1. Raad voor Dierenaangelegenheden - Dillema's in de wildopvang
Tekst van het document
De eigen ambulances (wagens+ logo) van de Dierenbescherming hebben een eigen kwaliteitsstandaard. Dierenbescherming steunt de FDN met een gift, maar zijn zelf geen lid van de FDN. Financiering is erg verschillend per ambulance. Er wordt gerekend met verschillende kostprijzen, dat kan variëren van 15 euro tot 75 euro per rit. De vergoedingen die dierenambulances ontvangen zijn ook divers. Veel gemeenten hebben contracten met dierenambulances (Dierenbescherming, lokale partijen) vanuit hun verplichtingen voor het opvangen van gevonden dieren met een vermeende eigenaar (bewaarplicht van twee weken volgens Burgerlijk Wetboek). Verschillende gemeenten nemen als ‘extra dienst’ bij deze opvangorganisaties het vervoer (en soms opvang) van gewonde wilde dieren geheel of gedeeltelijk af, naar eigen zeggen als invulling van de zorgplicht. Er zijn ook gemeenten die voornamelijk subsidies verstrekken, er zijn gemeenten waar alleen mondelinge afspraken mee zijn, en er zijn gemeenten die niet willen betalen. Een (groot) deel van de kosten wordt meestal niet door de overheid gedekt. Daarnaast zijn er verschillende andere manieren van financiële steun, zoals steun van burgers, subsidies, inkomsten van donateurs, giften en erfenissen.
De (mogelijke) risico’s door het ontbreken van duidelijke beleidsregels en kwaliteitseisen voor dierenambulances vanuit de overheid zijn al genoemd in paragraaf 3.3.1. Wat daarnaast volgens de geïnterviewden de kwaliteit van vervoer van dieren kan beïnvloeden, zijn de vele verschillen in financiering en ondersteuning van de kosten. Een (groot) deel van de kosten wordt meestal niet door de overheid gedekt. Gemeenten die wel contracten hebben, stellen niet vaak eisen. Er is volgens enkele geïnterviewden kwaliteitsverschil en de partijen die gecontracteerd zijn hebben niet altijd evenveel kennis en expertise, of ruimte om zich te verdiepen. Daar hebben ze ook niet allemaal dezelfde mogelijkheden voor, aldus enkele geïnterviewden. Het zijn in de kern, behalve een enkele uitzonderingen zoals Dierenbescherming, allemaal vrijwilligersorganisaties, volgens sommige geïnterviewden vaak bestaande uit mensen die vanuit gedrevenheid instappen en soms al 20-30 jaar rondrijden. Volgens sommige geïnterviewden is daar niet altijd ruimte voor nieuwe inzichten op het gebied van dierenhulpverlening, zelfreflectie en overdracht van dieren.
In één van de interviews kwam naar voren dat een overheid hier meer sturing aan zou kunnen geven door goede vragen te stellen, zoals ‘Hoe leiden jullie mensen op?’, ‘Met welk materiaal werken jullie?’, ‘Hoe vindt inwerken plaats?’, ‘Hoe zit het met de veiligheid van medewerkers ’s nachts, gaan ze alleen of met z’n 2-en op pad, hoe handelen ze bij problemen?’. Door goed te bevragen kan volgens de geïnterviewde zo een goed beeld worden gekregen van de organisatie, nog los van
RDA.2022.073
ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 43
actuele kennis over hulp aan dieren, over bijv. de persoonlijke bescherming van medewerkers, dingen die ze wel en ook niet verrichten. De verschillen leiden volgens enkele geïnterviewden ook tot verschillen in handelswijze. Zo rijdt de ene dierenambulance dag en nacht voor elk dier en kunnen ze door hun professionaliteit ook worden ingezet voor EHBO aan mensen (AED, zuurstof aan boord); de andere (een enkeling) rijdt alleen onregelmatig voor de ‘leuke’ dieren of heel specifiek voor bepaalde dieren. De burger weet niet altijd waar hij van op aan kan.
Opvang en behandeling De keus bij binnenkomst van dieren bij een wildopvang of dierenarts is gericht op de mogelijkheid voor terugkeer van het dier in de natuur en houdt rekening met het welzijn van het dier op korte (tijdens behandeling en opvang) en langere termijn (daarna). Welke dieren zijn kansrijk en welke niet? Langdurige verzorging van dieren die niet meer kunnen worden uitgeplaatst, die geen soortbehoudswaarde hebben, en waarvan het welzijn door de opvang (niet opzettelijk maar wel een gevolg ervan) wordt aangetast is niet gewenst: niet vanuit het dier, niet vanuit de opvang en ook niet vanuit de wet. In Nederland zijn rond de 70 opvangcentra die zich bezighouden met de opvang van uit het wild afkomstige dieren. Deze opvangcentra kennen een grote variatie, onder andere qua: • grootte – varieert van kleine centra die enkele dieren per jaar opvangen tot grote opvangcentra met wel 11.000 dieren per jaar • specialisatie en expertise – sommige opvangcentra zijn gespecialiseerd in bepaalde soorten zoals egels, eekhoorns of vleermuizen, andere opvangcentra vangen meerdere soorten dieren/ diergroepen op • kennis, kunde, professionaliteit – Sommige centra kunnen bouwen op jarenlange ervaring en continue ontwikkeling daarvan, andere komen nog maar net kijken en zoeken daarin hun weg.
• regionale spreiding – sommige regio’s zijn goed voorzien van verschillende centra waardoor aanrijtijden voor dieren niet lang zijn, andere regio’s zijn minder goed bedeeld of hebben helemaal geen mogelijkheden in de omgeving (in Maastricht wordt bijvoorbeeld samengewerkt met opvang over de grens) • historie – sommige opvangcentra bestaan al tientallen jaren en kennen een uitgebreide voorgeschiedenis en ontwikkeling met bekendheid in de omgeving, andere centra zijn jonger • organisatie – sommige opvangcentra hebben een aantal vaste medewerkers en een grote pool van vrijwilligers, andere opvangcentra draaien geheel op een groep vrijwilligers • opleidingseisen voor medewerkers – van uitgebreide interne opleiding tot leren ‘on the job’ • financiële basis en stabiliteit – net zoals bij vervoer zijn financiële bronnen en verdeling bij alle opvangcentra verschillend, maar geen enkel opvangcentrum kent een stabiele financiële structuur voor langer dan een jaar-enkele jaren. De meeste centra weten niet of ze volgend jaar nog kunnen bestaan. • bijdrage aan onderzoek – alle opvangcentra registreren informatie over dieren die binnenkomen en wat er mee gebeurt. Sommigen registreren basisinformatie, anderen proberen meer bij te houden voor onderzoeksdoeleinden en informeren burgers wat er met ‘hun’ dieren is gebeurd.
