CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

23. Raadsinformatiebrief Nota Biodiversiteit Vught 2025-2033

Raadsvergadering 5 maart 2026, gemeente VughtBij agendapunt: Categorie I-B Schriftelijke mededelingen van college of griffie20.061 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Daarnaast zetten we in op versterking van de NNN/NNB, ecologische verbindingszones (EVZ) en gebiedsspecifieke soorten die in onze gemeente voorkomen. Ook bij het werken met doelsoorten blijft het belangrijk om maatwerk te leveren per plan en/of gebied. De doelsoorten zijn een gids, maar bij een plan of ontwikkeling zal nog steeds ook onderzoek gedaan moeten worden naar de overige aanwezige soorten en mogelijkheden voor biodiversiteitsverbetering.

Disclaimer Basiskwaliteit Natuur geldt niet voor natuurgebieden die afgesloten zijn voor andere functies - zoals recreatie - en die volledig gericht zijn op natuurbeheer.

5.2 BESCHRIJVING DOELSOORTEN Gemeente Vught zet in op Basiskwaliteit Natuur voor algemene soorten plus extra maatregelen voor bijzondere (specifieke) soorten. Daarvoor zijn doelsoorten vastgesteld per landschapstype, inclusief de bebouwde kommen. Voor deze doelsoorten gaan we meten in hoeverre zij al voorkomen in de verschillende gebieden en wat zij nodig hebben om te floreren. Wanneer we weten wat we hebben en wat we missen passen we het leefgebied (habitat) waar nodig aan, zodat de doelsoorten kunnen verblijven, voedsel vinden en zich voortplanten. Het aanpassen van het habitat betreft (her)inrichting en/of beheer, zoals het behouden en toevoegen van kleine landschapselementen (b.v. bosjes, poelen, houtwallen) of van voorzieningen aan gebouwen (b.v. nestkastjes). Deze concrete informatie kan worden gebruikt voor de verdere uitwerking van de maatregelen in het uitvoeringsprogramma uit hoofdstuk 6. De doelsoorten voor gemeente Vught zijn vastgesteld door een ecoloog op basis van de landschapstypes en soorten die in de gemeente voorkomen. Ze zijn kenmerkend voor de ecologische basiskwaliteit van het landschapstype. Daarbij hebben plaatselijke natuurorganisaties, de Federatie Particulier Grondbezit en

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

24

twee waterschappen input gegeven voor het maken van passende keuzes. Per doelsoort is een compacte toelichting over de soort opgenomen, waaronder welke inrichting en/of beheer van hun habitat nodig is. De doelsoorten per landschapstype zijn samengesteld met de volgende randvoorwaarden: 1. Een afwisseling in types, zoals bomen, struiken, kruiden, vogels, insecten, amfibieën en zoogdieren. 2. Een afwisseling tussen soorten die hoog en laag in de voedselketen staan. 3. Paraplusoorten; dit zijn soorten die eisen stellen aan de biotoop waar andere soorten ook baat bij hebben. 4. Ambassadeurssoorten, dat wil zeggen dat ze aansprekend zijn voor een breed publiek. 5. Minimaal één soort komt uit de lijst Basiskwaliteit Natuur (BKN). 6. Bij voorkeur één soort komt voor op de Rode Lijst 8. De algemene doelsoorten die gekozen zijn voor de landschapstypes in gemeente Vught vormen een uitgebalanceerde mix. Zo zijn er bijvoorbeeld soorten voor de bodem bepaald, zoals de gewone regenworm of het boerenknoopje (slakkensoort). Bloeiende planten met bestuivende bijen en vlinders vormen een volgende laag. Tevens zijn er soorten opgenomen die afhankelijk zijn van verschillende habitatten, bijvoorbeeld bosjes, poelen, gebouwen en tuinen, zoals vogels en de kleine watersalamander.

Al deze soorten samen vertegenwoordigen de verschillende lagen in het ecosysteem en vragen een bepaalde inrichting en beheer van hun leefgebied. Door hier invulling aan te geven wordt gebouwd aan het herstel van de biodiversiteit in gemeente Vught. Naast alle basissoorten wordt ieder landschapstype ook gerepresenteerd door een specifieke doelsoort. Dit is een soort die hogere eisen stelt aan zijn omgeving dan de algemene soorten. De specifieke doelsoorten staan voor een ambitieus doel en voor deze soorten worden gerichte maatregelen genomen, waar ook de andere, algemenere soorten op mee kunnen liften. In sommige gevallen is juist gekozen voor een specifieke soort, omdat die een goede gids is voor een stukje ecosysteem dat vaak onderbelicht blijft, zoals oude bomen (steenuil) of een beek (weidebeekjuffer). Binnen de specifieke soorten is gekozen voor een gebalanceerde mix tussen zoogdieren, vogels, insecten, planten en amfibieën om zo de rijke variatie van het planten- en dierenrijk binnen Vught te representeren.

5.2.1

BEBOUWDE KOM

De bebouwde kom kenmerkt zich in de eerste plaats door de bebouwing en de verstening (straten en pleinen). Verder vinden we er (openbaar) groen en blauw in de vorm van parken, waterpartijen, plantsoenen, groenstroken, lanen en landgoederen. En privaat groen in grote en kleine privétuinen. Al deze grote en kleine leefgebieden bieden kansen voor bepaalde doelsoorten.

8

Een Rode lijst is een overzicht van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Dit wordt bepaald op basis van zeldzaamheid en/of negatieve trend. De lijsten worden periodiek vastgesteld door het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Het ministerie bevordert onderzoek en werkzaamheden nodig voor bescherming en beheer. Rode lijsten hebben geen juridische status.

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

25

Kleine watersalamander - Lissotriton vulgaris – Specifieke doelsoort Habitat:

binnen bebouwd gebied voornamelijk tuinvijvers, sloten, parkvijvers en groenstructuren.

Voedsel:

watervlooien, roeipootkreeftjes en dansmuglarven.

Status:

BKN

(bron: www.animalia.bio)

Het geschikte leefgebied van de kleine watersalamander bestaat uit zowel land- als waterbiotoop. Stapstenen voor deze soort voor verspreiding zijn belangrijk. De inrichting van geschikt leefgebied voor deze soort is ook waardevol voor vele andere (basiskwaliteit natuur) soorten. Randvoorwaarden: Kleine watertjes die regelmatig in de zon staan en met onderwatervegetatie begroeid zijn, daar kun je de kleine watersalamander vinden. Snelstromend water is ongeschikt, de soort leeft in stilstaand of langzaam stromend water. Het liefst komt deze soort voor in begroeide maar open gebieden. Wat helpt qua inrichting en beheer: • Richt kleine zonnige wateren met ondiepe delen in met onderwatervegetatie. Snelstromend water is ongeschikt. • Oevers mogen niet te steil zijn, bij voorkeur delen met kleine schuine helling. • Op land moeten voldoende schuilgelegenheden zijn, zoals strooisellagen of houtstammen. • Zie voor meer informatie: Ravon.nl Kleine watersalamander en Maatregelen voor een groene en klimaatbestendige tuin | Kant

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

26

Gehoornde metselbij - Osmia cornuta Habitat:

stedelijke omgeving, tuinen, parken en natuurgebieden.

Nestplaats:

in holle stengels, gaten in boomstammen en bijenhotels.

Voedsel:

hoofdzakelijk nectar en stuifmeel van soorten die vroeg in het voorjaar bloeien waaronder fruitbloesems (onder andere appel, peer en kers).

Vliegtijd:

februari tot en met april

Status:

BKN

(bron: www.commons.wikimedia.org)

De gehoornde metselbij vliegt vroeg in het jaar op de eerste bloeiende bomen en struiken en weet de meeste insectenhotels snel te vinden. Hier vliegen ze dan met grote aantallen af en aan. Randvoorwaarden: De Gehoornde metselbij is voor haar voedsel niet kieskeurig, ze zoekt stuifmeel op veel verschillende planten die in het vroege voorjaar bloeien en ook fruitbomen zijn erg geliefd. Wel is het zo dat als één soort plant uitbundig bloeit deze bijen er de voorkeur aan geven om alleen deze plant te bezoeken. Daarom zijn Gehoornde metselbijen efficiënte bestuivers van o.a. fruitbomen. Daarnaast hebben deze bijen ruimte voor hun nesten nodig, bij voorkeur in buisvormige elementen zoals rietstengels of gaten in boomstammen. De soort gebruikt zand, leem of klei om de nestgangen te dichten. Wat helpt qua inrichting en beheer: • Zorg voor holle plantenstengels en behoud boomstammen met gaten. • Plaats insectenhotels of leemwanden met gaten van 7-9 mm en een lengte tussen de 8 en 20cm. • Zorg in de periode februari tot mei voor genoeg stuifmeel in de omgeving van het insectenhotel. Daarbij zijn fruitbloesems (o.a. appel, peer en kers) zeer geliefd maar ook bloeiende planten. • Bied nestmateriaal aan zoals zand, leem en klei. • Vermijd het gebruik van ieder soort bestrijdingsmiddel.

