CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

9. ZLTO Dommel en Aa – Versnellingsakkoord Stikstofemissie en landbouwvisie

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente VughtBij agendapunt: Categorie I-A Externen22.036 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Daarom werken alle dierlijke sectoren aan het terugdringen van emissies. Door toegenomen eisen op het gebied van welzijn, kan het zijn dat bedrijven extra ontwikkelingsruimte nodig hebben (bijv. meer bouwvlak of meer m2 bouwen). Daardoor komt er ruimte om minder dieren per m 2 gebouw te houden.

4.3 Visie van ZLTO-afdeling Dommel en Aa op gezondheid 4.3.1 Gemeentes Boxtel, Sint-Michielsgestel en Vught •

Burgers laten nog vaak hun honden los in de wei. Ze zijn zich vaak niet bewust van de ziekte Neospora die mede daardoor kan ontstaan onder vee. Neospora is een parasiet die honden bij zich kunnen dragen. Via uitwerpselen van honden in de wei komt het in het voer van koeien terecht. Neospora is een van de belangrijkste besmettelijke oorzaken van verwerpen(vroeggeboortes) bij koeien. We zouden graag zien dat dit onder de aandacht wordt gebracht op de websites van de gemeentes en regelmatig opgenomen wordt in gemeentelijke berichten in de lokale bladen. Het is wenselijk dat ook in het buitengebied de honden worden aangelijnd en dat daar de hondenpoep wordt opgeruimd.

Waarschuwingsbord bij wei voor hondeneigenaren met betrekking tot Neospora Bron: Gezondheidsdienst

Visie land- en tuinbouw ZLTO Dommel en Aa

26

•

•

Er wordt ook nog veel afval zoals blikjes in de wei gegooid wat ernstige verwondingen bij vee kan opleveren. We willen de gemeentes vragen ook dat onder de aandacht te brengen bij de burgers. Er bestaat veel emotie en een lage acceptatiegraad bij burgers wat betreft de relatie tussen land- en tuinbouw en de gezondheid van de mensen. Het is belangrijk dat gemeentes zich bij vergunningverlening laten leiden door feiten en zich niet laten meeslepen in emoties.

Visie land- en tuinbouw ZLTO Dommel en Aa

27

5.

Energie en infrastructuur

5.1 Onze vragen aan de gemeentes Boxtel, Sint-Michielsgestel en Vught over energie en infrastructuur • • •

•

•

• •

Hoe wordt de zonneladder lokaal ingevuld en getoetst? Zijn de gemeentes bereid om goede landbouwlocaties en -gebieden te beschermen tegen andersoortige ontwikkelingen zoals zonneparken? Delen de gemeentes de visie dat behoud en concretiseren van een goed toekomstige landbouwstructuur een eerste uitgangspunt is bij de nadere invulling van de lokale energietransitie? Hoe gaan de gemeentes zorgen dat behoud en concretisering van een goede toekomstig landbouwstructuur door de uitvoering en invulling van de RES niet in de knel komt? Hoe kan ruimte geboden worden (via vergunningen, bouwblokken, VABs e.d.) aan innovaties rondom technieken en toepassingen van nieuwe duurzame energieinitiatieven? Bijvoorbeeld zonnepanelen op teeltondersteunende voorzieningen, toepassing kleine windmolens en energieopslag? Deze voorbeelden vragen om aanpassingen van beleid bouwblokken, vergunningen e.d. Hoe gaan de gemeentes lokale participatie van de energie-initiatieven stimuleren (o.a. boer-burger). Heeft u als gemeente hier een visie over? Zijn de gemeentes bereid om eisen as-/tiphoogte van kleine windmolens te verruimen om zo toepassing van kleine windmolens te stimuleren?

5.2 Ontwikkelingen binnen thema energie en infrastructuur Energie

Op dit moment produceert 1 op de 3 agrariërs al duurzame energie, waarvan het overgrote deel door zonnepanelen op de daken van bedrijfsgebouwen. De sector gaat steeds meer naar de rol van energieleverancier (zowel individueel als collectief). Dit wordt integraal onderdeel van het bedrijf. Daarnaast worden de bedrijven steeds meer energieneutraal. Toepassingen van zonne-energie, windenergie, benutten van aardwarmte, energiebesparing en benutten van restwarmte zijn bronnen die integraal in de toekomstige bedrijven meegenomen worden. De agrarische sector is in Nederland al voor meer dan 80% zelfvoorzienend op het gebied van energie volgens het RVO. Voor energieproductie zijn er diverse kansen en mogelijkheden voor de agrarische sector om lokaal en/of op bedrijfsniveau energie te produceren. Ontwikkeling zonnedaken

Zonnedaken zijn nog steeds financieel interessant voor agrariërs. Er zijn wel enkele obstakels zoals het op korte termijn vervallen van de salderingsregeling, aanpassing van de zgn. postcoderegeling en de SDE++ regeling die in de nabije toekomst lagere vergoedingen gaat uitkeren. Deze ontwikkelingen werken schaalvergroting (grotere dakoppervlakten en/of zonnevelden) in de hand. Een andere bepalende factor is de netwerkbeschikbaarheid en de steeds hoger wordende aansluitkosten. Een integraal (zonne)dak wat goed geïsoleerd is, wordt steeds meer gemeengoed. Verwijdering van asbest kan juist versneld worden door toepassing van zonnedaken. Een gemiddeld zonnedak van 1000 m2 levert ongeveer een stroomhoeveelheid op wat overeenkomt met een verbruik voor 45 huishoudens.

Visie land- en tuinbouw ZLTO Dommel en Aa

28

Ontwikkeling kleine windmolens

In windrijke gemeentes kunnen kleine windmolens (ashoogte tot 30 meter) interessant zijn. Juist in combinatie met een zonnestroominstallatie op het dak biedt het de mogelijkheid, vooral bij melkveehouderijbedrijven, om energieneutraal te worden. Daarnaast ontlast deze combinatie het elektriciteitsnetwerk, omdat geen netverzwaring nodig is en de bedrijven zelfvoorzienend worden. Afhankelijk van type en windbeschikbaarheid is de productie 35.000 tot 100.000 kWh/jaar wat overeenkomt met het verbruik voor 10 tot 35 huishoudens. De gemeente heeft lokaal de mogelijkheid om vergunningen te verlenen en toestemming te geven voor een hogere ashoogte (meer dan 22 meter). Ontwikkeling zonnevelden

Door de uitwerking van de RES en de nog gunstige SDE-regeling is de businesscase voor zonnevelden goed. De agrarische sector ziet dit als een bedreiging als dit ten koste gaat van de beschikbaarheid van goede landbouwgronden en ook door de achteruitgang van goede landbouwstructuur.

X

V

ZLTO blijft van mening dat zonnepanelen op daken thuishoren en niet op landbouwgrond.

Ontwikkeling windenergie (grote turbines)

In de RES-plannen zijn steeds meer zoekgebieden voor windturbines opgenomen. Bij realisatie van een windpark is het ook interessant om in hetzelfde gebied zonnepanelen te plannen in verband met de benutting van het netwerk en netwerkbeschikbaarheid. Realisatie van windprojecten vindt vooral plaats door projectontwikkelaars. Uitdaging is om lokaal draagvlak, lokaal verdienmodel en lokale samenwerking te organiseren om zo lokaal voordeel te halen. Windturbines op land worden steeds groter. 5MW of nog groter aan opgesteld vermogen/turbine is al geen uitzondering meer. Dan hebben we het over molens met tiphoogte hoger dan 200 meter welke per molen voor 4000 of meer huishoudens stroom kunnen leveren. Lokale energiebeschikbaarheid wordt steeds bepalender voor bedrijven door verhoging energiebelasting

In de nabije toekomst gaan grootverbruikers (bedrijven met meer dan 100.000 kWh stroomverbruik) meer energiebelasting en ODE betalen. Voor deze bedrijven wordt het steeds interessanter om zelf de stroomproductie te gaan regelen. Lokale duurzame energieproductie kan weleens bepalend gaan worden voor de vestiging van bedrijven. Netwerkbeschikbaarheid wordt steeds bepalender en gaat ook steeds meer sturend worden voor energieopslag en directe benutting van opgewekte energie op locatie of lokaal. Door de vele energie-initiatieven en de grote opgaves uit de RES-plannen lopen de elektriciteitsnetten vol. Netwerkbeschikbaarheid is erg bepalend, zowel lokaal als regionaal, voor de kansen en mogelijkheden voor de energietransitie. Daarnaast gaat energieopslag een deel van dit knelpunt wellicht ondervangen.