Het ontbreekt meestal aan tijd en capaciteit om zelf iets onderzoeksmatig met geregistreerde gegevens te doen. Meerdere opvangcentra gaven in de interviews bijvoorbeeld aan dat ze ook oorzaken bijhouden. Ter illustratie getallen van een opvangcentra: − in 2020 was 1/3 van de binnengekomen dieren verweesd − in 2020 was 1/3 van de binnengekomen dieren ziek (botulisme/vogelgriep) − in 2020 was 1/3 van de dieren gewond (ramen, honden, katten)
RDA.2022.073
ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 44
Onderling weten de opvangcentra elkaar te vinden als het gaat om behandeling van bijzondere dieren of bijzondere gevallen. Iedereen weet dat je voor watervogels ergens anders moet zijn dan voor roofvogels. Ze wisselen kennis en informatie uit, maar ook dieren. Ze bellen elkaar met vragen, hebben app-contact en -groepen en proberen bij nieuwe gevallen niet zelf het wiel uit te vinden. Sommige overleggen op regelmatige basis met elkaar. Er is geen overkoepelende organisatie (meer) voor opvangcentra van wilde dieren. In het verleden is een aantal keer geprobeerd om zoiets op te zetten. Zoals de oprichting in 1998 van VOND (Vereniging Opvang Niet-gedomesticeerde Dieren), die met o.a. het opstellen van kwaliteitsprotocollen heeft bijgedragen aan de borging van dierenwelzijn, revalidatie en terugplaatsing in de natuur en professionaliteit en controleerbaarheid van de opvangcentra. Ook was er in 2014 de oprichting van de BVVN (Belangenbehartiging van Vogelopvangcentra Nederland), die in 2017 weer werd ontbonden. Dit soort initiatieven zijn volgens geïnterviewden ‘doodgebloed door gebrek aan financiering’ of doordat ze ‘van buitenaf waren opgelegd’. Ook wordt de ‘eigenwijsheid’ van de sector meerdere keren genoemd. Geïnterviewden vinden zowel zichzelf als andere opvangcentra eigenwijs in ideeën over en aanpak van de opvang van wilde dieren.
Iedereen kent zo zijn eigen manieren van voer, voeren, verzorgen en behandelen en heeft daarin zijn eigen succeservaringen. Iedere opvang koestert daarin zijn eigen identiteit en respecteert doorgaans de identiteit van de andere centra, ook als ze het helemaal anders doen. Een nieuw initiatief is de in 2021 opgerichte stichting wildopvang.nl. Deze probeert vanaf 2016 wildopvangcentra bij elkaar te brengen, door contact te verbeteren, relaties te onderhouden en het organiseren van ad-hoc initiatieven om onderling vertrouwen te kweken. De stichting heeft een online platform, waar bijvoorbeeld in het kader van vogelgriep opvangcentra in een afgesloten groep informatie uit kunnen wisselen. Ook is er een groep voor de overheid. De grotere dierenorganisaties zoals Dierenbescherming en Stichting Dierenlot zijn op verschillende manieren bezig met wildopvang. Dierenbescherming heeft een tweetal eigen opvangcentra en diverse dierenambulances (en een eigen meldkamer). Dierenlot helpt zelfstandige opvangcentra met financiering en ondersteuning, zowel kosten als middelen. Dierenlot organiseert elk jaar een landelijk congres en een landelijke bijeenkomst over dierenhulpverlening (zowel gezelschapsdieren als wilde dieren). Dierenbescherming en Dierenlot hebben onderling contact en overleg.
Door sommige centra in interviews genoemd, maar zeker niet door alle centra ook zo herkend is dat er momenteel sprake zou zijn van een overgang van een ‘oudere generatie’ opvang naar een ‘nieuwere generatie’. De oudere generatie zou gaan om de pioniers die al 20-30 jaar in het vak zitten en de kwaliteitsslag door de beleidsregels van 2015 hebben ‘overleefd’. De oudjes zouden opereren als eenzame eilandjes en weinig willen samenwerken. De nieuwere generatie zou daarbij beter openstaan voor brede samenwerking, nieuwe (wetenschappelijke) ontwikkelingen in opvangland, best practices, leren van professionele buitenlandse experts en organisaties en leergieriger zijn. De subsidiering van wildopvangcentra is momenteel diffuus. Vanuit de rijksoverheid wordt niets bijgedragen. Er zijn 3 provincies die opvangcentra in hun regio financieel ondersteunen. Ook Noord-Holland (100.000 euro per jaar, voor 2020 en 2021), Limburg (kostendekkend vervoer naar opvangcentrum in België) en Utrecht (vanaf 2020 per jaar 50.000 euro, waarvan 10.000 euro noodfonds en rest gericht op professionalisering en verbeteringen). In het verleden heeft de provincie Noord-Brabant ook voor een periode financiële ondersteuning gegeven aan een samenwerkingsverband van een aantal centra die hiervoor gezamenlijk bij hen aanklopten. Gemeentelijke bijdrages zijn erg verschillend.
