9. VNG - Ledenbrief Nieuwe Model Parkeerverordening en modelbepalingen deelmobiliteit (APV)
Tekst van het document
Met de tekst “met uitzondering van motorvoertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor gebruik door een besloten kring van personen” wordt bedoeld dat informele samenwerkingsvormen van deelvervoer (ook wel coöperatief autodelen genoemd) niet vallen onder deze vergunning. Dit gaat bijvoorbeeld om bewonersinitiatieven waarbij een deelauto wordt gedeeld onder verschillende huishoudens. Het kan wel nuttig zijn om deze coöperatieve deelvervoergebruikers toch een parkeervergunning te geven. Dit kan via een bewoners- of bedrijfsparkeervergunning.] Houder van een motorvoertuig Voor een aantal vergunningen is het een vereiste om houder te zijn van een motorvoertuig. Een persoon of rechtspersoon (bijvoorbeeld bedrijf of vereniging) kan houder zijn. Iemand is houder als die in het kentekenregister van de RDW staat geregistreerd als eigenaar of houder van een motorvoertuig. Daarnaast is het ook mogelijk om via een overeenkomst houder te zijn. Uit de overeenkomst moet blijken dat de auto in gebruik of beheer bij de houder is. Dit kan met een leaseovereenkomst, arbeidsovereenkomst of andere overeenkomst. Soms is een verklaring van de werkgever of een andere partij nodig, waaruit blijkt dat het motorvoertuig alleen aan houder ter beschikking wordt gesteld.
De houder is verantwoordelijk voor het aanvragen van de parkeervergunning en voor het naleven van de regels die van toepassing zijn op een vergunninghouder. Parkeersysteem Een parkeersysteem is een systeem dat gebruikt wordt om parkeerrechten en parkeergegevens bij te houden. Dit systeem houdt bij wie mag parkeren en met welk voertuig én het registreert gegevens zoals kentekens en parkeertijden. Voor gehandicaptenparkeerkaarten wordt vaak een digitaal systeem gebruikt om het gebruik te vereenvoudigen en fraude te voorkomen. Daarnaast zijn parkeerautomaten of fysieke bewijzen, zoals een kaart, onderdeel van het systeem. Parkeren Deze definitie is overgenomen van artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990). Artikel 2 Aanwijzing van vergunninggebieden en adressen
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
7/11
Een verkeersbesluit en het ophangen van het verkeersbord E9 maken samen dat parkeerplekken alleen mogen worden gebruikt door vergunninghouders. Dit gaat meestal over een kleinere specifieke groep vergunninghouders (bijvoorbeeld alleen bewoners). Met het aanwijzen van een vergunninggebied kan het college bepalen dat met een parkeervergunning niet in de gehele gemeente kan worden geparkeerd, maar dat deze gereserveerd is voor een bepaald gebied. Bijvoorbeeld rondom het huis van een bewoner. Het college kan binnen vergunninggebieden specifieke parkeerplaatsen aanwijzen voor verschillende soorten vergunningen of voertuigen. Bijvoorbeeld bewoners, bedrijven[, autodeelbedrijven,] of bijzondere organisaties en doelgroepen. Dit kan betekenen dat het college bepaalt dat het parkeren door bedrijven niet in alle vergunninggebieden mag plaatsvinden of dat niet in alle vergunninggebieden bewonersvergunningen worden uitgegeven. Daarbij kan het college ook adressen aanwijzen waarvoor geen parkeervergunning wordt afgegeven, bijvoorbeeld als deze beschikken over eigen parkeervoorzieningen zoals een eigen parkeerplaats of -garage. Artikel 3 Parkeervergunning algemeen Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om (nadere) regels te stellen over de aanvraagprocedure voor parkeervergunningen of op welke wijze parkeervergunningen worden verleend.