Visie land- en tuinbouw ZLTO Dommel en Aa

29

Wegen

Schaalvergroting leidt tot inzet van grotere machines en meer transport over de openbare weg. Plattelandswegen zijn daar niet altijd op berekend en kunnen conflicteren met medeweggebruikers (bv. schoolgaande jeugd op de fiets). We willen als ZLTO met u kritisch kijken naar mogelijkheden zodat alle weggebruikers zich op een veilige manier kunnen verplaatsen.

5.3 Visie van ZLTO-afdeling Dommel en Aa op energie en infrastructuur 5.3.1 Gemeentes Boxtel, Sint-Michielsgestel en Vught •

•

•

In het Klimaatakkoord is afgesproken dat de betrokken partijen eerst kijken of zonnepanelen op gebouwen gelegd kunnen worden. Daarna pas op ongebruikte terreinen in bebouwd gebied. Buiten de bebouwde kom gaat de voorkeur uit naar het combineren van functies. Bijvoorbeeld zonnepanelen op vuilnisbelten en in bermen van spoor- en autowegen. Deze voorkeursvolgorde heet de ‘zonneladder’. De zonneladder moet voorkomen dat zonnepanelen op landbouw- en natuurgrond gelegd worden als dat niet nodig is. Toch is het in de praktijk zo dat zonnepanelen steeds vaker worden geïnstalleerd op vruchtbare landbouwgrond, de zogenoemde zonneparken. De zonneladder wordt niet toegepast, want er zijn nog vele daken van huizen en bedrijfspanden die in aanmerking komen voor het plaatsen van zonnepanelen. Om op tijd aan de klimaatdoelen te voldoen worden zonneparken aangelegd. Dat zijn immers grote oppervlaktes en deze kunnen snel tot stand komen. Vruchtbare landbouwgrond gaat hierdoor verloren. Dat is door 2 redenen zeer onwenselijk: 1) Het is een feit dat de wereldbevolking groeit en er dus meer voedsel (lees landbouwgrond) nodig is 2) De oorlog in Oekraïne herinnert ons eraan dat een zekere mate van zelfvoorziening in voedsel belangrijk is. Er wordt nu gesuggereerd dat de grond van zonneparken na 20 jaar weer opnieuw gebruikt kan worden voor landbouw of natuur.

In onze ogen is dat maar zeer de vraag en zou de grond na 20 jaar gebruikt te zijn voor zonneparken volledig geërodeerd kunnen zijn. Gemeentes moeten de piekafgifte van regenwater wat op zonnepanelen (op een zonnepark) valt in beschouwing nemen. De neerslagintensiteit per bui neemt toe. De neerslag die op de zonnepanelen valt, komt op een klein stuk grond neer, terwijl onder het zonnepaneel de zaak verdroogt. We roepen de gemeentes Boxtel, Sint-Michielsgestel en Vught dan ook op om dit zeker niet te vergeten en mee te nemen bij besluiten en akkoorden. Naar onze mening moet de politiek zich bezinnen en zich afvragen of de voor 2020 opgestelde Zonneladder en regels omtrent ruimtegebruik voor energieopwekking niet bijgesteld dienen te worden en terughoudend te zijn met tenders en vergunningen voor zonneparken op goede landbouwgronden. Wij zouden dus graag zien dat de gemeentes Boxtel, Sint-Michielsgestel en Vught (nog) meer energie steken in promoten, vergunnen en faciliteren van kleinschalige energieopwekking door slim ruimtegebruik (bijvoorbeeld in en rondom natuur) welke op korte termijn kan bijdragen aan de energietransitie.

Visie land- en tuinbouw ZLTO Dommel en Aa

30

•

•

Daarnaast staat de techniek voor energieopwekking ook niet stil en is steeds meer mogelijk op een relatief kleine oppervlakte waardoor ook goede landbouwgrond gespaard kan worden. Ook zouden de gemeentes moeten kijken wat voor rol zij kunnen spelen in opslag van duurzame energie en bemiddeling hierin.

5.3.2 Gemeente Boxtel •

•

•

• •

• •

De verwachting nu (begin 2022) is dat er in de gemeente Boxtel pas rond 2031 extra capaciteit komt in het netwerk zodat opgewekte stroom door grootschalige zonnepaneleninstallaties pas dan aan het net geleverd kunnen worden. We willen de gemeente vragen te onderzoeken of zij of een externe partij een bepaalde HUB kan realiseren waarbij stroom rechtstreeks aan Boxtelse bedrijven geleverd kan worden. Ook moet er gezocht worden naar initiatieven en systemen waarbij stroom tijdelijk kan worden opgeslagen. Zodra er mogelijkheden voor opslag en/of er uitbreiding is in de capaciteit van het netwerk dienen grootschalige initiatieven op daken voorrang te krijgen op zonneparken op goede landbouwgrond. Vergunningen voor zonnevelden worden waarschijnlijk afgegeven als tijdelijke vergunningen (10-15-20 jaar). Wij vinden dat deze grond in principe beschikbaar moet blijven als landbouwgrond en mogelijk nieuw gevormde natuur mag niet als zodanig een status krijgen en dient na afloop van de vergunning verwijderd te worden. Een ontsluitingsweg van De Lang Spier naar Boxtel-Noord is wenselijk.

Zoals we in mei 2017 reeds aangegeven hebben door middel van een brief aan het college van de gemeente Boxtel met betrekking tot de verbindingsweg Ladonk – Kapelweg (VLK), pleiten wij ervoor om eerst een bredere visie te ontwikkelen waarbij de mogelijkheden van een Noordelijke ontsluitingsweg/ Ringweg worden onderzocht. Dit zou de toekomstgericht alternatieve oplossing kunnen worden waarbij de Noord-Zuid-as ontlast kan worden en mooi op plannen voor woningbouw rondom de Oksel en verkeersontwikkelingen rondom Esch kunnen aansluiten. Ook komt hiermee voor de landbouw een veilige 2 e route om van Oost naar West te gaan. Op veel plekken in het buitengebied zijn de bermen slecht. Daar zijn grastegels wenselijk. Er komt steeds meer toerisme. We stellen voor een parkeerroute te maken.

5.3.3 Gemeente Sint-Michielsgestel •

•

We maken ons zorgen over de bereikbaarheid van onze bedrijven en gronden doordat sommige wegen moeilijk begaanbaar zijn voor landbouwvoertuigen, bijvoorbeeld de Hoogstraat in Berlicum. Het streven is om wegen in de bebouwde kom te mijden. Dit is echter niet altijd mogelijk of gaat gepaard met grote omrijroutes. Het is belangrijk dat er goede routes zijn voor het landbouwverkeer en dat die ook zijn ingericht voor zwaarder en breder verkeer. Aanpassingen van de breedte en maximum toegestane tonnage van de Dungense Brug hebben gevolgen voor de land- en tuinbouwbedrijven die er gebruik van moeten maken voor hun werkzaamheden. ZLTO Dommel en Aa heeft met de gemeente Den Bosch om de tafel gezeten. Dat heeft erin geresulteerd dat het maximum toegestane tonnage 40 ton wordt in plaats van de voorgenomen 35 ton

Visie land- en tuinbouw ZLTO Dommel en Aa

31

•

•

•

en we hebben ook overeenstemming bereikt over de breedte waardoor de meeste landbouwvoertuigen toch gebruik kunnen blijven maken van de brug. Om de brug vanuit het noorden recht te kunnen benaderen zijn er nog aanpassingen nodig. De gemeente zou de bereikbaarheid van B-wegen door landbouwverkeer kunnen verbeteren door beter te snoeien bijvoorbeeld aan het Laar en de Werstkant. En waarom worden de bomen alleen aan de wegkant gesnoeid en niet aan de kant van de wei of de akker? Aan de Heiblomsedijk in Middelrode is dat enkele jaren geleden wel gebeurd. Ook de bomen zijn daarbij gebaat. Overhangende takken geven veel productiederving, maken het land bewerken lastig en bladafval is in consumptiegewassen en veevoer een groot probleem. Ook is het wenselijk sommige wegen breder te maken of de berm te verbeteren. Aan de Loofaert en de Heiblomsedijk is dit de afgelopen jaren al gebeurd. Voor wegen zoals Beekveld, Veedijk en Koesteeg is dit wenselijk. Het zou zeer wenselijk zijn als de gemeente in overleg met de provincie het mogelijk zou maken om de N617 toegankelijk te maken voor landbouwverkeer. Door de kentekenregistratie van landbouwverkeer en de verhoging van de maximale snelheid afgelopen jaar zou dit mogelijk moeten zijn. Dit zorgt voor een aanzienlijke ontlasting van het verkeer in de bebouwde kom van SintMichielsgestel en Den Dungen.