Geen enkele bijdrage, financiële ondersteuning
RDA.2022.073
ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 45
van een opvang in de eigen gemeente tot overeenkomsten en contractuele afspraken tussen opvangcentra en verschillende gemeenten waarvoor ze de dieren opvangen: alles komt voor. De meeste opvangcentra vangen op voor dieren uit meerdere gemeenten, niet al die gemeenten dragen bij. Volgens de geïnterviewde partijen dragen de meeste gemeenten niets bij. Het vinden van voldoende financiering en daarmee bestaanszekerheid en continuïteit in zorg en hulp aan hulpbehoevende wilde dieren in wildopvangcentra wordt in de interviews benoemd als grootste probleem. Uit de interviews van de RDA komt naar voren dat geen enkele van de geïnterviewde opvangcentra een stabiele financiële structuur kent voor langer dan een jaar tot enkele jaren. De meeste centra weten niet of ze daarna nog kunnen bestaan. Er is in de gehouden interviews volop discussie over wie wat zou moeten doen qua ondersteuning van wildopvangcentra vanuit de overheid. Opvangcentra zien zelf vaak hun regionale functie en benoemen dat provincies, die verantwoordelijk zijn voor dieren in de natuur en ontheffingen aan opvangcentra, meer verantwoordelijkheid hebben en zouden moeten nemen dan nu het geval is. Voor opvangcentra is het belangrijker dat het geregeld wordt, dan wie dat doet en betaalt.
Gemeentes wijzen volgens geïnterviewden voor verantwoordelijkheid en financiering vaak naar provincies en andersom; provincies zelf zien opvang van wilde dieren niet (altijd) als hun verantwoordelijkheid, omdat opvang naar hun idee niet bijdraagt aan de verantwoordelijkheden voor het voortbestaan van populaties en soorten. Daar zit volgens de RDA een spanningsveld in ideeën over natuur en dierenwelzijn. Dierenwelzijn staat niet altijd gelijk aan soortenbescherming en andersom. Een deel van de opvangcentra is het eens met dat zij niet direct aan populatiebehoud bijdragen, maar sommigen zien wel degelijk een toegevoegde waarde van het opvangen en uitzetten van dieren. Ze zijn het wel eens over dat de functie van opvang van wilde dieren indirect bijdraagt aan meer kennis en begrip van burgers over wilde dieren en natuur. Op deze manier worden mensen betrokken bij de dieren in hun leefomgeving en kunnen ze daar naar hun idee actief aan bijdragen. De zelfstandigheid van alle individuele wildopvangcentra maakt het volgens de meeste geïnterviewden soms lastig om één geluid te laten horen als sector. De meeste centra vinden het ook niet prettig als een andere organisatie ze als spreekbuis vertegenwoordigt. Er is behoefte om elkaar meer en beter te vinden en samen te werken.
Niet alleen op het gebied van informatie, kennis en ervaring uitwisselen over de verzorging en behandeling van hulpbehoevende dieren, maar ook om samen financiële middelen te zoeken. De keren dat opvangcentra op lokale/ regionale schaal samen zijn opgetrokken om bij overheden subsidies te krijgen lijken doorgaans succesvol. Centra lijken elkaar volgens geïnterviewden daarvoor nu vaker op te zoeken dan vroeger, maar werken ook erg in de waan van de dag. “Dat is ook niet zo gek als je vandaag niet weet of je morgen nog kunt bestaan en er elke dag weer nieuwe dieren op de stoep staan om opgevangen te worden” (citaat geïnterviewde). Samenwerkingsverbanden vallen dan ook snel weer uit elkaar. Een regisseur of koepel wordt bijvoorbeeld in de interviews wel geopperd en zou kunnen helpen om uit de dagelijkse waan te stappen. Om daarin de eigen identiteit van centra te respecteren zou een goede vorm moeten worden gezocht om dat mogelijk te maken. Vooral het uitwisselen van inhoudelijke kennis en informatie zou voor geïnterviewden een belangrijke reden zijn om hieraan deel te nemen.
RDA.2022.073
ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 46
Euthanasie, uitzetten en permanente opvang Opvang van wilde dieren is altijd tijdelijk en gericht op het weer uitzetten in het wild. Permanente opvang is geen optie voor wilde dieren en daarom zullen opvangcentra in hun triage altijd rekening houden met de kansen op succesvolle uitzetting. Voor sommige dieren is het belangrijk om weer uitgezet te worden in een bekend gebied, zoals egels, en voor sommige dieren zoals vogels die beter zelf hun plek kunnen vinden, maakt het minder uit. Uitzetten gebeurt in elk geval altijd op veilige locaties met de meeste kans op herstel van het dier. De verschillende opvangcentra die de RDA heeft gesproken noemen diverse percentages van succesvolle behandeling en kans op uitzetting. Globaal gezien komen de volgende getallen naar voren: • 1 op de 3 dieren bij de dierenambulance gaat naar de opvang, 2 van de 3 sterven alsnog of worden geëuthanaseerd • in de opvang sterft 30% van de binnengebracht dieren binnen 24 uur/in de eerste dagen (uit zichzelf of door euthanasie). Er worden percentages tussen de 33 en 50% genoemd voor totale sterfte. • de meeste centra schatten terugplaatsingscijfers tussen de 33 en 50%. Een enkele noemt een uitschieter tot 60-70%. Door andere centra worden zulke hoge aantallen juist niet mogelijk geacht (of alleen in specifieke gevallen voor centra met specifieke soorten) en twijfelen ze aan de correctheid daarvan.
Wanneer de kans op herstel of op een succesvolle uitzetting nihil is, wordt euthanasie overwogen. Deze overweging gebeurt op verschillende momenten, namelijk bij elke volgende triage (van vondst en melding tot aankomst bij de opvang en behandeling). Euthanasie is altijd gericht op het voorkomen van (verder) lijden van het dier of een dieronwaardig bestaan. Over de afvoer van kadavers is weinig opgemerkt tijdens interviews, alleen dat het soms zonde is dat dieren niet gebruikt mogen worden als voer voor andere dieren. Voor euthanasie is het belangrijk dat deze wordt uitgevoerd door een deskundige met voldoende kennis en ervaring. In de praktijk worstelen opvangcentra daar soms mee. Als er voor elke euthanasie volgens de regels een dierenarts aanwezig moet zijn, is dat moeilijk uit te voeren in praktijk, gezien de grote aantallen dieren per opvang. Zowel qua capaciteit als qua kosten. Ook kunnen de meest diervriendelijke oplossingen meer kosten met zich meebrengen. Te alle tijde moeten onkunde en ondeugdelijke methoden worden voorkomen. Hiervoor is door de minister een apart advies gevraagd bij CenSAS. In 2021 is een rapport opgeleverd over geschikte methoden van doding van dieren in wildopvangcentra door niet-dierenartsen (CenSAS, 2021). De RDA gaat er vanuit dat heikele kwesties hierin voldoende aan de orde zijn gekomen en zal hier verder niet op ingaan.
