CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

13. Stichting Natuur- en Milieugroep Vught – Passende beoordeling stikstof N65

Raadsvergadering 16 december 2021, gemeente VughtBij agendapunt: Categorie I-A Externen8.341 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Verbruggen, Silvana Van: Verzonden: Aan: CC: Onderwerp: Bijlagen:

postbus Secr BenW maandag 6 december 2021 09:29 Potters, Fons; Maine, Mark du; Vos, Yvonne; Ven, Toine van de postbus GRIF FW: N65 en milieu BEROEP aanvulling 4 - reactie PB.pdf

Van: bdrp <info@bdrp.nl> Verzonden: zondag 5 december 2021 11:22 Aan: Rutger Jans <rutgerjanscda@gmail.com>; Dianne Schellekens <dianne.schellekens@gmail.com>; Jan-Willem Verlijsdonk <jan-willem@d66vught.nl>; Ton van der Vossen <ton@pvda-gl.nl>; Nino de Lange <ninodelange@live.nl>; Albert Verlinde <albert@vvdvught.nl>; Bregje Peijnenburg <bregjeg@live.nl>; Dani Smith <danismith795@gmail.com>; Joris Vrensen <info@progressief-liberaal-vught.nl>; postbus Secr BenW <bestuur@vught.nl> Onderwerp: N65 en milieu Beste gemeentebestuurders, De Commissie Ruimte van 9 december behandelt o.m. een MER-beoordeling van het project N65. Daarbij komt ook de Passende Beoordeling van stikstof vanaf de N65 aan de orde. Bijgaand ter info een brief die wij stuurden aan de ABRvS met onder B onze kritiek op die Passende Beoordeling. Met vriendelijke groet, Sander Wieringa Secretaris Stichting Natuur- en Milieugroep Vught tel. 06-53322509 – nmvught.nl

1

Aan: de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State Postbus 20019, 2500EA Den Haag

Betreft: Uw ref. 2020 03472/1/R2 inz. N65 Vught en uw ref. 2020 04196/1/R2 inz. N65 Helvoirt: Reactie op nieuwe informatie en Passende Beoordeling

Vught, 6 oktober 2021

Hoogedelgestreng College, In bovenvermelde zaken m.b.t. de Bestemmingsplannen N65 Vught en Helvoirt (hierna “de Plannen”) stuurde Verweerder u op 14 september 2021 een Passende Beoordeling, opgesteld door Arcadis op 13 september 2021 (hierna: “de PB”). Het College van GS van Brabant stuurde op 14 september 2021 een Statenmededeling aan PS over de N65 (bijlage 1) en naar aanleiding daarvan deed gedeputeerde Van der Maat op 18 september uitspraken in het Brabants Dagblad (bijlage 2). Op 24 september 2021 stuurde Verweerder u een Memo over de nieuwe stikstofberekening. Het gaat over aspecten die wij in eerdere beroepschriften betwistten. Hieronder onze reactie op de nieuwe informatie. SAMENVATTING Uit onze hierna volgende betogen trekken wij de volgende conclusies. A. Grondwaterstand • Er komt bij Vught een langere en diepere tunnelbak. De waarschijnlijke gevolgen daarvan voor de grondwaterstand op de Vughtse Hei zijn niet bezien. De grondwaterstand kan daar (verder) dalen en dat mag niet. B. Stikstofeffect • Vast staat nu dat Verweerder de Plannen niet had mogen vaststellen omdat de daarbij aangereikte stikstofinformatie onjuist was. • De nieuwe stikstofberekening is niet bijgeleverd of ontoegankelijk. Onbekend is welke verkeerscijfers ditmaal zijn ingevoerd. Daarmee is de berekening oncontroleerbaar en onacceptabel.

• De berekening gaat ervan uit dat in de realisatiefase geen omrijdverkeer bij of door Natura2000 komt, maar dat is niet zeker. Dit had dus zo niet berekend mogen worden. Een aantal wegtracécijfers die we wel zien zijn onverklaarbaar en daarmee ontoelaatbaar. • De gebruikte rekenmethode SRM2 geeft binnen de rekengrens van 5km vanaf de weg een te lage uitkomst. Voor de afkap tot 25km vanaf de weg staat nog niet vast dat die rechtmatig is. Stichting Natuur- en Milieugroep Vught - Duinoordseweg 20 - 5268LM Helvoirt - info@nmvught.nl - www.nmvught.nl

• De PB gaat uit van een paradigma dat een geringe stikstofdepositie niet moet worden verboden en is daarmee vooringenomen en onwetenschappelijk. • De PB is onzorgvuldig over het criterium 'significante schade'. De ontkenning van de significantie is daarmee een slag in de lucht. • De Cumulatietoets is onvolledig omdat lang niet alle andere plannen en projecten zijn bezien. • In de Cumulatietoets zijn voor andere plannen en projecten stikstofcijfers aangenomen die nog niet vast staan en wellicht te laag zijn. • Minstens vier van de door de Plannen meest aangedane habitattypen zijn zeer gebrekkig bezien. • Andere verstoringsfactoren voor habitats worden als excuus aangevoerd in plaats van als mogelijke versterking van het stikstofprobleem. • Uitbreidings- en verbeterdoelen van habitats en soorten zijn niet meegewogen. • Het feit dat habitattypen zeer gevoelig zijn voor stikstof wordt niet gemeld noch meegewogen. • Negatieve trends in habitats zijn gebagatelliseerd. • De gevolgen voor hier voorkomende Habitatsoorten zoals Pimpernelblauwtje zijn niet bezien. • De gevolgen voor de hier voorkomende Vogelrichtlijnsoorten Roodborsttapuit en Dodaars zijn onderschat en de overige Vogelrichtlijnsoorten zijn niet bezien.

• Daarmee is de PB onvolledig, onnauwkeurig en onwetenschappelijk en dus niet zorgvuldig genoeg om de conclusie te onderbouwen dat de Plannen met zekerheid geen significante schade kunnen berokkenen aan Natura2000.

A. GRONDWATERSTAND 1.

In par. 3 van ons beroepschrift en in onze brief van 5 oktober 2020 vroegen wij u de Gemeenteraad te verplichten het Vughtse Plan te corrigeren, zodat door maatregelen en door regels wordt gewaarborgd dat als gevolg van dit Plan geen verlaging van de grondwaterstand kan plaatsvinden in de Vughtse Heide. Verlaging zou strijdig zijn met de provinciale IOV art. 3.5 en 3.26. Verweerder stelt dat er geen verlaging komt van de grondwaterstand. Dat hebben wij bestreden. Het Brabants Dagblad van 18 september 2021 berichtte dat met wegenbouwer BAM Infra is overeengekomen om in Vught de weg deels 2m dieper aan te leggen dan in de Plannen staat. Dit maakt het grondwaterprobleem waarschijnlijk erger.

2.

In de Watertoets bij de Plannen staat op p. 26 dat in de plansituatie bij De Bréautélaan in Vught de weg 2,5m onder het maaiveld ligt. Door de afspraak met BAM zou deze tunnelbak over minstens 800m nog 2m dieper komen te liggen. De gemiddelde grondwaterdiepte varieert ter plekke tussen 0,4 en 0,8m onder maaiveld, staat op pag. 11 van de Watertoets. De tunnelbak ligt dus in de grondwaterstroom. Grondwater stroomt van hoog naar laag, van ruwweg Limburg naar ruwweg de Biesbosch. De tunnelbak ligt dwars op die ondergrondse waterstroom en vormt daarvoor een grotere barrière dan voorzien.

3.