• Zie voor meer informatie: bijenstichting.nl Gehoornde metselbij en Maatregelen voor een groene en klimaatbestendige tuin | Kant

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

27

Egel - Erinaceus europaeus Habitat:

tuinen, bosranden, struweel/struiken en bos, maakt gebruik van egelhuisjes.

Actieve periode:

april tot en met december. Overwintert in nesten van bladeren, gebruikt hiervoor ook egelhuisjes.

Voedsel:

insecten en andere ongewervelden

Status:

BKN

(bron: www.egelbescherming.nl)

De egel kent iedereen, maar is een soort die al jaren in aantallen achteruitgaat. Bij deze soort kunnen ook burgers betrokken worden, bijvoorbeeld bij de inrichting van hun tuin of het aanbieden van egelhuisjes. Randvoorwaarden: Bosjes of struwelen met veel kruiden en ruigtes zijn voor de egel ideaal. Verder hebben ze veel insecten nodig als voedselbron, waarvoor ze flinke afstanden afleggen. Ze weten vaak composthopen te vinden als voedselrijke plek. Als nestmateriaal gebruikt de egel bladeren, daarom zijn bladerhopen ook gewenst. Wat helpt qua inrichting en beheer: • Behoud struiken en bosjes in de bebouwde kom of leg deze aan waar deze onvoldoende aanwezig zijn. • Verbindt tuinen door de barrières zoals schuttingen te doorbreken. Dit kan door de schuttingen hoog genoeg te hangen, te voorzien van egelpoorten of zelf kleine poorten uit te zagen. • Houd rommelhoekjes in de tuin met veel begroeiing en bladafval. • Plaats egelkasten in de tuin. • Zie voor meer informatie: www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/egel en Maatregelen voor een groene en klimaatbestendige tuin | Kant

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

28

Huismus - Passer domesticus Verblijftijd:

jaarrond, gebruiken hun nestplaatsen ook om te schuilen in de winter.

Nestplaats:

holtes en spleten in gebouwen, maakt ook gebruik van nestkasten en -stenen.

Voedsel:

zaden, insecten, bloemknoppen en bessen.

Status:

BKN, Rode Lijst (gevoelig), jaarrond beschermd (cat. 1 tot en met 4)

(bron: www.commons.wikimedia.org)

De huismus heeft zijn naam niet voor niets en nestelt dan ook graag onder de dakpannen van huizen. Echter stelt deze soort wel veel eisen aan zijn directe omgeving. Hagen, struiken, bloemzaden en wateren stofbaden dienen aanwezig te zijn om een kolonie huismussen te kunnen huisvesten. Randvoorwaarden: Huismussen hebben voedselbronnen nodig in de vorm van insecten, planten met bloemknoppen, bessen en zaden. Hagen, struiken, bloemzaden en water- en stofbaden dienen aanwezig te zijn om een kolonie huismussen te kunnen huisvesten. Wat helpt qua inrichting en beheer: • Behoud vegetatie zoals struwelen, hagen en gevelbeplanting die voor huismussen fungeren als slaapplek en rustplaats, of plant deze aan. • Leg een vierkante meter onbegroeid zand aan, om een stofbad mogelijk te maken. • Zet een vogelbadje (ondiepe brede schaal) met water neer. Denk aan veiligheid ten opzichte van katten. • Houd bij de bouw en renovatie van daken rekening met huismussen en hun nesten. • Plaats nestkasten en/of mussendakpannen, speciaal ontworpen voor de huismus. • Zie voor meer informatie: Huismus | Vogelbescherming en Maatregelen voor een groene en klimaatbestendige tuin | Kant.

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

29

5.2.2

BEDRIJVENTERREINEN

Bedrijventerreinen zijn meestal versteende gebieden waar overdag veel bedrijvigheid heerst, maar ’s nachts juist veel rust. Voor soorten die gedijen in een stenige omgeving met wat groen, is een bedrijventerrein een interessant leefgebied.

Gewone dwergvleermuis - Pipistrellus pipistrellus – Specifieke doelsoort Verblijfplaats:

spouwmuur, ruimte achter de dakgoot, dakpannen en spouw

Biotoop:

bebouwd gebied met groenelementen, tuinen, parken, kanalen, langs bosranden, bomenrijen/lanen en houtwallen

Voedsel:

muggen, schietmotten, nachtvlinders, kevers, haften en gaasvliegen

Status:

BKN

(bron: www.commons.wikimedia.org

De gewone dwergvleermuis is de meest voorkomende vleermuissoort in Nederland. Hij staat hoog in de voedselketen en kan tot wel drieduizend muggen per dag eten. Het vóórkomen van veel vleermuizen is dan ook een teken van een goed ecosysteem. Randvoorwaarden: De soort leeft vooral in gebouwen, ook in nieuwbouw. Ze hebben plekken nodig voor kraamkolonies en als overwinteringsplek. Deze vinden ze vaak in spleten en gaten in gebouwen. Aangezien ze veel insecten eten is een insectenrijke omgeving een voorwaarde Wat helpt qua inrichting en beheer: • Richt kruidenrijke groenstroken in en plant bomen en struiken als onderdeel van het voedselgebied en beheer deze ecologisch. • Behoud of creëer waterpartijen (b.v. waterbergingen, bluswater, helofytenfilters) waar ze kunnen drinken en eten. • Pas groene daken en/of gevels toe. • Hang vleermuiskasten aan de gevel (bij bestaande bouw) of gebruik vleermuisstenen in de muren (bij nieuwbouw/renovatie). • Voorkom verlichting van buitenterreinen/tuinen. Wanneer buitenverlichting noodzakelijk is, laat deze dan op een sensor werken of gebruik vleermuisvriendelijke “amber”-kleurige verlichting. • Bekijk voor meer informatie/mogelijkheden de factsheet Vleermuizen Bedrijventerreinen www.zoogdiervereniging.nl/winkel/factsheets/factsheet-bedrijventerreinen.

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

30

Klimop – Hedera helix Habitat:

van schaduw tot in de volle zon, groeit tegen muren en in houtkanten en bomen.

Bloeitijd:

september - november

Levensduur:

meerjarig

Status:

BKN

(bron: www.bijenblog.nl)

De klimop is een groenblijvende klimplant en een zeer belangrijke voedselbron voor insecten laat in het jaar. Tot ver in de herfst kan de bloeiende klimop afgeladen vol zitten met bijen, wespen en zweefvliegen. Daarna blijven de bessen de gehele winter beschikbaar als belangrijke voedselbron voor vogels. Klimop is ook een goede schuil- en nestlocatie voor verschillende vogelsoorten en schuillocatie voor egels. Tegen gevels aangegroeid helpt deze klimplant tevens om gebouwen koeler te houden in warme periodes en warmer in de winter. Verder is deze een goede luchtververser voor zowel binnen als buiten, doordat de plant o.a. fijnstof uit de lucht filtert. Randvoorwaarden: de klimop heeft het liefst zwak zure tot kalkrijke grond die matig droog tot matig vochtig is. Ze kan zowel op zand, leem als klei groeien. Komt zowel op zonnige plekken als in de schaduw voor maar heeft een voorkeur voor plekken met schaduw. Wat helpt qua inrichting en beheer: • Plant aan tegen geluidsschermen, hekwerken en gevels (behalve als hier scheuren in zitten of het voegwerk slecht is). • Onderhoud de klimop op zo’n manier dat deze tot bloei kan komen, namelijk door niet te intensief te snoeien en in stappen (niet alles tegelijk).

