Bijlage 2 - APV 2013
Tekst van het document
28-10-2021 10:55
Algemene Plaatselijke Verordening 2013, wijziging 2018
Lokale wet- en regelgeving
Algemene Plaatselijke Verordening 2013, wijziging 2018 Geldend van 21-12-2018 t/m heden Intitulé Algemene Plaatselijke Verordening 2013, wijziging 2018
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen De verordening op de 1e wijziging van de Algemene plaatselijke verordening 2013 Inhoud Algemene plaatselijke verordening Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Hoofdstuk 2 Openbare orde Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d. Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a.
bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
b.
bevoegd bestuursorgaan: het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester;
c.
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
d.
bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1 van de Bouwverordening Haaren;
e.
bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;
f.
college: het college van burgemeester en wethouders;
g.
gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet;
h.
handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
i.
motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en
j.
openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
k.
openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR385757/3
1/43
28-10-2021 10:55
Algemene Plaatselijke Verordening 2013, wijziging 2018
l.
parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
m.
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;
n.
voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;
o.
weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;
q. Regulier evenement: een vergunningplichtig evenement dat conform de risicoscan van de Veiligheidsregio Brabant Noord 24 of minder punten scoort; r. Aandachtsevenement: een vergunningplichtig evenement dat conform de risicoscan van de Veiligheidsregio Brabant Noord 25 tot en met 33 punten scoort; s. Risico-evenement: een vergunningplichtig evenement dat conform de risicoscan van de Veiligheidsregio Brabant Noord 34 of meer punten scoort.
Artikel 1:2 Beslistermijn 1.
Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
2.
Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.
3.
Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor de beslissing op en eenaanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:12.
4.
In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:10, vijfde lid, artikel 2:11, lid 2,onder a of artikel 4:11.
5.
In afwijking van het eerste lid geldt voor een aanvraag voor een regulier evenement een beslistermijn van 12 weken en voor een aandachts- en risico-evenement een beslistermijn van 16 weken.
Artikel 1:3 (Vervallen) (Vervallen)
Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1.
Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
2.
Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a.
indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b.
indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR385757/3
2/43
28-10-2021 10:55
Algemene Plaatselijke Verordening 2013, wijziging 2018
belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c.
indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
d.
indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;
e.
indien de houder dit verzoekt.
Artikel 1:7 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 3 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Hoofdstuk 2. Openbare orde Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1.
Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, te vechten, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.
2.
Degene die op een openbare plaats a.
aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of
b.
aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of
c.
zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing,
is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.
Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.
4.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR385757/3
3/43
28-10-2021 10:55
Algemene Plaatselijke Verordening 2013, wijziging 2018
5.
Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
6.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:2 Gebiedsontzeggingen 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid, aan degene die een strafbaar feit pleegt, een verbod opleggen om zich gedurende 24 uur te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen waar, of in de nabijheid waarvan, het feit is gepleegd.
2.
De burgemeester kan, met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen, aan degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie wordt geconstateerd, dat hij opnieuw een strafbaar feit pleegt, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste vier weken te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen waar, of in de nabijheid waarvan, het feit is gepleegd.
3.
Een verbod als genoemd in het tweede lid kan slechts worden opgelegd indien het strafbare feit wordt geconstateerd binnen zes maanden na het opleggen van een eerder verbod op grond van het eerste of tweede lid.
4.
De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid genoemde verboden indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is, of in verband met de in het eerste lid genoemde belangen verantwoord is.
5.
Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod.
Afdeling 2. Betoging Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.
Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 48 uur, voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester
2.
De kennisgeving bevat: a.
naam en adres van degene die de betoging houdt;
b.
het doel van de betoging;
c.
de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
d.
de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;
e.
voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling;
f.
maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen;
3.
Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld;
4.
Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur;
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR385757/3
4/43
28-10-2021 10:55
5.
Algemene Plaatselijke Verordening 2013, wijziging 2018
De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.
Artikel 2:4 Afwijking termijn (vervallen)
Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens (vervallen)
Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen [gereserveerd]
Afdeling 4. Vertoningen e.d. op de weg Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d. (vervallen)
Artikel 2:8 Dienstverlening (vervallen)
Artikel 2:9 Straatartiest e.d. [gereserveerd]
Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg 1.
Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien: a.
het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of
b.
het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.
2.
Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 1 meter wordt gelaten op voetpaden en van 3,5 meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.
3.
Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen en reclameborden.
4.
Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.