Mogelijk heeft dit gevolgen voor de grondwaterstand ten noorden van de N65. Daar liggen de Vughtse Hei en de IJzeren Man, in Natuurnetwerk. In de oude situatie gaan wij op grond van de Watertoets bij het Ontwerpplan uit van een verlaging van de grondwaterstand in deze natuur van 5cm. Door de diepere tunnelbak kan het grondwater nog verder zakken. Omdat de IJzeren Man een kwelwaterplas is, die bij droogte al vaak zeer lage waterstanden heeft, kan deze verdere daling van de grondwaterstand en dus lagere kweldruk leiden tot droogvallen van deze plas. Dat moet tot iedere prijs worden voorkomen.

2

4.

In ons beroepschrift wezen wij op strijdigheid met provinciale regels. In aanvulling daarop wijzen wij op de Waterwet art. 3.6 eerste lid, waarin staat: “De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders dragen zorg voor het in het openbaar gemeentelijke gebied treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en niet tot de zorg van de beheerder of de provincie behoort.” Deze zorgplicht heeft Verweerder verzuimd bij vaststelling van het Plan en/of bij de nieuwe afspraken met de wegenbouwer. De natuur is daarvan mogelijk de dupe en daarmee is ons belang geschaad.

B. STIKSTOFEFFECT

5.

6.

7.

8.

Gevolgen voor de vaststellingsbesluiten De Raden van Vught en Haaren besloten tot vaststelling van de Plannen met onjuiste informatie over het stikstofeffect. Wij beschreven dat in par. 4.2 van ons beroepschrift. De Raden baseerden zich o.m. op een berekening en een ecologische voortoets die Verweerder nadien zelf afkeurde. Hiermee is evident dat de Raden de Plannen op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid hebben vastgesteld. De vraag is nu of ze – met de huidige kennis – toch aanvaardbaar zijn. Wij menen van niet. Op 11 mei en 13 juli 2021 hebben wij overlegd met ambtenaren van Verweerder over ons beroep. Wij boden aan – opnieuw per mail d.d. 27 september 2021 - om onze beroepsgrond m.b.t. stikstof in te trekken als de initiatiefnemers een piekbelaster zouden stilleggen met een uitstoot die groot genoeg is om elke aannemelijke stikstoftoename van de N65 te compenseren én de natuur herstelruimte te geven. Daar is helaas niets op vernomen. Verweerder blijft kennelijk van mening dat extern salderen niet nodig is. Daar kunnen wij ons niet mee verenigen. Berekening Onderbouwing onvolledig Bijlage B bij de PB is een memo van Arcadis van 9 september 2021 over de nieuwe stikstofberekening (hierna: “het Memo”). Een uitdraai van de Aeriusberekening is niet bijgevoegd. Of Arcadis (opnieuw) onjuiste cijfers heeft ingevoerd is niet na te gaan.

Alleen al om die reden is de stikstofberekening o.i. onaanvaardbaar. En daarmee ook de PB die zich op die cijfers baseert. Verweerder stuurde ons op ons verzoek GML-bestanden waarmee wij zouden kunnen zien welke data zijn gebruikt. Deze bestanden zijn echter in de Aerius Calculator niet te importeren en geven daarom niet het vereiste inzicht. Omrijdverkeer gemarginaliseerd Het Memo zegt op pag. 6 dat ongewenste omrijdroutes beperkt worden tot alleen bestemmingsverkeer. Voor die afsluitingen zijn echter geen verkeersbesluiten genomen. Vaste rechtspraak - o.m. ECLI:NL: RVS: 2020:2318 ov. 4.1 - wil dat de verwachte voordelen van mitigerende maatregelen pas worden betrokken in de beoordeling als die voordelen ten tijde van de beoordeling vaststaan. De Guldenberg (een van deze wegen, dwars door Natura2000) was eerder dit jaar bij de reconstructie van de Torenstraat in Helvoirt de aangewezen en veelgebruikte omrijdroute om verderop op de N65 te komen. De afsluiting van deze wegen voor doorgaand verkeer zal op weerstand stuiten, bv van de vier grote transportbedrijven in Helvoirt die een snelle omrijdroute zullen eisen. Het is dus de vraag of het allemaal doorgaat. Door die ongewisheid is de berekening onaanvaardbaar.

3

9.

10.

In de PB zien we in figuur 2-3 cijfers over omrijdverkeer. Kijkend aan één traject - de Guldenberg – zien we onverklaarbare aantallen. Hier zouden in de realisatiefase 2127 auto’s per etmaal minder rijden dan normaal. We kunnen niet zien hoe men tot die daling komt. In onze brief van 22 januari 2021 vochten wij zulke dalingscijfers aan. De nieuwe berekening bevat dezelfde onverklaarbare aantallen. Wij menen dat voor de berekening van de realisatiefase de feitelijke maximale wegcapaciteiten van de sluipwegen gehanteerd moeten worden. Dat is niet gebeurd. Rekenmethode flatteert Het Memo geeft aan dat de berekeningen zijn uitgevoerd met behulp van Aerius-Calculator (versie 2020) tot een afstand van 5km vanaf de bron. Hiervoor draait in deze Aeriusversie het SRM2-rekenmodel. Arcadis heeft nu de AERIUS-berekening verruimd tot een afstand van 25km met een berekening met AERIUS-Connect-module OPS_ROAD. Dit levert echter geen goede berekening op voor het bepalen van mogelijke stikstofdepositie.

11.

Rekenkundige S. Nijhuis van Bureau Apollon voor het beroep ViA15 het rapport "Het voorrecht van wegenprojecten"1. In H. 2 staat het volgende: “AERIUS maakt de keuze met welk model de deposities worden berekend. Voor wegenprojecten wordt met SRM2 doorgerekend en overige projecten met OPS. Om te zien wat bij het bereken van deposities het effect zou zijn als het project wordt doorgerekend met OPS zijn alle snelwegen in een onderzoeksgebied geselecteerd en eerst als wegproject doorgerekend. Vervolgens is het zelfde project doorgerekend als een spoorproject waarbij alle emissies overeenkomstig zijn geprojecteerd. […] Het blijkt dat met OPS voor het onderzoeksgebied in de stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden [gemiddeld] 5,4 keer meer deposities worden berekend dan met SRM2. Het grootste in het oog springende verschil is daarbij de rekengrens op 5km die in SRM2 wordt gehanteerd. [… Verder] blijkt dat naast de onderschatting die plaatsvindt doordat SRM2 een rekengrens hanteert nog een extra verschil tussen SRM2 en OPS bestaat. […] Voor NOX (stikstofoxides) is de mate van depositie t/m een afstand van 5 km in SRM2 een factor 2,7-3,8 keer lager dan in OPS.

Voor NH3 (ammoniak) is dat een factor 1,6-1,7 keer lager en bij elkaar genomen is de factor voor het wegverkeer 2,0-2,3 keer lager dan in OPS.” Met andere woorden: binnen de rekengrens van 5km berekent SRM2 systematisch en significant minder deposities. In het rapport van Apollon worden daar rekenkundige verklaringen voor gegeven. Kortheidshalve verwijzen wij daarnaar. Omdat Arcadis de berekening heeft gemaakt met een combinatie van SRM2 en OPS is niet uitgesloten dat de uitkomsten geflatteerd zijn voor stikstofoxidedepositie in Natura2000. Wij stellen dat de voor de PB gehanteerde stikstofcijfers hierdoor substantieel te laag zijn.

12.

De berekening wordt afgekapt op 25km vanaf de bron. De vraag is of dat rechtmatig is. De minister heeft in haar Kamerbrief weliswaar geopteerd voor een afkap op 25km, maar uw Afdeling moet zich daar in de ViA15-zaak nog over uitspreken. Onduidelijk is waarom de deposities verder dan 25km buiten beeld kunnen blijven; de uitleg van de Minister daarvan is mager. Omdat ook bij de N65 de effecten buiten 25km niet zijn berekend is onduidelijk wat de volledige deposities zijn door het project.