5.3.4 Gemeente Vught •

• •

Er zijn een aantal puinpaden (bijvoorbeeld op de Kruishoeveweg in Vught en (nabij) de Hoenderstraat te Helvoirt) moeilijk begaanbaar o.a. doordat water er niet weg kan. We stellen voor om de paden los te maken en opnieuw aan te leggen. Het is wenselijk betere ontsluitings- en verbindingswegen voor paarden te hebben. Het traject rond de ontwikkeling van de N65 heeft een grote impact op het gebied. Wij zijn van mening dat de ondernemers heel nauw betrokken moeten worden en er ook oog moet zijn voor de eventuele vervolgschade.

Visie land- en tuinbouw ZLTO Dommel en Aa

32

6.

Samenwerking in het licht van de omgevingswet

Ondernemers maken individuele keuzes. De één kiest voor schaalvergroting om bijvoorbeeld in te spelen op marktontwikkelingen of een beter welzijn voor zijn/haar dieren te realiseren, de ander kiest voor verbreding door agrotoerisme, zorg, huisverkoop, levering van energie of door andere vormen. ZLTO vindt het ontzettend belangrijk om de diversiteit van de agrarische structuur te behouden. Conventioneel, biologisch, recreatief, alle diverse vormen hebben waarde. We vragen de gemeente: • Stimuleer ondernemerschap en zorg voor een vergelijkbare concurrentiepositie voor de bedrijven. • Sluit de agrarische ondernemers niet op in een keurslijf van strakke en hard afgebakende regels. Geef ook, in de geest van de nieuwe Omgevingswet, experimenteerruimte en ondersteuning aan koplopers. • Uitbreiding van agrarische bedrijven wordt steeds meer maatwerk. Geef ruimte voor inhoudelijk maatwerk, maar wees ook voorspelbaar in het proces. Dat klinkt tegenstrijdig maar dat is het in onze ogen niet. Voorspelbaarheid is in onze ogen; voer vooroverleg in met initiatiefnemers, geef de kansrijkheid aan en wees duidelijk over de voorwaarden, maar wees creatief en uitnodigend om samen met ondernemer tot oplossingen te komen. • Het is de verantwoordelijkheid van de ondernemer om op een goede wijze om te gaan met de buurt.

De buurt tijdig informeren over nieuwe ontwikkelingen of calamiteiten op het bedrijf is belangrijk. Ondernemers dienen aanspreekbaar te zijn als in de buurt overlast gevoeld wordt. • Probeer onnodige kosten in procedures en voor onderbouwingen te voorkomen. Voor niet elke ontwikkeling is een uitgebreide procedure of een stapel aan onderzoeken nodig. Welk onderzoek is nu echt nodig voor de vergunningverlening? Probeer de proceduretijd en -kosten te beperken, zeker bij kleinere ontwikkelingen. We vinden het belangrijk dat bij een procedure een gesprek plaatsvindt tussen de gemeente en de ondernemer over de bereidheid van de gemeente om mee te werken en wat van beide partijen gevraagd wordt. Het is de verantwoordelijkheid van ondernemers om de procedure goed voor te bereiden en documenten volledig in te dienen. Dit vraagt natuurlijk wel om voldoende ambtenaren die bekend zijn met de landbouw en verantwoordelijkheid durven te nemen. • Ontwikkelingen in de markt of op het gebied van technologie gaan steeds sneller. Agrariërs moeten daarop in kunnen spelen. Zeker met de komst van Omgevingsplannen in plaats van Bestemmingsplannen (geen actualisatieplicht) is het nodig om binnen het Omgevingsbeleid te werken met kaders die ruimte bieden voor het faciliteren van ontwikkelingen die gewenst zijn, maar bij het opstellen van het plan niet waren voorzien.

• Maak meer ontwikkelingen “binnenplans” mogelijk. • Stel een agrarisch bedrijfscontactfunctionaris aan. Deze persoon kan de verbinding zijn tussen de gemeente en ondernemers. • De land- en tuinbouw zorgt voor een moderne uitstraling in harmonie met het platteland. Een modern toekomstgericht agrarisch bedrijf past in zijn omgeving. Dat vereist een goede vormgeving van gebouwen en een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Hieraan mag de gemeente eisen stellen. In ruil hiervoor krijgt de ondernemer de ruimte waardoor hij zijn toekomstplan kan realiseren.

Visie land- en tuinbouw ZLTO Dommel en Aa

33

Tot slot ZLTO-afdeling Dommel en Aa vertrouwt erop dat deze visie op de toekomst van de landen tuinbouw bijdraagt aan de totstandkoming van evenwichtig beleid en aan de groei van onze gemeentes Boxtel, Sint-Michielsgestel en Vught. Welvaart, welzijn en een goede toekomst zijn voor een groot deel afhankelijk van een aantrekkelijk en vitaal platteland. Boeren en tuinders voelen zich hier in hoge mate verantwoordelijk voor.

Visie land- en tuinbouw ZLTO Dommel en Aa

34

Visie land- en tuinbouw ZLTO Dommel en Aa @zltoonline @zlto

www.zlto.nl © ZLTO

Visie land- en tuinbouw ZLTO Dommel en Aa

EEN DUURZAAM EVENWICHT Versnellingsakkoord stikstofemissiereductie 2021 – 2030 Mei 2021

Introductie

In veel Natura 2000-gebieden worden op dit moment

van robuuste natuur, als voor het realiseren van

de natuurdoelen niet gehaald. Tegelijkertijd stranden

ruimte om ontwikkeling in sectoren als bouw, verkeer,

momenteel veel projecten op een tekort aan

industrie en landbouw weer mogelijk te maken. De

ontwikkelruimte en ontbreekt het aan een wenkend

maatregelen moeten bovendien veel scherper worden

perspectief voor de landbouw. Dit leidt tot een urgent

ingebed in een gebiedsgerichte aanpak, waarbij

probleem. Het Kabinet Rutte III heeft met de recent

kwetsbare natuur wordt beschermd en stikstofuitstoot

aangenomen Wet stikstofreductie en natuurverbetering

wordt geminimaliseerd, door het versterken van

(hierna: stikstofwet) de nodige maatregelen geïnitieerd

natuurinclusieve landbouw en agrarisch natuurbeheer,

om het realiseren van natuurdoelen binnen bereik te

en door meer innovatie (waaronder extensivering, het

brengen en om ruimte te creëren voor economische

treffen van managementmaatregelen, het aanpassen

ontwikkeling.

van bemesten en mestopslag, het verhogen van de mate van weidegang en het realiseren van emissie-

Wij zijn van mening dat de doelstelling in de stikstofwet

reducerende stalsystemen), en waarbij op langere

onvoldoende stikstofruimte biedt om onszelf uit

termijn sprake is van emissievrije of -arme structurele

de crisis te investeren. De doelstellingen voor

activiteiten.

emissiereductie moeten sneller gerealiseerd worden. Extra maatregelen zijn nodig, zowel voor het creëren

2

Versnellingsakkoord Stikstofemissiereductie In dit versnellingsakkoord formuleren we

de afhankelijkheid tussen sectoren en de natuur – een

daarom ons voorstel voor het versnellen van de

gezamenlijke aanpak voor, waarbij de inzet op de

stikstofemissiereductie in de periode 2021 – 2030.

korte termijn is gericht op natuurherstel, versterking

Op basis van dit voorstel richten wij onze inzet voor de

van de natuur en het realiseren van ontwikkelruimte.

periode tot 2030 op het versnellen van innovatie en

In de aanpak die wij voorstellen, is de juridische

verduurzaming, zodat de behoefte aan ontwikkelruimte

borging vormgegeven door de versnelling van de

afneemt in de tijd en de opbrengst van emissiereductie

stikstofemissiereductie wettelijk te verankeren. Het

ten gunste van de natuur toeneemt in de tijd.

is ons gezamenlijke belang dat dit akkoord wordt

Ofwel: zo snel mogelijk naar emissieloze mobiliteit,

uitgevoerd.

verduurzaming van de industrie, van de bouw- en de energiesector en naar een emissiearme landbouw.

De maatregelen die nodig zijn, vergen veel van

We presenteren hiermee een voorstel voor de aanpak

ondernemers. Lang niet alle ondernemers hebben

van de stikstofproblematiek tot 2030 vanuit een

hiervoor de middelen. Sectoren kunnen dit niet

perspectief op de lange termijn, waarin natuurdoelen

eigenstandig oplossen. Met name in de landbouw moet

worden gehaald conform de nationale en Europese

perspectief geboden worden om de omslag te kunnen

verplichtingen (Vogel- en Habitatrichtlijn) en waarin

maken. Zonder voldoende financiële ondersteuning,

economische ontwikkeling mogelijk is. Waarbij wij

kan dat niet gerealiseerd worden. Het is daarom nodig

beseffen dat na 2030 verdere reductie nodig is, om een

dat de overheid, natuurorganisaties en het bedrijfsleven

duurzaam evenwicht te bereiken tussen ecologie en

samenwerken aan en investeren in een oplossing. Voor

economie.

ons staat daarbij centraal dat natuurdoelen gehaald worden en dat we onszelf uit deze crisis investeren.