5.
De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR385757/3
5/43
28-10-2021 10:55
Algemene Plaatselijke Verordening 2013, wijziging 2018
algemene bepalingen omgevingsrecht. 6.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: a.
evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
b.
standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; en
c.
overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.
7.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de Verordening Wegen NoordBrabant 2010.
8.
Op de ontheffing bedoeld in het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
9.
(vervallen)
Artikel 2:11 (Omgevings) vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
2.
De vergunning wordt verleend: a.
als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; of
b.
door het college in de overige gevallen.
3.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht.
4.
Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien de Verordening Wegen Noord-Brabant 2010, door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, , de waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.
5.
(vervallen)
Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg 1.
2.
3.
Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg: a.
indien degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg daarvan niet van tevoren melding heeft gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg, materiaalgebruik en een foto van de bestaande situatie;
b.
indien het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden.
Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg: a.
indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;
b.
indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
c.
indien het openbaar groen van de weg daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;
d.
indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
De uitweg kan worden aangelegd indien het college niet binnen zes weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden.
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR385757/3
6/43
28-10-2021 10:55
4.
Algemene Plaatselijke Verordening 2013, wijziging 2018
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de Regeling Veranderen en gebruiken van wegen Noord-Brabant 2013.
Afdeling 6. Veiligheid op de weg Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid (vervallen)
Artikel 2:14 Winkelwagentjes 1.
De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht ze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op een openbare plaats achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen.
2.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp [gereserveerd]
Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2:17 Kelderingangen e.d [gereserveerd]
Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1.
Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a.
te roken gedurende een door het college aangewezen periode;
b.
voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
2.
De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.
3.
De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (vervallen) https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR385757/3
7/43
28-10-2021 10:55
Algemene Plaatselijke Verordening 2013, wijziging 2018
Artikel 2:20 Vallende voorwerpen (vervallen)
Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
2.
Het bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.
Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn [gereserveerd]
Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs [ gereserveerd]
Artikel 2.23a Verplichtingen plantgerechtigden 1.
2.
Hij die een recht van beplanting op een weg heeft is verplicht: a.
van zijn voornemen tot het planten, vellen of rooien van beplanting op de weg, ten minste dertig dagen van tevoren schriftelijk kennis te geven aan het college;
b.
zich bij dat planten, vellen of rooien te gedragen overeenkomstig de voorschriften, die hem door burgemeester en wethouders gegeven zijn in het belang van de veiligheid van het wegverkeer;
c.
gevolg te geven aan de schriftelijke lastgeving van het college binnen de bij die last te bepalen termijn de bomen, struiken, takken of wortels, die voor het gebruik van de weg gevaarlijk zijn, te verwijderen;
d.
bomen of struiken, die dood, omgewaaid of afgebroken zijn, onverwijld te verwijderen.
Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor gevallen, waarin de Regeling Veranderen en gebruiken van wegen Noord-Brabant 2013 van toepassing is.
Afdeling 7. Evenementen Artikel 2:24 definities 1.
In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a.
bioscoopvoorstellingen;
b.
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening;
c.
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
d.
het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;
e.
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
f.
activiteiten als bedoeld in artikel 2:39 van deze verordening.
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR385757/3
8/43
28-10-2021 10:55
2.
Algemene Plaatselijke Verordening 2013, wijziging 2018
Onder evenement wordt mede verstaan: a.
een herdenkingsplechtigheid;
b.
een braderie;
c.
een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg;
d.
een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;
e.
een straatfeest of buurtbarbecue.
Artikel 2:25 Evenement 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2a.
Geen vergunning is vereist voor een evenement, indien: a.
het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 250 personen;
b.
het evenement plaatsvindt op één dag (24 uur);
c.
het evenement plaatsvindt:
i.
op maandag, dinsdag, woensdag of donderdag gevolgd door een werkdag van 10.00 tot 22.00 uur
ii.
op vrijdag, zaterdag of feestdag niet gevolgd door een werkdag van 10.00 tot 02.00 uur
iii.
op zon- en feestdagen gevolgd door een werkdag van 10.00 tot 22.00 uur
d.
de live en/of versterkte muziek die ten gehore wordt gebracht:
i.
op maandag, dinsdag, woensdag en donderdag gevolgd door een werkdag niet langer duurt dan tot uiterlijk 22.00 uur
ii.
op vrijdag, zaterdag of feestdag niet gevolgd door een werkdag niet langer duurt dan tot uiterlijk 01.00 uur
iii.