De nadere regels die het college kan stellen over het aan- of afmelden bij een parkeersysteem en op welke manier dit moet gebeuren, zijn ten behoeve van een correcte registratie. Dat kan nodig zijn om nauwkeurig bij te houden wie op welk moment gebruik maakt van een parkeervergunning. Het college kan bepalen of hij specifieke regels stelt voor bepaalde parkeervergunningen of meer in het algemeen regels wil stellen. [Artikel 4 Nadere regels, voorschriften en beperkingen parkeervergunning Het college kan op grond van het derde lid ook voorschriften en beperkingen verbinden aan parkeervergunningen. Dit kan alleen als dit nodig is om de parkeerruimte eerlijk te verdelen, overlast door verkeer te beperken en negatieve gevolgen voor het milieu te verminderen. Deze eisen aan voorschriften en beperkingen zijn bedoeld om het parkeren in de gemeente zo rechtvaardig, duurzaam en efficiënt mogelijk te maken.] Artikel 5 Vervallen, intrekken of wijzigen van de parkeervergunning Als een vergunninggebied vervalt, moet ook de parkeervergunning vervallen. Om misverstanden en uitvoeringslasten tegen te gaan, is in het eerste lid geregeld dat dat automatisch gaat. In het tweede lid staat dat het college de parkeervergunning intrekt als de vergunninghouder niet meer aan de voorwaarden voldoet.
Bij de voorwaarden kan het bijvoorbeeld gaan om een bewoner die niet meer in gebied woont waarvoor de parkeervergunning is verleend. In het derde lid is geregeld dat het college de parkeervergunning ook op aanvraag van de vergunninghouder kan wijzigen of intrekken. In dat geval gelden de beperkingen voor wijziging of intrekking van het tweede [en het vierde] lid niet. [Tot slot zijn in het vierde lid een aantal bijzondere gevallen genoemd waarin het college kan besluiten de parkeervergunning te wijzigen of in te trekken. Bijvoorbeeld als de vergunninghouder bij de aanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt of niet (meer) voldoet aan de vergunningvoorschriften. Het gaat hier om een kan-bepaling: anders dan in gevallen van het tweede lid, is het college in gevallen van het vierde lid niet verplicht om de vergunning in te trekken.] Artikel 6 Parkeren zonder vergunning: uitzonderingen op het verbod
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
8/11
Het is op grond van artikel 24, eerste lid, onder g, van het RVV 1990 verboden om te parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders zonder een daarvoor geldige parkeervergunning. Het college kan een uitzondering maken op dit verbod voor soorten gevallen (vrijstelling) of voor individuele gevallen (ontheffing). Bij de vrijstelling valt te denken aan bijvoorbeeld de hulpdiensten zoals brandweer, ambulance en politie. Bij de ontheffing kan het bijvoorbeeld gaan om een verhuiswagen. Artikel 7 Aanvraag parkeervergunning bewoners Het college verleent deze parkeervergunning in principe uitsluitend aan bewoners die ingeschreven staan in de basisregistratie personen (BRP) op een adres binnen het betreffende vergunninggebied. Dit zorgt ervoor dat de regeling alleen geldt voor bewoners met een geregistreerd adres. Voor bewoners die om gerechtvaardigde redenen niet in de BRP staan ingeschreven, maar wel feitelijk wonen in het gebied, kan het college een specifieke uitzondering maken. Het gaat dan bijvoorbeeld om een diplomaat, consulair medewerker of werknemer van een internationale organisatie die in Nederland woont en werkt. Artikel 8 Aanvraag parkeervergunning bezoekers van bewoners Het college kan een parkeervergunning voor bezoekers verlenen aan bewoners, zodat hun bezoekers kunnen parkeren in het vergunninggebied waar de bewoners wonen.