Voor het realiseren van dit perspectief stellen we – gezien de afhankelijkheden van sectoren onderling en

3

Doelstelling Wij willen met dit akkoord werken aan het volgende hoofddoel: Een duurzaam evenwicht tussen ecologie en economie, door:

1. Een versnelling aan te brengen ten opzichte van de stikstofwet en natuurdoelen gegarandeerd en sneller te halen. Om sneller emissiereductie te realiseren en de doelstelling uit de stikstofwet eerder te halen, stellen wij als doel de stikstofemissies in 2030 te reduceren met 40% (i.p.v. 26%).

2. Van de 177 mol/ha/jaar aan ruimte die gecreëerd wordt door daadwerkelijk gerealiseerde depositiereductie, een deel (117 mol) beschikbaar te stellen aan de natuur en een deel (60 mol) te benutten voor ontwikkelruimte voor industrie, verkeer, landbouw en andere sectoren. (Dit is aanvullend op de voorgenomen depositiereductie van 255 mol, economische ontwikkelruimte van 9 mol, en 11 mol voor legalisatie PAS-melders en andere knelgevallen.)

3. Via een goed verdienmodel met name ondernemers vanuit de landbouw perspectief te bieden, zodat ondernemen mogelijk blijft, en er voldoende emissiereductie plaatsvindt om ontwikkeling mogelijk te maken.

4. De juridische houdbaarheid te waarborgen, zodat emissiereductie, natuurherstel, natuurversterking en ontwikkeling daadwerkelijk kunnen plaatsvinden. Het pakket dat wij voorstellen, voegt versneld extra reductie toe ten opzichte van de stikstofwet, waardoor 60 mol beschikbaar komt voor ontwikkelruimte.

4

Benodigde investering Het realiseren van deze doelstellingen vergt voor de periode van 2021 tot 2030 – aanvullend op de reeds beschikbaar gestelde middelen op basis van de aangenomen stikstofwet – een investering door het Rijk van minimaal € 1,7 miljard per jaar. Als onderdeel daarvan is een bedrag van € 0,44 miljard per jaar aan extra investering nodig voor het versneld realiseren van de natuurdoelen tot 2030. Van dit bedrag wordt € 0,33 miljard per jaar ingezet voor natuurinclusieve landbouw/agrarisch natuurbeheer in overgangszones van Natura 2000-gebieden en € 0,11 miljard wordt per jaar geïnvesteerd in meer robuuste natuur.

5

Algemene aanpak De algemene aanpak om deze doelen te bereiken, ziet er op hoofdlijnen als volgt uit: A.

Natuurdoelen worden gerealiseerd door enerzijds tot 2030 € 0,44 miljard per jaar extra te investeren in natuurherstel en natuurversterking en anderzijds door de emissiereductiedoelen gegarandeerd en sneller te halen. De extra middelen worden geïnvesteerd in de aanvullende versterking van natuur, in natuurinclusieve landbouw en in minder droogtegevoelige grondwatersystemen.

B.

De juridische houdbaarheid wordt vormgegeven door de doelstellingen wettelijk te verankeren met de gebiedsgerichte aanpak, door wettelijk vastgelegde reductiedoelen per sector en per gebied, goede governance, strakke regie, een duidelijk tijdpad, goede registratie en monitoring – en zo nodig bijsturing – en voldoende financiële middelen.

De daadwerkelijke juridische houdbaarheid zal blijken na verdere uitwerking in beleid en wet- en regelgeving, een op te stellen wetgevingsadvies door de Raad van State en eventuele uitspraken van een rechter. Wij adviseren de regering om zo snel mogelijk voorlichting te vragen aan de Afdeling advisering van de Raad van State over de juridische houdbaarheid van het pakket dat wij voorstellen.

De juridische waarborgen lichten we als volgt nader toe: a.

De gebiedsgerichte aanpak wordt – veel sterker dan nu – het instrument op basis waarvan de regie plaatsvindt. Wat nodig is per gebied om de natuurdoelen tijdig te halen, bepaalt welke maatregelen genomen moeten worden. Hierbij gaat het om het integreren van natuurherstel- en bronmaatregelen. Dit vergt een sterke regie van de provincies en het Rijk, met nauwe betrokkenheid van de relevante actoren. Provincies hebben de regie in het gebiedsproces. De provincies zorgen ervoor dat alle relevante spelers hierin participeren, als dragers van het gebiedsproces, en dat maatregelen zo snel als mogelijk uitgevoerd worden. Het Rijk borgt dat voldoende voortgang wordt geboekt, stelt financiële middelen ter beschikking, zorgt voor gelijke spelregels voor in te zetten instrumenten en borgt de nationale doelstelling voor versnelde emissiereductie (40% in 2030) naar provinciale doelstellingen voor emissiereductie. Voor het gebiedsgericht vertalen en operationeel maken van doelen, maatregelen en het tijdpad wordt zoveel mogelijk aangesloten bij reeds bestaande instrumentarium zoals een Natura 2000-beheerplan.

6

b.

De nationale en sectorale emissiereductiedoelen worden in een landelijke omgevingswaarde vastgelegd. Vanuit deze wettelijk geborgde doelen worden beleidsdoelen per gebied geformuleerd als uitgangspunt voor het gebiedsproces. De uitkomsten van dit proces, waaraan relevante partijen deelnemen, landen uiteindelijk in het beheerplan van het desbetreffende Natura 2000-gebied. De wijze waarop deze doelen worden behaald, wordt zoveel mogelijk overgelaten aan de desbetreffende sectoren en ondernemers. Ondernemerschap staat voorop. Sturing is gericht op het behalen van de doelen.

c.

De reductiedoelen die in een gebied bereikt moeten worden, moeten dit jaar nog nationaal worden vastgesteld, afhankelijk van de KDW en de overschrijding daarvan van het Natura 2000-gebied met een duidelijke tijdlijn. Daarbij merken we op dat de gebieden verschillende KDW’s kennen voor verschillende habitattypen. De inzet is gericht op het efficiënt en effectief bereiken van de doelstelling om zoveel mogelijk hectares in Natura 2000-gebieden onder de KDW te krijgen. Naar aanleiding van de nationaal vastgestelde doelen per gebied, kunnen de provincies en alle stakeholders uit de aangewezen gebieden aan de slag met het gebiedsproces.

d.

De behoefte aan ontwikkelruimte wordt zo klein mogelijk gemaakt door verduurzaming.

e.

De gerealiseerde emissiereducties en de ontwikkelruimte worden vastgelegd in een nationaal, publiek en onafhankelijk stikstofregistratiesysteem dat ervoor zorgt dat eenduidige registratie plaatsvindt van alle emissieen depositievermindering, zodat gemonitord kan worden of 1) de natuurdoelen voor de Natura 2000-gebieden tijdig gehaald worden, 2) de reductiedoelstellingen (nationaal, sectoraal en per gebied) gehaald worden en 3) de ruimte voor economische ontwikkeling “gedekt” is met daadwerkelijk realiseerde reducties. Tevens wordt geregistreerd door welke sector en welk bedrijf inbreng wordt geleverd. Het vastleggen van de realisatie per sector is van belang om het behalen van de wettelijk vastgelegde doelen per sector te kunnen monitoren.

f.

Er komt een nationale, publieke stikstofbank die ervoor zorgt dat de ontwikkelruimte, die de bank uitsluitend ontvangt vanuit het stikstofregistratiesysteem, wordt uitgegeven aan projecten. De bank kan alleen ontwikkelruimte uitgeven als de aanvraag voldoet aan een aantal criteria.

g.

Er wordt meer geïnvesteerd in meten, onderzoek en monitoren, zodat emissiereductie onomstreden kan worden aangetoond en kan worden bijgestuurd als het beoogde natuurherstel, of de beoogde natuurversterking, niet of onvoldoende voortvarend plaatsvindt.

h.

Er wordt een mechanisme ingebouwd (monitoring en evaluatie) dat zorgt voor tijdige extra reductie als doelstellingen niet gehaald dreigen te worden.

i.

Er komt zo snel mogelijk een drempelwaarde (ook voor lage permanente deposities tijdens de gebruiksfase) die wordt gebaseerd op een goede juridische en ecologische onderbouwing.