• Zie voor meer informatie: www.bomenstichting.nl 180616 Klimop lust of last bomennieuws zomer 2018.pdf en Hittestress? Plant dit najaar een boom voor een koele tuin - Klimaatadaptatie Provincie Noord-Brabant

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

31

Boomhommel - Bombus hypnorum

(bron: www.waarnemingen.be)

Habitat:

dorpen, steden, cultuurlandschap met bosschages en bos

Nestplaats:

bovengronds in holtes, gebruikte nestkasten, schuren en onder daken

Voedsel:

wilgen en winterheide (koningin); bramen, gewone smeerwortel, sporkehout, dwergmispel, slangenkruid, beemdkroon en distels (werksters/mannetjes)

Vliegtijd:

half februari tot en met begin oktober

Status:

BKN

De boomhommel lijkt sterk aangetrokken tot menselijke activiteit, de soort maakt zijn nest in holtes in bijvoorbeeld schuren of onder daken. Ook gebruikte vogelhuisjes zijn favoriet. Deze hommel nestelt niet in de grond, zoals andere hommelsoorten wel doen. Hij haalt zijn nectar onder andere in struwelen die passen binnen de groenstructuur van een industrieterrein. Randvoorwaarden: De boomhommel heeft vaak weinig moeite om nestplaatsen te vinden, maar kan altijd meer plekken in bijvoorbeeld boomholtes en -spleten gebruiken. Ook gebruikte vogelnestkasten zijn hiervoor favoriet. Voor voedsel zijn diverse soorten planten geschikt en nodig. Zorg voor een gevarieerde omgeving zodat de hommels van februari tot oktober voedsel kunnen vinden. Wat helpt qua inrichting en beheer: • Zorg voor nectar voor de koningin vroeg in het jaar door wilgen en winterheide. • Zorg voor de favoriete nectarplanten van werksters (braam, framboos, sporkehout en smeerwortel) en de mannetjes (wilgen, bramen, sporkehout, slangenkruid en frambozen). • Behoud boomholtes – en spleten, zodat ze daar een nest kunnen bouwen. Als het veilig is zijn ook spleten in gebouwen hiervoor geschikt. Boomhommels maken nesten in onder andere vogelnestkasten, mits deze niet zijn schoongemaakt (waar dus een oud vogelnest in heeft gezeten). • Behoud wat rustige (planten)hoekjes met holletjes waar ze nesten kunnen bouwen.

• Plaats een hommelhotel. • Zie voor meer informatie: bestuivers.nl Hommels.

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

32

5.2.3

OPEN BEEMDENGEBIED

Het open beemdengebied kenmerkt zich door openheid. Het bestaat uit natte wei- en hooilanden met rietkragen, akkers en weinig tot geen opgaande beplanting. Het is een geschikt biotoop voor weide- en akkervogels.

Veldleeuwerik - Alauda arvensis – Specifieke doelsoort Habitat:

open landschappen zoals akkergebieden, weilanden en heidegebied.

Voedsel:

insecten en larven. In de winter granen en zaden.

Status:

BKN en Rode Lijst (status: gevoelig)

(bron: www.animalia.bio)

De veldleeuwerik komt voor in agrarisch landschap en is afhankelijk van een goed ontwikkelde kruidenvegetatie en een grote aanwezigheid aan zaden maar ook insecten. Echt een teken van een goed ontwikkeld en soortenrijk grasland. Randvoorwaarden: De veldleeuwerik broedt alleen in heel open vegetaties (10 tot 40 cm hoog) en zonder bomen of struiken in de buurt. Deze soort moet gemiddeld jaarlijks 2,5 nesten succesvol grootbrengen. Daarvoor zijn geschikte broedplaatsen nodig: schrale graslanden die pas in augustus gemaaid worden of hooilanden met een lage maaifrequentie (minimaal 45 dagen). Ook akkers met gewassen die gedurende de broedtijd de ideale hoogte hebben (bijvoorbeeld wintertarwe) komen in aanmerking. Akkerranden zijn bron van insecten waarmee de jongen gevoerd worden. Akkerranden naast opgaande beplanting worden niet of nauwelijks bezocht. Wat helpt qua inrichting en beheer: • Behoud open agrarisch landschap met soortenrijk grasland en kruidenrijke akkerranden. • Vermijd het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Veldleeuweriken krijgen dezen namelijk binnen bij het eten van insecten. • Pas het maaibeheer aan aan de broedcyclus. • Richt ecologische akkerranden in om de insectenpopulatie te verhogen. • Richt speciale broed-/rustgebieden in waar veldleeuwerik niet gestoord wordt tijdens het broedseizoen.

• Zie voor meer informatie: www.BIJ12.nl Soortenfiches-Agrarisch-Natuur-enLandschapsbeheer.pdf en BoerenNatuur Brabant – Agrarisch natuur- en landschapsbeheer in Brabant.

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

33

Gewone regenworm - Lumbricus terrestris Habitat:

Vochtige omgevingen met strooisellagen waarbij ze met nat weer ook naar boven komen.

Voedsel:

plantenresten en organische mest aan de oppervlakte, deze trekken ze hun gangen in.

Status:

-

(bron: www.commons.wikimedia.org)

De gewone regenworm heeft een vochtige bodem nodig met veel organische stof. De worm graaft diepe gangen tot 1,5 meter diep en bevordert daarmee onder andere de waterinfiltratie en de beworteling van de bodem. De soort is een indicator voor een gezonde bodemsituatie (ook voor de landbouw) en voedselbron voor weide- en akkervogels (zoals grutto, scholekster, kievit) en veel andere (vogel)soorten. Randvoorwaarden: De bodem mag niet te zuur zijn om een geschikte habitat te zijn voor de regenworm. Ze hebben organisch materiaal nodig als voedsel, zoals dode planten, afgevallen bladeren of dierlijke mest. Ze hebben een voorkeur voor een licht vochtige omgeving maar niet te nat omdat ze anders kunnen verdrinken. Wat helpt qua inrichting en beheer: • Gebruik geen of zo min mogelijk gewasbeschermingsmiddelen. Deze verzwakken de wormen en ook hun predatoren. • Vermijd dat de bodem te hard en te dicht wordt (bodemverdichting). • Vermijd grondbewerking. • Gebruik ruige stalmest als bemesting. • Zorg dat de bodem vochtig blijft door de grondwaterstand zo min mogelijk te verlagen. Dit is ook goed voor de weidevogels, omdat ze dan gemakkelijker de grond in kunnen met hun snavel.

• Zie voor meer informatie over weide- en akkervogelbeheer: www.BIJ12.nl Soortenfiches-AgrarischNatuur-en-Landschapsbeheer.pdf, BoerenNatuur Brabant – Agrarisch natuur- en landschapsbeheer in Brabant., en het weide- en akkervogelconvenant de Gement en de Zeeg 2024-2030.

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

34

Oranje zandoogje - Pyronia tithonus Habitat:

kruidenrijke plaatsen zoals graslanden, slootkanten, dijken en struwelen; bij voorkeur locaties in de halfschaduw

Waardplant:

diverse grassoorten zoals kropaar, rood zwenkgras, gewoon struisgras en grote vossenstaart

Voedsel:

onder andere braam en struikhei

Vliegtijd:

eind juni tot en met augustus

Status:

BKN en Rode Lijst (status: gevoelig)

(bron: www.commons.wikimedia.org)

Het oranje zandoogje vliegt graag op kruidenrijke plaatsen in de schaduw van bomen en struwelen. Voor deze soort zijn daarom niet alleen graslanden, maar ook goed ontwikkelde struwelen van belang. Randvoorwaarden: Deze soort heeft baat bij een gefaseerd maaibeheer of extensieve begrazing. Hierdoor kan de hele levenscyclus doorlopen worden. Graslanden omzoomd door mantel- en zoomvegetaties zijn essentieel, waarbij deze laatste voor de nodige beschutting zorgen. Wat helpt qua inrichting en beheer: • Behoud/creëer overgangsgebieden met struwelen tussen bos en kruidenrijk grasland. • Beheer deze gebieden gefaseerd (d.w.z. maai/snoei niet alles tegelijk), zodat schaduw en kruiden continu beschikbaar blijven. • Pas extensief en gefaseerd maai- en graasbeheer toe op de graslanden. Extensief beheer wil zeggen dat er beperkt onderhoud plaatsvindt, b.v. beperkt maaien of lichte begrazing door vee. • Zie voor meer informatie: De Vlinderstichting | Vlinder: oranje zandoogje / Pyronia tithonus

5.2.4

JONGE ZANDONTGINNING

Het jonge zandontginningsgebied is halfopen van karakter. De open ruimtes in het landschap worden omzoomd door bos. Akkers worden afgewisseld met weides waarin bosjes en alleenstaande bomen staan. De kavels zijn smal met een dicht slotenpatroon en de grond is vaak nat.

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

35

Torenvalk – Falco tinnunculus – specifieke doelsoort Habitat:

(half)open landschap met graslanden en akkers.

Nestplaats:

nestkasten, bosranden en alleenstaande bomen.

Voedsel:

voornamelijk woelmuizen, soms zangvogels.

Status:

BKN en Rode Lijst (kwetsbaar)

(bron: www.commons.wikimedia.org)

De torenvalk staat bovenaan de voedselketen en is dus zeer afhankelijk van een goede ecologische basis. Een begroeiing met kruiden en heesters die veel zaden en vruchten bieden, zorgt voor voldoende voedsel voor de prooidieren van de torenvalk. Randvoorwaarden: De torenvalk gedijt het beste in boerenland met veel (kort) grasland en akkers: (half)open land met veel prooidieren. Bosranden en solitaire bomen om te broeden. Wat helpt qua inrichting en beheer: • Zorg voor voldoende bosranden en volwassen alleenstaande bomen, naast open graslanden en akkers. • Laat oude nesten van de zwarte kraai ongemoeid, omdat dit belangrijke nestlocaties zijn van torenvalk. • Plaats nestkasten die speciaal zijn ontworpen voor torenvalk. Deze nestkasten hebben een vrije aanvliegroute nodig, vrij van obstakels en minimaal 4 meter hoogte worden geplaatst. • Realiseer ecologische akkerranden, gras- een hooihopen en extensief beheerde graslanden om het voedselaanbod te verhogen. Echter niet direct langs wegbermen vanwege mogelijke verkeersslachtoffers. (Extensief wil zeggen dat er beperkt onderhoud plaatsvindt, b.v. beperkt maaien of lichte begrazing door vee.) • Voorzie in uitkijkposten voor de torenvalk in de vorm van palen of dode bomen.