Artikel 9 Aanvraag parkeervergunning bedrijven Het college kan parkeervergunningen verstrekken aan bedrijven die gevestigd zijn binnen een vergunninggebied en daar ook staan ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Dit zorgt ervoor dat alleen gevestigde bedrijven in het gebied in aanmerking komen. Voor bedrijfslocaties binnen het vergunninggebied die niet zijn ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, kan het college aparte uitzonderingen maken. Artikel 10 Aanvraag parkeervergunning bezoekers van bedrijven Bedrijven kunnen een parkeervergunning aanvragen waarmee hun bezoekers kunnen parkeren in het vergunninggebied. [Artikel 11 Aanvraag parkeervergunning autodeelbedrijven Het eerste lid maakt het mogelijk voor autodeelbedrijven om een parkeervergunning te krijgen voor het parkeren van een deelmotorvoertuig. Het college kan ervoor kiezen om een autodeelbedrijf een parkeervergunning te verlenen voor aangewezen parkeerplaatsen voor vergunninghouders of voor een aangewezen gebied ruimer dan één vergunninggebied (freefloating). Het tweede lid maakt het mogelijk om de parkeervergunning voor autodeelbedrijven niet te verlenen op kenteken. Deze mogelijkheid is belangrijk voor situaties waarin met verschillende motorvoertuigen – en dus verschillende kentekens – gebruik moet kunnen worden gemaakt van de parkeervergunning.
Wel moet in dat geval gebruik worden gemaakt van het parkeersysteem. Op deze manier kunnen parkeergegevens worden bijgehouden door het aan- en afmelden van het motorvoertuig.] Artikel 12 Aanvraag parkeervergunning gehandicapten Overigens is het alleen nodig om de fysieke GPK achter de voorruit te plaatsen bij de gehandicaptenparkeerplaatsen (verkeersbord E6). Voor de overige (fiscale) parkeerplaatsen wordt het parkeersysteem gebruikt. Artikel 13 Parkeervergunning bijzondere organisaties en doelgroepen
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
9/11
In dit artikel is vastgelegd dat aan bijzondere organisaties of doelgroepen en leden daarvan een parkeervergunning kan worden verleend. Het gaat hier om organisaties zoals scholen of sportverenigingen en doelgroepen zoals mantelzorgers en verloskundigen. Deze organisaties en doelgroepen zijn geen bewoners en (veelal) geen bedrijven. Vanuit het algemeen belang is het wel belangrijk dat zij in voorkomende gevallen kunnen parkeren. Het gaat om een “kan-bepaling”. Dit betekent dat het college bij de beoordeling van de aanvragen maatwerk kan leveren. In onvoorziene of zeer bijzondere gevallen, of in situaties waarin een parkeervergunning niet optimaal is, zijn er nog de uitzonderingsmogelijkheden van artikel 6. Artikelen 14 en 15 Verboden In het artikel staan gemeentelijke verboden. Deze zijn in aanvulling op de landelijke verboden. Zo zijn er al landelijke verboden om te parkeren waar een parkeerverbod geldt en om zonder geldige parkeervergunning te parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders (artikel 24, eerste lid, aanhef en onder g, van het RVV 1990). De verboden in dit artikel zijn nodig om de goede werking van het systeem te borgen, en spreken voor zich. Het betekent bijvoorbeeld dat er geen voorwerpen op parkeerplaatsen mogen staan of liggen, dat er geen fiets tegen een parkeerautomaat mag worden gezet en dat er geen zak overheen mag worden getrokken.