RDA.2022.073
ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 47
Samenstelling van de Raad De Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) is een onafhankelijke raad van deskundigen die de staatssecretaris van Economische Zaken gevraagd en ongevraagd adviseert over multidisciplinaire vraagstukken op het gebied van dierenwelzijn en diergezondheid. De RDA bestaat uit wetenschappelijke experts en praktijkdeskundigen die op persoonlijke titel, zonder last of ruggespraak, zitting hebben in de Raad. De concept zienswijze is ter beoordeling voorgelegd aan de gehele raad. Deze zienswijze is daarmee een product van de hele Raad. Suggestie voor referentie: RDA, Raad voor Dierenaangelegenheden (2022). Dilemma's in de wildopvang. Zorg voor hulpbehoevende wilde dieren. Den Haag, Nederland. 47 pp.
De RDA bestond op 1 april 2022 uit de volgende leden: Prof.dr. J.J.M. van Alphen Dr.ir. G.B.C. Backus J.P. van den Berg W.T.A.A.G.M. van den Bergh Dr. J.J.L. Candel MA Drs. H.R. Chalmers Hoynck van Papendrecht Prof.dr.ir. G.M. van Dijk Dr. N. Endenburg PhD Prof.dr. R. Gehring Drs. D. van Gennep Prof.dr. M.A.M. Groenen Prof.dr. S. Haring Prof.dr.ir. L.A. den Hartog A.L. ten Have-Mellema Prof.dr.ir. J.A.P. Heesterbeek Drs. G. Hofstra J.A.M. Huijbers Prof.dr.ir. A. van Huis Prof.dr.ir. B. Kemp A. Kemps Prof.dr. M.F.M. Langelaar
Dr. L.J.A. Lipman Drs. F.E. Rietkerk Mr. C.W. Ripmeester Prof.dr.ir. T.B. Rodenburg Dr. M.C.Th. Scholten Prof.dr. Y.H. Schukken Ir. G.C. Six Drs. M. Slob Prof.dr. G.R. de Snoo Mr.drs. J. Staman, voorzitter Dr.ir. J.W.G.M. Swinkels Drs. R.A. Tombrock Prof.dr.ir. J.C.M. van Trijp Dr. H.A.P. Urlings Dr. J.B.F. van der Valk J. van de Ven Drs. F.A.L.M. Verstappen Mr.dr. J. Vink Secretaris van de Raad is ir. M.H.W. Schakenraad
Meer informatie over de Raad voor Dierenaangelegenheden vindt u op onze website: www.RDA.nl. Daar kunt u ook alle eerder uitgebrachte adviezen downloaden.
RDA.2022.073
ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 48
raad voor dierenaangelegenheden
Dilemma’s in de wildopvang Zorg voor hulpbehoevende wilde dieren
Samenvatting DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – RAAD VOOR DIERENAANGELEGENHEDEN – 1
Doel en activiteiten van de Raad
Woord vooraf
De Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) is een onafhankelijke raad van deskundigen die de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gevraagd of op eigen initiatief adviseert over multidisciplinaire vraagstukken op het gebied van dierenwelzijn inclusief diergezondheid en ethische vraagstukken. De RDA bestaat uit ongeveer veertig leden met zeer uiteenlopende achtergrond en deskundigheid, die er op persoonlijke titel en zonder last of ruggespraak zitting in hebben.
Als een dier in onze omgeving ziek of gewond is, schakelen we hulp in. Daarover is geen discussie voor gezelschapsdieren of productiedieren. Voor dieren in het wild ligt dat ingewikkelder. De minister van LNV heeft daarom gevraagd een zienswijze op te stellen. De vraag óf we dieren in nood moeten helpen is gemakkelijk te beantwoorden. Daarvoor geldt een wettelijke zorgplicht. Maar dieren in de natuur horen we zoveel mogelijk met rust te laten, zoals we in de zienswijze Zorgplicht Natuurlijk Gewogen hebben vastgesteld.
In onze zienswijze geven we handvatten om met het dilemma om te gaan wanneer dieren onze zorg nodig hebben en wanneer we ze met rust moeten laten. We vinden dat de wildopvang meer aandacht verdient van de verschillende overheden. De opvang van hulpbehoevende wilde dieren is weliswaar een zaak voor iedereen, maar overheden kunnen sterker dan nu kwaliteit, kennisdeling en financiering faciliteren. Samen met een goede informatievoorziening aan burgers kan dit de zorg aan hulpbehoevende wilde dieren verbeteren.
Mensen helpen een dier graag, maar het is niet altijd even eenvoudig om in te schatten of een wild dier hulp nodig heeft of juist met rust moet worden gelaten. De minister van LNV heeft daarom gevraagd een zienswijze op te stellen over de vraag of hulpbehoevende dieren moeten worden geholpen, hoe en door wie.
Deze publieksuitgave is een beknopte weergave van de zienswijze. De integrale versie is beschikbaar op de website van de RDA.
De Raad voor Dierenaangelegenheden behandelt vraagstukken over de volle breedte van het dierbeleid: over gehouden en nietgehouden, dus ‘in het wild levende’ dieren, over hobbydieren, over gezelschapsdieren, en over productie- en proefdieren. De RDA legt het resultaat van zijn beraads lagingen neer in een zogenaamde zienswijze. Die geeft een overzicht van wetenschappelijke en maatschappelijke achtergronden van een vraagstuk, en adviseert over beleidsrichtingen en oplossingsrichtingen voor dilemma’s. Consensus is niet noodzakelijk: een ziens wijze van de Raad kan minderheidsstand punten bevatten.