• Zie voor meer informatie: www.bij12.nl Soortenfiches-Agrarisch-Natuur-en-Landschapsbeheer.pdf, BoerenNatuur Brabant – Agrarisch natuur- en landschapsbeheer in Brabant en www.brabantslandschap.nl Infoblad-ErvenPlus-Torenvalk.pdf ____________________________________

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

36

Haas – Lepus europaeus Habitat:

kleinschalig grasland, akkers en weilanden.

Verblijfplaats: graven geen hol, maar maken ‘legers’ (ondiepe uithollingen) in hoge vegetatie en onder heggen en struiken. Voedsel:

Grassen en kruiden

Status:

BKN

(Bron: www.commons.wikimedia.org)

Voor zijn leger is de haas afhankelijk van structuurrijke bosranden, ruigtes en heggen. Al wordt deze soort veel geassocieerd met akkerlanden, hij is even veel gebaat bij extensief beheerde gebieden. Extensief beheer wil zeggen dat er beperkt onderhoud plaatsvindt, b.v. beperkt maaien of lichte begrazing door vee. Jonge haasjes hebben warme en droge plekken nodig, waarmee vooral natte en koude situaties worden vermeden. Randvoorwaarden: Rustig, extensief beheerd en kleinschalig agrarisch landschap. Liefst met extensief begraasd weiland, divers grasland en akkers waar onkruiden en stoppels blijven staan na de oogst. Winterbeschutting vinden hazen in bosjes, bosranden en ruigtes. Wat helpt qua inrichting en beheer: • Zorg voor kleinschalige landschappen met kleine percelen extensief begraasd weiland. Ook houden hazen van kruidenrijke graslanden en brede bloemrijke akkerstroken. • Realiseer rustige plekken voor hazen en vooral jonge haasjes. Door minder frequent te maaien of door een deel van het perceel niet te maaien. • Maai niet van buiten naar binnen, dit is gevaarlijk voor de jongen. Maai daarentegen van binnen naar buiten of van kant naar kant. • Voorzie de hazen van winterbeschutting door kleine bosjes, groenbemesters en houtkanten. • Laat winterstoppels en onkruiden op akkers na het oogsten staan als wintervoeding.

• Zie voor meer informatie: Haas | De Zoogdiervereniging en BoerenNatuur Brabant – Agrarisch natuur- en landschapsbeheer in Brabant..

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

37

Koperuil – Diachrysia chrysitis Habitat:

struwelen, slootkanten, bosranden, graslanden en moerassen.

Voedsel:

onder andere wilde marjolein, dovenetel, brandnetel en distels.

Waardplant:

wilde marjolein, dovenetel, brandnetel en distels.

Vliegtijd:

mei - oktober

Status:

BKN

(bron: www.commons.wikimedia.org

De koperuil is een vlindersoort van landschappelijke gebieden, maar kan ook in tuinen voorkomen. De voedingsplanten (waardplanten) van deze nachtvlinder - distels, dovenetel en brandnetel – zijn algemeen voorkomend én zijn voor veel insecten en vogels een belangrijke voedselbron. Randvoorwaarden: Voedsel- en waardplanten komen grotendeels overeen voor deze soort en moeten in ruime mate voorkomen in de leefgebieden van deze vlinder. Wat helpt qua inrichting en beheer: • Realiseer ‘rommelhoekjes’ met bijvoorbeeld brandnetel en dovennetel. • Behoud/ontwikkel struwelen, bosranden en moeraszones. • Zorg voor voldoende waardplanten door middel van het juiste beheer. • Zie voor meer informatie: De Vlinderstichting | Vlinder: koperuil / Diachrysia chrysitis.

5.2.5

BEEKDALLANDSCHAP

In het beekdallandschap zien we slingerende beken en waterlopen tussen weide- en hooilanden. Groenstructuren liggen parallel of haaks op de waterlopen. De ecologische waarde is hoog in dit landschap.

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

38

Weidebeekjuffer – Calopteryx splendens – Specifieke doelsoort

(bron: www.commons.wikimedia.org)

Habitat:

stromende wateren zoals beken; bij voorkeur afwisseling met licht- en snelstromende delen van de waterloop; aanwezigheid van (overhangende) oevervegetatie is van belang

Voedsel:

volwassen juffers eten kleine, vliegende insecten zoals muggen, vliegjes, motjes, en soms zelfs grotere insecten of andere libellen Larven eten kleine waterdiertjes, zoals insectenlarven, wormpjes en eencellige diertjes

Vliegtijd:

begin mei tot in september

Status:

BKN

De weidebeekjuffer heeft sterk baat bij verbetering van de waterkwaliteit en juiste inrichtingsmaatregelen. Daar hebben ook andere soorten baat bij. Deze soort Is wel minder kritisch dan de bosbeekjuffer. Randvoorwaarden: De weidebeekjuffer heeft het hele jaar zuurstofrijk water van redelijke kwaliteit nodig, liefst in een open landschap. De oevers van voortplantingswateren zijn vaak steil (meer dan 40°) en maar gedeeltelijk beschaduwd. Langs de oever staat hoge, structuurrijke (kruiden)vegetatie. Ook moet er watervegetatie aanwezig zijn, maar mag de watergang niet volledig dichtgegroeid zijn. Wat helpt qua inrichting en beheer: • Realiseer ruige, overhangende oevervegetatie bij beken. • Zorg voor voldoende drijvende/hangende waterplanten voor de ei-afzet en leefgebied voor de larven. • Creëer afwisseling in stroomsnelheid in de watergang. • Water- en oevervegetatie gefaseerd maaien: gemaaide en ongemaaide delen afwisselen en tussen beekoevers laten verspringen. • Gebruik zo min mogelijk gewasbeschermingsmiddelen en mest in de buurt van de watergang. • Zie voor meer informatie: www.bij12.nl Brochure-beheermogelijkheden-ANlb-water-maart-2018.pdf en De Vlinderstichting | Libel: weidebeekjuffer / Calopteryx splendens.

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

39

Echte koekoeksbloem - Silene flos-cuculi Habitat:

graslanden waaronder beekdalgrasland, waterkanten, en loofbos; op zonnige locaties met vochtige tot natte, matig voedselrijke bodems

Bloeitijd:

mei – juli

Levensduur:

overblijvend

Status:

BKN

(bron: www.biovijver.nl)

De echte koekoeksbloem is kenmerkend voor de nattere graslanden en is tegenwoordig afhankelijk van het juiste waterbeheer en de natuurlijke herinrichting van beekdalen. Randvoorwaarden: De soort houdt van vochtige grond en kan goed tegen natte omstandigheden. Ze groeien het best op matig voedselrijke bodems, bij teveel meststoffen verdwijnt de soort. Groeit in de halfschaduw maar heeft liever volle zon. Wat helpt qua inrichting en beheer: • Vernat het landschap. • Geen tot zeer beperkte bemesting. • Richt beekdalen natuurlijk in. • Zorg voor goed hooilandbeheer (d.w.z. 1 of 2 keer per jaar maaien en afvoeren), zonder ontwatering. • Zorg voor voldoende lichtinval op mogelijke groeiplaatsen aangezien deze soort zon nodig heeft. • Zie voor meer informatie: www.bij12.nl Brochure-beheermogelijkheden-ANlb-water-maart-2018.pdf.

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

40

Lange ereprijs – Veronica longifolia Habitat:

Komt voornamelijk voor op zandgronden; vochtige tot natte standplaats zoals op oevers van rivieren, beken en greppels

Bloeitijd:

juli - augustus

Levensduur:

overblijvend

Status:

BKN

(bron: www.commons.wikimedia.org)

De lange ereprijs is een oeverplant die weinig voorkomt in de gemeente Vught, maar verschillende groeiplaatsen heeft in het Dommeldal. Het is een mooie en opvallende plant met lange bloeiaren, die nectar en stuifmeel biedt aan wilde bijen en honingbijen. Randvoorwaarden: Deze beekbegeleider heeft een voorkeur voor vochtige, iets voedselrijke graslanden en voor zonnige groeiplaatsen (maar kan ook lichte schaduw aan). Wat helpt qua inrichting en beheer: • Richt oevers natuurlijk in waarbij de bodem vochtig is. • Beheer de oevers zo dat deze niet dichtgroeien met bomen en struiken. Stem het beheer af op de zaadverspreiding en bloei, in combinatie met andere plantensoorten: gefaseerd maaien (in stappen, niet alles tegelijk) of veebegrazing met een gering aantal dieren. • Zie voor meer informatie: www.bij12.nl Brochure-beheermogelijkheden-ANlb-water-maart-2018.pdf en BoerenNatuur Brabant – Agrarisch natuur- en landschapsbeheer in Brabant.