Hieronder, bij de strafbepaling van artikel 17, wordt ingegaan op de strafbaarstelling en de handhaving van de gemeentelijke verboden van de artikelen 14 en 15. Artikel 17 Strafbepaling Overtreding van de landelijke verboden is al strafbaar. Om de gemeentelijke verboden van artikel 14 en 15 (en die van eventuele nadere regels op basis van artikel 4, eerste lid) ook strafrechtelijk te kunnen handhaven, stelt dit artikel overtreding van ook die verboden strafbaar. Artikel 18 Onredelijke uitkomst van de regels: hardheidsclausule De hardheidsclausule is een regeling voor bijzondere gevallen waarin toepassing van de Parkeerverordening ernstige onbedoelde gevolgen heeft of kan hebben. Het college kan in deze omstandigheden afwijken van de regels. Bijvoorbeeld voor bewoners die vanwege een brand tijdelijk moeten verhuizen of bij de opvang van vluchtelingen. Door dit artikel kan het college beter inspelen op dit soort uitzonderlijke omstandigheden. De beoordeling of en hoe dit wordt gedaan is aan het college. Artikel 19 Oude regels en overgang naar nieuwe regels Dit artikel regelt de overgang van de oude naar de nieuwe Parkeerverordening. In het eerste lid is geregeld dat de oude parkeerverordening ook na intrekking nog blijft gelden voor gevallen waarop die verordening nog van toepassing is.
In het tweede lid is geregeld dat bestaande parkeervergunningen die zijn verleend met de oude parkeerverordening, ook onder de nieuwe Parkeerverordening parkeren blijven gelden, voor de periode waarvoor ze zijn verleend. Daarna geldt de nieuwe Parkeerverordening. Ook bij een verlenging van de vergunning. Verder geldt voor vergunningprocedures dat de nieuwe Parkeerverordening per de datum van kracht worden, ook wordt toegepast in lopende procedures. Dit gaat om gevallen waarin de aanvraag al daarvoor is gedaan, maar nog niet is beslist op de aanvraag. Dus als de aanvraag voor een parkeervergunning is ingediend op grond van de oude parkeerverordening, maar bij inwerkingtreding van de nieuwe parkeerverordening nog niet is beslist hierop, geldt de nieuwe parkeerverordening.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
10/11
Omdat dit de hoofdregel van het overgangsrecht is, hoeft dit niet apart in de verordening te worden geregeld. Uiteraard is de nieuwe Parkeerverordening ook van toepassing op nieuwe aanvragen.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
11/11
Model Raadsbesluit wijziging Algemene plaatselijke verordening inzake deelmobiliteit Leeswijzer modelbepalingen - [tijdstip] = door gemeente in te vullen, zie de citeertitel in artikel I. - [iets] = facultatief, zie artikel 2:13, zesde lid, in variant 2. Combinaties zijn ook mogelijk; bijvoorbeeld een bepaling die zowel facultatief is als invulling door gemeenten vraagt, zie artikel 2:13, tweede lid in variant 1. Ook wordt er gewerkt met twee varianten waaruit gekozen kan worden. Hierbij kan het voorkomen dat de ene variant uit meer artikelen of artikelleden bestaat dan de andere variant. Let op dat de nummering of lettering bij het niet overnemen van een facultatief artikel, lid, of onderdeel moet worden aangepast. Bij een opsomming wordt zo nodig achter het voorlaatste onderdeel “en” of “of” geplaatst en wordt het laatste onderdeel afgesloten met een “.” of een “,” als er nog een staarttekst volgt. Nadere uitleg is opgenomen in de implementatiehandleiding.