13.

Passende Beoordeling - algemeen De PB baseert zich op een oncontroleerbare berekening waardoor de beoordeling van die cijfers in de lucht komt te hangen. Primair vragen wij u daarom om de PB af te keuren. Hieronder volgen onze argumenten waarom de PB ook om andere redenen ontoelaatbaar is. Wij vragen u om ook daarover een 1

Het voorrecht van wegenprojecten – drs. ir. S.A. Nijhuis – Apollon Mathematical consultancy – juni 2020 https://www.apollonmilieu.nl/voorrecht_wegenprojecten.html

4

oordeel uit te spreken, met het oog op eventuele vervolgbesluitvorming. 14.

Hoofdauteur van de PB is Beno Koolstra. Hij sprak op 6 februari 2020 op een meeting van Pondera en ENVIR Advocaten. Blijkens het verslag2 is zijn adagium: "Het uitvoeren van de ecologische beoordeling gaat uit van het paradigma: ‘Het gebied is al overbelast en het gaat niet goed, maar mijn project verergert dat niet.’ Het andere paradigma leidt immers tot een dood spoor; deze houdt namelijk in: ‘Het gebied is al overbelast en het gaat niet goed, dus iedere toename, hoe klein dan ook, is onaanvaardbaar’. Koolstra stelde dat het tegenhouden van projecten met een geringe depositie het stikstofprobleem niet oplost.” Het ‘Koolstra-paradigma’ schuurt echter met de Wnb en de Habitatrichtlijn. Conform deze vooringenomen visie is de PB als volgt samen te vatten: een geringe toename van de hoeveelheid stikstof kan geen kwaad; de Plannen voegen slechts een geringe hoeveelheid stikstof toe; dus is nergens sprake van significante schade. Wij bestrijden dit uitgangspunt.

15.

Wanneer is schade significant? Handvatten daarvoor staan in het EU-document “Beheer van Natura 2000-gebieden” dat de lidstaten richtsnoeren verschaft over de interpretatie van artikel 6 van de habitatrichtlijn3 (hierna: “EU-richtsnoer”). In par. 4.5.2. van dit stuk staat: “Wat ‘significante’ gevolgen zijn, kan niet arbitrair bepaald worden. (…) De reikwijdte van de term ‘significant’ moet op een objectieve manier worden geïnterpreteerd, maar uiteraard kan die objectiviteit niet los worden gezien van de specifieke kenmerken en ecologische omstandigheden van het beschermde gebied dat bij de Plannen of project is betrokken. In dit opzicht kunnen de instandhoudingsdoelstellingen van een gebied evenals vooraf bestaande of fundamentele informatie dienaangaande zeer belangrijk zijn bij het nauwkeuriger bepalen van de gevoelige punten van instandhouding.”

16.

In de ‘Leidraad bepaling significantie’ van het Steunpunt Natura2000 / Ministerie LNV4 staat: “Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort danwel kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen.” Dat hangt mede af van wat de Beheerplannen daarover aangeven. “In de beheerplannen vindt de uitwerking van de instandhoudingsdoelstellingen in omvang, ruimte en tijd plaats, waarmee de (ecologische) bedoeling van die instandhoudingsdoelstellingen goed geduid en geconcretiseerd kan worden.“ Als de instandhoudingsdoelstelling zoals aangeduid in het Beheerplan behoud is, dient nagegaan of het behoud van de kwaliteit zoals die aanwezig was in de begintoestand, gegarandeerd is. Als het doel is verbetering of uitbreiding moet tevens worden nagegaan of verbetering c.q. uitbreiding niet in de weg wordt gestaan. Beginpunt is 7 december 2004, de dag waarom het gebied Habitatrichtlijnbescherming kreeg.

17.

De PB stelt in par. 6.3: “Een toename van stikstofdepositie van enkele molen leidt niet tot direct fysiologische schade aan planten en dieren”. Dat verschilt per soort. Niet wordt vermeld hoeveel mol bij welke plantensoort direct schadelijk is. Evenmin wordt vermeld of ook indirecte fysiologische schade mogelijk is. In de beoordeling per habitattype erkent de PB dat toename van stikstof tot schade aan de vegetatie leidt. Maar niet wordt geanalyseerd tot welke toename bij welke vegetatie direct of indirect die schade niet kan optreden. Het criterium ‘significante schade’ beziet de PB dus onzorgvuldig. 2

https://ponderaconsult.com/ponderacontent/expert-meeting-stikstof/ Beheer van Natura 2000-gebieden - De bepalingen van artikel 6 van de habitatrichtlijn - (92/43/EEG) – 25-01-2019 – Europese Commissie - Publicatieblad van de Europese Unie 2019/C 33/01 4 Leidraad bepaling significantie - Nadere uitleg van het begrip ‘significante gevolgen’ uit de Natuurbeschermingswet - 27 mei 2010 - Steunpunt Natura 2000/MinLNV 3

5

18.

De PB negeert ook de mate van gevoeligheid voor verstoring door stikstof. In de Effectenindicator Natura2000-gebieden van Alterra/MinLNV5 (hierna: “Effectenindicator”) staat, na een update van mei 20146: “Het optreden van de storende factor leidt tot effecten die van negatieve invloed zijn op individuen van de lokale populatie of het habitattype. En: De daadwerkelijke gevolgen van dit effect op de lokale staat van instandhouding zijn afhankelijk van de duur, reikwijdte en intensiteit van de storende factor”. Habitattypen als Oude eikenbossen, Zwakgebufferde vennen, Stuifzandheiden met struikhei en Blauwgraslanden zijn ‘zeer gevoelig’ voor stikstof. Elke toename heeft daar dus een negatieve invloed. De PB wijst daar echter nergens op en meldt de mate van gevoeligheid per type niet eens. Alleen wat de kritische depositiewaarde is, zonder duiding; dat is verhullend.

19.

Dan wordt gesteld: “Niet alle stikstof die in een natuurgebied terechtkomt staat daadwerkelijk ter beschikking aan de vegetatie”. Niet wordt vermeld hoeveel stikstof in de aangedane habitats niet in de vegetatie terecht komt, want “het is niet mogelijk om betrouwbare kwantitatieve onderbouwingen te geven”. Ook wordt voorbij gegaan aan de cumulatie van verzuring en vermesting in de bodem door stikstofneerslag en wordt gesuggereerd dat een groot deel van de stikstofdepositie gewoon weer uit de natuur verdwijnt. Dat is op z’n minst veel te kort door de bocht. Ook dit argument houdt geen steek.

20.

Resteert als hoofdargument: “Verandering van soortensamenstelling en concurrentieverhoudingen als gevolg van vermesting en verzuring treedt pas op bij veranderingen van de depositiehoeveelheden die vele malen groter zijn dan enkele molen per jaar” en “Een kleine depositietoename van enkele molen heeft een verwaarloosbare bijdrage aan de totale stikstofdepositie in een gebied.” Behalve een rekenkundige suggestie (het is hooguit 0,3% van de achtergronddepositie) wordt niet onderbouwd dat zo’n toename voor alle relevante soorten nooit kwaad kan, ook niet in een situatie van forse overbelasting van stikstofdepositie en stress door andere verstoringsfactoren.

21.

De bewering wordt geïllustreerd met enkele cijfers over wat 3 mol stikstof per hectare per jaar – op zichzelf staand en in het algemeen - betekent voor het totaal aan stikstofopname van vegetatie op een hectare groen. De PB focust dus op de specifieke en afzonderlijke toename van de stikstofneerslag vanuit de Plannen. Dat zou een speldenprik zijn voor de natuur. Maar: van één wespensteek gaat een mens niet dood, wel waarschijnlijk van honderd wespensteken. Niet voor niets wil art. 2.7 van de Wnb dat een plan - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten - geen significante gevolgen mag hebben voor een Natura2000-gebied.