7

C.

Meer emissiereductie wordt behaald door het verdienmodel van ondernemers en daardoor het investeringspotentieel in emissiereductie te verbeteren door:

a.

De private inkomsten te verbeteren door agrarisch natuurbeheer als langjarige dienst in te zetten (minimaal 10 jaar), door meervoudig gebruik van grond mogelijk te maken en door koppelingen te maken met het klimaatbeleid.

b.

Een substantiële innovatiesubsidie beschikbaar te stellen voor de landbouw die zorgt voor versnelling van verduurzaming, waardoor de emissies sneller en verder worden gereduceerd. We hanteren een brede definitie van innovatie en verstaan daar onder andere onder: extensivering, het treffen van managementmaatregelen, het aanpassen van bemesten en mestopslag, het verhogen van de mate van weidegang en het realiseren van emissie-reducerende stalsystemen.

c.

Bedrijven via een regeling voor piekbelasters de mogelijkheid te bieden om te innoveren en de bedrijfsvoering aan te passen, zodat deze bedrijven qua depositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden geen piekbelaster meer zijn. Bij industriële piekbelasters gaat het om investeren in verduurzaming. Voor de landbouw gaat het om emissiereductie via innovatie, of om omvorming naar een natuurinclusieve bedrijfsvoering op basis van agrarisch natuurbeheer. Als maatregelen (waaronder stalinnovatie, extensivering of omvorming) niet voldoende mogelijkheden bieden, zullen deze bedrijven moeten verplaatsen of stoppen. Doel daarbij is dat er in 2030 geen piekbelasters meer zijn in (de overgangsgebieden van) Natura 2000-gebieden.

d.

Piekbelasters, die op korte termijn (de eerste twee jaar) vrijwillig willen bijdragen aan emissiereductie op basis van verplaatsing of beëindiging, een ruimhartige regeling te bieden, die tot en met 2029 stapsgewijs afloopt naar minder aantrekkelijk.

e.

Een vrijwillige opkoopregeling te bieden voor stoppers in de landbouw om het natuurlijk verloop binnen de landbouw optimaal te benutten voor het reduceren van emissies en om ruimte te bieden voor voormalige piekbelasters die willen verplaatsen. Ook deze regeling start ruimhartig – net als de regeling voor piekbelasters – en wordt stapsgewijs minder aantrekkelijk.

f.

Gronden die beschikbaar komen in de overgangszones na verplaatsing van piekbelasters of na uitkoop van stoppers, zoveel mogelijk beschikbaar te stellen aan andere boeren die wensen over te stappen naar een emissiearme (extensieve of natuurinclusieve) bedrijfsvoering.

g.

Fiscale belemmeringen weg te nemen (bijv. door versnelde afschrijving van bestaande technieken en bedrijfsbeëindiging fiscaal mogelijk te maken).

8

D. Gezien de wederzijdse afhankelijkheden, zoals hiervoor beschreven op pagina 1, is het in het belang van eenieder van ons dat doelen worden gehaald. De tweejaarlijkse evaluatie (op basis van de stikstofwet) grijpen we aan om te beoordelen of alle wettelijk vastgelegde doelen worden gerealiseerd.

In het kader van deze reguliere herijkingen komen wij tweejaarlijks bij elkaar en voeren we hierover overleg met de overheid, om gezamenlijk te beoordelen of de mix van maatregelen uit dit akkoord (natuurversterking en –herstel, versterken van natuurinclusieve landbouw en agrarisch natuurbeheer, verduurzaming, innovatie, verplaatsing/ beëindiging piekbelasters en stoppersregeling) voldoende effectief is (ook in relatie tot de daarmee gepaard gaande investeringen), of dat binnen deze mix andere accenten moeten worden gelegd, of aanvullende of aangescherpte maatregelen nodig zijn, of dat verdere versnelling nodig is.

Tijdens deze evaluatie wordt tevens getoetst of de maatregelen die worden genomen geen blokkade vormen voor de natuur- en klimaatdoelen in de toekomst. Als de doelen niet gehaald worden, er nieuwe ruimte nodig is voor natuur of ontwikkeling, en als het nodig is dat er meer dwingend gestuurd wordt op het realiseren van de vastgelegde doelen, dan zijn wij bereid om in gezamenlijk overleg met de overheid, op de kortst mogelijke termijn de voorgestelde instrumenten steviger neer te zetten, en aanvullende of aangescherpte maatregelen te treffen.

9

Maatregelen

De te treffen maatregelen zijn weergegeven in onderstaand overzicht, waarbij tevens is vermeld welke reductie aan stikstofdepositie daarmee wordt gerealiseerd en welke investeringen door het Rijk nodig zijn. Het gaat hier om de kosten voor niet-productieve investeringen (dus na aftrek van de privaat gefinancierde middelen).

Reductie N-depositie (mol/ha/jaar)

Kosten rijksoverheid per jaar (2021-2030) (miljard €)

9

p.m.

Innovatieve stalsystemen, extensivering en managementmaatregelen

119

0,67

Verplaatsen piekbelasters en vrijwillige stoppersregeling

56

0,56

Versterken natuurinclusieve landbouw, agrarisch natuurbeheer en hydrologisch systeemherstel

10

0,33

Totaal landbouw

185

1,56

-

0,11

-

p.m.

Mobiliteit, verkeer, industrie en energie Emissieloze mobiliteit, verduurzaming industrie, bouw- en energiesector

Landbouw

Natuur Versterken robuuste natuur in/om Natura 2000-gebieden

Overig Fiscale belemmeringen wegnemen

0,06

Meten, monitoren, onderzoek

Totaal

194

1,73 + p.m.

Noot: de optelling tot 194 mol is hoger dan de benodigde 177 mol. Dit is uit voorzichtigheid gedaan omdat bij stapeling van maatregelen sprake kan zijn van dubbeltellingen.

10

Het is essentieel dat de uitwerking voortvarend wordt opgepakt en dat op korte termijn gestart wordt met maatregelen waarmee de grootste effecten bereikt kunnen worden. De meeste maatregelen zijn afhankelijk van de gebiedsgerichte aanpak. Het kost enige tijd om deze aanpak te realiseren. Daarom stellen we voor om van het bedrag uit bovenstaand overzicht voor ‘Versterken natuurinclusieve landbouw, agrarisch natuurbeheer en hydrologisch systeemherstel’ (totaal € 3 miljard voor de periode 2021-2030) op zeer korte termijn € 1 miljard beschikbaar te stellen voor het versterken van natuurinclusieve landbouw/agrarisch natuurbeheer.

Dit kan via vrijwillige stoppers in overgangsgebieden, danwel via vrijwillige uitplaatsing of beëindiging van piekbelasters. Daardoor kan op korte termijn een depositiereductie van 10 mol gerealiseerd worden die beschikbaar komt voor economische ontwikkeling (incl. verduurzaming). Hiermee wordt gerealiseerd dat in de overgangsgebieden een snelle start gemaakt kan worden met verbetering van de natuur en komt er tegelijkertijd op korte termijn ontwikkelruimte beschikbaar.

De gedachte hierbij is dat met het inzetten van deze € 1 miljard op zeer korte termijn voor stoppers en uitplaatsing/ beëindiging van piekbelasters (ten gunste van natuurinclusieve landbouw/agrarisch natuurbeheer) emissies – en daarmee deposities – daadwerkelijk worden gereduceerd. Ondertussen dient wel te zijn besloten over het gehele pakket aan maatregelen, omdat de vrij te spelen 10 mol integraal onderdeel uitmaakt van dit totale, samenhangende voorstel.

11

Uit onderstaand schema komt naar voren welke ruimte in de periode tot 2030 ten gunste komt van de natuur, en welke ruimte kan worden benut voor economische ontwikkeling. Door de inzet op korte termijn te richten op verduurzaming, neemt de behoefte aan economische ontwikkelruimte af in de tijd, waardoor het aandeel dat naar ontwikkeling gaat, kan afnemen. Tegelijkertijd is natuurwinst op korte termijn van belang in het kader van de vereiste versterking van de natuur en de juridische houdbaarheid. Dat evenwicht wordt bereikt op basis van onderstaande verdeling.