op zon- en feestdagen gevolgd door een werkdag niet langer duurt dan tot uiterlijk 22.00 uur.
e.
het evenement geen belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten, omdat zij niet plaatsvindt op wegen buiten de bebouwde kom of in één van de straten in de bebouwde kom zoals opgenomen in bijlage 2 van de beleidsregel evenementenbeleid;
f.
het parkeren van voertuigen alleen geschiedt in de daarvoor bestemde parkeerplaatsen of op een andere geschikte en wettelijk toegestane wijze;
g.
er tijdelijke objecten (tenten) geplaatst worden met een oppervlakte van minder dan 25 m2 per object of waarin minder dan 50 personen tegelijkertijd aanwezig zijn;
h.
er een gebouw wordt gebruikt dat daarvoor geschikt is;
i.
er geen kansspelen zoals loterijen worden gehouden met uitzondering van kleine kansspelen zoals genoemd in artikel 7c van de Wet op de kansspelen;
j.
er geen verkoop van goederen plaatsvindt buiten de reguliere tijden.
k.
het evenement niet valt onder artikel 2:25 lid 2c;
l.
indien de organisator tenminste 6 weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester, door middel van een daarvoor vastgesteld meldingsformulier.
2b.
Tevens is geen vergunning vereist voor: a.
Bouwdorpen / kindervakantieweken
b.
Scouting-activiteiten
c.
Intocht van Sint Nicolaas
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR385757/3
9/43
28-10-2021 10:55
Algemene Plaatselijke Verordening 2013, wijziging 2018
d.
Wandeltochten / avondvierdaagsen / trimloop / wandeldoortochten
e.
Oranjeoptocht op Koningsdag
f.
Fietsdoortochten, niet startend en eindigend in de gemeente Haaren
g.
Gemotoriseerde doortochten
indien de organisator tenminste 6 weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester, door middel van een daarvoor vastgesteld meldingsformulier en voldaan kan worden aan artikel 2:25 lid 2a onder g tot en met k. 2c.
De volgende evenementen zijn altijd vergunningplichtig: a.
Bijeenkomsten van extremistische aard;
b.
Activiteiten van erotische of pornografische aard;
c.
Tattoo- en/of piercingshows;
d.
Vechtevenementen zoals kooigevechten, free fight en kickboxen;
e.
Bestialiteiten en gevechten tussen dieren waarbij het welzijn van dieren in het geding is;
f.
Houseparty's en soortgelijke feesten;
g.
Automotorshows.
3.
De burgemeester kan binnen 2 dagen na ontvangst van de melding besluiten een evenement als bedoeld in lid 2a en 2b te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
4.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.
5.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing
Artikel 2:25a Weigeringsgronden 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de 'Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur'. Voordat daaraan toepassing wordt gegeven, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van voornoemde wet, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van het evenement of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed
Artikel 2:26 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Afdeling 8. Toezicht op Openbare Inrichtingen Artikel 2:27 Definities 1 In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt of bereid;
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR385757/3
10/43
28-10-2021 10:55
Algemene Plaatselijke Verordening 2013, wijziging 2018
2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde de besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor toepassing van deze afdeling deel uit van de besloten ruimte.
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1.
Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
2.
Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. een zorginstelling; c. een museum; of d. een bedrijfskantine of – restaurant.
3.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing
Artikel 2.28a Weigeringsgronden 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning: a. indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit of Wet Milieubeheer; b. in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de ‘Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur’. Voordat daaraan toepassing wordt gegeven, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van voornoemde wet, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd; c. indien de houder en/of leidinggevende van de openbare inrichting niet voldoet aan de eisen die worden gesteld bij of krachtens artikel 8, eerste lid, alsmede artikel 8, tweede lid van de Drank- en Horecawet. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren: a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed
Artikel 2:29 Sluitingstijd 1.
Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur (sluitingstijd), met uitzondering van 1 januari van ieder jaar.
2.
Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.
3.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.
4.
Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, tweede lid onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.
5.
Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.
6.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR385757/3
11/43
28-10-2021 10:55
Algemene Plaatselijke Verordening 2013, wijziging 2018
1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a.
de orde te verstoren;
b.
zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;
c.
alcoholhoudende dranken te verstrekken aan personen die deze zullen nuttigen terwijl zij geen gebruik maken van zit- of staanplaatsen die aanwezig zijn in de openbare inrichting of op het bijhorende terras.