22.

De Effectenindicator onderscheidt drie niveaus van cumulatie die moeten worden bezien: 1. cumulatie van effecten ten gevolge van één ingreep; 2. cumulatie van effecten ten gevolge van meerdere ingrepen in de nabijheid en 3. cumulatie van effecten ten gevolge van meerdere ingrepen in de tijd. Wat niveau 1 betreft schiet de PB tekort. De PB wijst telkens wel op andere verstoringsfactoren, maar stelt dan steevast dat de bijdrage van stikstof vanuit de Plannen daarbij relatief klein is en dat die kleine hoeveelheid stikstof niet tot significante schade zou leiden. Dat negeert dat cumulatie van verschillende verstoringsfactoren in samenhang wel degelijk tot significante schade kan leiden. De Effectenindicator zegt daarover: “Effecten interfereren vaak met elkaar. Ecosystemen zijn complexe systemen met ingewikkelde effectketens. Zij kunnen soms door een ogenschijnlijk kleine storende factor uit hun evenwicht worden 5

Effectenindicator Natura2000-gebieden - Alterra/MinLNV - M. Broekmeyer e.a. - Alterra-rapport 1375, ISSN 15667197 - 2005 6 Update effectenindicator Natura 2000 d.d. voorjaar 2014: aanpassing storende factoren vermesting en verzuring door stikstofdepositie uit de lucht in verband met PAS-gegevens.

6

gebracht. Daarbij is de wetenschap (nog) lang niet altijd in staat om de mogelijke gevolgen hiervan te benoemen. Deze optiek ligt ook ten grondslag aan het voorzorgbeginsel. Indien er geen wetenschappelijke zekerheid bestaat over de mogelijke effecten van een activiteit, dient men zich uit voorzorg te onthouden van die activiteit.” De PB negeert dat. 23.

Over de cumulatieniveaus 2 en 3 zegt voornoemd EU-richtsnoer in par. 4.5.3: “Een reeks van gevolgen die op zichzelf beperkt zijn, kunnen in combinatie met elkaar significant zijn. In dit verband kan gedacht worden aan plannen of projecten die afgerond, goedgekeurd maar nog niet afgerond, of voorgesteld zijn. Hoewel reeds afgeronde plannen en projecten op zichzelf zijn uitgesloten van de beoordelingsvereisten van artikel 6, lid 3, is het nog altijd belangrijk om deze in aanmerking te nemen bij het beoordelen van de gevolgen van het huidige plan of project teneinde te bepalen of er sprake is van potentiële cumulatieve gevolgen van het huidige project in combinatie met andere reeds afgeronde plannen en projecten. Bij de beoordeling moet ook rekening worden gehouden met alle andere soorten plannen of projecten. (…) De mogelijke cumulatieve gevolgen moeten worden beoordeeld op basis van deugdelijke referentiegegevens en niet alleen leunen op kwalitatieve criteria. De beoordeling moet bovendien in de algemene beoordeling worden geïntegreerd en mag niet als bijzaak worden behandeld, die pas aan het eind van de beoordelingsprocedure aan de orde komt.”

24.

De PB bevat in par. 7.2 (dus pas aan het eind, nadát het oordeel over schade al is geveld) een Cumulatietoets. Daarin is alleen gekeken naar 19 andere projecten met een Wnb-vergunning die nog niet of slechts ten dele zijn uitgevoerd. Het zijn alleen projecten met verkeer. Agrarische projecten zijn bv. niet bezien, terwijl daarvoor in 2020/21 talrijke Wnb-vergunningen zijn verleend. De EU-richtsnoer wil dat niet alleen wordt gekeken naar projecten in dezelfde sector maar ook naar andere sectoren. Evenmin is gekeken naar afgeronde plannen en projecten, terwijl de EU-richtsnoer dat wel belangrijk vindt.

25.

Van de beziene projecten erkent de PB dat drie projecten stikstofeffecten hebben op gebieden die overlappen met de door de Plannen aangedane gebieden. Maar telkens zou dit stikstofeffect “te gering” zijn om in cumulatie te leiden tot significante schade. Opnieuw wordt dit niet objectief onderbouwd; het blijft bij deze arbitraire conclusie. Bovendien hebben alle bekeken plannen stikstofcijfers vanuit verouderde Aeriusversies en met een effectradius van slechts 5km. In werkelijkheid zullen meer plannen overlap hebben met het N65-plan. De Cumulatietoets is met dat alles zeer onvolledig.

26.

De meeste projecten in de Cumulatietoets zouden geen stikstoftoename geven. Maar dat staat niet vast omdat de bestuursrechter er nog naar kijkt. Bijvoorbeeld Duinoord in Helvoirt (uw zaaknummer 202005977/1/R2). In de Cumulatietoets wordt ook dit project afgedaan met “Heeft geen gevolgen voor de beoordeling”. Echter, een uw Afdeling toegestuurde contra-expertise komt voor Duinoord uit op een depositietoename van minimaal 31,28 en maximaal 120,3 mol/ha/j. Dat wordt dan een geheel ander cumulatie-effect! In onze brief van 22 januari 2021 wezen wij daar al op. De conclusie van par. 7.2 van de PB berust daarmee op drijfzand.

27.

De Effectenindicator schrijft voor dat bij de beoordeling van een tijdelijk negatief effect het herstelvermogen van een habitattype of soort na beëindiging van de negatieve effecten mede in beschouwing genomen te worden. Dit doet de PB nergens. Daarentegen lezen we in de PB regelmatig dat een toename van stikstof in de realisatiefase slechts tijdelijk is en daarom minder schadelijk. Dit is o.i. een nonchalante en onzorgvuldige benadering.

7

28.

Verder is de PB onvolledig over fauna. De Kampina is speciale beschermingszone Vogelrichtlijn. Voor de daar levende vogelrichtlijnsoorten A276 Roodborsttapuit en A004 Dodaars stelt de PB dat uitgesloten is dat stikstofdepositie daar effect op heeft. Echter, beide vogelsoorten zijn ‘zeer gevoelig’ voor stikstof7. Andere Vogelrichtlijnsoorten zijn niet bezien. Evenmin is (goed) gekeken naar Habitatrichtlijnsoorten H1042 Gevlekte witsnuitlibel (Kampina), H1134 Bittervoorn (Vlijmens Ven), H1059 Pimpernelblauwtje (Moerputten) en H1061 Donker pimpernelblauwtje (Moerputten). Over de witsnuitlibel zegt de PB op pag. 88 dat daarvan geen analyse is. Dat negeert het N2000-profieldocument van de soort waarin staat dat voor deze vogel matig voedselrijke gevarieerde verlandingsvegetaties en een goede waterkwaliteit essentieel zijn. Het oordeel is ‘zeer ongunstig’. Het profieldocument van de bittervoorn zegt dat het stikstofgehalte van het leefgebied niet te hoog mag zijn. Over de pimpernelblauwtjes meer hierna. Al deze soorten had de PB zorgvuldig moeten bezien. Dat is niet gebeurd.

29.