We hebben hiervoor veel gesprekken gevoerd met de mensen in de praktijk. We zien dat deze sector draait op bevlogen, hardwerkende medewerkers en vrijwilligers, allen zeer betrokken bij natuur en dierenwelzijn.
Den Haag, juli 2022
Jan Staman, voorzitter
Marc Schakenraad, secretaris
raad voor dierenaangelegenheden
Dilemma’s in de wildopvang Zorg voor hulpbehoevende wilde dieren
Samenvatting
Interview forumvoorzitter Jacques van Alphen
‘Zorgplicht is voor burgers zoekplicht naar deskundigheid’ De vraag óf hulpbehoevende dieren in het wild geholpen moeten worden is eenvoudig te beantwoorden: ja. Burgers die een dier in nood aantreffen, moeten professionele deskundigheid kunnen inschakelen. Bij de organisatie en uitvoering van de hulp zijn echter een aantal verbeterpunten, constateert de RDA in de zienswijze ‘Dilemma’s in de wildopvang, zorg voor hulpbehoevende wilde dieren’. De zienswijze is opgesteld op verzoek van de minister van LNV. De minister wilde weten of een hulpbehoevend dier geholpen moet worden, op welke manier en door wie. “Deze vraag komt onder meer voort uit eerdere maatschappelijke discussies over wilde dieren die geholpen werden terwijl dat juist niet moest,” vertelt Jacques van Alphen. Van Alphen, gepensioneerd hoogleraar dierenecologie, is de voorzitter van het RDA-forum dat de zienswijze heeft voorbereid. “De RDA heeft al eerder een zienswijze over dieren in de natuur geformuleerd, waarbij de belangrijkste boodschap de zogenaamde ‘afblijfplicht’ was. Dat betekent dat we wilde dieren zoveel mogelijk met rust laten. Nu de vraag wordt gesteld over hulpbehoevende wilde dieren, komt daar nog iets bij, namelijk de zorgplicht”, legt hij uit.
“We hebben eerst gekeken naar de wettelijke achtergronden en dan moeten we, kort door de bocht, de vraag van de minister met ‘ja’ beantwoorden: een hulpbehoevend wild dier moet geholpen worden vanuit de wettelijke zorgplicht.”
“Daarna hebben we nagedacht over wanneer wél en wanneer niet, en ook over het ‘hoe’. Het is een ingewikkelde vraag, omdat er zoveel soorten dieren zijn. Bovendien is er ook een ethisch dilemma, omdat opvangcentra hun best doen om dieren op te lappen en weer uit te zetten, terwijl er daarnaast dieren worden afgemaakt om de populatie te beheersen of overlast te voorkomen. Dat speelt bijvoorbeeld bij het wettelijke verbod om exoten van bepaalde soorten weer uit te zetten en de wettelijke plicht om deze te bestrijden“. “Het traject van beoordeling voor wel of niet helpen vraagt om deskundigheid. Zo is een burger die een hulpbehoevend wild dier aantreft verplicht hulp in te schakelen. We noemen dit: zoekplicht naar deskundigheid.“ Om grip te krijgen op het complexe traject zijn voor deze zienswijze verschillende instanties en deskundigen die zich bezighouden met opvang en hulpverlening voor dieren, geïnterviewd. “Zo hebben we informatie over de vraagstukken en knelpunten uit de praktijk.”
Knelpunten “In onze zienswijze hebben we ons gebogen over de vragen en mogelijke antwoorden, en daarnaast ook knelpunten in de praktijk gesignaleerd. Die hebben te maken met de vraag òf en hoé hulpbehoevende dieren geholpen moeten worden. Daarbij gaat het vooral om de organisatie en financiering van de betrokken instanties zoals opvangcentra en dierenambulances. Dit ligt in woord bij de provincies, maar in de praktijk vooral bij
4 – DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – RAAD VOOR DIERENAANGELEGENHEDEN
Foto: Wiebe Kiestra Forum-voorzitter Jacques van Alphen
de gemeentes. Daar komt bij dat het budget voor de instanties vaak maar tijdelijk is, zodat ze geen plannen kunnen maken voor de lange termijn. Het zijn vaak lokale initiatieven, met hun eigen gewoontes. Dat betekent dat er landelijk verschillen zijn in hoe dieren vervoerd en opgevangen worden. Het betekent ook dat er, vooral als het gaat om dierenambulances, geen toetsing is van de kwaliteit van het vervoer. Terwijl de deskundigheid over wat het beste is voor een hulpbehoevend wild dier, daar zou moeten beginnen.”
Eindverantwoordelijkheid Wat zijn de aanbevelingen van de RDA? “De vraag of een hulpbehoevend (wild) dier geholpen moet worden, kunnen we – vanuit wettelijke en ook ethische redenen – met ‘ja’ beantwoorden. De rijksoverheid heeft daarin een eindverantwoordelijkheid; vooral voor (structurele) financiering en ook voor het faciliteren van het delen van kennis zodat betrokkenen van elkaar kunnen leren”, aldus Van Alphen. “Daarnaast heeft de overheid een verantwoordelijkheid voor het maken van een
DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – RAAD VOOR DIERENAANGELEGENHEDEN – 5
hulpbehoevend wild dier vinden. Wat moeten ze doen in verschillende gevallen? En hoe kunnen we alle burgers bereiken? Kortom: dit zijn de zaken waar het rijk zich over kan buigen: structurele financiering, kwaliteitseisen, delen van kennis en ervaring en voorlichting aan de burgers.”
Foto: Dierenbescherming
pakket van kwaliteitseisen dat door iedereen geaccepteerd wordt. Het gaat om het professionaliseren van in ieder geval de dierenambulances, omdat deze - samen met 144 - de eerste lijn zijn bij hulpbehoevende dieren. We vinden ook dat er meer aandacht mag zijn voor informatie richting een breder publiek, want het zijn vaak burgers die een
De mogelijke kans op terugkeer in de natuur is een belangrijk uitgangspunt
6 – DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – RAAD VOOR DIERENAANGELEGENHEDEN
Korte weergave van de zienswijze Achtergrond en aanleiding Op 20 augustus 2020 ontving de RDA van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) de vraag óf en hóe een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen; en door wie.
