6. Inwoner - Juridische visie op het nieuwe standplaatsenbeleid
Tekst van het document
od
Outlook
Juridische visie op het nieuwe
standplaatsenbeleid
(geanonimiseerd) Datum
Di 18-11-2025
Aan
Griffie Gemeente
Let op:
Deze
bestand
opent.
Geachte
22:45
Vught <griffie@vught.nl>
mail komt
van
buiten
onze
organisatie. Help
mee
om
onze
organisatie veilig te houden
en
denk
na
voordat
je op
een
link klikt of
een
bijgevoegd
heer/mevrouw,
Ik schrijf deze e-mail op strikt persoonlijke titel en daarom verstuur ik deze vanuit mijn persoonlijke e-mailadres. Volledigheidshalve deel ik op voorhand mee dat ik op bestuursrechtelijk gebied zeker geen superspecialist ben (en dus op dat gebied zeker geen chirurg ben maar wel een
huisarts). Uiteraard heb ik, als geboren
getogen Vughtenaar (en als ondernemer in het centrum), de ontwikkelingen rond de standplaatsvergunningen met interesse gevolgd. Gelukkig is er, door de verlening van de vergunningen voor het jaar 2026, nog een jaar om goed over het nieuwe beleid na te en
denken. Hoewel
u
wellicht al
overspoeld zult zijn door de vele reacties, wil ik als jurist kort het volgende aanvullen op de al gaande maatschappelijke
discussie.
Dienstenrichtlijn In het nieuwe
standplaatsenbeleid wordt op zich terecht de toepasselijkheid van Richtlijn 2006/123/EG (hierna de Dienstenrichtlijn) benoemd, omdat deze inderdaad van toepassing is. Ik mis echter ten aanzien van de eis van een complementair aanbod in de zin van artikel 3.3 van de beleidsregel (juncto artikel 1 aanhef en sub p) de behandeling van, of toetsing aan, artikel 14 van die Dienstenrichtlijn. Artikel 14 “De
van
de
Dienstenrichtlijn luidt, voor zover hier van belang, namelijk als volgt (zie de aanhef van artikel
lidstaten stellen de toegang tot of de uitoefening van toepassing per geval van economische criteria, waarbij de
14
en
sub 5):
dienstenactiviteit op hun grondgebied niet afhankelijk van verlening van de vergunning afhankelijk wordt gesteld van het een
[…]
de
bewijs dat er
economische behoefte of marktvraag bestaat , van een beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van de activiteit of van een beoordeling van de geschiktheid van de activiteit in relatie tot de door de bevoegde instantie vastgestelde doelen van economische planning; dit verbod heeft geen betrekking op planningseisen waarmee geen economische doelen worden nagestreefd , maar die voortkomen uit dwingende redenen van algemeen belang. " een
Gezien deze verbodsbepaling is het nieuwe beleid niet rechtmatig , nu het beleid precies doet wat de richtlijn verbiedt , namelijk de vergunning (volledig) afhankelijk maken van economische criteria (vereiste van complementair aanbod ten aanzien van bestaande winkels) die ter zake de locatie van toepassing zijn. .
Uit bijvoorbeeld de uitspraken van de hoogste Nederlandse bestuursrechter met kenmerk Raad van State 24 maart 2021 , ECLI:NL:RVS:2021:641 (zie rechtsoverweging 10) , met kenmerk Raad van State 2 februari 2022 , ECLI:NL:RVS:2022:326 (zie rechtsoverweging 19) , en met kenmerk Raad van State 27 maart 2019 , ECLI:NL:RVS:2019:964 (zie rechtsoverweging 6) blijkt (al dan niet impliciet) de vrij evidente strijdigheid van het Vughtse beleid met artikel 14 (aanhef en sub 5) van de Dienstenrichtlijn overigens ook. Ik merk op dat de eis van een complementair aanbod soms gesteld kan worden , te weten bij activiteiten die niet onder de Dienstenrichtlijn vallen (denk aan detailhandel en supermarkten). Omdat de activiteiten van de kramen wél onder de Dienstenrichtlijn vallen , geldt echter onverkort het verbod van artikel 14 aanhef en sub 5 van de Dienstenrichtlijn.
Ik wijs ook nog op sub 6 van het al genoemde artikel 14 van de Dienstenrichtlijn , dat (weer in combinatie met de aanhef) als verbod stelt:: " [...] de directe of indirecte betrokkenheid van concurrerende marktdeelnemers , ook binnen raadgevende organen , bij de verlening van vergunningen of bij andere besluiten van de bevoegde instanties , met uitzondering van beroepsorden en van beroepsverenigingen of andere organisaties die in de hoedanigheid van bevoegde instantie optreden; " In het onderhavige geval lijkt me , mede gezien bepaalde uitlatingen in de media , ook sprake te kunnen zijn van overtreding van dit verbod (zie voor de definitie van " bevoegde instantie " artikel 4 aanhef en sub 9 van de Dienstenrichtlijn). Wat van dit laatste formele probleem ook zij , materieel is het beleid naar mijn opvatting zonder meer strijdig met de Dienstenrichtlijn. De strijdigheid is zo evident , dat we als Vughtse gemeenschap in een rechtszaak waarschijnlijk voor paal komen te staan wanneer een van de standplaatshouders (of
toekomstige andere ondernemer die standplaatshouder wil worden) voor zijn/haar rechten als standplaatshouder opkomt , ook bij 'slechts' een verplichte verplaatsing naar het Moleneindplein of elders buiten het centrum. een
Oneerlijke concurrentie? Hoewel ik de 'common sense' gedachtegang ter zake de gestelde oneerlijke concurrentie begrijp , is naar mijn opvatting geen sprake van oneerlijke concurrentie , zodat in zoverre het beleid ook niet redelijk of evenredig in de zin van artikel 3:4 Awb te noemen is.