De PB komt bij elk aangedaan habitattype steevast tot de conclusie dat de depositietoename zodanig gering is dat deze niet voor een meetbare verandering van vegetaties in dit habitattype zorgt en dat significante gevolgen daarom uitgesloten zijn. Het effect op vegetaties is - zoals hiervoor betoogd - gebrekkig bezien. Bovendien is het effect op vegetaties niet het enige dat kan leiden tot schade aan instandhoudingsdoelen. In stuifzand bijvoorbeeld speelt schade aan vegetatie geen rol want op stuifzand groeit geen vegetatie. Het probleem is dat er door vermesting wél vegetatie komt en het stuifzand daardoor verdwijnt (zie bijlage 3). Habitats met stuifzand zijn dus onjuist bezien. Dit speelt ook bij vennen, die kleiner worden omdat door vermesting de (oever)vegetatie te sterk groeit. Oppervlakteverlies is daarmee onzorgvuldig bezien omdat dit alleen is gerelateerd aan vegetatieschade. Volgens de “Effectenindicator heeft elk oppervlakteverlies nadelig effect op de instandhoudingsdoelen van een habitattype, omdat bij de aanwijzing daarvan rekening is gehouden met de voor instandhouding vereiste oppervlakte.

30.

Beoordeling per habitattype De PB geeft een beoordeling van het stikstofeffect op elk Natura2000-habitattype dat door de Plannen wordt aangedaan en waar reeds een overmaat aan stikstof is. Samengevat stelt de PB dat het meestal gaat om een klein stukje habitat; dat er belangrijker knelpunten zijn dan stikstof; dat de Plannen slechts een geringe toename van stikstof veroorzaken; dat die toename niet leidt tot significante schade. Hierboven bestreden wij de algemene aannames voor die beoordelingen.

31.

De EU-richtsnoer schrijft in par. 4.6.1. voor: “Bij de beoordeling moet gebruik worden gemaakt van de beste beschikbare technieken en methoden om te beoordelen in hoeverre de Plannen of project gevolgen kan hebben voor de natuurlijke kenmerken van de gebieden. De beschrijving van de natuurlijke kenmerken en de effectbeoordeling moeten worden gebaseerd op de best mogelijke en optimaal aan de Natura 2000-natuurwaarden aangepaste indicatoren. Het passende-beoordelingsrapport moet voldoende gedetailleerd zijn om te laten zien hoe en op welke wetenschappelijke gronden de eindconclusie is bereikt.” Hierna reageren wij op wat de PB ervan gemaakt heeft.

32.

Van alle afzonderlijk beoordeelde habitattypen in de PB beperken wij ons tot de volgende vier: 1. H2310 Stuifzandheiden met struikhei, in de Loonse en Drunense Duinen & Leemputten 2. H3130 Zwakgebufferde vennen, in de Loonse en Drunense Duinen & Leemputten 3. H9190 Oude Eikenbossen, in de Loonse en Drunense Duinen & Leemputten 4. H6410 Blauwgraslanden, in Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek 7

Bijlage 3 van de Update effectenindicator Natura 2000 d.d. voorjaar 2014.

8

Deze liggen in Natura2000-gebieden in de gemeente Vught e.o. en dus binnen ons statutaire aandachtsgebied. Bij Zandverstuivingen en Vennen hebben wij in alinea 29 al – meer algemene – kanttekeningen geplaatst. Die gelden ook hierna bij de habitattypen met stuifzand en vennen.

33.

1. H2310 - Stuifzandheiden met struikhei - Loonse en Drunense Duinen De stikstofberekening bij de PB – die dus volgens ons een te lage uitslag geeft – komt voor dit habitattype uit op een toename van de stikstofdepositie van 1,61 mol/h/j in de realisatiefase en 0,13 mol/ha/j in de gebruiksfase van de Plannen. In par. 6.6.2 (6.4.2) wordt daarbij het volgende erkend. - 94% van het oppervlak kent overbelasting én krijgt een toename door de Plannen, in de realisatiefase. - 5,9% van het oppervlak kent overbelasting én krijgt een toename door de Plannen, in de gebruiksfase. - Het type heeft een matige/slechte kwaliteit. - In delen komt relatief veel pijpenstrootje voor: een grassoort die heide verdringt. - Er worden hier grote aantallen honden uitgelaten. - Oppervlaktes zijn vaak te klein om goed te functioneren. - Hogere omzomende bossen leiden tot minder wind en dus minder zandverstuiving. - Stikstofdepositie vergroot de problematiek. - Er zijn voor dit type geen concrete beheersmaatregelen. Ondanks dit alles stelt de PB dat de projectbijdrage van 1,61 mol/ha/j gedurende enkele jaren en 0,13 mol/ha/j permanent “gering” is en daarom niet voor een meetbare verandering van vegetaties in dit habitattype zorgt. Significante gevolgen zouden daarom uitgesloten zijn. Dit is o.i. een arbitraire conclusie en niet zorgvuldig onderbouwd.

34.

In het Beheerplan 2017 van de Provincie voor dit Natura2000-gebied staan enkele relevante feiten, die het PB – in strijd met de EU-richtsnoer - verzuimt aan te geven: - Pag. 21: Het type staat onder druk door betreding, verbossing en vergrassing. - Pag. 23: Door verzuring en stikstofdepositie is de kwaliteit van de bodem voor dit habitattype sterk verslechterd. Hierdoor is op alle locaties vergrassing met het pijpenstrootje en de bochtige smele plaats. De kwaliteit van dit habitattype staat daarom feitelijk overal onder druk. - Pag. 30: Sporenelementen zijn uitgespoeld en de stikstof/fosforverhouding is uit balans. Hierdoor zijn de bodemchemie en daarmee de afbraakprocessen in de bodem sterk verstoord. Dit werkt door in de voedselketen boven de grond en is van invloed op de kwaliteit (biodiversiteit) van deze habitattypen.

35.

Daarnaast verwijst de PB niet naar de volgende aspecten uit het “Profieldocument H2310 Stuifzandheide met struikhei” van de Natura2000-dienst van het Ministerie van LNV. Daarin staat in par. 7 o.m.: - Met name door atmosferische stikstofdepositie is de voedselrijkdom nagenoeg overal te groot, waardoor versnelde vegetatiesuccessie plaatsvindt en grassen als bochtige smele sterk gaan domineren. - De beoogde structuurvariatie is op veel plaatsen verdwenen; zandige plekken, mossen en korstmossen zijn daar verdwenen en opgevolgd door grassen. - Het tegengaan van vergrassing door te grootschalig herstelbeheer heeft weliswaar geleid tot terugkeer van jonge struikhei, maar de structuurvariatie en daarvan afhankelijke soorten is daar nog niet mee hersteld. - Een deel van de heideterreinen is inmiddels te klein om de fauna daarin duurzaam in te behouden. - Toekomstperspectief: matig ongunstig. De geleidelijke vermindering van de vermestende neerslag biedt, mits gevolgd door herstelmaatregelen, perspectieven voor duurzaam herstel. - Gevoeligheid voor stikstofdepositie: zeer gevoelig. - Eindoordeel: zeer ongunstig.

9

36.

De instandhoudingsdoelstelling voor dit type is hier: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. De PB heeft alleen – gebrekkig – bezien of de Plannen schade berokkenen, maar heeft niet (goed) beoordeeld of het uitbreidings- en verbeteringsdoel erdoor belemmerd wordt. Wat doet de stikstoftoename bijvoorbeeld met de gronden die grenzen aan het bestaande areaal? Kunnen stuifzandheide en struikheide zich daar goed uitbreiden? Of nemen de kansen daarvoor af? Dat is niet bezien. Ook is alleen geconcludeerd dat de situatie van dit type niet kan verslechteren. Maar de instandhoudingsdoelstelling is dat de situatie moet verbéteren. Ook dat is niet bezien. Niet is dus met zekerheid aangetoond dat de instandhoudingsdoelstelling van dit habitattype door de Plannen onmogelijk geschaad kan worden.

37.