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

41

_________________________________________________________________________________ Blauwborst - Luscinia svecica Habitat:

nat en gevarieerd gebied met (moeras)struweel, rietland met wilgenopslag; bij voorkeur overgang van rietmoeras naar moerasbos

Nestplaats:

grondbroeder, het nest zit verstopt tussen struiken of pollen.

Voedsel:

insecten, larven, wormen en slakken.

Status:

BKN

(bron: www.it.wikipedia.org)

De blauwborst houdt van een zeer gevarieerd landschap met riet, struwelen en moerasbos, waar veel insecten aanwezig zijn. Deze soort is dan ook de kroon op een mooi ontwikkeld ecosysteem. Randvoorwaarden: Gevarieerd, nat gebied dat niet verbost: deze soort heeft rietlanden nodig. Sterke schommelingen in het waterpeil (en bijbehorende gevolgen voor flora) moeten worden vermeden. Daarnaast heeft deze soort graag open plekken met slik ter beschikking om voedsel te kunnen zoeken. En ook verspreide struiken, als zangpost. Wat helpt qua inrichting en beheer: • Creëer vegetatie met open plekken in combinatie met struiken en wilgenopslag. Vermijd verbossing. • Zorg dat de overgang van rietvelden naar moerasbos behouden blijft. • Richt speciale broed-/rustgebieden in waar blauwborst niet gestoord wordt tijdens het broedseizoen. • Zorg voor voldoende insecten als voedselbron door het beekdal nat en gevarieerd te maken/houden. • Zie voor meer informatie: www.bij12.nl Brochure-beheermogelijkheden-ANlb-water-maart-2018.pdf en Blauwborst | Vogelbescherming.

5.2.6

BESLOTEN BOSGEBIEDEN

In dit landschapstype vinden we een mozaïek van naald- en loofbossen in alle leeftijdsklassen. Op sommige plekken liggen nog heidevelden en stuifzanden. Verder kenmerkt dit landschapstype zich door de oude landgoederen. De soorten die hier thuishoren gedijen in de bossen of aan de randen ervan.

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

42

Kleine ijsvogelvlinder – Limenitis camilla – Specifieke doelsoort Habitat:

vochtige loof- of gemengde bossen; veelal aanwezig langs de bosranden met open plekken in de halfschaduw

Waardplant: wilde kamperfoelie Voedsel:

rottend fruit, vocht, mest of nectar van bramen

Vliegtijd:

begin juni – half augustus

Status:

Rode Lijst en nationaal beschermd

(bron: www.naturbasen.dk)

De kleine ijsvogelvlinder is een nationaal beschermde soort, die door gericht natuurbeheer weer is hersteld. Met de juiste maatregelen kan deze soort mogelijk ook toenemen binnen de gemeente Vught. Randvoorwaarden: bossen met hoge luchtvochtigheid, brede zonnige paden met half beschaduwde kamperfoelie, bramen voor nectarvoorziening. De kleine ijsvogelvlinder geeft de voorkeur aan een vrij dichte, maar gevarieerde mantel- en zoomvegetatie aan de bosranden, afgewisseld met open plekken in het bos. Wat helpt qua inrichting en beheer: • Zorg voor open paden en open plekken in het bos waarlangs deze soort kan bewegen en zonlicht op de bosbodem komt. • Voorzie in mest en rottend fruit bij de inrichting en het beheer van het landschap. • Stem het bosbeheer af op de juiste omstandigheden voor wilde kamperfoelie en een gevarieerde bosrandvegetatie. • Zorg voor een waterpeil waarbij het bos niet verdroogt. • Zie voor meer informatie: De Vlinderstichting | Vlinder: kleine ijsvogelvlinder / Limenitis camilla en over bosbeheer: Natuurtypen - BIJ12.

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

43

Boerenknoopje – Discus rotundatus Habitat:

vochtige delen in bosgebieden met beschutte plaatsen en schaduw

Voedsel:

humus, algen, plantmateriaal en schimmels (composteerder)

Status:

-

(bron: www.inaturalist.org)

Het boerenknoopje is een slakje dat zich zowel met het bosstrooisel als met verse planten voedt, zoals met (dood) hout, mos, rottend blad, schimmels en paddenstoelen. Maar ze voeden zich ook met insecten en kadavers. Boerenknoopjes zijn daardoor prima opruimers en composteerders. Randvoorwaarden: Ze houden dus van een dikke strooisellaag en (dood) hout, wat met het juiste beheer goed te bereiken is. Deze omstandigheden vormen bovendien de basis voor bijna alle soorten in het bos. Wat helpt qua inrichting en beheer: • Laat dood hout liggen. • Zorg voor een gevarieerde strooisellaag op de bosbodem. • Zorg voor vochtige omstandigheden, voer zo min mogelijk water af. • Voor meer informatie over bosbeheer: Natuurtypen - BIJ12.

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

44

Bonte vliegenvanger – Fidedula hypoleuca Habitat:

Halfopen loof- en gemengde bossen met een gevarieerde structuur.

Nestplaats:

Vaak in nestkasten maar ook in boomholtes

Voedsel:

Insecten zoals vliegen, muggen, vlinders, libellen en sprinkhanen

Status:

BKN

(bron: www.commons.wikimedia.org)

De bonte vliegenvanger broedt het liefst in nestkasten maar ook in boomholtes. Ze komen vooral voor in gemengde bossen met een gevarieerde structuur. Vanaf een zitpost (een paaltje of tak) maken ze korte vluchten achter vliegende insecten aan en vangen deze terwijl ze blijven vliegen. Randvoorwaarden: Gemengd bos waarin een zekere hoeveelheid loofbos, met name eik, aanwezig is, vindt de bonte vliegenvanger belangrijk. In puur loofbos komt deze soort minder voor. Wat helpt qua inrichting en beheer: • Laat bomen met holtes staan zodat ze daarin kunnen nestelen. • Plaats extra nestkasten in de broedperiode (omdat andere vogels de nestkasten eerder al bevolken). • Zorg bij bosbeheer en -ontwikkeling in diversiteit aan boomsoorten en afwisseling in structuur (leeftijd, open-dicht). • Zorg voor voldoende insecten door extensief en gefaseerd maaibeheer van de open gebieden (gemaaide en ongemaaide delen afwisselen) en vermijd bestrijdingsmiddelen in de omgeving (zoals bijvoorbeeld ‘biologische’ bestrijdingsmiddelen tegen de processierups). • Zie voor meer informatie: Bonte vliegenvanger | Vogelbescherming en over bosbeheer: Natuurtypen - BIJ12.

5.2.7

KAMPEN- EN HOEVENLANDSCHAP

Het kampen- en hoevenlandschap is een oud cultuurlandschap. Het is afwisselend met kleine bosjes, lanen, houtwallen, boomgaarden en andere kleine landschapselementen. Dat brengt een rijke variatie aan biotopen, waarbinnen veel verschillende soorten gedijen.

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

45

Steenuil – Athene noctua – Specifieke doelsoort Habitat:

voornamelijk kleinschalig cultuurlandschap met een variatie aan houtwallen, heggen, weitjes en knoestige bomen

Nestplaats:

oude bomen, gebouwen en schuren, boerenerven

Voedsel:

kleine zoogdieren, vogels en veldmuizen in mindere mate reptielen en amfibieën, insecten als nachtvlinders en meikevers, regenwormen

Status:

BKN en Rode Lijst (gevoelig)

(bron: www.commons.wikimedia.org)

De steenuil is een roofvogel en typische paraplusoort. Maatregelen nemen voor deze vogel zorgt voor omstandigheden waar veel andere soorten bij gedijen, o.a. door de voedselketen. De steenuil is een cultuurvolger, die houdt van een kleinschalig landschap met hagen, fruitbomen en knotwilgen. Randvoorwaarden: De steenuil profiteert van een afwisselend en kleinschalig landschap met hagen, fruitbomen, bomenrijen en knotwilgen. De soort komt ook voor in de omgeving van oude boerderijen. Wat helpt qua inrichting en beheer: • Laat oude bomen zoveel mogelijk staan, vooral knotwilgen. • Houd bij verandering aan gebouwen rekening met de steenuil als deze er al nestelt. • Hang nestkasten op binnen het geschikte leefgebied. • Zorg voor natuurlijke variatie op het boerenerf. • Richt het landschap gevarieerd in met lage vegetatie, (hoogstam)boomgaarden en knotwilgen. • Bevorder de muizenpopulatie door ruigtevegetatie, takkenhagen (rillen) en composthopen. • Richt drinkbakken voor vee veilig in voor steenuilen. Dit voorkomt 10% van de sterfte onder de jongen van steenuilen. • Zie voor meer informatie: www.BIJ12.nl Soortenfiches-Agrarisch-Natuur-enLandschapsbeheer.pdf en BoerenNatuur Brabant – Agrarisch natuur- en landschapsbeheer in Brabant.