Besluit van de raad van de gemeente [naam gemeente] tot wijziging van de Algemene plaatselijke verordening [naam gemeente en eventueel jaartal] inzake deelmobiliteit (Deelmobiliteitsbepaling [naam gemeente en eventueel jaartal]) De raad van de gemeente [naam gemeente]; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van [datum en nummer]; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; gezien het advies van de [naam commissie]; besluit: Artikel I De [citeertitel Verordening Algemene plaatselijke verordening] wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 2:13 komt te luiden: Artikel 2:13 Vergunning deelmobiliteit Variant 1 – open vergunningsysteem 1. Het is verboden zonder vergunning van het college bedrijfsmatig of tegen betaling in welke vorm dan ook voertuigen op of aan de weg of op een andere openbare plaats beschikbaar te stellen voor gebruik in het verkeer, met uitzondering van voertuigen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik door een besloten kring van personen. [2. Een vergunning wordt verleend voor ten hoogste [aantal] jaar. [Het college kan besluiten de duur te verlengen met maximaal [aantal] jaar.]] 3. Het college kan ter bescherming van de in het vierde lid bedoelde belangen nadere regels stellen over: a. de aanvraag van de vergunning;
Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl | vng.nl
1/2
b. de activiteit, bedoeld in het eerste lid, waarbij deze regels mede een verbod op het verrichten van de activiteit kunnen inhouden voor daarbij aan te wijzen categorieën voertuigen, wegen, weggedeelten of gebieden. 4. Onverminderd het bepaalde artikel 1:8 kan het college de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren met het oog op[: a.] het voorkomen of beperken van overlast of hinder voor de omgeving[; of b. het behoud van of toekomstige uitbreiding van de parkeerruimte]. [5. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.] 6. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3, van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Variant 2 – schaars vergunningsysteem 1. Het is verboden zonder vergunning van het college bedrijfsmatig of tegen betaling in welke vorm dan ook voertuigen op of aan de weg of op een andere openbare plaats beschikbaar te stellen voor gebruik in het verkeer, met uitzondering van voertuigen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik door een besloten kring van personen. 2. Het college kan ter bescherming van de in het vierde lid bedoelde belangen nadere regels stellen over: a. de aanvraag van de vergunning; b.
de activiteit, bedoeld in het eerste lid, waarbij deze regels mede een verbod op het verrichten van de activiteit kunnen inhouden voor daarbij aan te wijzen categorieën voertuigen, wegen, weggedeelten of gebieden; c. het maximaal aantal vergunningen en kan daarbij onderscheid maken tussen de verschillende categorieën voertuigen. 3. Het college stelt bij gebruikmaking van de in het tweede lid, onder c, genoemde bevoegdheid nadere regels over de duur van de vergunning en over de procedure en wijze van vergunningverdeling. 4. Onverminderd het bepaalde artikel 1:8 kan het college de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren met het oog op[: a.] het voorkomen of beperken van overlast of hinder voor de omgeving[; of b. het behoud van of toekomstige uitbreiding van de parkeerruimte]. 5. Het college weigert de vergunning als een door het college vastgesteld maximaal aantal te verlenen vergunningen wordt overschreden. [6. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.] 7. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel II Dit besluit treedt in werking op [datum]. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van [datum]. De voorzitter, De griffier,
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2/2
Modelbepalingen Deelmobiliteit voor Model APV (nieuw model) Leeswijzer modelbepalingen - […] [... (bijvoorbeeld [tijdstip])] = door gemeente in te vullen. - [iets OF iets] = door gemeente te kiezen. - [iets] = facultatief. - [(iets)] = een voorbeeld ter illustratie of uitleg voor gemeente. Combinaties zijn ook mogelijk; bijvoorbeeld een bepaling die zowel facultatief is als een keuzemogelijkheid inhoudt. Ook wordt er gewerkt met varianten waaruit gekozen kan worden. Hierbij kan het voorkomen dat de ene variant uit meer artikelen of artikelleden bestaat dan een andere variant. Let op dat de nummering of lettering bij het niet overnemen van een facultatief artikel, lid, of onderdeel moet worden aangepast. Bij een opsomming wordt zo nodig achter het voorlaatste onderdeel “en” of “of” geplaatst en wordt het laatste onderdeel afgesloten met een “.” of een “,” als er nog een staarttekst volgt. Nadere uitleg is opgenomen in de implementatiehandleiding. Artikel 2:13 Vergunning deelmobiliteit Variant 1 – open vergunningsysteem 1. Het is verboden zonder vergunning van het college bedrijfsmatig of tegen betaling in welke vorm dan ook voertuigen op of aan de weg of op een andere openbare plaats beschikbaar te stellen voor gebruik in het verkeer, met uitzondering van voertuigen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik door een besloten kring van personen. [2.