Er is namelijk gewoon sprake van vrije toetreding tot de markt. Net zoals een ieder in Vught een cafetaria in het centrum kan beginnen als degene denkt het beter te kunnen doen dan (bijvoorbeeld) Van Berkel of Bienvenue , zo kan een ieder vrijelijk kiezen om een winkel te beginnen of een kraam (als iemand de perceptie heeft dat daarmee meer winst behaald gaat worden doordat geen winkelpand gehuurd hoeft te worden). Dat " we " als gemeente de winkelpanden graag gevuld zien , doet aan deze vrije marktwerking in het geheel niet af.
Als in een economie met vrije toetreding zogenaamde overwinsten zouden kunnen worden behaald door een onderneming te drijven via een kraam (omdat geen huur betaald hoeft te worden) in plaats van via een winkel (met betaling van huur) , dan treden simpelweg meer ondernemers tot die eerste groep toe , waardoor er meer kraameigenaren tot de markt toetreden en de winstmarge van kraameigenaren daalt , terwijl die van winkels stijgt (en de huurprijzen van winkels ook dalen omdat meer ondernemers een onderneming via een kraam zullen starten) , totdat er weer evenwicht op de vrije markt is. Ingrijpen in die vrije markt is niet zinvol , want zou inherent leiden tot een inefficiënt (in de zin van Pareto-efficiëntie) marktevenwicht. De vrije markt komt zelf , dus zonder overheidsingrijpen , tot een evenwicht en in dat evenwicht zitten we nu. In een vrije markt kunnen in zoverre alleen overwinsten worden behaald wanneer iemand echt iets beter doet dan de concurrentie en waarvoor mensen dus echt " om " rijden (zoals ze bijvoorbeeld voor De Rouw plegen te doen) en niet door in essentie hetzelfde te doen als andere marktdeelnemers (waarop zich niets mis mee is).
Via min of meer generieke verkoop van goederen of diensten vallen overwinsten (behalve op korte termijn) niet te behalen (vanwege de vrije markttoetreding) en daarom zien we kraameigenaren in Nederland niet overal in Ferrari's rondrijden (wat eigenlijk wel zou moeten als er daadwerkelijk sprake zijn van inherent oneerlijke concurrentie doordat de kraameigenaren zich de huurpenningen
kunnen besparen). Ook anderszins is de concurrentie in het centrum niet oneerlijk te noemen door het niet betalen van huur. Stel dat morgen iemand , bijvoorbeeld door een erfenis of door het winnen van de loterij , een pand in het centrum kan kopen en dus een vis- of kaaswinkel kan beginnen , zonder huur te hoeven betalen. Zou dit dan actie vanuit de gemeente rechtvaardigen om de andere ondernemers in het centrum , die huren , te beschermen tegen deze 'oneerlijke concurrentie' , of moeten we dan ook niet gewoon blij zijn met deze " extra " concurrentie? Ook bijvoorbeeld Marinus Mode zal last hebben van de online verkoop van kleding door bedrijven die geen huur van winkelruimte hoeven te betalen.
Is dat dan ook oneerlijke concurrentie , zodat beschermend optreden van de gemeente Vught gerechtvaardigd zou zijn? En kunnen Vughtse ondernemers met relatief oudere werknemers zich tot de gemeente wenden wanneer zij 'oneerlijke concurrentie' ervaren van een ondernemer die voornamelijk jeugdlonen hoeft uit te keren aan zijn/haar jongere werknemers? Tot slot in deze context , heffen we (vermeend) oneerlijke concurrentie ook niet op en " maken " we deze niet eerlijk , door in een markt met twee handelaren één handelaar te laten verhuizen , waardoor een geografisch relatief monopolie zou ontstaan (waarvan naar ik aanneem niet uitgelegd hoeft te worden waarom dit economisch gezien onwenselijk is). De oplossing zou er dan eerder in moeten bestaan om het vermeend oneerlijke deel van de concurrentie weg te nemen (bijvoorbeeld door een vermeend marktconforme huurprijs voor de gebruikte grond te vragen) om daarna weer 'harde' concurrentie tussen de ondernemers toe te staan.
Iot slot Ik hoef of verwacht geen reactie op deze
zijn. Met
vriendelijke groet,
(geanonimiseerd) Advocaat
bij de Hoge Raad
bijdrage. Uiteraard ben ik wel bereid
een
en
ander nader toe te lichten indien daar
enige behoefte
aan
zou