Zienswijze 29 (mail met bijlagen van 21 januari 2022)
Tekst van het document
Van: Verzonden: vrijdag 21 januari 2022 13:57 Aan: RAAD <RAAD@voorst.nl> Onderwerp: inspreken op 24 januari a.s. Geachte mevrouw Jansen, Bijgaand treft u onze brief aan de raadsleden aan. Er zitten 8 bijlagen bij, bijlage 1 hierbij , de overige stuur ik u zo snel mogelijk na. Met vriendelijke groet,
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------De informatie verzonden met dit e-mailbericht is uitsluitend bestemd voor de geadresseerde[n] en kan persoonlijke of vertrouwelijke informatie bevatten, beschermd door een beroepsgeheim. Gebruik van deze informatie door anderen dan de geadresseerde[n] en gebruik door hen die niet gerechtigd zijn van deze informatie kennis te nemen, is verboden. Indien u niet de geadresseerde bent of niet gerechtigd bent tot kennisneming, is openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en / of verstrekking van deze informatie aan derden niet toegestaan en wordt u verzocht dit bericht terug te sturen en het origineel te vernietigen
Raad vanState 201203945t1tA2. Datum uitspràak: 7 november 2O12
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
wonend te Twello, gemeente Voorst, appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 7 maart 2012 in zaak nr. 1O/1703 in het geding tussen:
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: de minister van Economische Zaken, Landbouw en lnnovatie) en de minister van Financièn (hierna tezamen: de ministers).
201203945t1tA2
7 november 2O12
2
Procesverloop Bij besluit van 23 juni 2OO9 hebben de ministers het verzoek van om rangschikking onder de Natuurschoonwet 1928 (hierna: de Nsw) van het landgoed "De Witte Brug", afgewezen. Bij besluit van 25 augustus 201O hebben de ministers het door daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 maart 2O12 heeft de rechtbank het door daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft
hoger beroep ingesteld.
De ministers hebben een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2o12, waar en de ministers, vertegenwoordigd door werkzaam bij het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en lnnovatie, en werkzaam bij het ministerie van Financién, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Nsw, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, verstaat deze wet onder landgoed een in Nederland gelegen, geheel of gedeeltelijk met natuurterreinen, bossen of andere houtopstanden bezette onroerende zaak daaronder begrepen die waarop een buitenplaats of andere, bij het karakter van het landgoed passende, opstallen voorkomen - voor zover het blijven voortbestaan van die onroerende zaak in zijn karakteristieke verschijningsvorm voor het behoud van het natuurschoon wenselijk is. Ingevolge het tweede lid worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld inzake de voorwaarden waaraan een onroerende zaak moet voldoen om te kunnen worden aangemerkt als landgoed. Ingevolge artikel 2, eerste lid, doet de eigenaar die zijn onroerende zaak wenst aangemerkt te zien als een landgoed, aan de minister een daartoe strekkend verzoek dat wordt ingediend bij de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie).
lngevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 (hierna: de RNw), wordt in dit besfuit verstaan onder buitenplaats, een onroerende zaak met daarop gelegen een in oorsprong versterkt huis, een kasteel, een buitenhuis of een landhuis, eventueel met bijgebouwen, met een architectonisch daarmee verbonden historische tuin of historisch park van ten minste één hectare waarvan de aanleg dateert van vóór 185O en herkenbaar aanwezig is, indien dit complex,
201203945t1tA2
7 november 2O12
dan wel ten minste één van de onderdelen daarvan, een beschermd monument is dat is ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Monumentenwet 1988.
2.
Bij besluit van 23 juni 20O9, gehandhaafd bij besluit van 25 augustus 2010, hebben de ministers een verzoek van tot rangschikken onder de Nsw van landgoed "De Witte Brug" te Twello, afgewezen. Aan deze afwijzing hebben de ministers ten grondslag gelegd dat de aanleg van de historische tuin van ten minste één hectare dateert van na 185O. Daarnaast, aldus de ministers, is er geen geregistreerd monument van vóór 1850 aanwezig waardoor er evenmin verbondenheid kan zijn tussen tuin en huis.