Een vergunning wordt verleend voor ten hoogste [aantal] jaar. [Het college kan besluiten de duur te verlengen met maximaal [aantal] jaar.]] 3. Het college kan ter bescherming van de in het vierde lid bedoelde belangen nadere regels stellen over: a. de aanvraag van de vergunning; b. de activiteit, bedoeld in het eerste lid, waarbij deze regels mede een verbod op het verrichten van de activiteit kunnen inhouden voor daarbij aan te wijzen categorieën voertuigen, wegen, weggedeelten of gebieden. 4. Onverminderd het bepaalde artikel 1:8 kan het college de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren met het oog op[: a.] het voorkomen of beperken van overlast of hinder voor de omgeving[; of b. het behoud van of toekomstige uitbreiding van de parkeerruimte]. [5. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.] 6. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3, van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Variant 2 – schaars vergunningsysteem 1. Het is verboden zonder vergunning van het college bedrijfsmatig of tegen betaling in welke vorm dan ook voertuigen op of aan de weg of op een andere openbare plaats beschikbaar te stellen voor gebruik in het verkeer, met uitzondering van voertuigen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik door een besloten kring van personen. 2.
Het college kan ter bescherming van de in het vierde lid bedoelde belangen nadere regels stellen over:
Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl | vng.nl
1/5
a. de aanvraag van de vergunning; b. de activiteit, bedoeld in het eerste lid, waarbij deze regels mede een verbod op het verrichten van de activiteit kunnen inhouden voor daarbij aan te wijzen categorieën voertuigen, wegen, weggedeelten of gebieden; c. het maximaal aantal vergunningen en kan daarbij onderscheid maken tussen de verschillende categorieën voertuigen. 3. Het college stelt bij gebruikmaking van de in het tweede lid, onder c, genoemde bevoegdheid nadere regels over de duur van de vergunning en over de procedure en wijze van vergunningverdeling. 4. Onverminderd het bepaalde artikel 1:8 kan het college de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren met het oog op[: a.] het voorkomen of beperken van overlast of hinder voor de omgeving[; of b. het behoud van of toekomstige uitbreiding van de parkeerruimte]. 5. Het college weigert de vergunning als een door het college vastgesteld maximaal aantal te verlenen vergunningen wordt overschreden. [6. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.] 7. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting Algemeen Aanbieders die deelvoertuigen op de weg of in parken plaatsen maken daarbij gebruik van de openbare weg of andere openbare plaatsen. Denk hierbij aan (bak)fietsen, scooters en auto’s. Deze voertuigen worden vervolgens beschikbaar gesteld voor gebruik in het verkeer. Deze vorm van vervoer wordt ook wel deelmobiliteit genoemd. Het gebruik van de openbare weg en andere openbare plaatsen door dit soort voertuigen kan leiden tot een onevenwichtig gebruik van de openbare ruimte en een rommelig aanblik waardoor het aanzien van de openbare ruimte wordt aangetast. Om deze risico’s te voorkomen dan wel te beperken, wordt deelmobiliteit in artikel 2:13 gereguleerd. Het is verboden om zonder vergunning van het college deelvoertuigen op of aan de weg en op andere openbare plaatsen beschikbaar te stellen voor gebruik in het verkeer. Artikelsgewijze toelichting Variant 1 – open vergunningsysteem Eerste lid Op grond van het eerste lid kan het college een vergunning verlenen voor het bedrijfsmatig of tegen betaling in welke vorm dan ook beschikbaar stellen van voertuigen voor gebruik in het verkeer. De zinsnede ‘bedrijfsmatig of tegen betaling in welke vorm dan ook’ in dit lid heeft gevolgen voor de reikwijdte van de vergunningplicht.