Periode / maatregelen

Ten gunste van natuur Aandeel

Daadwerkelijk gerealiseerde reductie (in molen)

Voor ontwikkelruimte Aandeel

Beschikbare ontwikkelruimte (in molen)

Verplaatsen piekbelasters/ stoppers: 2022 – 2025

1/3

2026 – 2027

1/2

2028 – 2030

2/3

Natuurinclusief o.b.v. stoppers

0%

2/3 28

1/2

28

1/3

0

100%

10

Overige maatregelen: <60 mol ontwikkelruimte

80%

Daarna

100%

TOTAAL

-

89 117

20% 0% -

22 60

12

Tot slot De stikstofproblematiek is een urgent en complex

sneller gerealiseerd worden en komt er versneld

maatschappelijk vraagstuk. Een groot deel van de

voldoende ruimte voor ontwikkeling. De aanpak is zo

kwetsbare Natura 2000-gebieden verkeert in een

kosteneffectief mogelijk. Minder kostbare opties leiden

slechte staat. Tegelijkertijd zijn sinds de uitspraak van

volgens ons òf tot minder natuurherstel òf tot minder

de Raad van State van bijna twee jaar geleden veel

ruimte voor ontwikkeling, terwijl beide nodig zijn.

vergunningprocedures stil komen te liggen en stranden veel projecten op een tekort aan ontwikkelruimte. Als

Er zal nog het nodige uitgewerkt moeten worden. Als

gezamenlijke partijen hebben we de handen ineen

het Rijk instemt met dit akkoord en de benodigde

geslagen, met als resultaat dit akkoord, waarmee we

middelen beschikbaar stelt, dan beschouwen wij het als

een samenhangende en evenwichtige oplossing bieden

een verplichting deze versnelling van emissiereductie

voor deze problematiek. De versnellingsaanpak die wij

te ondersteunen. Een voortvarende aanpak is cruciaal.

voorstellen, dient onze gezamenlijke belangen en biedt

Zowel voor het behalen van de natuurdoelen, als voor

perspectief voor de samenleving als geheel en voor elk

het weer mogelijk maken van ontwikkeling.

van ons. De uitwerking die wij voor ogen hebben, is opgenomen Dit akkoord is een samenhangend en evenwichtig

in de bijlage. Daarbij hebben we ons zoveel mogelijk

totaalpakket en moet worden beschouwd als een

gebaseerd op de beschikbare juridische kennis en

package deal. Voor een juridisch houdbare oplossing

onderbouwde inschattingen wat betreft kosten en

van de stikstofproblematiek, is de uitvoering van dit

emissie- en depositiereductie van maatregelen. Als

gehele akkoord essentieel. Delen uit dit pakket wel

met dit voorstel wordt ingestemd, dan dient verdere

overnemen, en andere onderdelen ter zijde schuiven,

uitwerking plaats te vinden. Naast de hiervoor

betekent dat het akkoord vervalt.

geformuleerde suggestie om voorlichting te vragen aan de Raad van State over de juridische houdbaarheid,

Wij zijn ons ervan bewust dat de benodigde investering

stellen we voor dit akkoord voor advies voor te leggen

van € 1,7 miljard per jaar voor de periode van 2021

aan het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Als

tot 2030 een fors bedrag betreft. In dit voorstel is

adviezen van de Raad van State en/of het PBL aanleiding

onderbouwd dat deze financiële impuls vereist is om de

geven tot aanpassing van dit akkoord, dan zijn wij

benodigde emissiereductie te realiseren. Met de aanpak

uiteraard bereid ons daar rekenschap van te geven.

die wij voorstellen, kunnen de wettelijke natuurdoelen

13

Bijlage: Uitwerking en onderbouwing stikstofakkoord Deze bijlage bevat de verdere uitwerking en onderbouwing van ons stikstofakkoord. Voor deze onderbouwing is gebruik gemaakt van beschikbare informatie. Deze informatie heeft de ene keer betrekking op emissies en in andere gevallen op deposities. Gevolg daarvan is dat in deze tekst emissies en deposities door elkaar zijn gebruikt. Bij de cijfers die in dit akkoord aan bod komen, is wel steeds juist weergegeven of deze betrekking hebben op emissies of op deposities.

Hierna komen achtereenvolgens de volgende onderwerpen aan bod: A.

De voorwaarden en mogelijkheden voor het behalen van de natuurdoelen.

B.

Het waarborgen van de juridische houdbaarheid.

C.

Een inschatting van het basispad en de benodigde stikstofreductie.

D. Het maatregelenpakket dat dit realiseert.

A. NATUURDOELEN 1.

Om natuurdoelen gegarandeerd en sneller te halen, zijn meer investeringen nodig in de versterking van natuur, natuurinclusieve landbouw en hydrologie in de overgangszones rondom overbelaste Natura 2000-gebieden. Naast het reeds toegekende bedrag van € 2,85 miljard via het Programma Natuur, is tot 2030 een extra investering nodig van € 4 miljard voor de versterking van natuur, natuurinclusieve landbouw en hydrologie, met name in de overgangsgebieden rond de Natura 2000-gebieden. Van dit bedrag dient op zeer korte termijn € 1 miljard beschikbaar te komen voor uitplaatsing of beëindiging van piekbelasters. Gronden die hiermee beschikbaar komen in de overgangszones, worden zoveel mogelijk beschikbaar gesteld aan andere boeren die wensen over te stappen naar een emissiearme (extensieve of natuurinclusieve) bedrijfsvoering. Hiermee creëren we ruimte voor het inzetten van de overige investeringen, gericht op: a.

Het versneld afronden van het Nationaal Natuur Netwerk, voor zover benodigd voor Natura 2000-gebieden.

b.

Het versterken van de overgangsgebieden door aanvullende inzet op robuuste natuur, natuurinclusieve landbouw, het realiseren van de bossenstrategie en hydrologische maatregelen om tot minder droogtegevoelige systemen te komen.

c.

Ruimtelijke sturing, waarbij in de overgangsgebieden zoveel mogelijk wordt ingezet op (het versterken van) natuurinclusieve landbouw. Dit betekent dat een belangrijk deel van deze investeringen landen op het boerenbedrijf.

14

Bijlage: Uitwerking en onderbouwing stikstofakkoord

2.

Voor het halen van de natuurdoelen komt de gebiedsgerichte aanpak centraal te staan. Dit is uitgewerkt in onderdeel B.

3.

Om natuurdoelen gegarandeerd en sneller te halen, is het nodig dat de in de stikstofwet vastgelegde doelen sneller worden gerealiseerd. Wij stellen als doel de stikstofemissies in 2030 te reduceren met 40% (i.p.v. 26%). Deze doelstelling dient wettelijk te worden vastgelegd. Hiervoor is het nodig dat er via een goed verdienmodel geïnvesteerd wordt in meer emissiereductie. Dit is nader uitgewerkt in onderdeel C.

4.

Om het halen van de natuurdoelen te maximaliseren, wordt ingezet op het halen van doelen in zoveel mogelijk Natura 2000-gebieden, zodat met de middelen die beschikbaar zijn voor zoveel mogelijk hectares Natura 2000-gebied het natuurdoel gerealiseerd wordt.

B. JURIDISCHE HOUDBAARHEID 5.

De juridische houdbaarheid wordt vormgegeven op basis van wettelijke verankering van de gebiedsgerichte aanpak, wettelijk vastgelegde reductiedoelen per sector en per gebied, goede governance, strakke regie, een duidelijk tijdpad, goede registratie en monitoring – en zo nodig bijsturing – en voldoende financiële middelen. Deze onderwerpen zijn hierna nader uitgewerkt. De daadwerkelijke juridische houdbaarheid zal blijken na verdere uitwerking in beleid en wet- en regelgeving, een op te stellen wetgevingsadvies door de Raad van State en eventuele uitspraken van een rechter. Wij adviseren de regering om zo snel mogelijk voorlichting te vragen aan de Afdeling advisering van de Raad van State over de juridische houdbaarheid van het pakket dat wij voorstellen

B.1 GEBIEDSGERICHTE AANPAK 6.

Vanuit de gebiedsgerichte aanpak worden integrale gebiedsprocessen ingericht, waarbinnen natuurherstel en emissiereductie gecombineerd worden. De gebiedsgerichte aanpak vormt het centrale sturingsinstrument om te zorgen dat voor zoveel mogelijk hectares in Natura 2000-gebieden de doelen worden gehaald. Provincies hebben hiervoor de regie. Zij zorgen ervoor dat alle relevante spelers – als dragers van het gebiedsproces – participeren in dit proces, en dat maatregelen zo snel als mogelijk uitgevoerd worden. In het gebiedsproces wordt bepaald wat de prioriteiten zijn en wordt overeenstemming bereikt welke maatregelen in het desbetreffende gebied van belang zijn.

7.