De Loonse en Drunense Duinen krijgen sinds de gemeentelijke herindeling vanaf 2021 aandacht van onze stichting, die let op de natuur in de gemeente Vught e.o. Ondergetekende woont sinds ruim 30 jaar aan de rand van dit gebied en komt er al die jaren vrijwel dagelijks. Van het Helvoirtse deel kennen wij elk plekje. Veel beter dan Arcadis, die in het najaar van 2019 enkele typen in het gebied bekeek en op 13 mei 2021 nog even langs 4 plekken in dit gebied scheerde, naast op dezelfde dag 7 plekken in een ander natuurgebied. Wij zien dat het hele gebied - en zeker het Helvoirtse deel dat het dichtst bij de Plannengebied ligt – zwaar gebukt gaat onder vermesting. Zienderogen rukt de vergrassing op (bijlage 3). Door de effecten van vermesting en verzuring holt de gezondheid van bomen achteruit en overleven ze daarom tijden van droogte niet. De paarse hei wordt steeds meer een grassige hei. Grasplekken verbossen. We zien al volop paardenbloemen in het stuifzand: een teken van rijke bemesting. De significantie van de schade is o.i. zonneklaar: als het zo doorgaat is er over tien of twintig jaar hier geen stuifzand en heide meer over. Dan wordt het allemaal steppe. En elke toename van vermesting is evident te veel.

38.

Met dat alles betogen wij dat een verdere toename van overschrijding van de kritische depositiewaarde met max. 1,61 mol/ha/j (gedurende de realisatiejaren) en 0,13 mol/ha/j (permanent) tot significante schade leidt of kan leiden aan de Stuifzandheiden met struikhei. De PB voor dit habitattype is onvolledig, onnauwkeurig en onwetenschappelijk en levert daarom geen aanvaardbaar bewijs dat dit uitgesloten is.

39.

2. H3130 - Zwakgebufferde vennen - Leemkuilen De stikstofberekening bij de PB – die dus volgens ons een te lage uitslag geeft – komt voor dit habitattype uit op een toename van de stikstofdepositie van 3,01 mol/h/j in de realisatiefase en 2,24 mol/ha/j in de gebruiksfase van de Plannen. In par. 6.6.4 (6.4.5) wordt daarbij het volgende erkend. - 28,1% van het oppervlak kent overbelasting én krijgt een toename in de realisatiefase. - 71,9% van het oppervlak kent overbelasting én krijgt een toename in de gebruiksfase. - Bij degradatie door onder meer verzuring en atmosferische vermesting door stikstof gaan in de zwakgebufferde vennen soorten overheersen zoals Pijpenstrootje en/of veenmossen. - In het Beheerplan is niet aangegeven welk huidig beheer plaatsvindt. - Het type heeft een slechte/matige kwaliteit. De uitgangssituatie aan de randen van deze gebieden is niet optimaal: de aanwezigheid van bomen en struweel tot dicht bij de vennen is van negatieve invloed op de kwaliteit van de vennen, onder meer als gevolg van eutrofiëring door vallend blad. - Vrijwel alle vennen in de Leemkuilen zijn omzoomd door bomen met struweel. Veel materiaal van de bomen (bladeren, stuifmeel) valt in het water. - De trend voor oppervlakte en kwaliteit is negatief.

Desondanks stelt de PB dat de projectbijdrage van 3,01 mol/ha/j gedurende enkele jaren en 2,24 mol/ha/j permanent “gering” is en daarom niet voor een meetbare verandering van vegetaties in dit habitattype zorgt. Significante gevolgen zouden daarom uitgesloten zijn. Dit is o.i. een arbitraire conclusie en niet zorgvuldig onderbouwd.

10

40.

In het Beheerplan 2017 van de Provincie voor dit Natura2000-gebied staan enkele relevante feiten, die het PB – in strijd met de EU-richtsnoer - verzuimt aan te geven: - Pag. 21: Er is hier sprake van versnelde verlanding. - Pag. 24: Het Galgenwiel en Kikkerwiel zijn sterk geëutrofieerd. - Pag. 51: In het gebied is sprake van een hoge depositie van verzurende stoffen. Hierdoor staat de kwaliteit van met name de Zwakgebufferde vennen en blauwgraslanden, maar ook heiden en stuifzanden nog steeds onder druk.

41.

Daarnaast verwijst de PB niet naar de volgende relevante aspecten uit het “Profieldocument H3130 Zwakgebufferde vennen” van de Natura2000-dienst van het Ministerie van LNV. - Par. 2: Het relatieve belang van dit type binnen Europa is zeer groot. Nederland heeft voor dit habitattype een grote internationale verantwoordelijkheid. Enerzijds ligt ons land centraal in het verspreidingsgebied van de gemeenschappen van de Oeverkruid-klasse die bij dit habitattype horen. Anderzijds komen in onze zwakgebufferde vennen bijzondere soorten voor die tot het Atlantische deel van Europa beperkt zijn. - Par. 5: Gevoeligheid voor stikstofdepositie: zeer gevoelig, zodat het belangrijk is dat deze in de toekomst fors daalt. - Par. 5: In diverse herstelprojecten is opgeschoond zonder maatregelen tegen verzuring. In deze vennen is al snel hernieuwde verzuring opgetreden. - Par. 7: Beoordelingsaspect oppervlakte: matig ongunstig. De totale oppervlakte is in de afgelopen vijftien jaar behoorlijk toegenomen. In de voorgaande periode is de oppervlakte echter dusdanig sterk afgenomen dat de huidige oppervlakte nog steeds als onvoldoende wordt beschouwd. - Par. 7: Beoordelingsaspect kwaliteit: matig ongunstig. Door gerichte maatregelen zijn o.a. de gewenste zuurgraad en voedselrijkdom in een deel van de vennen hersteld.

In de overige (voorheen) zwakgebufferde vennen moet dat herstelbeheer nog plaatsvinden. Behoud en beheer van de hier bedoelde gemeenschappen van zwakgebufferde wateren vergen een subtiele aanpak, waarbij de omstandigheden voortdurend nauwgezet gevolgd dienen te worden.

42.

Met dat alles is aannemelijk dat een verdere toename van stikstofdepositie met max. 3,01 mol/ha/j (gedurende de realisatiejaren) en 2,24 mol/ha/j (permanent) tot significante schade kan leiden aan de Zwakgebufferde Vennen. De PB van de Zwakgebufferde vennen is onvolledig, onnauwkeurig en onwetenschappelijk en levert daarom geen aanvaardbaar bewijs dat dit uitgesloten is.

43.

3. H9190 - Oude Eikenbossen – Loonse en Drunense Duinen De stikstofberekening bij de PB – die dus o.i. een te lage uitslag geeft – komt voor dit habitattype uit op een toename van de stikstofdepositie van 3,52 mol/h/j in de realisatiefase en 0,88 mol/ha/j in de gebruiksfase van de Plannen. In par. 6.6.7 wordt daarbij het volgende erkend. - 24,5% van het oppervlak kent overbelasting én krijgt een toename in de realisatiefase. - 75,6% van het oppervlak kent overbelasting én krijgt een toename in de gebruiksfase. - De kwaliteit van de Oude Eikenbossen is reeds achteruitgegaan door stikstofdepositie. - Lokaal neemt het oppervlak af. - Verzuring (door stikstofdepositie) zorgt voor verslechtering van de bodemkwaliteit. - Stikstofdepositie leidt hier tot ongewenste soorten, ten koste van karakteristieke plantensoorten. - Het Provinciale beheerplan bevat geen concrete beheermaatregelen.

11

Desondanks stelt de PB dat de projectbijdrage van 3,52 mol/ha/j en 0,88 mol/ha/j “zeer gering” is en daarom “niet voor een meetbare verandering van vegetaties in dit habitattype” zorgt. Significante gevolgen zouden daarom uitgesloten zijn. Dit is o.i. een arbitraire conclusie en niet zorgvuldig onderbouwd. 44.