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

46

Vosje - Andrena fulva Habitat:

open graslanden, tuinen, houtwallen en bosranden

Nestplaats:

in zanderige grond, in zon of halfschaduw

Nectarplant:

met name bessensoorten, fruitbomen (onder andere appel, peer en kers) en sleedoorn

Vliegtijd:

maart tot en met begin juni

Status:

BKN

(bron: www.commons.wikimedia.org)

De bijensoort het vosje haalt zijn nectar en stuifmeel uit typische bosplanten, die een mooie struiklaag kunnen vormen in het bos, met name bosbes, rode bes, zwarte bes en kruisbes. Fruitbomen zijn erg geliefd door deze bijen. Ze zijn dan ook goede bestuivers en daarom erg geliefd door tuinders. Ze maken hun nestje in een groep en in zanderige grond. Randvoorwaarden: Het vosje is een cultuurvolger en komt behalve in het boerenland ook vaak in tuinen of stedelijke plantsoenen voor en op (spoor)dijken. Voor nesten is deze soort afhankelijk van kale plekken in zanderige grond. Voor voedsel van struiken en fruitbomen. Wat helpt qua inrichting en beheer: • Zorg voor zanderige plekken waar de bijen hun nest kunnen graven. Bijvoorbeeld een zandhelling of zandhopen, maar ook kleine graslandjes met een zandbodem. • Plant voedselplanten en -bomen zoals aalbes, kruisbes, sleedoorn en fruitbomen. • Gebruik zo min mogelijk gewasbeschermingsmiddelen. • Zie voor meer informatie: Vosje | Natuurpunt.

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

47

Wezel – Mustela nivalis Habitat:

kleinschalige en structuurrijke graslanden, akkers en weilanden

Verblijfplaats: holen van o.a. muizen, ratten, konijnen en mollen. Dicht struweel en takkenrillen. Voedsel:

Voornamelijk woelmuizen. Daarnaast eten ze ook wel ratten, mollen, vogeltjes, eieren, slakken, kikkers, insecten en jonge konijnen en haasjes.

Status:

BKN, Rode Lijst (gevoelig), nationaal beschermd

(bron: www.commons.wikimedia.org)

De wezel is het kleinste roofdier van Nederland maar een echt roofdier. Vanwege hun formaat zijn wezels erg afhankelijk van de beschutting van houtwallen, ruigtes, takkenhagen en slootkanten, waarlangs ze zich kunnen verplaatsen in het landschap. De 3 v’s (verblijfplaatsen, voedsel en verbindingen) zijn voor de wezel van groot belang. Randvoorwaarden: De wezel heeft baat bij heggen, houtwallen en rommelhoekjes. Vanwege hun formaat zijn wezels erg afhankelijk van de beschutting van houtwallen, ruigtes, takkenrillen en slootkanten, waarlangs ze zich kunnen verplaatsen in het landschap. Wat helpt qua inrichting en beheer: • Zorg voor voldoende variatie in het landschap en extensief beheer voor voldoende voedselaanbod. Extensief beheer wil zeggen dat er beperkt onderhoud plaatsvindt, b.v. beperkt maaien of lichte begrazing door vee. • Richt leefgebieden in door het realiseren van landschapselementen zoals houtwallen, takkenrillen, rommelhoekjes, vegetatie langs greppels of groene oevers. • Verbind leefgebieden onderling door het realiseren/behouden van struweel en ruigtestroken of door middel van doorgangen, loopbruggen en andere faunapassages . Houd de maximale afstand van 5 meter in acht tussen de verbindingselementen, zodat de wezel nooit meer dan 5 meter open gebied hoeft te doorkruisen.

Dit kan door extensief en gefaseerd beheer van bermen, sloten en houtkanten en het aanleggen van takkenrillen en houtstapels. • Zie voor meer informatie: Wezel | De Zoogdiervereniging.

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

48

Oranjetipje – Anthocharis cardamines Habitat:

vochtig hooiland, ruigten bosranden en houtwallen

Waardplant:

pinksterbloem en look-zonder-look

Nectarplant:

pinksterbloem en look-zonder-look

Vliegtijd:

april tot en met mei

Status:

BKN

(bron: www.commons.wikimedia.org)

Het oranjetipje is een typische vlindersoort voor de nattere hooilanden, een belangrijke leefgebied voor veel insecten en vogels. Het succes van deze habitat wordt bevestigd door deze kleine maar opvallende vlinder. De waardplant is onder andere de pinksterbloem; een elegant bloempje dat de start van het voorjaar aankondigt. Randvoorwaarden: Voor het oranjetipje is het uitstellen van de eerste maaibeurt tot na midden juni een erg gunstige maatregel. Ook (bramen)struwelen zijn heel waardevol voor overwinterende poppen. Verder heeft het oranjetipje baat bij een voldoende hoog waterpeil. Wat helpt qua inrichting en beheer: • Leg houtwallen en ruige bermen aan voor de mannetjes om als vaste route te kunnen volgen in de paartijd. • Zorg voor een gefaseerd maaibeheer waarbij niet alles tegelijk wordt gemaaid. • Stel de eerste maaibeurt uit tot na midden juni (na de vruchttijd van de voedingsplanten look-zonderlook en pinksterbloem). • Zorg voor vochtige locaties waar de waardplanten pinksterbloem en look-zonder-look goed kunnen gedijen. • Beheer (braam)struwelen gefaseerd, d.w.z. snoei niet alles tegelijk. De poppen overwinteren hierin. • Voor meer informatie zie: De Vlinderstichting | Vlinder: oranjetipje / Anthocharis cardamines.

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

49

6. MAATREGELEN EN UITVOERINGSPROGRAMMA Zoals in paragraaf. 2.2 beschreven werkt gemeente Vught al op diverse manieren aan verbetering van de biodiversiteit. We willen hierop nog meer gaan inzetten, gerelateerd aan beleidsontwikkelingen vanuit het Rijk, de Provincie en onze eigen Omgevingsvisie, en aan nieuwe (maatschappelijke) inzichten en kennis. De basis hiervoor vormen de doelen uit paragraaf 4.2 en de inrichting- en beheervoorwaarden die per doelsoort zijn genoemd in paragraaf 5.2. Hieraan zijn uitvoeringsmaatregelen gekoppeld, die in de onderstaand tabellen worden benoemd en toegelicht. In de eerste kolom staat telkens aangegeven aan welke doelen een maatregel bijdraagt. In de laatste kolom van de tabellen wordt aangegeven binnen welke termijn we deze maatregelen uit willen voeren. Kleur groen wil zeggen “Maatregel loopt al”, kleur paars “Maatregel vraagt nog een vervolg of start nog”. Voor een aantal hiervan hangt uitvoering wel af van de beschikbare middelen, zoals subsidiemogelijkheden en meekoppelkansen met gebiedsprocessen. Zie voor een nadere toelichting van onderstaande doelen paragraaf 4.2 van deze nota.

Doel A: Bodem, water en lucht Doel B: Bebouwing Doel C: Buitengebied Doel D: Inrichting en beheer (openbaar) Groen-Blauw Doel E: Samenwerking en bewustwording

Werken aan gezonde lucht, water en bodem Doel

Code

Maatregel en toelichting

Uitvoeringstermijn

A, E

M1

Vught is aangesloten bij Schone Luchtakkoord. We ondersteunen provincie en rijk in maatregelen op dit gebied. We gaan nog actiever dan nu inwoners en bedrijven stimuleren om bij te dragen aan een schonere lucht, via onze sociale media en door bewustwording. Zo gaan we bespreken met de middelbare school of deze mee wil doen aan het internationale onderzoeksprogramma GLOBE Nederland, waarin onder andere de lokale luchtkwaliteit wordt onderzocht door leerlingen.