3. De rechtbank heeft in haar uitspraak vanT maart 2O12 geoordeeld dat aannemelijk heeft gemaakt dat de aanleg van de tuin dateert van voor 1850, en dat deze tuin verbonden is met het beschermd monument. Tegen dit oordeel is niet opgekomen, zodat het voorgaande in rechte vast staat. Tussen partijen is thans slechts in geschil of in de Nsw dan wel het RNw de eis is gesteld dat het beschermd monument van voor 1850 moet dateren. 4.
betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat noch in de Nsw, noch in het RNw de eis wordt gesteld dat de opstal waaraan de historische tuin verbonden is, van vóór 1850 moet dateren. De tekst van de desbetreffende bepalingen biedt daarvoor geen grondslag. Mede in het licht van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b en c, van het RNw bestaat er evenmin grond voor het oordeel dat deze eis besloten ligt in artikel 3, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van het RNw. Ingevolge eerstgenoemde bepaling wordt onverminderd het bepaalde in artikel 4', als inbreuk makend op het natuurschoon, bedoeld in artikel 2, tweede lid in ieder geval niet beschouwd de omstandigheid dat op de onroerende zaak:
a. t...l b. landschappelijk aangelegde parken of landschapsstructuren die vanouds behoren bij een buitenplaats zijn gelegen, waarvan de aanleg dateert van vóór 1850 en herkenbaar aanwezig is, en voorts op die onroerende zaak een beschermd monument dat is ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 is gelegen; c. terreinen zijn gelegen, die vanouds het vrije uitzicht mogelijk maken op of vanuit een op die onroerende zaak gelegen opstal daterend van vóór 1850, voor zover die terreinen aan weerszijden worden begrensd door houtopstanden. Nu ook in deze bepaling uitdrukkelijk onderscheid wordt gemaakt tussen parken en landgoederen vóór 1850 en opstallen vóór 1850, moet het ervoor worden gehouden dat indien zou zijn beoogd de eis te stellen dat het op de buitenplaats gelegen beschermde monument moet dateren van vóór 1850, deze eis uitdrukkelijk in het RNw zou zijn opgenomen. Voorts is in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van het RNw (nota van toelichting, blz, 11-12;
201203945t1tA2
4
7 november 2O12
Stb. 1990, 612l., voor zover hier van belang, het volgende vermeld: "Het criterium voor een landschappelijk aangelegd park of een aangelegde landschapsstructuur is dat deze vóór 185o moet zijn aangelegd en de aanleg daarvan nog in herkenbare vorm aanwezig moet zijn. Voorts is daarbij een vereiste dat op het desbetreffende onroerende goed een beschermd monument in de zin van de Monumentenwet is gelegen. Dit behoeft niet noodzakelijkerwijs het hoofdhuis te zijn. Volstaan kan worden met de aanwezigheid van een of meer bijgebouwen, dan wel andere opstallen die ooit hebben behoord tot de buitenplaats". De wijziging van het RNw in 2oo7 heeft hierin geen verandering gebracht. Blijkens de nota van toelichting (blz. 14; Stb. 2OO7,162l. zijn in de definitie van de term "buitenplaats" in artikel 1, aanhef en onder c, van het RNw de omschrijvingen die voorheen in verschillende artikelen waren opgenomen, samengenomen, maar is materieel de soort buitenplaats die voor rangschikking in aanmerking komt niet gewijzigd. Ook uit de geschiedenis van de totstandkoming van het RNw kan, gelet op het voorgaande, niet worden afgeleid dat vereist is dat het geregistreerd monument van vóór 1850 dateert. De ministers hebben het RNw derhalve onjuist uitgelegd, waardoor het besluit van 25 augustus 201O een draagkrachtige motivering ontbeert.
Dit is in strijd met artikel7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het betoog slaagt. Hetgeen overigens is aangevoerd door Van Westerveld behoeft daarom geen bespreking meer.