De Rijksoverheid borgt dat provincies de benodigde maatregelen uitvoeren. Het Rijk neemt het initiatief voor provincie-overstijgende randvoorwaarden zodat gelijke spelregels gelden voor in te zetten instrumenten. Daarnaast zorgt het Rijk voor de benodigde financiële middelen, rapporteren de provincies over voortgang en

15

Bijlage: Uitwerking en onderbouwing stikstofakkoord

intervenieert het Rijk als provincies onvoldoende voortgang boeken, in de vorm van een aanwijzing die door de provincie moet worden opgevolgd.

8.

Per gebied wordt bezien wat ecologisch nodig en qua ontwikkeling mogelijk is. Daarbij wordt logischerwijs niet alleen naar stikstof gekeken, maar integraal naar het oplossen van relevante milieuproblemen, en het integreren van herstelmaatregelen en brongerichte maatregelen in de Natura 2000-gebieden en de overgangszones. Het instrument van de landschapsecologische systeemanalyse (LESA) kan hiervoor behulpzaam zijn. Als onderdeel van het gebiedsproces wordt de afbakening van de overgangszones bepaald.

9.

De nationale en sectorale emissiereductiedoelen worden in een landelijke omgevingswaarde vastgelegd. Vanuit deze wettelijk geborgde doelen worden beleidsdoelen per gebied geformuleerd als uitgangspunt voor het gebiedsproces. De uitkomsten van dit proces, waaraan relevante partijen deelnemen, landen uiteindelijk in het beheerplan van het desbetreffende Natura 2000-gebied. De reductiedoelen worden aangevuld met wat nodig is aan ontwikkelruimte. Deze vertaling naar gebieden door het Rijk is essentieel om te borgen dat: •

voor zoveel mogelijk gebieden de doelen sneller gehaald worden,

•

het aantal hectares waarvoor doelen gehaald worden, wordt geoptimaliseerd,

•

en verwachte vraag en aanbod van ontwikkelruimte per gebied met elkaar matchen.

Hierbij wordt rekening gehouden met de situatie in de gebieden. Dat betekent dat de doelstellingen verschillen per provincie en gebied.

10. Het beschikbare maatregelenpakket is identiek voor alle gebieden, maar de inzet van maatregelen kan in gebieden verschillen, aangezien omstandigheden en doelstellingen per gebied anders zijn. Uitgangspunt hiervoor is dat maatregelen perspectief moeten bieden op de langere termijn, zowel voor de natuur, als voor ondernemers.

11. Een goed gebiedsproces vergt tijd. De verwachting is dat een dergelijk proces twee jaar duurt. Provincies en Rijk zetten vol in op het zo kort mogelijk houden van dit proces zodat natuurherstel en ontwikkeling zo snel mogelijk kunnen plaatsvinden. Om snel voldoende ontwikkelruimte te creëren, wordt vooruitlopend hierop voortvarend en gericht gestart met de regelingen voor piekbelasters en stoppers.

16

Bijlage: Uitwerking en onderbouwing stikstofakkoord

B.2 STIKSTOFREGISTRATIESYSTEEM 12. Er komt een nationaal, publiek en onafhankelijk stikstofregistratiesysteem dat ervoor zorgt dat eenduidige registratie plaatsvindt van alle emissie- en depositievermindering, zodat gemonitord kan worden of 1) de natuurdoelen voor de Natura 2000-gebieden tijdig gehaald worden, 2) de reductiedoelstellingen (nationaal en sectoraal) gehaald worden, 3) de ruimte voor economische ontwikkeling “gedekt” is met daadwerkelijk gerealiseerde reducties.

13. Dit systeem is om de volgende redenen van belang: a.

Het systeem voor extern salderen wordt gemonitord en geborgd per hexagoon. Hiermee wordt weglek voorkomen, wordt geborgd welke ruimte beschikbaar is voor natuur en voor ontwikkeling, wordt gemonitord wat sectoren bijdragen, en wordt gesignaleerd of doelstellingen tijdig gehaald worden.

b.

Er kan direct inzage gegeven worden via de stikstofbank welke depositieruimte beschikbaar is per hexagoon.

c.

Het kan mede gebruikt worden voor de onderbouwing van de drempelwaarde.

d.

Met dit systeem kan ‘de hand aan de kraan’ worden gehouden.

14. De afroming en overige inbreng ten behoeve van natuur worden apart geregistreerd per hexagoon, per Natura 2000-gebied en per sector.

15. De ruimte voor ontwikkeling wordt apart geregistreerd per hexagoon per Natura 2000-gebied zodanig dat het gebruikt kan worden voor vergunningverlening en een drempelwaarde (ook voor lage permanente deposities tijdens de gebruiksfase).

B.3 ONTWIKKELRUIMTE VIA STIKSTOFBANK 16. Institutioneel: a.

Er komt een nationale, publieke stikstofbank die ervoor zorgt dat de ontwikkelruimte, die de bank uitsluitend ontvangt vanuit het stikstofregistratiesysteem, wordt uitgegeven aan projecten.

b.

De nationale bank heeft provinciale kantoren die opereren op basis van de vastgestelde gebiedsprocessen. Dit betekent dat de bank fungeert als uitvoeringsorganisatie van de afspraken vanuit het gebiedsproces.

c.

Er vindt afstemming plaats tussen de stikstofbank en de partijen die de gebiedsprocessen vormgeven, zodat vraag en aanbod matchen. Dit betekent concreet dat de stikstofbank toetst bij de provincie of de transactie past in het gebiedsproces. Daarnaast toetst de stikstofbank of de aanvraag voldoet aan een aantal criteria (zie hierna bij punt 19d).

17

Bijlage: Uitwerking en onderbouwing stikstofakkoord

17. Extern salderen, intern salderen en verleasen. a.

Extern salderen kan als de daarvoor benodigde ruimte uitgegeven wordt via de stikstofbank (vanuit het stikstofregistratiesysteem).

b.

Extern salderen (zoals nu al in een aantal provincies gebeurt) blijft mogelijk, tevens als dit buiten de ontwikkelruimte van de stikstofbank om gaat, mits het niet de ontwikkelruimte en de gebiedsprocessen doorkruist. Het bevoegd gezag toetst dit expliciet. Dit wordt wettelijk geborgd.

c.

De regels voor extern salderen worden nationaal vastgesteld en zijn identiek voor alle gebieden.

d.

Intern salderen maakt onderdeel uit van het huidige instrumentarium. De mogelijkheid om dit instrument in te zetten, wordt als gegeven beschouwd.

e.

Verleasen kan alleen als de daarvoor benodigde ruimte uitgegeven wordt via de stikstofbank. Gezien het tijdelijke karakter wordt getoetst of projecten passen binnen de gebiedsgerichte plannen.

18. Inbreng: a.

Ruimte voor ontwikkeling, die ontstaat door het maatregelenpakket, wordt in de bank om niet ingebracht via het stikstofregistratiesysteem.

b.

De inbreng wordt per hexagoon per Natura 2000-gebied geregistreerd, zodat de stikstofuitstoot van projecten voor ontwikkeling via extern salderen per hexagoon per gebied gecompenseerd kan worden. Dit wordt wettelijk geborgd.

c.

Daarnaast wordt geregistreerd door welke sector en welk bedrijf inbreng wordt geleverd. Het vastleggen van de realisatie per sector is van belang om het behalen van de wettelijk vastgelegde doelen per sector te kunnen monitoren.

d.

Inbreng vindt alleen plaats als die ook past binnen de gebiedsgerichte aanpak.

19. Uitgifte: a.

De ontwikkelruimte wordt gecompartimenteerd, gebaseerd op de benodigde ontwikkelruimte per sector. Dit zorgt ervoor dat alle sectoren voldoende ontwikkelruimte krijgen. Er wordt per compartiment een deel gereserveerd voor kleine projecten om te voorkomen dat enkele grote projecten de uitvoering van vele kleine onmogelijk maakt.

b.

Vragers kunnen ten behoeve van de provinciale vergunning een aanvraag indienen waarbij ze aangeven: •

Welke maatregelen ze genomen hebben om de stikstofuitstoot te minimaliseren, rekening houdend met de best beschikbare technieken.

• c.

Welke compensatie nodig is per hexagoon per gebied.

De stikstofbank zet zich zoveel mogelijk in om de gevraagde compensatie te realiseren voor alle gebieden waarvoor compensatie nodig is.

18

Bijlage: Uitwerking en onderbouwing stikstofakkoord

d.

De stikstofbank toetst – op basis van de uitkomsten van het gebiedsproces – of een aanvraag gehonoreerd wordt, waarbij de volgende criteria een rol spelen: •

Toekenning kan alleen als de aanvrager aantoont dat het nieuwe project past binnen de gebiedsgerichte aanpak.

•

Een inschatting of de vrager voldoende heeft gedaan om de stikstofuitstoot zoveel mogelijk te verminderen op grond van de best beschikbare technieken.