Het betekent dat de vergunningplicht is gericht op de activiteit van het beschikbaar stellen van voertuigen op of aan de weg of op een andere openbare plaats die in uitoefening van beroep of bedrijf gebeurt of tegen betaling plaatsvindt. De zinsnede ‘met uitzondering van voertuigen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik door een besloten kring van personen’ bepaalt verder ook de reikwijdte van de vergunningplicht. Hierdoor zijn bijvoorbeeld coöperatieve vormen van deelmobiliteit uitgesloten van het verbod, omdat bij die
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2/5
vormen sprake is van het delen van voertuigen in een besloten kring van personen. Deze coöperatieve vormen van deelmobiliteit veroorzaken over het algemeen geen overlast, aangezien de besloten kring van personen hier zelf zorg voor draagt. Het gaat om initiatieven door en voor lokale bewoners. Daarnaast gaat dit tot nu toe in alle gevallen over het delen van een auto’s die worden geparkeerd op parkeerplaatsen en niet op willekeurige plaatsen in de openbare ruimte. Dergelijke initiatieven wil de gemeente steunen en niet belasten met een vergunningplicht. Aan de vergunning deelmobiliteit kunnen voorschriften worden verbonden op grond van artikel 1:4. Voorschriften die onderdeel zijn van de vergunning kunnen bijvoorbeeld zien op: • de beschikbaarheid van voertuigen; • de communicatie die de vergunninghouder heeft met de gebruiker; • verplaatsing en verwijdering van geparkeerde voertuigen; of • eisen met betrekking tot de voertuigen vanuit milieu-overwegingen. Verder gelden uiteraard de reguliere verkeers- en parkeerregels ook voor deelmobiliteit. [Tweede lid In beginsel worden vergunningen in een open vergunningstelsel voor onbepaalde tijd verleend (artikel 1:7, eerste lid). Echter, dit vergunningstelsel reguleert bijzonder gebruik van de openbare weg en andere openbare plaatsen.
De bescherming van de openbaarheid van de weg en deze plaatsen heeft voorrang op particuliere exploitatie van de weg en deze plaatsen, mede om het veilig en doelmatig gebruik voor het verkeer te kunnen waarborgen. Zodat het belang van de openbare bestemming niet ondergeschikt raakt aan de vergunde activiteit, in dit geval het aanbieden van deelvervoer, wordt de vergunning voor het aanbieden van deelvervoer beperkt tot [aantal] jaar. Op grond van het tweede lid kan het college besluiten de vergunning voor [aantal] jaar te verlengen.] Derde lid In dit lid is bepaald waar het college nadere regels over kan stellen als zij dat noodzakelijk acht ter bescherming van de in het vierde lid bedoelde belangen. In onderdeel b is de mogelijkheid opgenomen dat het college het plaatsen van aangewezen categorieën deelvoertuigen geheel verbiedt, of het plaatsen van deze voertuigen verbiedt in bepaalde aangewezen gebieden. Vierde lid Voor het beslissen op de aanvraag geldt de beslistermijn zoals die door de gemeente is vastgesteld in artikel 1:2. Het college kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren met inachtneming van bepaalde belangen die in deze bepaling zijn benoemd.
Zesde lid Vanwege het met het vergunningstelsel te beschermen belang van de openbare orde en de bruikbaarheid van de weg en andere openbare plaatsen is de lex silencio, in afwijking van artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet, niet van toepassing op dit vergunningstelsel. Het belang van een expliciete afweging en zorgvuldige vergunningverlening wordt hier van groter belang geacht dan het belang van aanbieders om snel en mogelijk van rechtswege een vergunning te kunnen verkrijgen.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
3/5
Variant 2 – schaars vergunningsysteem Eerste lid Op grond van het eerste lid kan het college een vergunning verlenen voor het bedrijfsmatig of tegen betaling in welke vorm dan ook beschikbaar stellen van voertuigen voor gebruik in het verkeer. De zinsnede ‘bedrijfsmatig of tegen betaling in welke vorm dan ook’ in dit lid heeft gevolgen voor de reikwijdte van de vergunningplicht. Het betekent dat de vergunningplicht is gericht op de activiteit van het beschikbaar stellen van voertuigen op of aan de weg of op een andere openbare plaats die in uitoefening van beroep of bedrijf gebeurt of tegen betaling plaatsvindt. De zinsnede ‘met uitzondering van voertuigen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik door een besloten kring van personen’ bepaalt verder ook de reikwijdte van de vergunningplicht. Hierdoor zijn bijvoorbeeld coöperatieve vormen van deelmobiliteit uitgesloten van het verbod, omdat bij die vormen sprake is van het delen van voertuigen in een besloten kring van personen. Deze coöperatieve vormen van deelmobiliteit veroorzaken over het algemeen geen overlast, aangezien de besloten kring van personen hier zelf zorg voor draagt. Het gaat om initiatieven door en voor lokale bewoners. Daarnaast gaat dit tot nu toe in alle gevallen over het delen van een auto’s die worden geparkeerd op parkeerplaatsen en niet op willekeurige plaatsen in de openbare ruimte.