Start Q4 2025, doorlopend

A, D

M2

We inventariseren waar binnen de gemeente de luchtkwaliteit onvoldoende is en wat de bron hiervan Start Q1 2026, is. We onderzoeken of er maatregelen nodig zijn om deze te verbeteren zodat we voldoen aan de doorlopend normen van het Schone Luchtakkoord en welke maatregelen hiervoor geschikt zijn. Waar dit binnen onze mogelijkheden ligt nemen we deze maatregelen zelf, onder andere door de aanplant van meer beplantingssoorten die fijnstof afvangen. Conform de Bossenstrategie planten we ook meer bomen en struiken om CO2 op te vangen. Waar derden een mogelijkheid hebben om maatregelen te treffen stimuleren we dit, bijvoorbeeld door het hanteren van een puntensysteem (zie M11).

A, E, C M3

De kennis die voortvloeit uit het pilotproject de Margriet (gericht op bodemverbetering en biodiversiteit) delen we met belanghebbenden- en belangstellenden, onder andere met Brabants Bodem en BoerenNatuur.

A, E

Voor biodiversiteit is het belangrijk dat onze waterhuishouding deze ondersteunt en dat de (Door)lopend waterkwaliteit goed is. De primaire verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de waterschappen en waar nodig en mogelijk ondersteunen we dit, zoals in ons Omgevingsplan, door actief op te trekken met waterschappen en in gebiedsprocessen als de GGA’s. We benutten hierbij kansen om de biodiversiteit te vergroten bij toepassing van maatregelen, om te voldoen aan de omgevingswaarde(n) voor waterkwaliteit.

M4

Lopend, gereed 2026

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

50

A, B, C, E

M5

We initiëren de actualisatie door de Omgevingsdienst Brabant-Noord (ODBN) van milieuvergunningen Loopt. Gereed Q2 van bedrijven voor lozingen op oppervlaktewater. 2026

A, C, E M6

We bekijken samen met de provincie Noord-Brabant, regionaal en lokaal welke mogelijkheden we hebben om stikstofmaatregelen te nemen, zoals het intrekken van vergunningen van gestopte bedrijven en van latente stikstofruimte, o.a. via GGA-proces. (De Brabantse Ontwikkelaanpak Stikstof(BOS2.0) geeft de verschillende samenwerkingsverbanden aan en komt concreet met generieke en specifieke gebiedsgerichte maatregelen die op bepaalde regio’s zijn afgestemd. De ontwikkelaanpak richt zich op: landbouw, mobiliteit en industrie/energie).

(Door)Lopend, zolang niet aan de gewenste stikstofnormen wordt voldaan

A, C, D, E

M7

We bespreken met de plaatselijke visverenigingen welke bijdrage zij kunnen leveren om de waterkwaliteit te verbeteren.

Start Q4 2025, gereed Q1 2026

A, D

M8

In de evaluatie van de Beheerplannen van de gemeentelijke bossen (zie M30) bekijken we ook de benodigde maatregelen voor de waterhuishouding, waaronder m.b.t. de grondwaterstand. Bij aanpassing van de waterbeleidsnota (Programma Water en Riolering PWR, eind 2026) zullen de conclusies worden meegenomen.

2026

Stimuleren van natuurinclusieve gebouwen, inclusief bijbehorende grond Doel

Code

Maatregel en toelichting

Uitvoeringstermijn

Nieuwbouw B, E

M9

We stellen een handreiking ter beschikking over natuurinclusief bouwen (i.s.m. de RNOB)

Loopt. Gereed Q4 2025

B, E

M10

We vragen aan initiatiefnemers in het kader van de compensatieplicht uit de Omgevingswet, gemeentelijke groennorm of landschappelijke inpassing, expliciet om de biodiversiteit te verbeteren ten opzichte van de oorspronkelijke situatie.

(Door)lopend

B, D

M11

We vragen initiatiefnemers van nieuwbouw om natuurinclusief te bouwen en ondersteunen hen met kennis en door samenwerking. We werken hiervoor kwaliteitseisen uit m.b.t. biodiversiteit en hoe we deze in overeenkomsten kunnen opnemen, zoals in aanbestedingsprocedures en anterieure overeenkomsten. We voeren de pilot nl.Greenlabel uit voor een woningbouwproject. We evalueren de ervaringen uit deze pilot m.i.v. 2026 tot en met oplevering van het project. Wanneer het resultaat uit de evaluatie positief is bekijken we voor welke bouwprojecten we de pilot Greenlabel.nl structureel willen invoeren. Wanneer het resultaat uit de evaluatie negatief is onderzoeken we welke andere instrumenten we hiervoor kunnen inzetten (bijvoorbeeld een norm- of een puntensysteem). We zoeken hierbij steeds een goede balans tussen deze instrumenten en andere belangen, vanwege onder andere de ruimtevraag en kosten. We verankeren dit instrument in ons beleid.

(Door)lopend. Kwaliteitseisen/instrument gereed in 2027. Evaluatie pilotproject 2026 t/m oplevering.

B

M12

Bij de actualisatie van de Nota Kostenverhaal wordt ook de financiële bijdrage geactualiseerd. We gaan dan bekijken of mogelijke toekomstige investeringen voortkomend uit de nota biodiversiteit, in de financiële bijdrage kunnen worden meegenomen.

Bij de volgende relevante wijziging

Bestaande gebouwen B, E

M13

We werken samen met woningcorporaties om de biodiversiteit bij hun woningen te behouden en verbeteren. Dit doen we door: 1. Met de corporaties te bespreken hoe aandacht voor biodiversiteit rondom de woning bij huurders kan worden gestimuleerd, b.v. bij de huurcontractondertekening en door hier via nieuwsberichten op te attenderen;

1.Start Q1 2026 en gereed Q2 2026 2.Start Q1 2026, daarna doorlopend

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

51

2.

Te bekijken of we gemeentelijke grond die aansluit bij grond van de corporaties gezamenlijk biodivers kunnen (her)inrichten.

B, E

M14

We bekijken bij verkoop of verhuur van onze gronden aan bijvoorbeeld woningcorporaties en sportaccommodaties, per locatie of wij kwalitatieve voorwaarden moeten en kunnen opnemen om de groenfunctie van grond in stand te houden en of we hierbij ook om een biodiverse invulling kunnen vragen.

Start Q3 2026. Gereed Q1 2027. In combinatie met M11

B, E

M15

We bespreken met schoolbesturen de mogelijkheden om binnen de wet- en regelgeving voor Start Q4 2025, doorlopend onderwijshuisvesting hun gebouwen en schoolpleinen natuurinclusieve(r) te maken, omdat dit ook een educatieve meerwaarde kan hebben voor de leerlingen en kan bijdrage aan hun gezondheid. We bekijken of en hoe we dit in onze verduurzamingsnormen en -bijdrage kunnen meenemen. We attenderen hen op subsidieregelingen als ‘Schoolpleinen voor de toekomst’ en ‘Groene daken’.

B

M16

Bij particuliere/bedrijfsplannen om woningen en gebouwen in de bebouwde kom te renoveren en/of 2026 en verder te verduurzamen passen we het soortenmanagementplan (SMP) toe zodra dit vastgesteld is. Hiervoor gebruiken we werkprotocollen.

B, E

M17

We attenderen zorginstellingen op het aanbod van de natuurvereniging IVN ‘Groen doen zorg’, onder Start Q4, andere voor ondersteuning bij een groene inrichting rond hun instelling en van trainingen m.b.t. doorlopend natuur en gezondheid. www.ivn.nl/aanbod/groen-doen-zorg.

B, E

M18

We ondersteunen burgerberaden KANT Vught en Schoon Helvoirt bij acties met betrekking tot bewustwording over biodiversiteit of vragen hen om ons hierin te ondersteunen. Onder meer in samenhang met een brochure die we gaan uitgeven over het biodivers inrichten en onderhouden van tuinen.

(Door)lopend

B, D

M19

Voor onze eigen gebouwen en bijbehorende (pacht)grond (incl. sportaccommodaties) zoeken we koppelkansen voor biodiversiteitsverbetering bij (her-)inrichting, renovatie- en verduurzamingswerkzaamheden (bijvoorbeeld door nestkasten, groene daken, biodiverse groenstroken).

Doorlopend

Opnemen van biodiversiteit in infrastructurele plannen Doel

Code

Maatregel en toelichting

Uitvoeringstermijn

B, D

M20

Openbaar groen bij nieuwe infrastructurele werken richten we in als goede basis voor biodiversiteit. Bij herinrichting van bestaande infrastructuur wordt de bestaande natuur/groen zoveel mogelijk behouden en verbeterd of teruggebracht met een verbeterde biodiversiteit.

(Door)lopend

B, C

M21

1. Bij aanleg en herinrichting van wegen en paden bekijken we ook of er faunavoorzieningen nodig 1.(Door)lopend zijn en of we deze het plan mee kunnen nemen. 2. Start Q1 2026. 2. Daarnaast inventariseren we aan de hand van de provinciale kaart Ontsnipperingsmaatregelen Gereed Q4 2026 welke faunamaatregelen het meest urgent zijn om te nemen en de kosten hiervan. We maken op basis hiervan een faseringsplan voor de aanleg van faunavoorzieningen, waarbij rekening gehouden wordt met de mogelijkheden qua budget en capaciteit. We zorgen ervoor dat de voorzieningen goed beheerd worden.