5.
Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank tegen het besluit van 25 augustus 2O1O ingestelde beroep gegrond verklaren. Dit besluit dient eveneens te worden vernietigd. De minister dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. De Afdelingziet, hoewel vast is komen te staan dat landgoed "De Witte Brug" aan de vereisten voor rangschikking voldoet, geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien, omdat niet duidelijk is hoe het besluit tot rangschikking exact dient te luiden. Om dezelfde reden ziet de Afdeling geen aanleiding voor toepassing van artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State.
6. gebleken.
Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet
201203945t1tA2
7 november 2O12
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin: t.
il. 1il.
tv.
V.
verklaart het hoger beroep gegrond; vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 7 maart 2012 in zaak nr. 10/17O3; vernietigt het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de minister van Financién van 25 augustus 201O, kenmerk 09.5. 11171453-1 63; draagt de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Financièn sp om binnen 13 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen; gelast dat de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Financièn aan het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 382,0O (zegge: driehonderdtweeéntachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoeden.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.
w.g. Van Altena voorzitter
w.g. Lodder ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 november 2O12 17-729. Verzonden: 7 november 2Q12 Voor eensluidend afschrift, de secretaris van de Raad van State,
Visser
uitspraak RECHTBANK ZUTPHEN Sector Bestuursrecht
Zaaknummer: 10/1703
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van
ú z maalt zntz
in de zaak tussen
te Twello, eisers, en
(voorheen: de
de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie minister van Landbouw, Natuur en Voedsellowalitei$ en de minister van Financién' verweerders.
Procesverloop
Bij besluit van23juni 2009 hebben verweerders het verzoek van eisers om rangschikking Witte Brug"
onder de Natuurschoonwet 1928 (hierna: de Nsw) van het landgoed "De plaatselijk (voorheen: Beekzicht), kadasfaaLbekend gemeente Twello, sectie A, nr' 2154, bekend Rij ks straatw e g 26 te Twello, afgewezen'
Bij besluit val*rt|augustus 2010 (het bestreden besluit) hebben verweerders
het daartegen
ddor eisers gemaakte bezwaar ongegrond verklaard' Tegen het bestreden besluit hebben eisers bij de rechtbank Amsterdam
beroep ingesteld'
Bij schrijven van 13 oktober 2010 heeft de rechtbank Amsterdam het beroepschrift ter behandeling aar- deze rechtbank doorgezonden' Verweerders hebben de op de zaak betrekking hebbende stukken
en een verweerschrift
ingediend.
Bij brieven van 14 november 2011 en 16 januari 2012 hebben eisers aanvullende stukken ingediend.
zijn verschenen'
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari2012' Eisers als getuigenbijgestaan door drs. n.ff.U. van Immerseel en mr. G,H. Lindenbergh door mr' C'E'B' Haazen en des-kturdigen. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen en Innovatie B. Jongbióed, werkzaam bij het ministerie van Economische Zaken, Landbouw respectievelij k het min i sterie van Financién.
Overwegingen
witte Brug" te
Eisers zijn op I april 2008 eigenaar geworden van het landgoed "De t,Oq.lO hectare met daarop een huis dat is gebouwd in Twello. Het betreft een grondstut<
1.
"an
Zaaknummer: AWB l0ll703
1872 en dat onder de Monumentenwet i988 is aangewezen als monument'
2.
Het doel van de Nsw is door middel van fiscale faciliteiten te stimuleren dat eigenaren van offoerende zaken die als landgoed in de zin van de Nsw zijn aangemerkt, het landgoed in stand houden waardoor een bijdrage aan het natuurschoon wordt geleverd' Ingevolge artiket 1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Nsw verstaat deze wet onder een landgóed: een in Nederland gelegen, geheel of gedeeltelijk met natuurterreinen, bossen of andeie houtopstanden bezette onroerende zaak - daaronder begrepen die waarop een buitenplaats ofandere, bij het karakter van het landgoed passende, opstallen voorkomen - voor zovàr het blijven voortbestaan van die onroerende zaak in zijn karakteristieke verschijningsvonn voor het behoud van het natuurschoon wenselijk is. hgevoíge hlet trveede lid van dit artikel - voor zover hier van belang - worden bij of t<rachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld inzake de voorwaarden waaraan een onroerende zaak moet voldoen om te kunnen worden aangemerkt als een landgoed.