•

Een inschatting of de aanvraag niet disproportioneel is ten opzichte van het aanbod, waarbij gekeken wordt naar het aandeel in het totale aanbod per compartiment en naar de verwachte vraag. Hoe groter de gevraagde ruimte, des te meer gekeken zal worden naar de onderbouwing.

•

Compensatie kan alleen toegekend worden aan projecten die na verkrijging van alle vergunningen binnen een nader vast te stellen periode, starten met de uitvoering.

e.

Het bevoegd gezag besluit als vergunningverlener conform de Wet natuurbescherming over het uitgeven van ruimte.

f.

Er vindt wettelijk geborgde registratie plaats aan welk bedrijf of welk project de ruimte verstrekt wordt.

20. Kosten: a.

De stikstofbank stelt jaarlijks de leges vast per mol gecompenseerde stikstof. Deze leges zijn gebaseerd op de (administratieve) kosten die gemaakt worden door de stikstofbank. De stikstofbank streeft niet naar winstmaximalisatie, maar naar kostendekking.

a.

Alle transacties worden geregistreerd in de stikstofbank en in het stikstofregistratiesysteem.

21. Op basis van beschikbare analyses is de verwachting dat 60 mol ontwikkelruimte voldoende is om de meeste projecten te kunnen uitvoeren. Dit laat onverlet dat er grote projecten zijn waarvoor weliswaar op veel hexagonen voldoende compensatie beschikbaar zal zijn, maar waarvoor ook geldt dat op sommige hexagonen onvoldoende ontwikkelruimte beschikbaar is. Dit betekent dat er ter plekke extra maatregelen moeten worden getroffen voor deze hexagonen om het project daadwerkelijk te kunnen uitvoeren. Hierbij kan het helpen om te bezien of latere uitvoering het eenvoudiger maakt, omdat elektrificeren en innovatie, waaronder verduurzaming, de benodigde compensatie verminderen. In ieder geval zal in de gebiedsgerichte aanpak rekening gehouden worden met de benodigde compensatie.

19

Bijlage: Uitwerking en onderbouwing stikstofakkoord

B.4 MEER INVESTEREN IN METEN, ONDERZOEK EN MONITOREN 22. Van belang is dat daadwerkelijk gerealiseerde emissiereductie (zoals wettelijk vastgelegd in een landelijke omgevingswaarde) onomstreden kan worden aangetoond, bij voorkeur op basis van metingen, en niet uitsluitend op basis van modelmatige benaderingen. Het doel hiervan is een aantoonbare (dus gemeten) emissiebeperking met een concrete tijdlijn waarbinnen dit doel moet worden gerealiseerd, zodat (op termijn) afgerekend kan worden op daadwerkelijk gemeten emissies (in plaats van berekende emissies). Daarnaast zijn metingen van belang in de verschillende natuurgebieden. Naast de metingen van de depositie op de verschillende hexagonen, zal regelmatig een verplichte ecologische evaluatie van de gebieden uitgevoerd moeten worden, om de verbeterde staat van het Natura 2000-gebied onomstreden te kunnen aantonen, danwel om vast te stellen dat moet worden bijgestuurd als het beoogde natuurherstel niet optreedt.

23. Met metingen kan veel data worden verzameld, waardoor effecten van technieken en modelsimulaties veel beter onderbouwd kunnen worden. Dit maakt monitoring van de voortgang veel robuuster. Op basis van metingen kan tevens duidelijkheid worden geboden bij eventuele twijfel over de vraag of een bedrijf wel of niet een piekbelaster is (door emissies te meten en op basis daarvan de depositie te berekenen). Daarnaast is het op basis van metingen mogelijk het instrumentarium voor vergunningverlening te verbeteren en te valideren. Ander voordeel van meten is dat alle effecten van maatregelen die genomen worden, meegenomen kunnen worden (inclusief managementpraktijken) en dat nieuwe technieken niet gecertificeerd hoeven te zijn. Daardoor kunnen innovaties veel sneller worden toegepast, en kan de huidige situatie worden doorbroken waarbij managementpraktijken niet meetellen, en het vele jaren duurt voordat nieuwe veelbelovende technieken toegepast kunnen worden. Dit betekent dat moet worden ingezet op meten en monitoren van zowel de emissiereductie op basis van toegepaste maatregelen, als van de verbeterde staat van de natuur.

24. Uit een analyse van CLM Onderzoek & Advies (als onderdeel van de lange-termijnverkenning stikstofproblematiek1) blijkt dat het binnen twee tot drie jaar technisch haalbaar is om op bedrijfsniveau met sensoren de NH3-emissie in (ieder geval) het grootste deel van de stallen real time te meten.

25. De overheid dient hiervoor het voortouw te nemen, regie te voeren en te investeren in doorontwikkeling van meettechnologie, bijvoorbeeld voor stallen en natuurgebieden. Ook is nodig dat er meer onderzoek plaatsvindt, zodat oplossingen sneller ter beschikking komen. Daarnaast is monitoring van belang om te kunnen bijsturen als het beoogde natuurherstel niet plaatsvindt. Dit vraagt om een monitoringprogramma dat voorziet in output (genomen maatregelen), outcome (effecten op biodiversiteit), impact (harde relatie tussen maatregel en effect) en bijsturing (wat gebeurt er als outcome en/of impact uitblijven?). Hierbij is het van belang extra aandacht te besteden aan de governance.

1

‘Bijdrage CLM’, bijlage bij ‘Verkenning Normeren en Beprijzen van stikstofemissie’ (Ter Haar, ABDTOPConsult, 2021).

20

Bijlage: Uitwerking en onderbouwing stikstofakkoord

26. Dit vraagt om voldoende budget voor meten, onderzoek en monitoren.

B.5 WAT ALS DOELEN NIET GEHAALD WORDEN 27. In dit akkoord hebben we zo goed mogelijk ingeschat wat nodig is om natuurdoelen te halen en ruimte voor ontwikkeling te creëren. Per definitie is zo’n inschatting met onzekerheid omgeven. Bovendien zullen er de komende jaren allerlei ontwikkelingen zijn ten aanzien van wetenschappelijke inzichten, innovaties, economische dynamiek en nieuwe wensen voor projecten. Dit kan betekenen dat opnieuw aanvullende maatregelen nodig zijn. Daarom wordt ook op basis van de stikstofwet een tweejaarlijkse evaluatie uitgevoerd. Dit sluit goed aan op de systematiek die wij voorstellen. In het kader van deze evaluatie komen wij tweejaarlijks bij elkaar en voeren we overleg met de overheid om gezamenlijk te beoordelen of de mix van maatregelen uit dit akkoord (natuurversterking en –herstel, versterken van natuurinclusieve landbouw en agrarisch natuurbeheer, verduurzaming, innovatie, verplaatsing/beëindiging piekbelasters en stoppersregeling) voldoende effectief is (ook in relatie tot de daarmee gepaard gaande investeringen), of dat binnen deze mix andere accenten moeten worden gelegd, of aanvullende of aangescherpte maatregelen nodig zijn, of dat verdere versnelling nodig is. Tijdens de tweejaarlijkse evaluatie wordt tevens getoetst of de maatregelen die worden genomen geen blokkade vormen voor de natuur- en klimaatdoelen in de toekomst.

Als uit de evaluatie blijkt dat doelen niet gehaald worden, en er nieuwe ruimte nodig is voor natuur of voor ontwikkeling, zal er meer dwingend gestuurd moeten worden op de realisatie van doelen. In dat geval zijn wij bereid om in gezamenlijk overleg met de overheid, op de kortst mogelijke termijn de voorgestelde instrumenten steviger neer te zetten, en aanvullende of aangescherpte maatregelen te treffen. Overigens, als er nieuwe ruimte nodig is voor natuur of voor ontwikkeling, dan hoeft in principe niet opnieuw naar de structuur van de oplossing gekeken te worden. Het volstaat dan om de voorgestelde instrumenten steviger neer te zetten. Zo kunnen bijvoorbeeld de innovatieregeling of de regelingen voor piekbelasters en/ of stoppers uitgebreid worden. Daarbij stellen wij voor om bij meevallers de regeling niet te verminderen. Meevallers ten gunste van natuur helpen om natuurdoelen sneller te realiseren. Meevallers ten gunste van ontwikkelruimte helpen om toekomstige tegenvallers op te vangen. Mochten de laatste meevallers structureel zijn, bijvoorbeeld omdat innovatie zorgt voor minder benodigde ontwikkelruimte, dan worden ze uiteindelijk vrijgegeven voor natuur.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=cf3749ae-03cd-4a83-b0db-067da9c96e03