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

52

Stimuleren van toekomstbestendige landbouw Doel

Code

Maatregel en toelichting

Uitvoeringstermijn

A, C

M22

We ondersteunen bedrijven die de transitie naar toekomstbestendige landbouw aan het maken zijn of willen maken met de vergunningenprocedure.

(Door)lopend

1. We zetten ons huidige pachtbeleid voor liberale pacht voort, waarin we onder andere voorwaarden stellen aan het gebruik van (kunst)mest en gewasbeschermingsmiddelen. 2. We nemen contact op met Boerennatuur Midden Brabant om te bespreken of we nog meer kunnen doen binnen onze pacht en welke subsidiemogelijkheden er zijn.

1.Lopend

A, C, E M24

We ondersteunen agrariërs om hun kennis over (mogelijkheden voor) toekomstbestendige landbouw te vergroten. Zo attenderen we hen o.a. via sociale media en in keukentafelgesprekken op de mogelijkheid om zich aan te sluiten bij Brabants Bodem en Boerennatuur. Deze ondersteunen agrariërs om biodiversiteit op hun bedrijf te verbeteren, gecombineerd met een toekomstbestendige en gezonde bedrijfsvoering. Ook attenderen we hen op kennissessies, praktijkleren en pilotprojecten op dit gebied (b.v. de Biodiversiteitsmonitor Melkveehouderij).

Start Q4 2025, doorlopend

A, C

We verkennen hoe we toekomstbestendige landbouw incl. biodiversiteitsverbetering, nog meer kunnen bevorderen, b.v. door 1.ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden te geven; 2.grondaankoop en -ruil.

1. 2026-2029, i.h.k.v. het Omgevingsplan 2. Q4 2025-Q2 2026 i.k.v. actualisatie grondbeleid

A, C, E M23

M25

2.Start Q4 2025, doorlopend

Inzetten op biodiverse beplanting in de openbare ruimte Doel

Code

Maatregel en toelichting

Uitvoeringstermijn

D

M26

Bij de aanleg van nieuwe beplanting of herinrichting van bestaande beplanting in onze openbare ruimte gebruiken we zoveel mogelijk gebiedseigen en/of klimaatbestendige soorten bomen en struiken, van biologische of gelijkwaardige teelt. In het totale nieuwe of heringerichte beplantingsareaal van de gemeente is 80-90% van de bomen en struiken gebiedseigen en/of klimaatbestendig, gericht op biodiversiteit. Door de overige 10-20% open te houden blijft maatwerk mogelijk.

(Door)lopend

D

M27

We maken een gefaseerd revitaliseringsplan voor ons huidige bomenbestand (lanen/beplantingsvakken), met als uitgangspunt dat wanneer 80% van de laan/het vak niet meer vitaal is er omvorming van gehele laan/vak plaatsvindt. Uitvoering gebeurt zoveel mogelijk met inheemse en/of klimaatbestendige soorten.

Start revitaliseringsplan: Na oplevering nulmeting monitoring Biodiversiteit Q1 2028, zie M33. Revitaliseringsplan gereed: Q4 2028

D

M28

Van ons areaal vaste planten inventariseren we de mate van (bio)diversiteit (afgestemd op de identiteit van de locatie). Wanneer de biodiversiteitsbijdrage hiervan te gering is maken we ook hiervoor een gefaseerd omvormingsplan en voeren dit uit.

Start maken omvormingsplan: Na oplevering nulmeting

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

53

monitoring Biodiversiteit Q1 2028, zie M33. Omvormingsplan gereed: Q4 2028 D, E

M29

We maken een beheerplan gericht op ecologisch beheer van ons openbaar groen en blauw, gericht op biodiversiteit, en voeren dit uit. De uitvoerend aannemer voert een gestructureerd communicatieplan hierover uit.

Start actualisatie beheerplan: Na oplevering nulmeting monitoring Biodiversiteit Q1 2028, zie M33. Beheerplan gereed: Q4 2028

C, D

M30

We evalueren de beheerplannen en -overeenkomsten van natuur- en bosgebieden op gemeentelijke grond en herzien deze indien nodig ten behoeve van biodiversiteitsverbetering. Voor nieuwe gebieden worden, tegelijk met het inrichtingsplan, beheerplannen gemaakt met aandacht voor biodiversiteit. We voeren beheer uit conform deze beheerplannen.

Evaluatie en herziening plannen: gereed 2026.

D, E

M31

Onze beheerders volgen bijscholingen op het gebied van biodiversiteit en beheer om hun kennis op dit gebied te vergroten/behouden. Bijvoorbeeld i.k.v. een keurmerk voor ecologisch bermbeheer

Start Q3 2025, daarna doorlopend

D

M32

We zorgen ervoor dat maatregel M27 t/m M31 goed worden opgenomen in ons Handboek Inrichting Openbare Ruimte (HIOR)

Doorlopend

Uitwerken en uitvoeren van de landschaps- en doelsoortenkaart Doel

Code

Maatregel en toelichting

Uitvoeringstermijn

A, B, M33 C, D, E

We maken een monitoringsplan om de stand van zaken en ontwikkelingen van biodiversiteit te meten. We voeren nulmetingen biodiversiteit uit in landelijk gebied en de bebouwde kom en monitoring t/m 2033. We integreren in dit plan ook de (nul)metingen van de provincie en van ons eigen Soortenmanagementplan (SMP, zie M16). Zie verder hoofdstuk 8.

Monitoringsplan en nulmetingen: Start Q1 2026-gereed Q1 2028 Vervolgmonitoring: 2028-2033

B, C, D, E

We werken de kaart uit deze nota concreter uit in een gefaseerd Uitvoeringplan Biodiversiteit (incl. beheer), zowel voor het buitengebied als bebouwde kom. Dit doen we in samenwerking met belanghebbenden en betrokkenen, zoals bewoners, agrariërs en andere ondernemers. We integreren dit waar nodig en mogelijk in andere plannen, zoals het “Actieplan Bedrijventerreinen”. Input voor dit Uitvoeringsplan Biodiversiteit (UP) zijn o.a. de nulmetingen volgend uit ons monitoringsplan (zie M33 en H8). We zorgen voor realisatie van dit UP .

UP: Start Q4 2026. Gereed Q2 2028 Uitvoering: (Door)lopend (een deel loopt al via lopende processen en een deel is afhankelijk van de nulmetingen (zie M33)

M34

Het plan bevat concrete maatregelen, die aansluiten bij afspraken gemaakt in de RNOB, het VGNP en/of in de Omgevingsvisie Vught, namelijk voor: de realisatie van een goede basiskwaliteit voor biodiversiteit in de bebouwde kommen • (incl. bedrijventerreinen) en van het landschap en de natuur in het buitengebied; de realisatie van het Aanvalsplan Groenblauwe Dooradering en van Groenblauwe • dooradering (GBD) in stedelijk gebied (onderdeel Duurzame verstedelijking; het streven is om 2030 minimaal 5% GBD in zowel buitengebied als stedelijk gebied gerealiseerd te hebben. In 2050 is dit minimaal 10%.);

NOTA BIODIVERSITEIT Gemeente Vught

54

•

het behouden, beschermen en verbeteren van de natuurlijke omgeving en de biodiversiteit op onze erfgoedlocaties, met respect voor de historische waarden. Zoals van ons historisch waardevol groen (houtwallen, bomenlanen), zandpaden en op onze historische begraafplaatsen. Hiermee versterken we de verbinding tussen cultuurhistorie en biodiversiteit op onze erfgoedlocaties; behoud en verbetering van natuurgebieden en ecologische verbindingszones (evz’s). Waar • de evz’s nog (deels) ontbreken en waar dit binnen onze verantwoordelijkheid en bevoegdheid ligt zorgen we voor aanleg en/of beheer; ondersteuning van de realisatie van de Natuurnetwerk Nederland; • uitwerking en realiseren van beoogde robuuste verbindingen, zoals aangegeven op de • biodiversiteitskaart in de Groenvisie 2023. We doen dit binnen het samenwerkingsverband RNOB en nemen dit mee in gebiedsprocessen; uitwerking en uitvoering van de bossenstrategie, om meer locaties voor nieuw bos te • bepalen en nieuw bos aan te leggen; het bepalen en inrichten van een aantal rustige gebieden verspreid over de gemeente, • waar ruimte is voor biodiversiteit en waar de mens kan bezinnen, tot zichzelf kan komen en kan ontspannen; we combineren dit waar mogelijk met ommetjes voor diverse doelgroepen, om ook beweging te stimuleren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=d24d2a89-14e6-4cbd-a2c9-fc4701c86a0b