Artikel 2:32 Handel in openbare inrichtingen 1.
In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
2.
De exploitant van een openbare inrichting laat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.
Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan
Artikel 2:34 (gereserveerd)
AFDELING 8A. BIJZONDERE BEPALINGEN OVER HORECABEDRIJVEN ALS BEDOELD IN DE DRANK- EN HORECAWET Artikel 2:34a definities In deze afdeling wordt verstaan onder: -
alcoholhoudende drank,
-
horecabedrijf,
-
horecalokaliteit,
-
inrichting,
-
paracommerciële rechtspersoon,
-
sterke drank,
-
slijtersbedrijf en
-
zwak-alcoholhoudende drank,
dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet. https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR385757/3
12/43
28-10-2021 10:55
Algemene Plaatselijke Verordening 2013, wijziging 2018
Artikel 2:34b Schenktijden paracommerciële rechtspersonen 1.
Een paracommercieel rechtspersoon dat zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten van sportieve aard kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken dagelijks vanaf 11.00 tot 01.00 uur;
2.
Een paracommercieel rechtspersoon dat zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten waarbij het faciliteren van sociale interactie een voorname rol speelt zoals jeugd- of gemeenschapshuizen kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken dagelijks van 11.00 tot 01.00 uur.
Artikel 2:34c Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen Paracommercieel rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn, als dit zou leiden tot oneerlijke mededinging.
Artikel 2:34d Verbod ‘happy hours’ Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd.
Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 definities In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft
Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2:37 Nachtregister De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht een register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht bij te houden, dat is ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde model.
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1.
In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR385757/3
13/43
28-10-2021 10:55
Algemene Plaatselijke Verordening 2013, wijziging 2018
te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op:
a.
speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend;
b.
speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; en
c.
speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als in artikel l, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.
3.
De burgemeester weigert de vergunning:
a.
indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of
b.
indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.
4.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:40 Speelautomaten [gereserveerd]
Afdeling 10a Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat Artikel 2:40a Verbod exploiteren bedrijf zonder benodigde vergunning 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten; c. Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken.
Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit of door de exploitant en/of beheerder onder druk staat. Het aanwijzingsbesluit bepaalt de duur van de periode dat de aanwijzing geldt. Deze duur bedraagt maximaal vijf jaar en kan — indien dat met het oog op de bovengenoemde belangen naar het oordeel van de burgemeester nodig is — eenmalig worden verlengd met nogmaals een termijn van maximaal vijf jaar. 3. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied, of https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR385757/3
14/43
28-10-2021 10:55
Algemene Plaatselijke Verordening 2013, wijziging 2018
b. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of c. in door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteiten. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn; e. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; f. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldende Leefmilieuverordening/beheersverordening of een geldende omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; g.
indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken; h. indien niet is voldaan aan de bij of krachtens de in dit artikel gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag. 5. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder; b. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; c. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; d. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder; e. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten; f. een verklaring omtrent gedrag (VOG); g.
een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd. h. naast de bovengenoemde gegevens kunnen gegevens en bescheiden worden verlangd van de aanvrager die verband houden met registraties van het specifieke gebouw of de specifieke bedrijfsmatige activiteit, waarop de aangevraagd exploitatievergunning betrekking heeft. 6. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd. 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6, kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. indien het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR385757/3
15/43
28-10-2021 10:55
Algemene Plaatselijke Verordening 2013, wijziging 2018
d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; e. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; f. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldende Leefmilieuverordening/beheersverordening of een geldende omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; g. indien de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; h. indien er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; i. indien door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; j. indien de voorschriften uit de vergunning niet worden nageleefd en/of k. indien de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd. 8.
De burgemeester kan de sluiting van een gebouw of gedeelte van een gebouw bevelen indien het daarin gevestigde bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid wordt geëxploiteerd of indien een van de omstandigheden als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met k, van toepassing is. 9. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het achtste lid gesloten bedrijf of gebouw te betreden of daarin te verblijven. 10.De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien uit later bekend geworden feiten en omstandigheden moet worden afgeleid dat de bescherming van de belangen in verband waarmee deze regeling van kracht is, geen langere sluiting vergen. 11.De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen één maand, aan de burgemeester te melden en een wijziging van zijn vergunning aan te vragen. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. Indien niet binnen een maand na de verandering van omstandigheden een aanvraag wordt ingediend, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een bestaande vergunning vervalt, zodra de vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, in werking treedt.
