is voorzien. 6. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of

gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden te

zijner beoordeling, voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting

bevelen.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting:

a. de orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid; c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.

Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen

(Vervallen)

Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.

Afdeling 8A.

Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet

Artikel 2:34a Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: alcoholhoudende drank, horecabedrijf, horecalocaliteit, inrichting, paracommerciële rechtsperso(o)n(en), sterke drank, slijtersbedrijf en zwakalcoholhoudende drank, dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.

Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen 1. Paracommerciële rechtspersonen verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank op: maandag tot en met zondag na 9.00 uur en tot 01.00 uur. 2. Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn

3. Een paracommerciële rechtspersoon kan alcoholhoudende drank verstrekken tijdens per jaar ten hoogste twaalf bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. 4. Een paracommerciële rechtspersoon doet uiterlijk zes weken voor een bijeenkomst als bedoeld in het tweede lid, hiervan melding aan de burgemeester.

Artikel 2:34c Proeverijen in slijtersbedrijven 1. Het is slijtersbedrijven toegestaan om in afwijking van het verbod uit artikel 14, eerste lid van de Alcoholwet, 12 keer per jaar een proeverij te organiseren in slijtlokaliteiten buiten de dagen en tijden dat de slijklokaliteit regulier is opengesteld. Proeverijen mogen tot uiterlijk 22.00 uur georganiseerd worden. 2. Een slijtersbedrijf doet uiterlijk 2 weken voor een proeverij als bedoeld in het eerste lid, hiervan melding bij de burgemeester.

Afdeling 9.

Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf

Artikel 2:35 Begripsbepalingen

(Vervallen) Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie

(Vervallen) Artikel 2:37 Nachtregister

(Vervallen) Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister

(Veervallen) Afdeling 10.

Toezicht op speelgelegenheden

Artikel 2:38a Definities 1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen,

waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet. Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen. 3. De burgemeester weigert de vergunning als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. de exploitatie van een speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. Wet: de Wet op de kansspelen b. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet; c. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; d. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet. 2. In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten toegestaan. 3. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Afdeling 10¹. Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemingsklimaat Artikel 2:40a Verbod exploiteren bedrijf zonder benodigde vergunning 1. In dit artikel wordt verstaan onder: b. exploitant; natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; c. beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten; d. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod in het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als naar oordeel van de burgemeester in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken.

Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit of door de exploitant en/of beheerder onder druk staat. Het aanwijzingsbesluit bepaalt de duur van de periode dat de aanwijzing geldt. Deze duur bedraagt maximaal vijf jaar en kan- indien dit met het oog op de bovengenoemde belangen naar het oordeel van de burgemeester nodig is- eenmalig worden verlengd met nogmaals een termijn van maximaal vijf jaar. 3. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen; a. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied, of

b. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige bedrijven, of c. op grond van de door de burgemeester in het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteiten. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren; a. In het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. Indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. Indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d. Indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn; e. indien niet voldaan is aan de bij of krachtens de in dit artikel gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag; f. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; g. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldende Leefmilieuverordening/beheersverordening of een geldende omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en/of h.

indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woonen leefklimaat

daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. 5.

Naast en in aanvulling op artikel 1:4 eerste lid kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden aan een exploitatievergunning die wordt verleend krachtens deze bepaling, die strekken ter bescherming van de belangen, zoals opgenomen in het vierde lid van deze bepaling.

6.

De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: -

de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder;

-

het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

-

het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

-

indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;

-

een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;

-

een verklaring omtrent gedrag (VOG);

-

een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.

-

naast de bovengenoemde gegevens kunnen gegevens en bescheiden worden verlangd

van de aanvrager die verband houden met registraties van het specifieke gebouw of de specifieke bedrijfsmatige activiteit, waarop de aangevraagd exploitatievergunning betrekking heeft. -

indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

7.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. indien het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; e. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; f. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldende Leefmilieuverordening/beheersverordening of een geldende omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; g. indien de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; h. indien er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;

i. indien door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; j. indien de voorschriften uit de vergunning niet worden nageleefd en/of k. indien de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd. 8.

Een vergunning kan ingevolge artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur voorts door de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken, indien er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de voornoemde wet. Voordat daaraan toepassing wordt gegeven, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van voornoemde wet, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

9.

De burgemeester kan de sluiting van een gebouw of gedeelte van een gebouw bevelen indien het daarin gevestigde bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met k, van toepassing is.

10. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het negende lid van deze bepaling gesloten bedrijf of gebouw te betreden of daarin te verblijven. 11. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien uit later bekend geworden feiten en omstandigheden moet worden afgeleid dat de bescherming van de belangen in verband waarmee deze regeling van kracht is, geen langere sluiting vergen. 12. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen één maand, aan de burgemeester te melden en een wijziging van zijn vergunning aan te vragen. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf

aan de vereisten voldoet. Indien niet binnen een maand na de verandering van omstandigheden een aanvraag wordt ingediend, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een bestaande vergunning vervalt, zodra de vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, in werking treedt. 13. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is. 14. Het aanwijzingsbesluit geldt voor het aangewezen gebouw, het aangewezen gebied en de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten direct na de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Voor bedrijven die vóór de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit in het aangewezen gebouw of gebied gevestigd waren en/of zich bezig hielden met de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten, dient in het aanwijzingsbesluit een redelijke overgangstermijn geboden te worden, na het verstrijken waarvan het verbod uit het derde lid van toepassing wordt. De overgangstermijn bedraagt minimaal 6 maanden en maximaal 1 jaar. 15. Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Afdeling 11.

Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal

behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3. Deze verboden zijn niet van toepassing op voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:42 Plakken en kladden 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b. met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en

bekendmakingen.

5. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en

bekendmakingen, die geen betrekking mogen

hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. 7. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.

(Vervallen)

Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te

hebben.

2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=433064ec-b1f5-43c5-ad30-895291116e41