3.
€il
Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van de Nsw is het RangschikkingsbesluitNatuurschoonwet 1928 (hierna: het Rangschikkingsbesluit)
4.
vastgesteld.
Ingeiolge artikel l, eerste lid, onderdeel c, van het Rangschikkingsbesluit wordt in dit besluit velstaan-onder een buitenplaats: een onroerende zaak met daarop gelegen in een oorsprong met versterkt huis, een kasteel, een buitenhuis of een landhuis, eventueel met bijgebouwen, minste één een architectonisch daarmee verbonden historische tuin of historisch park van ten dit indien is, aanv'rezig en herkenbaar 1850 hectare waarvan de aanleg dateert van vóór complex, dan wel ten minlste één van de onderdelen daarvan, een beschermd monument is dat is ingeschreven in een register als bedoeld in artikel6, eerste lid, van de Monumentenwet 1988.
lngevolge artikel 2, eerste lid, van het Rangschikkingsbesluit dient een offoerende zaak, om als"een iíndgoed te kunnen worden aangemerkt, te voldoen aan de volgende voorwaarden: a. de oppervlakte van de onroerende zaak bedraagt ten minste 5 hectare; gebied; b. terreinen en wateren behorende tot de onroerende zaak vormen een abneengesloten met percent bezet c. de oppervlakfe van de onroerende zaak is voor ten minste 30 houtopstanden of natuurteneinen en op het d. hetìoort gebruik dat van de onroerende zaak wordt gemaakf, maakt geen inbreuk natuurschoon.
Ingevolge artikel 3, eerste lid en tweede lid, van het Rangschikkingsbesluit is artikel 2, eerste lidl ondérdeel a, niet van toepassing op een buitenplaats ofeen deel daarvan en is artikel 2, van eerste lid, onderdeel c, niet van toepassing op een.buitenplaats met een oppervlakte minder dan vijf hectare of een deel daarvan. De rechtbank stelt vast dat eisers blijkens het aanvraagformulier van 28 maart 2008 beogen hun onroerende zaak als een (historische) buitenplaats te rangschikken als landgoed glootte ondér de Nsw. Voorts stelt de rechtbank vast dat de onroerende zaakvan eisers een heeft van 1.03.90 hectare, zodat op grond van artikel3, eerste en tweede lid, van het Rangschikkingsbesluit het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onderdelen a en c, van dat besluit
S.
niet van toepassing is.
Aan het besffeden besluit hebben verweerders - kort samengevat - ten grondslag gelegd dat rangschikking van het landgoed als historische buitenplaats niet mogelijk is omdat van vóór ["en sprake is van (1) een historische buitenplaats, (2) een beschermd monument
6.
Zaaknummer: AWB 10/1703
1850, (3) een aantoonbare en herkenbare tuinaanleg van vóór 1850 en (4) een architectonische verbondenheid van de tuin met het huis.
Eisers betogen dat hun onroerende zaakaanalle vereisten voor rangschikking van het landgoed onder de Nsw voldoet. Daartoe voeren zij onder meer aan dat (ten minste een deel vanj de tuinaanleg dateert van vóór 1850. Ter onderbouwing van dit betoog verwijzen eisers naar het rapport van de Stichting tot behoud van Particuliere Historische Buitenplaatsen (Van Immerseel./Verhoeff) van 20 april2010, de reactie van deze stichting bij brief van 28 sepìember 2010 op het bestreden besluit, de reactie van Van Immerseel bij brief
7.
van I september 201 I op het verweerschrift en de verklaring van G.H. Lindenbergh (Stichting Groene Monumentenwacht) van 2 januari2012. Ook.verwijzen eisers naar een advertentie in Trouw d.d. l1 september 2010 inzake het landhuis "De Wijde Landen" te Brummen.