12.Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is. 13.Het aanwijzingsbesluit geldt voor het aangewezen gebouw, het aangewezen gebied en de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten direct na de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Voor bedrijven die vóór de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit in het aangewezen gebouw of gebied gevestigd waren en/of zich bezig hielden met de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten, dient in het aanwijzingsbesluit een redelijke overgangstermijn geboden te worden, na het verstrijken waarvan het verbod uit het derde lid van toepassing wordt. De overgangstermijn bedraagt minimaal 6 maanden en maximaal 1 jaar. 14.0p de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing
Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1.
Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
2.
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
3.
Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR385757/3
16/43
28-10-2021 10:55
Algemene Plaatselijke Verordening 2013, wijziging 2018
Artikel 2:42 Plakken en kladden 1.
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
2.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
a.
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
b.
met kalk, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
3.
Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
4.
Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
5.
Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
6.
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.
7.
De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d. 1.
Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben
2.
Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1.
Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
2.
Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d. [gereserveerd]
Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d. [gereserveerd].
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.
Het is verboden :
a.
op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR385757/3
17/43
28-10-2021 10:55
Algemene Plaatselijke Verordening 2013, wijziging 2018
b.
zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan weggebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt.
2.
Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 1.
Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
2.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:
a.
een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet;
b.
een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en Horecawet
Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1.
Het is verboden:
a.
zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;
b.
zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
2.
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen
Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d. Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek indien: a.
dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; of
b.
daardoor die ingang versperd wordt.
Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Artikel 2:53 Bespieden van personen [gereserveerd].
Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR385757/3
18/43
28-10-2021 10:55
Algemene Plaatselijke Verordening 2013, wijziging 2018
(vervallen)
Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren (vervallen)
Artikel 2:56 Alarminstallaties (vervallen)
Artikel 2:57 Loslopende honden 1.
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
a.
binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is;
b.
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
c.
op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
2.
Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen
3.
De verboden in het eerste lid, aanhef en onder a en b, zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:
a.
die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of
b.
die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden 1.
Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond
a.
die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of
b.
die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
3.
Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht om binnen de bebouwde kom een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben, dat geschikt is voor het verwijderen van hondenuitwerpselen.
4.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1.
Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
2.
Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
3.
Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:
a.
vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR385757/3
19/43
28-10-2021 10:55
Algemene Plaatselijke Verordening 2013, wijziging 2018
b.
door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en
c.
zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
4 Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1.
Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:
a.
aanwezig te hebben;
b.
aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels;
c.
aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven; of
d.
te voeren.
2.
Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.
3.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:61 Wilde dieren (vervallen)
Artikel 2:62 Loslopend vee De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Artikel 2:63 Duiven [gereserveerd]
Artikel 2:64 Bijen [gereserveerd]
Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.
Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel 2:66 definities [gereserveerd] https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR385757/3
20/43
28-10-2021 10:55
Algemene Plaatselijke Verordening 2013, wijziging 2018
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister [gereserveerd]
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht [gereserveerd]
Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen (vervallen)
Artikel 2:70 (vervallen)
Afdeling 13. Vuurwerk Artikel 2:71 definities In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.
Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd.
Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1.
Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
2.
Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
3.
De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
Afdeling 13a. Carbidschieten Artikel 2.73a.1 Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: carbidschieten: het in een (melk)bus, container, opslagvat of ander daarmee gelijk te stellen voorwerp op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.
Artikel 2.73a.2 Het schieten van carbid https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR385757/3
21/43
28-10-2021 10:55
Algemene Plaatselijke Verordening 2013, wijziging 2018
1.
Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden zodanig dat gevaar, schade of hinder voor de omgeving kan worden veroorzaakt.
2.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer, Wet wapens en munitie, Wet milieugevaarlijke stoffen, Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn.
Artikel 2.73a.3 Ter beschikking stellen van carbid. 1.
Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf carbid ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd.
2.
Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde en in het belang van het voorkomen of beperken van overlast.
3.
Het in het eerste lid bepaalde geldt ook voor het particulier ter beschikking stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college
4.
Het bepaalde in het eerste en derde lid geldt niet voor zover de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn.
Afdeling 14. Drugsoverlast Artikel 2:74 Drugshandel op straat [gereserveerd]
Artikel 2.74a Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:10, 2:11, 2:16, 2:26, 2:47, 2:49, 2:50, 2:73 of 5:34 van deze verordening groepsgewijs niet naleven.
Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen 1.
De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera's voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.