Wet dieren Hulpbehoevende wilde dieren moeten worden geholpen, op grond van een voorschrift in de Wet dieren (H2, paragraaf 1, artikel 2.1 Dierenmishandeling, lid 6 en 7): “6) Een ieder verleent een hulpbehoevend dier de nodige zorg. 7) Het bij en krachtens het eerste tot en met het zesde lid bepaalde is tevens van toepassing ten aanzien van andere dan gehouden dieren”. In de Memorie van Toelichting van de Wet dieren, pag. 82 staat een verwijzing naar dit artikel ”Ook de plicht tot het verlenen van de nodige zorg aan hulpbehoevende dieren is ten aanzien van wilde dieren van toepassing”.
en als interventie/maatregelen maatschappelijk aanvaardbaar zijn of lijden maatschappelijk onaanvaardbaar is” (RDA, 2017). Dieren in de natuur raken in de problemen, verzwakken, lijden of sterven, al dan niet door toedoen van ziekten en predatoren. Dat is onderdeel van de levenscyclus in het ecologische systeem.
Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming en de Wet dieren beogen niet het lijden van wilde dieren in algemene zin aan te pakken. De Wet natuurbescherming geeft aan dat een ieder voldoende zorg
In eerdere zienswijzen heeft de RDA zijn beschouwing gegeven over de wijze waarop mensen in de praktijk invulling geven aan hun morele verantwoordelijkheid voor het welzijn van (wilde) dieren, eerder benoemd onder de term ‘zorgplicht’, als term die alle gradaties van zorg omvat (RDA, 2012; RDA, 2017). Dieren zijn levende, voelende wezens en hebben intrinsieke waarde. De mens heeft direct of indirect invloed op de mogelijkheden van individuele dieren en van dierpopulaties, om zich aan te passen aan de heersende omstandigheden. Dat betekent niet dat alle dieren altijd geholpen moeten worden. Ingrijpen is noodzakelijk “Indien het aanpassingsvermogen van het dier is overschreden en ingrijpen fysiek/technisch mogelijk is en er geen mens- of dier gerichte belangen zijn die zwaarder wegen dan welzijnsaantasting
Foto: Coatesy/Shutterstock)
Niet altijd ingrijpen
Jonge haasjes komen door onwetendheid vaak onterecht in de opvang
DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – RAAD VOOR DIERENAANGELEGENHEDEN – 7
Foto: slowmotiongli/Adobe Stock Lijden en sterven zijn onderdeel van het ecologisch systeem
in acht neemt voor in het wild levende dieren en hun directe leefomgeving, en handelen met mogelijke nadelige gevolgen in principe achterwege laat. Zorg voor wilde dieren is dus op verschillende manieren in de wetgeving opgenomen. De RDA ziet vanwege deze verschillen als centrale vraag wanneer een dier wel of niet hulpbehoevend is.
Hulpbehoevendheid Of een dier hulpbehoevend of zelfredzaam is, hangt af van het aanpassingsvermogen van het dier in een specifieke omstandigheid. Steeds vaker komen mens en dier elkaar tegen en is onderscheid tussen natuurlijke leefomgeving van dieren en leefomgeving van mensen niet goed meer te maken. In een stedelijke context waarin lijdende dieren worden aangetroffen door mensen is het inschatten van dit onderscheid door burgers dan ook lastig, zij kunnen vaak moeilijk vaststellen of het aanpassingsvermogen van het dier is overschreden. Voor afwe-
gingen omtrent wel of niet ingrijpen (en op welke manier) is vaak (veterinaire en biologische) deskundigheid1 nodig. Gewonde en gecontamineerde dieren (olie, afval) zijn hulpbehoevend, zij kunnen niet langer voor zichzelf zorgen en kunnen zich niet meer aanpassen aan de situatie. Voor verzwakte, uitgeputte en zieke dieren moeten specifieke afwegingen worden gemaakt; niet alleen op het niveau van het individuele dier, maar ook vanwege het effect op de populatie en het ecosysteem waartoe ze behoren. Jonge dieren en oververmoeide dieren zoals trekvogels zijn meestal niet hulpbehoevend en kunnen zich nog aanpassen aan de situatie.
Zoekplicht naar deskundigheid In eerste instantie worden dieren in het wild zoveel mogelijk met rust gelaten. Wanneer iemand een (levend) dier aantreft 1
Het “redden” van vogels met vogelgriep kan bijvoorbeeld een gevaar voor de gezondheid van de mens betekenen. Botulisme slachtoffers kunnen daarentegen wel worden geholpen.
8 – DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – RAAD VOOR DIERENAANGELEGENHEDEN
een specialist/deskundige worden beantwoord. Dit is niet alleen om het welzijn van het dier te garanderen, maar ook voor de veiligheid van degene die een hulpbehoevend (wild) dier vindt. In sommige gevallen kunnen capabele burgers wel zelf dieren verplaatsen, maar bij twijfel moet toch deskundige hulp of advies worden gevraagd.
Deskundige hulp De zorgplicht geldt voor iedereen, maar niet iedereen heeft dezelfde verantwoordelijkheid. Mensen hebben empathie voor hulpbehoevende dieren en voelen een urgentie om te helpen, maar missen vaak de kennis en ervaring om in te schatten of en welke hulp nodig is. Het beste is om de mensen vooraf en generiek te informeren over de noodzaak om hulp in te schakelen van een deskundige die elke situatie kan beoordelen en een goede afweging
Foto: Colin Seddon/Shutterstock
dat op zijn/haar toenadering niet reageert, gebrekkige pogingen onderneemt om te vluchten, te dreigen of te vechten, moet worden aangenomen dat dit dier niet meer kan functioneren zonder hulp. Ook van een gewone burger wordt dan verwacht dat hij of zij hulp verleent. Deze hulp bestaat uit wat we noemen een ‘zoekplicht naar deskundigheid’: het inschakelen van de dierenambulance of hulpdiensten, of 144 bellen voor advies over de mate van hulpbehoevendheid van het dier en bijbehorend handelingsperspectief. Het is belangrijk bij de zoekplicht naar deskundigheid dat burgers weten welke handelingsperspectieven ze hebben wanneer ze een hulpbehoevend wild dier aantreffen en waar ze voor deskundige hulp en noodzakelijke informatie terecht kunnen (wat ze als eerste moeten doen). Dat is dus niet het zelf vangen en vervoeren van dieren en zeker niet het zelf verzorgen. Wat de beste hulp is voor een hulpbehoevend dier kan het beste door
Dieren raken vaak in de problemen door menselijk handelen DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – RAAD VOOR DIERENAANGELEGENHEDEN – 9
Foto: Albert Stam/Nationale Beeldbank Het is belangrijk dat burgers weten welk handelingsperspectief ze hebben als ze een hulpbehoevend wild dier aantreffen
kan maken. Hoe een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen is namelijk afhankelijk van de omstandigheden. Elke situatie is uniek en vraagt om een specifieke beoordeling van de beste hulp. Hiervoor is ervaring vereist. De hulpverlening aan wilde dieren bestaat uit een keten van verschillende hulpverleners - zoals 144, wildopvangcentra, dierenambulances en dierenartsen - met fasen van besluitvorming.