In het Beheerplan 2017 van de Provincie voor dit Natura2000-gebied staan enkele relevante feiten, die het PB – in strijd met de EU-richtsnoer - verzuimt aan te geven: - Pag. 25: Door verzuring is de bodemkwaliteit sterk verslechterd. Door verzuring verandert de chemische en biologisch samenstelling in de bodem, waardoor wortels van de bomen afsterven. - Pag. 30: Emissie van verzurende en vermestende stoffen in combinatie met verdroging en een gebrek aan natuurlijke dynamiek zijn het grootste knelpunt voor de instandhoudingsdoelstellingen. Wat betreft de emissie van verzurende en vermestende stoffen is een afname van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied nodig. - Uit onderzoek blijkt dat de bodemkwaliteit van habitattypen op droge zandgronden (o.m. stuifzandheide met struikheide en oude eikenbossen) sterk onder druk staat door verzuring in het verleden en de optredende stikstofdepositie. Noodzakelijk sporenelementen zijn uitgespoeld en de stikstof/fosforverhouding is uit balans. Hierdoor zijn de bodemchemie en daarmee de afbraakprocessen in de bodem sterk verstoord. Dit werkt door in de voedselketen boven de grond en is van invloed op de kwaliteit (biodiversiteit ) van deze habitattypen.

45.

Daarnaast verwijst de PB niet naar de volgende aspecten uit het “Profieldocument H9190: Oude Eikenbossen” van de Natura2000-dienst van het Ministerie van LNV. - Par. 2: Het relatieve belang van dit type binnen Europa is zeer groot. - Par. 5: Gevoeligheid voor stikstofdepositie: zeer gevoelig. - Par. 7: De resterende Oude eikenbossen zijn sinds de jaren 1950 sterk in kwaliteit achteruit gegaan. Een belangrijke oorzaak is daarbij de stikstofverrijking uit de lucht, waardoor stikstofminnende soorten zijn toegenomen. Ook de paddenstoelenflora van korstmossenrijke vormen van het habitattype hebben sterk te lijden onder de natuurlijke successie (het ouder worden van de bossen én bosbodems) en onder de atmosferische stikstofdepositie. - Par. 7: Beoordelingsaspect kwaliteit: matig ongunstig. Op grote schaal heeft met name de atmosferische stikstofdepositie geleid tot een te grote voedselrijkdom van de bosbodem; plaatselijk hebben de vochtige vormen te lijden gehad van verdroging. - Door een combinatie van factoren (stikstofdepositie, staken van het traditionele beheer, vegetatiesuccessie) is de structuur op veel plaatsen te weinig open, is de mos- en korstmoslaag voor een belangrijk deel verdwenen en is er een dichte grasmat van bochtige smele ontstaan. - Par. 7: Beoordelingsaspect toekomstperspectief: matig ongunstig. Een verder terugdringing van vermestende invloeden is noodzakelijk.

46.

Net zoals bij de stuifzandheide kennen wij ook de oude eikenbossen als onze broekzak. De eikenstoven zijn kostbare sieraden in een bijzondere natuur. De ondergestoven maar levende stammen dateren soms van ver voor de middeleeuwen; je loopt er eigenlijk door de kruinen van de oudste bomen van ons land. Eiken zijn taaie bomen maar we zien ze laatste tien jaar wegkwijnen. Droogteperiodes en betreding helpen niet, maar die waren er in vroeger tijden ook. Nieuw is de verstikkende stikstofdeken, waar dit bos zeer gevoelig voor is. Als dit niet wordt teruggedrongen verliezen wij een stuk natuurlijke historie, uniek in Europa. Dat kunnen wij onze nakomelingen niet aandoen. Hoe dan ook mag er geen grammetje stikstof meer bíjkomen.

12

47.

48.

49.

Aannemelijk is dat een verdere toename van overschrijding van de kritische depositiewaarde met max. 3,52 mol/ha/j in de realisatiejaren en 0,88 mol/ha/j (permanent) tot significante schade leidt aan de Oude Eikenbossen. De PB van de Oude Eikenbossen is onvolledig, onnauwkeurig en onwetenschappelijk en levert daarom geen aanvaardbaar bewijs dat dit uitgesloten is. 4. H6410 - Blauwgraslanden - Moerputten De stikstofberekening bij de PB – die dus volgens ons een te lage uitslag geeft – komt voor dit habitattype uit op een toename van de stikstofdepositie van 2,31 mol/h/j in de realisatiefase en 0,39 mol/ha/j in de gebruiksfase van de Plannen. In par. 6.8.3 (6.4.9) wordt daarbij het volgende erkend. - 74,3% van het oppervlak kent overbelasting én krijgt een toename in de realisatiefase. - 28,8% van het oppervlak kent overbelasting én krijgt een toename in de gebruiksfase. - De kwaliteit is overwegend matig: een mozaïek met min of meer gedegradeerd, herstellend of ontwikkelend blauwgrasland. - De trend van de kwaliteit is op bepaalde plaatsen negatief. - Een deel van de problematiek is de ligging in en nabij de bossen. Bossen leiden tot bladafval wat negatief is voor graslanden. - Lage waterstanden (het huidige peilbeheer) dragen bij aan verdroging en verzuring.

Ondanks dit alles stelt de PB dan dat de projectbijdrage van 2,31 mol/ha/j gedurende enkele jaren en 0,39 mol/ha/j permanent “gering” is en daarom “niet voor een meetbare verandering van vegetaties in dit habitattype” zorgt. Significante gevolgen zouden daarom uitgesloten zijn. Dit is o.i. een arbitraire conclusie en niet zorgvuldig onderbouwd. In het Beheerplan 2017 van de Provincie voor dit Natura2000-gebied staan enkele relevante feiten, die het PB – in strijd met de EU-richtsnoer - verzuimt aan te geven: - Pag. 15: In de Gement (Moerputten) is door ontginning en intensivering van de landbouw weinig over van de vroegere schraallanden. - Pag. 23: Verdroging, vermesting en verzuring veroorzaken lokaal afname van de kwaliteit. - Pag. 25: De blauwgraslanden in en bij de Moerputten, en vooral de Bijenwei, hebben te lijden onder verdroging en verzuring. Dit is onder andere het gevolg van het wegvallen van de inundaties, de verlaging van de grondwaterstand en de afname van kwel. - Pag. 25: De kwaliteit van het blauwgrasland gaat minder snel achteruit, maar neemt wel af. Deze achteruitgang uit zich in de soortensamenstelling - soorten verdwijnen of nemen af - en in vervilting van de vegetatie, waardoor verjonging wordt bemoeilijkt. Het is mogelijk dat op enig moment een omslagpunt wordt bereikt, waardoor de kwaliteit versneld zal afnemen.

Met name voor de Bijenwei is dit een grote zorg. Hier komt namelijk de kern van de populatie pimpernelblauwtjes voor. - Pag. 26: De trend in de kwaliteit van blauwgraslanden in het gebied is overwegend neutraal, maar op verschillende plaatsen negatief door verzuring, vermesting of verdroging. - Pag. 36: Wat betreft de emissie van verzurende en vermestende stoffen is een afname van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied nodig. - Pag. 36: De meest kritieke Habitatrichtlijnsoorten - het donker pimpernelblauwtje en pimpernelblauwtje - zijn in grote mate afhankelijk van de habitattypen glanshaverhooilanden en blauwgrasland. Naast het wegnemen van de verdroging, verzuring en vermesting is ook het beheer belangrijk voor de instandhouding van deze soorten. - Pag. 45: Maatregelen zijn er in eerste instantie vooral op gericht om de achteruitgang van de kwaliteit van dit habitattype in de Bijenweide in reservaat de Moerputten te stoppen. - Pag. 45: Mocht het niet goed gaan met de kwaliteit van de Bijenweide, dan is voor het behoud van het

13

type snel aanvullende oppervlakte nodig. Bovendien moet er snel aanvullend/mogelijk vervangend leefgebied voor de pimpernelblauwtjes gerealiseerd worden. - Pag. 52: Er is overal in dit Natura 2000-gebied een meerjarige hoge depositie van verzurende stoffen. Daarnaast duiden vegetatiewaarnemingen op het steeds meer voorkomen van verzuring. De buffering wordt niet meer of in veel mindere mate aangevuld door kwel- of inundatiewater dan voorheen. - Pag. 52: In het Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek is sprake van een permanente hoge depositie van vermestende stoffen. 50.