Dergelijke initiatieven wil de gemeente steunen en niet belasten met een vergunningplicht. Aan de vergunning deelmobiliteit kunnen voorschriften worden verbonden op grond van artikel 1:4. Voorschriften die onderdeel zijn van de vergunning kunnen bijvoorbeeld zien op: • de beschikbaarheid van voertuigen; • de communicatie die de vergunninghouder heeft met de gebruiker; • verplaatsing en verwijdering van geparkeerde voertuigen; of • eisen met betrekking tot de voertuigen vanuit milieu-overwegingen. Verder gelden uiteraard de reguliere verkeers- en parkeerregels ook voor deelmobiliteit. Tweede lid In dit lid is bepaald waar het college nadere regels over kan stellen als zij dat noodzakelijk acht ter bescherming van de in het vierde lid bedoelde belangen. In onderdeel b is de mogelijkheid opgenomen dat het college het plaatsen van aangewezen categorieën deelvoertuigen geheel verbiedt, of het plaatsen van deze voertuigen verbiedt in bepaalde aangewezen gebieden. Op grond van onderdeel c heeft het college de bevoegdheid om grenzen te stellen aan het aantal vergunningen dat maximaal wordt verleend door een vergunningplafond vast te stellen. Derde lid In het tweede lid is bepaald waar het college nadere regels over kan stellen. In onderdeel c is de mogelijkheid opgenomen dat het college het aantal vergunningen voor het plaatsen van aangewezen categorieën deelvoertuigen maximeert.
Als een vergunningplafond is vastgesteld wordt in deze nadere regels opgenomen wat de looptijd van de vergunning is, met inachtneming van een redelijke terugverdientijd, en op welke wijze de vergunningen (transparant) worden verdeeld. Als de vergunning niet voor onbepaalde tijd kan worden verleend moet er een selectie-
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
4/5
en vergunningprocedure worden vastgesteld die aan bepaalde voorwaarden moet voldoen. Zie hiervoor verder de toelichting op artikel 1:7. Vierde en vijfde lid Voor het beslissen op de aanvraag geldt de beslistermijn zoals die door de gemeente is vastgesteld in artikel 1:2. Het college kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren met inachtneming van bepaalde belangen. Daarnaast weigert het college een vergunning als het vergunningplafond is bereikt. Zevende lid Vanwege het met het vergunningstelsel te beschermen belang van de openbare orde en de bruikbaarheid van de weg en andere openbare plaatsen is de lex silencio, in afwijking van artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet, niet van toepassing op dit vergunningstelsel. Het belang van een expliciete afweging en zorgvuldige vergunningverlening wordt hier van groter belang geacht dan het belang van aanbieders om snel en mogelijk van rechtswege een vergunning te kunnen verkrijgen. Omdat het aantal vergunningen beperkt is moet bovendien de verdelingssystematiek worden gevolgd, zodat aanbieders weten waar zij aan toe zijn en er niet buiten deze systematiek om vergunningen kunnen worden verleend.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
5/5