Overal dezelfde basiskwaliteit gewenst Goede zorg kan bestaan uit het tegengaan van lijden, of goede verzorging als er perspectief is op weer leven in de natuur. Om daar recht aan te doen moet volgens de RDA hulp aan hulpbehoevende wilde dieren verbeterd worden en moeten alle dieren overal dezelfde basiskwaliteit van hulp (kunnen) krijgen. Het vinden van voldoende financiering en daarmee bestaanszekerheid en continuïteit in zorg en hulp aan hulpbehoevende wilde dieren is een groot probleem dat wildopvangcentra naar eigen
zeggen niet alleen kunnen oplossen. Bij een wettelijk vastgelegde zorgplicht voor de burger ligt het in de lijn der verwachting dat de overheid de middelen zou verschaffen om de uitvoering van de zorgplicht te faciliteren zodat er voldoende uniformiteit en continuïteit van wildopvang is. Gezien de regionale functie van wildopvangcentra en de verantwoordelijkheid voor natuurbeheer bij de provincies, dient ook op dat niveau ondersteuning te worden gegeven. De RDA ziet hiervoor verbeterpunten met daarin een trekkende rol voor de rijksoverheid en doet daarom onderstaande aanbevelingen.
Aanbevelingen In het belang van het welzijn van wilde dieren, raadt de RDA de minister aan om in overleg en samenwerking met de sector en andere overheden in te zetten op de volgende 3 punten ter verbetering van hulp:
10 – DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – RAAD VOOR DIERENAANGELEGENHEDEN
2. Zorg voor een landelijke basiskwaliteit van hulp • De rijksoverheid heeft een leidende rol in het faciliteren van een landelijk netwerk voor uniformiteit, continuïteit en basiskwaliteit als het gaat om hulpverlening aan (wilde) dieren. • Landelijke beleidsregels en kwaliteitseisen van dierenhulpverlening zijn niet alleen nodig voor wildopvangcentra, maar moeten ook opgesteld worden voor vervoerders van dieren en andere hulpverleners in de keten. (Bestaande) private keurmerken en kwaliteitsinitiatieven van dierenambulances dienen te worden gestimuleerd en wellicht zelfs te worden voorgeschreven, waaronder regels over landelijke dekking en acceptabele aanrijdtijden zodat deskundige hulp voor alle dieren in het land bereikbaar is. • De overheid heeft een controlerende taak om ‘wildgroei’ van onprofessionele opvangcentra in de sector te voorko-
men. Dat kan door het faciliteren van transparante regels, ethologische, veterinaire, juridische en morele afbakening en het regelen van toezicht. Bij dierenambulances kan een kwaliteitsslag gemaakt worden door het regelen van bovenstaande punten, toezicht en een openbare handelwijze. • Een in het leven te roepen overkoepelende instantie zou geregeld overleg moeten voeren met de wildopvangcentra over noodzakelijke deskundigheid, opleidingsniveau en zorgen voor continue bewaking en verbetering van hulp vanuit het oogpunt van dierenwelzijn.
Foto: ANP/Arie Kievit
1. Zorg voor continuïteit: lange termijn financiering wildopvang • De RDA vraagt aan het Rijk om met andere overheden in gesprek te gaan en afspraken te maken over ieders verantwoordelijkheden in de opvang van hulpbehoevende wilde dieren, inclusief structurele financiële ondersteuning vanuit de overheid van wildopvang in Nederland. • Omdat de regionale functie van wildopvangcentra en de verantwoordelijkheden voor natuurbeheer en het verlenen van ontheffingen aan wildopvangcentra bij de provincies ligt, ligt het voor de hand om de zorg voor een structurele financiering daar te leggen. Provincies kunnen aansluiten bij de betrokkenheid die een aantal gemeenten nu al tonen bij wildopvang. • De wildopvangcentra hebben suggesties gedaan op welke wijze structurele financiering kan worden ingezet (bijvoorbeeld instandhoudingsbijdrage, professionaliseringsbijdrage, kosten per dier, fonds). Werk samen met hen aan de concrete invulling en vormgeving van de ondersteuningsstructuur vanuit gezamenlijke belangen.
Hulp aan dieren vereist noodzakelijke deskundigheid, ook vanwege de eigen veiligheid
DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – RAAD VOOR DIERENAANGELEGENHEDEN – 11
3. Zorg voor goede informatievoorziening en stimuleer onderzoek en kennisuitwisseling • Burgers moeten op de hoogte zijn wanneer een dier wel of niet hulpbehoevend is, welk handelingsperspectief zij hebben als ze een hulpbehoevend dier aantreffen en waar deskundige hulp te vinden is. Goede voorlichting en informatievoorziening dient door de overheid gefaciliteerd te worden. Dit kan door de dierenhulpsector te ondersteunen bij hun communicatie, of door zelf voorlichting te geven. Door bredere en herhalende communicatie hierover, kunnen mensen beter op de hoogte worden gebracht. Informatievoorziening zou op alle niveaus in de keten een plek moeten hebben. Ook bij meldpunt 144 en ‘triage’ meldkamers dient juiste en specifieke informatie aanwezig te zijn om specialistisch advies te kunnen geven, ook voor het vervolgtraject.
• Als de overheid stabiliteit en continuïteit in de sector faciliteert, heeft de sector meer ruimte om aandacht te besteden aan voorlichting, educatie en bijdragen aan onderzoek. Zoals trends in dieren die binnenkomen, oorzaken daarvan, succespercentages van uitzettingen, dierziekten en verspreiding. Ook het beter inzetten op dataverzameling bij meldpunt 144 kan van toegevoegde waarde zijn. De RDA vindt het belangrijk dat er harmonisering plaatsvindt in de sector en dat er geen grote ongelijkheid is of ontstaat in de hulp aan dieren door regionale verschillen. De Raad ziet een ronde tafelgesprek met overheden en de sector als een eerste volgende stap. Hierin kunnen tevens ‘best practices’ aan de orde komen en kan worden gesproken over de aanvullende waarde van het opstellen van een praktische handleiding (belangrijkste do’s en dont’s) voor burgers waarbij het ‘leereffect’ kan worden vergroot.
Begin werkzaamheden forum
Vraag van minister
Concept-zienswijze in Raad
Aanbieding aan minister van LNV
juni 2020
augustus 2020
december 2021
juli 2022
12 – DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – RAAD VOOR DIERENAANGELEGENHEDEN
Foto: corepics/Adobe Stock Onderzoek en kennisdeling dragen bij aan succesvolle revalidatie DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – RAAD VOOR DIERENAANGELEGENHEDEN – 13
Bijlage Samenstelling forum en Raad Ter voorbereiding op deze zienswijze is het forum 7 maal bijeen geweest. Het forum is bij hun werkzaamheden ondersteund door secretaris ir. M.H.W. Schakenraad en adjunct-secretaris drs. R.L. van Oudheusden van het RDA-team. De voorliggende zienswijze van de Raad is op verzoek van de minister van LNV. De concept zienswijze is ter beoordeling voorgelegd aan de gehele raad. Deze zienswijze is daarmee een product van de hele Raad.
Foto: Colin Seddon/Shutterstock
Deze zienswijze van de Raad voor Dierenaangelegenheden is voorbereid door een forum bestaande uit de raadsleden prof. Dr. J.J.M. van Alphen (voorzitter forum), W.T.A.A.G.M. van den Bergh, drs. D. van Gennep, mr. drs. J. Staman en Jong-RDA lid S.A.M. van der Hoeven MSc. Het forum is ondersteund door een klankbordgroep uit de RDA, bestaande uit de leden mr. A.G. Dijkhuis, drs. F.E. Rietkerk, mr. C.W. Ripmeester, prof. dr. ir. T.B. Rodenburg, Prof. dr. G.R. de Snoo, drs. R.A. Tombrock, drs. F.A.L.M. Verstappen en Jong-RDA lid M.A.A.M. van Gerwen MSc.
Jonge eendjes kunnen verlaten zijn en redden het niet zonder moeder
14 – DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – RAAD VOOR DIERENAANGELEGENHEDEN
De RDA bestond op 1 april 2022 uit de volgende leden: Prof.dr. J.J.M. van Alphen Dr.ir. G.B.C. Backus J.P. van den Berg W.T.A.A.G.M. van den Bergh Dr. J.J.L. Candel MA Drs. H.R. Chalmers Hoynck van Papendrecht Prof.dr.ir. G. van Dijk Dr. N. Endenburg PhD Prof.dr. R. Gehring Drs. D. van Gennep Prof.dr. M.A.M. Groenen Prof.dr. S. Haring Prof.dr.ir. L.A. den Hartog A.L. ten Have-Mellema Prof.dr.ir. J.A.P. Heesterbeek Drs. G. Hofstra J.A.M. Huijbers Prof.dr.ir. A. van Huis Prof.dr.ir. B. Kemp A. Kemps Prof.dr. M.F.M. Langelaar Dr. L.J.A. Lipman Drs. F.E. Rietkerk
Mr. C.W. Ripmeester Prof.dr.ir. T.B. Rodenburg Dr. M.C.Th. Scholten Prof.dr. Y.H. Schukken Ir. G.C. Six Drs. M. Slob Prof.dr. G.R. de Snoo Mr.drs. J. Staman, voorzitter Dr.ir. J.W.G.M. Swinkels Drs. R.A. Tombrock Prof.dr.ir. J.C.M. van Trijp Dr. H.A.P. Urlings Dr. J.B.F. van der Valk J. van de Ven Drs. F.A.L.M. Verstappen Mr.dr. J. Vink Secretaris van de Raad is ir. M.H.W. Schakenraad
Meer informatie over de Raad voor Dierenaangelegenheden vindt u op onze website: www.RDA.nl. Daar kunt u ook alle eerder uitgebrachte adviezen downloaden.
DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – RAAD VOOR DIERENAANGELEGENHEDEN – 15
2022, Raad voor Dierenaangelegenheden, Den Haag © Sommige rechten zijn voorbehouden / Some rights reserved Voor deze uitgave zijn gebruiksrechten van toepassing zoals vastgelegd in de Creative Commons licentie Naamsvermelding 3.0 Nederland. Voor de volledige tekst van deze licentie zie http://www.creativecommons.org/licenses/by/3.0/nl/ Productie en eindredactie: Bert Kleiboer Tekst: Rosanne van Oudheusden, Erica Pierik Foto omslag: ANP/Novum RegioFoto Venema Media Foto’s binnenwerk: Copyright vermeld bij de foto Opmaak en drukwerk: Xerox/Osage, Den Haag www.rda.nl Raad voor Dierenaangelegenheden Bezuidenhoutseweg 73 2594 AC Den Haag
Bij de productie van deze samenvatting is gebruik gemaakt van papier dat het keurmerk Forest Stewardship Council® (FSC®) draagt. Bij dit papier is het zeker dat de productie niet tot bosvernietiging heeft geleid. Ook is het papier 100% chloorvrij gebleekt en 100% gerecycled.