Daarnaast verwijst de PB niet naar de volgende aspecten uit het “Profieldocument H6410 Blauwgraslanden” van de Natura2000-dienst van het Ministerie van LNV. - Par. 2: Relatief belang binnen Europa: zeer groot. Blauwgrasland omvat binnen Europa een klein gebied aan de Atlantische kust. Nederland ligt centraal in dit gebied. Verder bevat ons land het merendeel van de oppervlakte van deze Atlantische vorm van het habitattype. - Par. 5: Het wegvallen van inundaties heeft de bodem gevoelig gemaakt voor verzuring doordat regenwaterlenzen konden ontstaan. - Par. 5: Het habitattype sterk bedreigd door verlaging van grondwaterstanden die tot gevolg hebben dat onvoldoende bufferstoffen doordringen tot in de wortelzone. - Par. 5: Het type is zeer gevoelig voor stikstofdepositie en verlangt dus een goede luchtkwaliteit. - Par. 7: Beoordelingsaspect oppervlakte: zeer ongunstig. De oppervlakte van het habitattype is in de loop van de 20e eeuw sterk en gestaag achteruitgegaan. Voor een gunstige staat van instandhouding is een forse uitbreiding nodig. Bij bepaling van het referentieoppervlak bleek dat het huidige voorkomen (oppervlakte) meer dan 10% onder de na te streven waarde ligt. - Par. 7: Beoordelingsaspect kwaliteit: zeer ongunstig. Het blauwgrasland staat nog steeds op veel locaties onder druk door verdroging, verzuring en vermesting. Eindoordeel: zeer ongunstig.

- In de loop van de 20e eeuw is een aantal typische soorten van het blauwgrasland geheel uit ons land verdwenen of sterk achteruitgegaan.

51.

De Moerputten krijgen extra aandacht van onze stichting. Wij hebben over dit gebied meer recht van spreken dan Arcadis, die enkele plekken één keer heeft bezocht en meldt: “niet alle blauwgraslanden waren zichtbaar vanaf de openbare paden.” Wij kennen wél elk plekje van dit gebied! Het gaat om voormalige agrarische gronden die terug gegeven zijn aan de natuur, vanwege een verplichting uit 2011 tot natuurcompensatie voor de aanleg van de randweg van Den Bosch. Dat kwam mede door ons en daarom letten wij goed op wat hier gebeurt. Het beheer lijkt succes te hebben. Toch maken wij ons zorgen. De vraag is in hoeverre het intensieve beheer blijft doorgaan. Hoe dan ook zal bij de toename van stikstof bezien moeten worden of dit afbreuk doet aan de beheers- en instandhoudingsdoelstellingen. Wij menen dat niet voldoende is onderbouwd dat deze niet worden geschaad door de Plannen.

52.

De PB negeert twee vlindersoorten: pimpernelblauwtje en donker pimpernelblauwtje. Het pimpernelblauwtje komt in Nederland alleen nog voor in de Moerputten en is uiterst zeldzaam. Het gaat om habitatrichtlijnsoorten (H1059 en H1061) waarvoor als instandhoudingsdoelstelling geldt: verbetering van de kwaliteit van het leefgebied en uitbreiding tot duurzame populatie. De grote pimpernel, waardplant van deze vlinders, wordt verdrongen door planten die gedijen bij veel stikstof. Elke toename is dus schadelijk voor deze plant en bijgevolg voor de vlinder. Het pimpernelblauwtje is gekwalificeerd als ‘zeer gevoelig’ voor stikstofdepositie8. De PB had deze habitatrichtlijnsoort moeten bezien maar deed dat niet. 8

Bijlage 4 bij Update effectenindicator Natura 2000 d.d. voorjaar 2014

14

53.

De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype is hier: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. De PB heeft alleen – en volgens ons gebrekkig – bezien of de Plannen mogelijk schade berokkenen, maar heeft niet goed beoordeeld of het uitbreidings- en verbeteringsdoel erdoor belemmerd wordt. Wat doet de stikstoftoename bijvoorbeeld met de gronden die grenzen aan het bestaande areaal? Kunnen blauwgraslanden zich daar goed uitbreiden? Of nemen de kansen daarvoor af door toename van stikstof? Dat is niet bezien. Ook is alleen geconcludeerd dat de situatie van dit type niet kan verslechteren, omdat stikstoftoename de vegetatie hier niet zou kunnen veranderen. Maar de instandhoudingsdoelstelling is dat de situatie moet verbéteren. Ook dat is niet bezien. Niet is dus met zekerheid aangetoond dat de instandhoudingsdoelstelling van dit habitattype onmogelijk geschaad kan worden.

54.

Aannemelijk is dat een verdere toename van overschrijding van de kritische depositiewaarde met max. 2,31 mol/ha/j (gedurende de realisatiejaren) en 0,31 mol/ha/j (permanent) tot significante schade leidt aan de blauwgraslanden in de Moerputten. De PB van de Blauwgraslanden is onvolledig, onnauwkeurig en onwetenschappelijk en levert daarom geen aanvaardbaar bewijs dat dit uitgesloten is.

55.

56.

Samenvattend t.a.v. habitattypen De habitatbeschrijvingen laten veel relevante aspecten weg. Overal is toe-geredeneerd naar de conclusie dat een geringe hoeveelheid stikstofneerslag nergens significante schade oplevert. De Profieldocumenten van de habitattypen, die vaak alarmerend zijn over de gevolgen van te veel stikstof, zijn genegeerd of slechts selectief verwerkt. Het aspect ‘zeer gevoelig voor stikstof’ is verhuld met niet-toegelichte getallen. Uitbreidings- en verbeterdoelen zijn niet geanalyseerd. Habitatrichtlijnsoorten zijn niet of nauwelijks bezien. Een aantal habitattypen is niet voor veldonderzoek bezocht; andere typen slechts marginaal. Al met al zijn de beoordelingen van de aangedane habitattypen in deze PB onvolledig, onnauwkeurig en onwetenschappelijk en dus niet zorgvuldig genoeg om de conclusie te onderbouwen dan de Plannen met zekerheid geen significante schade kunnen berokkenen aan Natura2000. SLOTCONCLUSIE Met dat al houden wij vast aan de conclusies en vragen die wij u voorlegden in ons beroepschrift. Mocht Verweerder u vragen het bovenstaande buiten beschouwing te laten vanwege art. 1.6a van de Crisis en herstelwet dan werpen wij daar tegen dat het hier gaat om een reactie op nieuwe feiten die Verweerder heeft ingebracht en om aanvullende argumenten bij reeds in ons beroep aangevoerde beroepsgronden.

Chw 1.6a laat dat onverlet, zoals u eerder uitsprak in o.m. ECLI:NL:RVS: 201603923 ov. 4.4. en ECLI:NL:RVS:2014:4003 ov. 7.2. Verweerder heeft nog alle gelegenheid om e.e.a. te bestuderen. Hoogachtend, Namens het bestuur van de Stichting Natuur- en Milieugroep Vught,

Sander Wieringa, Secretaris / gemachtigde

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=65875d18-8cd8-4b60-8172-6b13832a413f