[n geschil is de vraag ofde onroerende zaakvan eisers als een (historische) buitenplaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het rwaarop nangslni*ingsbesluit kan worden aangemerkt en in het verlengde hiervan de wijze de ii deze Uepating neergelegde definitie dient te worden uitgelegd. De rechtbank overweegt als volgt.
B.
g.
Ten aanzien van het criterium dat de aanleg van de historische tuin van ten minste Van één hectare dateert van vóór 1850 hebben eisers het hiervoor genoemde rapport van zake ter als Immerseel/Verhoeff dat Van is geschil Immerseel./Verhoeff overgelegd. Niet in op dit rapport dat gebleken deskundigen kunnen *orJ"n beschouwd. Voorts is niet onrorgvJdi ge wijzetot stand is gekomen dan wel onjuist is. Daarbij merkt de rechtbank op niet de dat heì op de weg van verweerdeis had gelegen om hun standpunt dat aan het rapport slechts alinea) door eisers gewenste waarde kan worden gehecht, omdat daaruit (blz' 4, derde te blijkt dat erf'sterke indicatoren voor een sieraanleg" zrln, met eeri deskundig tegenadvies onderbouwen. Het beroep slaagt in zoverre.
De Het voorgaande leidt evenwel niet tot vernietiging van het bestreden besluit' lid, eerste 1, rechtbank volgt namelijk het betoog van verweerders dat de tekst van artikel om als aanhef en onderdeel u* het Rangschikkingsbesluit zo begrepen moet worden dat, ", buitenhuis te worden aangemerkf, op h"t landgoed ten minste één onderdeel een beschermd bedoeld monument daterend uun uóó, 1850 moet zijn, dat is ingeschreven in een register als
10.
in artikel 6, eerste lid, van de Monumentenwet i988. De rechtbank baseert zich hierbij op een overgelegde toelichting (gedingstuk A48) waaruit blijkt dat het beschermde monument een opst;l diJnt te zijn dat àoit heeft behoord tot de buitenplaats. De rechtbank acht dit ook lógische uitleg van artikel 1, eerste lid, aanhefen onderdeel c, van het van Ra:ngschikkingsbesluit, omdat een andere uitleg er toe zou leiden dat de aanwezigheid tot buitenplaats een monument dat in het geheel niet in relatie staat tot de oorspronkelijke rangschikking als landgoed zou kunnen leiden'
de
Niet in geschil is dat het enige monument in de zin van de Monumentenwet 1988 t l. thans gelegen op h"t landgoed het huis is. Dit huis dateert uit 1872 en heeft dus niet behoord tot deiorJpronkelijke buiienplaats. Van andere beschermde monumenten (bijgebouwen dan wel andere opstallén) die ooú wel hebben behoord tot de buitenplaats is de rechtbank niet gebleken.
Zaaknummer: AWB I0/ 17 03
12. Voor zover eisers zich op het gelijkheidsbeginselberoepen overweegt de rechtbank
dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat verweerders andere buitenhuizen wel als landgoed in de zin van de Nsw hebben aangemerkf zonder dat zich een monument daterend van vóór 1850 op het landgoed aanwezig was.
13.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerders zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat het landgoed van eisers niet voldoet aan alle criteria om als een buitenplaats als bedoeld in de hiervoor bedoelde zin te kunnen worden aangemerkt.
14. Het beroep is ongegrond. 15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. P. van der Stroom, grifFrer. De griffier î
J
,l
Uitgesproldpn in het openbaar op
Rechtsmiddel worden Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending ho 2500 20019, Postbus ingestetcl bij de Afdeling bestzttrsrebhtspraakvan de Raadvan State, EA Den Haag.
Afschrift verzonden op:
il ? 'l{frÀilI ?fji}: