CConstaterende datVoorst
Koppel je AI →
Document · PDF

reactienota planMER Windbeleid

gemeenteraad 1 december 2025, gemeente VoorstBij agendapunt: Regionaal Programma Energievoorziening (RPE)49.850 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 6

184 alinea's met “zienswijze”: 9 15 17 21 28 32 86 132 136 137 141 142 150 151 155 156 164 175 176 180 181 182 187 199 200 206 207 211 212 219 220 226 229 231 238 242 243 249 251 256 …

definitieve planMER ‘Windbeleid en RES provincie Gelderland’ Reactienota 1 juli 2025

Bezoekadres Postadres Telefoon E-mail Website Zaaknummers

Markt 11, 6811 CG ARNHEM Postbus 9090, 6800 GX ARNHEM 026 359 99 99 post@gelderland.nl www.gelderland.nl 2022-005244 / 2024-003742

Pagina 1 van 198

Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland

Inhoudsopgave

1. Introductie

5

2. Veel gestelde vragen in de zienswijzen

7

3. Reactie op het advies van de Commissie mer

11

4. Welke wijzigingen worden doorgevoerd in het planMER?

17

5. Zienswijzen Hoofdrapport planMER

19

6. Zienswijzen Regionale Aanvullingen

128

dinsdag 1 juli 2025 Pagina 2 van 198

Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland

1. Introductie Voor u ligt de oplegnotitie bij het definitieve planMER Windbeleid en Regionale Energiestrategie (RES). Deze notitie geeft inzicht in de wijze waarop het ontwerp-planMER is aangepast naar aanleiding van de ingediende inspraakreacties en het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie mer). Daarnaast zijn in deze oplegnotitie de inspraakreacties samengevat en beantwoord. Er zijn verschillende stappen doorlopen om te komen tot een zorgvuldig afgewogen en geactualiseerd rapport. Het ontwerpplanMER heeft van 20 januari tot en met 3 maart ter inzage gelegen. In deze periode zijn zienswijzen ingediend door burgers, maatschappelijke organisaties, bedrijven en overheden. Op het ontwerp-planMER is ook een formeel advies uitgebracht door de Commissie mer, met aandachtspunten en aanbevelingen voor verbetering van het milieueffectrapport. De zienswijzen en het advies van de Commissie mer zijn zorgvuldig geanalyseerd. Waar mogelijk en relevant zijn aanvullingen gedaan en is het planMER op onderdelen aangepast. In deze notitie is opgenomen welke reacties en adviezen zijn ontvangen, welke overwegingen daarbij een rol hebben gespeeld en welke wijzigingen dit heeft opgeleverd in het definitieve planMER. Ook hebben wij de meest gestelde vragen op een rij gezet.

Als onderdeel van deze oplegnotitie is een wijzigingentabel toegevoegd waarin per onderdeel de inhoudelijke aanpassingen zijn toegelicht. Deze oplegnotitie vormt daarmee de verantwoording en toelichting op het definitieve planMER en dient als begeleidend document in de verdere besluitvorming over het Windbeleid en de RES.

Het planMER is een objectief onderzoek naar de milieueffecten van energieopwekking door zon en wind. De effecten kunnen bestuurders helpen bij het maken van keuzes waar duurzame energie op te wekken. Het planMER maakt deze keuzes niet. Het is een hulpmiddel en onderdeel van meerdere afwegingen (omgeving, financiën etc). Het is aan de RES-partners, waar wij onderdeel van zijn, om die keuzes gezamenlijk te maken. Het planMER laat zien dat de RES-regio’s (met uitzondering van GMR Arnhem-Nijmegen) in theorie genoeg zoekgebieden hebben om hun afgesproken opbrengst uit RES 1.0 te halen. Bij een diepere analyse blijkt dit beeld echter veel genuanceerder. Tal van locaties vallen alsnog af door milieueffecten van wind- en zonne-energie, vooral op het gebied van natuur, geluid en netcapaciteit. Daardoor zijn grote delen van het onderzoeksgebied minder geschikt of vereisen zij een zeer zorgvuldige afweging. \Hierbij moet worden opgemerkt dat er in het onderzoek geen rekening is gehouden met eventuele lokaal te overwegen mitigerende maatregelen. Uit de vergelijking tussen de thema’s ‘Natuur’ en ‘Gezonde en veilige leefomgeving’ blijkt dat op het eerste oog geschikte, dunbevolkte gebieden vaak in of nabij kwetsbare natuur liggen, waardoor zij slecht scoren op natuureffecten.

Omgekeerd liggen gebieden met een gunstige natuurscore vaak dichter bij bebouwing en stuiten zij juist op beperkingen vanuit gezondheid en veiligheid. Dit spanningsveld verkleint de bruikbare ruimte aanzienlijk. Wanneer bij alle theoretisch mogelijke locaties volledig rekening wordt gehouden met de milieueffecten, resteert voor windenergie in de hele provincie Gelderland uiteindelijk slechts zo’n 0,6 TWh potentieel (hoofdrapport). Met andere woorden als alle milieuaspecten als natuur, geluid, landschap, externe veiligheid en netinpassing bestuurlijk zwaarder wegen, blijft er nog maar weinig ruimte over voor windenergie. Bij deze conclusie is er geen rekening gehouden met lokaal eventueel mogelijke mitigerende maatregelen. Sinds het opstellen van het planMER kunnen nieuwe beleidslijnen zijn vastgesteld, of werkwijzen zijn aangepast die nog niet in het onderzoek zijn meegenomen. Deze aangescherpte uitgangspunten – zoals de zonneladder, afstands- en LAeq normen – vergroten de complexiteit en maken de ruimte voor windenergie niet groter, maar juist beperkter. Indien op een locatie een energieopwekproject daadwerkelijk ontwikkeld gaat worden, moet altijd nog gedetailleerd onderzoek plaatsvinden. Er wordt dan getoetst aan het dan geldende beleid en moet hiervoor een procedure worden doorlopen. Hierop kan iedereen reageren.

Daarnaast hebben we oog voor het voorzorgsprincipe en wordt nagegaan in welke mate hier rekening mee gehouden moet worden. Op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) is het niet toegestaan de persoonsgegevens (NAWgegevens) van natuurlijke personen te verwerken zonder wettelijke grondslag, dringende noodzaak of toestemming van de betreffende personen. Daarom noemen wij de indieners van inspraakreacties van natuurlijke personen in de oplegnotitie niet bij naam.

Pagina 5 van 198

Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland

Leeswijzer Hoofdstuk 2 laat zien wat de veel gestelde vragen waren in de reacties op het planMER. Deze worden in dit hoofdstuk beantwoord. In hoofdstuk 3 staat een samenvatting van het advies van de Commissie mer. Ook geven wij een reactie op het advies en de aanbevelingen. In hoofdstuk 4 laten we zien welke wijzigingen we hebben doorgevoerd in het definitieve planMER. In hoofdstuk 5 zijn de reacties op het hoofdrapport planMER samengevat en beantwoord. In hoofdstuk 6 zijn de reacties op de Regionale Aanvulling samengevat en beantwoord. De in hoofdstukken 5 en 6 beschreven zienswijzen zijn automatisch chronologisch genummerd via de applicatie die is gebruikt voor de ontvangst en verwerking. Deze nummering is tevens toegepast bij de beantwoording. In de beantwoording wordt op diverse plaatsen verwezen naar eerdere antwoorden. Indien de nummering achteraf alsnog chronologisch zou zijn aangepast, zouden deze verwijzingen niet meer correct zijn en opnieuw moeten worden herzien. Om die reden is ervoor gekozen de bestaande nummering te handhaven. Hierdoor begint de reeks niet bij nummer 1. De ontvangen zienswijzen op het hoofdrapport en de regionale aanvullingen zijn verzameld in twee verschillende applicaties. Beide applicaties zijn afzonderlijk gebruikt voor de beantwoording.

Dit heeft geleid tot twee afzonderlijke tekstdelen, die in deze reactienota als twee hoofdstukken zijn opgenomen. Beide hoofdstukken zijn gezamenlijk beoordeeld op inhoudelijke consistentie.

Pagina 6 van 198

Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland

2. Veel gestelde vragen in de zienswijzen Er zijn veel inspraakreacties binnengekomen. Deze gaan regelmatig over dezelfde onderwerpen. Voorbeelden hiervan zijn vragen over de aanwijzing van gebieden, geluid, gezondheid en de effecten op het landschap. In dit hoofdstuk worden de veel gestelde vragen besproken en beantwoord. PlanMER is geen beleid In de inspraakreacties zijn diverse vragen gesteld over de aanwijzing van gebieden in het planMER voor wind- of zonne-energie door de provincie. In het planMER zijn milieueffecten van alle mogelijke locaties in de provincie in beeld gebracht. Hiermee hebben de RES-partners en de provincie een totaaloverzicht van de mogelijke gebieden, alternatieven en milieueffecten. Bij het planMER zit nog geen besluit zoals een programma of een herijkte RES. Het planMER bevat bewust nog geen besluiten over locaties voor wind- en zonne-energie. Deze fase is bedoeld om informatie te verzamelen en inzicht te krijgen in milieueffecten. Dat helpt bij latere keuzes, bijvoorbeeld in de herijkte RES’sen. Het planMER is dus een verkennend hulpmiddel, geen besluitvorming. Het planMER is in deze fase dus geen beleid maar een verkennend hulpmiddel voor mogelijke gebieden en alternatieven die de RES-partners kunnen gebruiken.

Technieken die onderzocht zijn In de inspraakreacties zijn diverse vragen gesteld over de rol van kernenergie, wind op zee en waterstof in de energietransitie. Deze zijn niet onderzocht in het planMER. Het planMER onderzoekt de mogelijkheden voor het opwekken van duurzame energie in 2030 in de provincie Gelderland. Dit is in lijn met waar het provinciale Windbeleid en de RES’en over gaan. Het planMER kijkt naar mogelijkheden voor grootschalige zon- en windenergie, en warmte op land. Onderzocht wordt wat de effecten zijn van eventuele initiatieven voor wind, zon en warmte. In lijn met de afspraken uit het Klimaatakkoord waarin de opwektechnieken van wind en zon en de hieraan gekoppelde doelstellingen zijn opgenomen. Daarmee wordt geen uitspraak gedaan over de wenselijkheid van deze oplossingen, of alternatieven daarvoor. We streven ernaar om uiteindelijk als land onafhankelijker te worden in onze energievoorziening. Te verwachten is dat de doelen voor 2030 niet gehaald worden mede door netcongestie. Streven blijft tijdige uitvoering na 2030. Daarvoor kunnen alle duurzame bronnen gebruikt worden. Windenergie is daar één van. Ook andere technieken die nu niet zijn onderzocht kunnen bijdragen aan de ambities van de energietransitie. De provincie heeft bijvoorbeeld onderzoek gestart naar kernenergie.

De provincie verwacht niet dat deze techniek bij kan dragen aan de doelstellingen van 2030. Het duurt langer om deze techniek te ontwikkelen. Daarnaast onderzoekt het ministerie van Klimaat en Groene Groei mogelijkheden voor wind op zee. Ook komen hier verschillende milieueffecten bij kijken, is deze techniek is niet voldoende om de doelstellingen van 2030 te halen, en is het transport van energie van zee naar land ingewikkeld. Daarom is wind op land noodzakelijk om de doelstellingen voor duurzame energie-opwek in 2030 te halen. Effecten op gezondheid en het voorzorgsbeginsel Vanuit wetenschappelijk onderzoek is bekend dat er een relatie is tussen het geluidsniveau van een windturbine en hinder. Hinder wordt gezien als een negatief gezondheidseffect (RIVM, 2025). Hinder wordt door de Gezondheidsraad omschreven als een gevoel van afkeer, boosheid, onbehagen, onvoldaanheid of gekwetstheid dat optreedt wanneer een milieufactor (zoals bijvoorbeeld geluid) iemands gedachten, gevoelens of activiteiten negatief beïnvloedt. Of iets als hinderlijk wordt ervaren kan per persoon verschillen. Persoonlijke en factoren in de omgeving hebben invloed op de hinder van windturbines. Het betrekken van omwonenden in het lokale besluitvormingsproces kan de ervaren hinder verminderen. Als ook het nemen van mitigerende maatregelen als dat mogelijk is.

In algemene zin kan langdurige hinder op termijn leiden tot aandoeningen zoals een hoge bloeddruk of hart- en vaatziekten. Ook kan hinder deze bestaande klachten verergeren. Uit studies voor windturbines is op dit moment onvoldoende bewijs gevonden voor een relatie tussen het geluid van windturbines en gezondheidseffecten, zoals hart- en Pagina 7 van 198

Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland

vaatziekten, stofwisselingsstoornissen en effecten op de mentale gezondheid. Onvoldoende bewijs kan betekenen dat er geen relatie is, dat er nog onvoldoende onderzoek naar gedaan is, dat het onderzoek van lage kwaliteit is of dat er tegenstrijdige resultaten zijn. In diverse inspraakreacties wordt benoemd dat de provincie op basis van het voorzorgsbeginsel moet stoppen met de plannen. Gelderland heeft hiervoor een afwegingskader. Ook gaan we dit uitvoeriger onderzoeken. Volgens vaste rechtspraak gaat het voorzorgsbeginsel niet zover dat op basis van publicaties waarin slechts een mogelijk verband wordt gelegd tussen windturbines en gezondheidsklachten, van de vaststelling van een ruimtelijk plan moet worden afgezien. Het is niet nodig om vooraf alle risico’s uit te sluiten en hiervoor vergaande beschermende regels op te leggen of langdurige vervolgonderzoeken uit te voeren. Hierbij heeft de bestuursrechter overwogen dat het nodige onderzoek vaak jaren duurt en bij voorkeur op landelijke schaal moet worden uitgevoerd (zie Afdeling bestuursrechtspraak waaronder ECLI NL RVS 2023 1433 (Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding), ECLI NL RVS 2018 2225 (Windpark Oostpolder), ECLI NL RVS 2018 616 (Windpark De Drentse Monden – Oostermoer) en ECLI NL RVS 2017 3504 (Windpark De Veenwieken)). Met dit soort onderzoek is het RIVM bezig.

Bovendien zijn de negatieve gevolgen van het gebruik van fossiele brandstoffen op de gezondheid lokaal en wereldwijd door de wetenschap aangetoond. Daarom hebben wij duurzame energiebronnen nodig. Uit het voorzorgsbeginsel vloeit óók voort dat de overheid het gebruik van fossiel brandstoffen moet terugdringen om gezondheidsschade en het verlies aan leefgebied in de toekomst te voorkomen, en dus voortgang moet maken met plannen voor duurzame energie. Zie hiervoor bijvoorbeeld het vonnis in klimaatzaak Urgenda (ECLI NL HR 2019 2006). Gedeputeerde Staten van Gelderland hebben in 2024 laten onderzoeken wat de rol is van het voorzorgsbeginsel in de belangenafweging. Hiervoor is een afwegingskader opgesteld (zaaknummer 2024-007524). Hierin wordt benoemd dat het voorzorgsbeginsel toegepast kan worden bij signalen over activiteiten waarbij gegronde reden is dat negatieve gevolgen kunnen ontstaan voor mens of milieu en er nog geen wetenschappelijke zekerheid is over oorzaak en gevolg. Het gaat hierbij niet om situaties die reeds genormeerd zijn met algemene regels of in vergunningsvoorschriften. Bij gezondheidseffecten van geluid is dit wel het geval. Effecten van geluid en het ontwerpbesluit met nieuwe normen In de inspraakreacties worden diverse vragen gesteld over de wijze waarop effecten van geluid zijn onderzocht.

In deze paragraaf wordt ingegaan op de Lden-waarde, laagfrequent geluid, een afstandsnorm en het ontwerpbesluit Windturbines Leefomgeving. Ontwerpbesluit Windturbines leefomgeving Op dit moment zijn er geen landelijk geldende normen voor geluidbelasting door windturbines. Dit komt omdat de Raad van State in 2021 heeft geoordeeld dat het Activiteitenbesluit (de toen geldende normen) niet meer gebruikt mogen worden, omdat deze niet voldoende onderbouwd zijn. Sinds 2021 doet de Rijksoverheid onderzoek naar nieuwe normen. In 2023 is het ontwerp-besluit bekend gemaakt. Deze is nog niet definitief gemaakt. In de inspraakreacties wordt gevraagd of de provincie nu wel een planMER kan opstellen, maar dit maakt voor het planMER niet uit. Nu er geen landelijke normen zijn, kunnen gemeenten of de provincie op basis van een milieuonderzoek zelf normen voor een windpark opstellen die dan lokaal (per windpark) gelden. Dit maakt dat maatwerk mogelijk is. In het planMER is met een alternatief hiermee rekening gehouden. Er is inzicht gegeven in de effecten van verschillende geluidsniveaus op de omgeving. Lden-waarde In het geluidsonderzoek wordt een Lden-waarde gebruikt om de geluidsbelasting van windturbines uit te drukken. Dit is een tijdgewogen, jaargemiddelde waarde waarin rekening wordt gehouden met wisselende meteorologische omstandigheden.

Het tijdgewogen aspect houdt in dat geluid dat in de avond en nacht klinkt zwaarder wordt meegenomen dan geluid overdag. Overdag is er veel omgevingsgeluid aanwezig. Uit diverse eerdere geluidsonderzoeken weten we dat de contouren van de Lnight ongeveer overeenkomen met de contouren van de Lden. Voor het planMER is het dus niet onderscheidend en niet apart meegenomen. Dit zal wel gebeuren bij concrete projecten.

Pagina 8 van 198

Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland

Laagfrequent geluid Insprekers maken zich zorgen om effecten van laagfrequent geluid (LFG). Mensen die blootgesteld worden aan laagfrequent geluid kunnen hier ernstige hinder door ervaren. In het planMER (paragraaf 5.3) is beschreven dat het laagfrequent geluid van windturbines vergelijkbaar is als het laagfrequent geluid van andere bronnen als verkeer. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat de voormalige norm van 47 dB voldoende rekening houdt met laagfrequent geluid. Dit is daarom niet verder onderzocht; dat kunnen we wel doen in de toekomst bij nieuwe projecten. Afstandsnorm In de inspraakreacties wordt gevraagd of grotere afstanden aangehouden kunnen worden tot woningen. Op dit moment zijn hier geen regels voor. De afstand tot een windturbine is vaak maar één van de factoren in het veroorzaken van hinder. Ook bebouwing in de omgeving, ander geluid, en het type turbine hebben hier invloed op. In het planMER wordt daarom ook geen afstandsnorm onderzocht of bepaald, maar wordt gekeken naar de effecten van geluid op geluidsgevoelige objecten en op welke afstanden hinder verwacht kan worden. In hoofdstuk 5.3 van het planMER wordt uitgebreid ingegaan op de effecten van geluid van windturbines bij verschillende afstanden en de relatie tot voormalige normen, mogelijk nieuwe normen en advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie.

Op deze manier werkt de provincie aan een gezonde leefomgeving en geeft ze beslisinformatie mee aan de RES-partners om hier in het vervolgtraject een zorgvuldige afweging in te maken. Veranderingen (lokaal) klimaat en luchtkwaliteit door windturbines In de inspraakreacties zijn diverse vragen gesteld over veranderingen in het klimaat door windparken. Alle veranderingen aan de aardoppervlakte hebben invloed op het weer en klimaat. Windturbines ook. Windturbines hebben invloed op de windstroming op een locatie. Dit heet het zog-effect. Een zog is een wind die verandert nadat deze door een windturbine is gestroomd. Omdat een windturbine energie onttrekt uit de wind, neemt de windsnelheid af en de intensiteit van de turbulentie toe. Het gebied waarin dit plaatsvindt, is het gebied tot enkele honderden meters achter de turbine. In dit gebied herstelt de wind zich geleidelijk naar de windsnelheid die zou heersen zonder windturbines. Ingenieursbureau Tauw heeft eerder een modelstudie gedaan naar de effecten van windturbines op de luchtkwaliteit Uit dit onderzoek blijkt dat de mate van toename van stikstofdioxide (NO 2) in de atmosfeer door een windpark van 115 turbines ruim onder de ‘in betekende mate’ grens lag. Vanuit dit onderzoek is het niet aannemelijk dat er een significante of betekenisvolle toename zal zijn in verspreiding van luchtverontreiniging.

In het planMER wordt dit daarom niet verder onderzocht, maar enkel beschouwd. In provincie Gelderland is onderzoek gedaan naar de effecten van windpark Innofase bij Duiven op de luchtkwaliteit. Uit dit onderzoek is gebleken dat er inderdaad kleine veranderingen kunnen plaatsvinden, maar dat deze verwaarloosbaar zijn voor de gezondheid. Voor het planMER zijn de kleine veranderingen niet onderscheidend voor een mogelijke locatiekeuze. Emissies van BPA in microplastics Door erosie aan de bladen van windturbines kunnen microplastics in het milieu terecht komen. Insprekers maken zich hier zorgen om. Mogelijk bevatten deze microplastics ook BPA (Bisfenol A). Volgens recent onderzoek is de hoeveelheid BPA die door windturbines in het milieu terecht komt verwaarloosbaar. De conclusie van het onderzoek is dat de emissie van BPA maximaal ca. 2 gram per jaar per windturbine bedraagt. Deze 2 gram per jaar ligt ver onder de norm. Een dergelijke emissie leidt tot verwaarloosbare concentraties BPA in de lucht, water en grond en heeft geen betekenis voor de volksgezondheid. De geringe uitstoot zorgt naar verwachting niet voor een meetbare lokale verhoging in concentraties rond windmolens. Daarnaast blijkt uit landelijke schattingen (RIVM) en onderzoek van Haskoning dat windturbines circa 2,7 ton microplastics per jaar veroorzaken, tegenover een totale nationale uitstoot van circa 5.000 ton.

BPA maken onderdeel uit van microplastics. Het aandeel van windturbines is 0,0005%. Tegelijkertijd, de Raad van State Afdeling bestuursrechtspraak heeft op 18 juni 2025 in de uitspraak over Windpark IJsselwind bij Provincie Gelderland geoordeeld dat de provincie onderzoek moet doen naar de mogelijke risico’s van erosie van de wiekcoating. Met name voor BPA. Naar aanleiding van deze uitspraak volgt er een nadere motivering en meer inzicht. Pagina 9 van 198

Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland

Effecten op het landschap In de reacties zijn vragen gesteld over hoe er onderzoek is gedaan naar het landschap. Er worden vragen gesteld over waarom bepaalde kenmerken van het landschap wel of niet zijn meegenomen, en wat het betekent dat er beoordeeld wordt dat wind- en zonneparken beter passen bij een bepaald landschap. Het landschap in Gelderland is erg divers. Op provinciale schaal is gebruik gemaakt van beschrijvingen van het landschap die wat abstracter zijn. Dit noemen we typologieën. Deze typologieën maken op provinciale schaal helder wat de voor- en nadelen zijn van locaties, maar doen niet altijd recht aan de complexe opbouw en de belevingswaarde van een gebied. Op regionaal niveau, of op gemeentelijk niveau, wordt hier bij de besluitvorming over concrete locaties meer onderzoek naar gedaan waarbij ook wordt gekeken naar de provinciale streekgidsen en omgevingsverording. Ruimtelijke spanning Het planMER is een objectief onderzoek naar de milieueffecten van energieopwekking door zon en wind. Aan de hand van deze effecten kunnen bestuurders keuzes maken waar duurzame energie op te wekken. Het planMER maakt deze keuzes niet. Het is een hulpmiddel. Het is aan de RES-partners, waar wij onderdeel van zijn, om die keuzes gezamenlijk te maken.

Het planMER laat zien dat de RES-regio’s (met uitzondering van GMR Arnhem-Nijmegen) in theorie genoeg zoekgebieden hebben om hun afgesproken opbrengst uit RES 1.0 te halen. Bij een diepere analyse blijkt dit beeld echter veel genuanceerder. Tal van locaties vallen alsnog af door milieueffecten van wind- en zonne-energie, vooral op het gebied van natuur, geluid en netcapaciteit. Daardoor zijn grote delen van het onderzoeksgebied minder geschikt of vereisen zij een zeer zorgvuldige afweging. Uit de vergelijking tussen de thema’s ‘Natuur’ en ‘Gezonde en veilige leefomgeving’ blijkt dat op het eerste oog geschikte, dunbevolkte gebieden vaak in of nabij kwetsbare natuur liggen, waardoor zij slecht scoren op natuureffecten. Omgekeerd liggen gebieden met een gunstige natuurscore vaak dichter bij bebouwing en stuiten zij juist op beperkingen vanuit gezondheid en veiligheid. Dit spanningsveld verkleint de bruikbare ruimte aanzienlijk. Wanneer bij alle theoretisch mogelijke locaties volledig rekening wordt gehouden met de milieueffecten, resteert voor windenergie in de hele provincie Gelderland uiteindelijk slechts zo’n 0,6 TWh potentieel (hoofdrapport). Met andere woorden gelet op wettelijke normen en wanneer milieu-aspecten bestuurlijk zwaar wegen, blijft er in de hele provincie Gelderland dit potentieel over.

Sinds het opstellen van het planMER kunnen nieuwe beleidslijnen zijn vastgesteld, of werkwijzen zijn aangepast die nog niet in het onderzoek zijn meegenomen. Deze aangescherpte uitgangspunten – zoals de zonneladder, afstands- en LAeq normen – vergroten de complexiteit en maken de ruimte voor windenergie niet groter, maar juist beperkter. Indien op een locatie een energieopwekproject daadwerkelijk ontwikkeld gaat worden, moet altijd nog gedetailleerd onderzoek plaatsvinden en getoetst worden aan het dan geldende beleid. Daarnaast hebben we oog voor het voorzorgsprincipe en wordt nagegaan in welke mate hier rekening mee gehouden moet worden.

Pagina 10 van 198

Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland

3. Reactie op het advies van de Commissie mer Inleiding De Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie mer) heeft op 13 maart 2025 toetsingsadvies gegeven over de volledigheid en juistheid van het planMER voor Windbeleid en Regionale Energie Strategie (RES). In dit hoofdstuk staat een samenvatting van en reactie op het advies. Eerst wordt een korte reactie gegeven, daarna wordt er uitgebreider op ingegaan. Samenvatting van het advies Het provinciaal MER en de Regionale Aanvulling verschillen in abstractieniveau. Ze geven beiden veel nuttige milieuinformatie. Er is zorgvuldig gekeken naar verschillende milieuthema’s en ook zijn er goede alternatieven opgesteld en met elkaar vergeleken. Het provinciaal MER geeft daarnaast bruikbare milieu-informatie over zonnevelden. De regionale rapportages geven voor windenergie meer verdieping, en geven per individueel zoekgebied voor wind en voor de verschillende alternatieven goed de milieugevolgen weer. De Commissie signaleert bij de toetsing van het MER dat belangrijke informatie ontbreekt die nodig is om het belang van de leefomgeving en het milieu volwaardig mee te kunnen wegen bij het besluit. Het gaat om de volgende punten Besluit (of besluiten) bij het provinciale MER en regionale aanvullingen ontbreekt nog Er is nog geen voorgenomen besluit en daarmee ook geen concreet voornemen.

Dit zorgt er onder andere voor dat de maximale mogelijkheden en daarmee stapeling van milieugevolgen niet inzichtelijk zijn. Dit leidt tot risico’s voor de uitvoering, zoals het risico dat het plan niet uitvoerbaar is. Bijvoorbeeld vanwege potentiële negatieve gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. De Commissie adviseert om in aanvulling op het MER voorafgaand aan het besluit inzichtelijk te maken in welke gebieden energieopwekking van wind en zon mogelijk wordt gemaakt. Laat de cumulatieve milieugevolgen die kunnen optreden op hoofdlijnen zien en geef aan of het plan uitvoerbaar is. Indien op voorhand negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten, stel dan een Passende beoordeling op. Aansluiting van het provinciaal planMER op de regionale aanvullingen is niet helder: het provinciaal MER heeft een andere focus dan de regionale aanvullingen. Er is niet goed uitgelegd hoe het provinciaal MER zich verhoudt tot de regionale aanvullingen. Voor zonnevelden hebben de regionale aanvullingen te weinig diepgang en te weinig milieu-informatie om per regio goed onderbouwde keuzes te kunnen maken voor zoekgebieden voor zon. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER voorafgaand aan de besluitvorming a.

Duidelijk te maken hoe het provinciale MER zich verhoudt tot de regionale aanvullingen en op welke onderdelen ze van elkaar afwijken. Geef aan welke conclusies vanuit het provinciale MER richtinggevend zijn en welke randvoorwaarden of keuzes hieruit voortkomen. b. In de regionale aanvullingen een volwaardig MER-onderzoek naar de locatie-specifieke effecten van zonneparken uit te voeren en alternatieven daarvoor met elkaar te vergelijken.

Landschap de beoordeling van windturbines in het landschap is op dit moment nog erg globaal, zoals de beoordelingen op landschapstypen. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER voorafgaand aan de besluitvorming de beoordelingen op basis van het criterium landschapstypen (regionaal) te specificeren. De Commissie beveelt aan om gebruik te maken van voorbeeldvisualisaties. Ook adviseert de Commissie om te verduidelijken waarom de beoordeling van de effecten op het landschap generiek is afgezwakt en hoe dat relateert aan de nieuwe landschappelijke laag die windturbines in het landschap vormen.

Daarnaast geeft de Commissie mer een aanbeveling voor warmte. Deze informatie kan de kwaliteit van de besluitvorming verbeteren, maar is niet essentieel om het belang van de leefomgeving en het milieu volwaardig mee te kunnen wegen bij het besluit. Om de bruikbaarheid van de informatie in het onderzoeksrapport voor de regio’s te vergroten beveelt de Commissie aan om een directere link te leggen tussen de potentie voor warmtebronnen in de

Pagina 11 van 198

Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland

verschillende regio’s en de locatie van potentiële toekomstige warmtevraag. Door deze informatie aan het rapport toe te voegen is het voor de regio’s mogelijk om een betere inschatting te maken van de relevantie van geschetste milieubelemmeringen voor de verschillende gebieden en een beeld te vormen van mogelijke cumulatie (opeenstapeling) van milieueffecten van warmte, wind en zonprojecten.

Reactie op het advies Samengevatte punten uit het advies en reacties: 1. Ontbreken van een besluit waarvoor het planMER is opgesteld De Commissie mist een besluit waarvoor het planMER is opgesteld. In zo’n besluit worden keuzes gemaakt over welke gebieden gebruikt gaan worden om het doel te halen. Omdat die keuzes ontbreken, is het niet mogelijk om de gezamenlijke (cumulatieve) effecten van de gebieden te beoordelen. Reactie voor het planMER is bewust nog geen besluitvormend stuk opgesteld. Het MER heeft hiermee de kenmerken van een vrijwillig MER. Het planMER heeft een verkennend karakter. De keuzes voor gebieden worden gemaakt, als een regio kiest voor een herijking van een RES. De (herijkte) RES is dan het besluit waarvoor het planMER gebruikt wordt. Aanvullingen over de optelsom van effecten (cumulatie) kunnen later in het herijkingsproces worden toegevoegd, als de RES daarom vraagt. Het doel van het voor advies voorgelegde planMER is het bieden van een goede basis aan milieueffectrapportage, zodat de RES regio in haar besluit daar op kan bouwen. 2. Relatie tussen provinciaal MER en regionale aanvullingen Het is niet duidelijk wat de relatie is tussen het hoofdrapport en de regionale aanvullingen. Ook missen locatiespecifieke informatie en alternatieven voor zonne-energie. Reactie het definitieve MER is aangepast op dit punt en beschrijft deze relatie beter.

Voor zonne-energie doen we op provinciaal niveau geen extra onderzoek naar locaties. De effecten zijn beperkt en hangen sterk van de plek af. Dat past beter bij een RES regio en een (herijkte) RES. De zonneladder in de omgevingsverordening geeft voldoende richting. De verordening met zonneladder is vastgesteld nadat het planMERis gestart. De door de Commissie voor de milieueffectrapportage geadviseerde aanvullingen kunnen worden meegenomen indien een RES-regio besluit tot het opstellen van een herijkte RES en hiervoor een vaststellingsprocedure doorloopt 3. Landschappelijke beoordeling De Commissie vindt de analyse te globaal. Ze mist de onderbouwing en visualisaties. Reactie het is nu juist de bedoeling van het planMER om een globaal inzicht te geven op provincie schaal. De beoordeling in het planMER blijft op provinciaal (samengevoegd) niveau. Details per regio komen later, als een regio kiest voor een herijking van een RES. Visualisaties kunnen dandam worden toegevoegd bij definitieve keuzes over locaties. 4. Warmte De koppeling tussen warmtebronnen en de regionale vraag naar warmte ontbreekt. Reactie het onderdeel warmte wordt regionaal in de RES regio of gemeente opgepakt. Het is niet doelmatig om dit ook op provinciaal niveau uit te werken in een planMER.

In onderstaande tekst lichten we de bovenstaande 4 punten en reacties verder toe. Kernpunten van het advies en reactie Hieronder zijn de vier kernpunten uit het Commissie mer advies samengevat met daarbij een reactie van hoe hiermee om gegaan wordt.

Pagina 12 van 198

Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland

Nog geen besluit/besluiten bij het planMER Samengevat het Commissie advies Het MER bevat geen (moeder)besluiten, waardoor nog niet duidelijk is wat precies het plan is. De Commissie gaat ervan uit dat zoekgebieden voor wind- en zonne-energie later worden vastgesteld in andere besluiten. Het MER onderzoekt nu wel de milieugevolgen van deze gebieden en alternatieven, maar de maximale impact is nog niet inzichtelijk. De optelsom (cumulatie) van projecten kan negatieve gevolgen hebben voor leefbaarheid, natuur en wetgeving, zoals risico’s voor Natura 2000-gebieden door vogelsterfte. De Commissie adviseert om (a) duidelijk te maken op welke plekken het mogelijk is om energie op te wekken, (b) de opgetelde milieueffecten in kaart te brengen en (c), als het nodig is, een Passende beoordeling op te stellen. Reactie Het planMER bevat bewust geen definitieve locaties voor wind- en zonne-energie. In deze fase gaat het vooral om het verzamelen van informatie en verkrijgen van inzicht. Deze inzichten helpen later helpen bij keuzes en besluiten, vooral voor de herijkte RES’sen. Het planMER dient daarmee als een verkennend hulpmiddel. Het laat de milieugevolgen van mogelijke zoekgebieden zien, zonder deze locaties definitief vast te leggen. In besluiten – zoals de herijkte RES’sen – kan per locatie een verdere afweging worden gemaakt. Het planMER helpt dan om deze keuzes te motiveren.

De RES’sen worden overgenomen in het provinciaal beleid voor windenergie. Het doel van het planMER en de rol ervan in toekomstige besluiten is ook uitgelegd in de oplegnotitie bij het planMER. Advies a, vaststellen van zoekgebieden voor het opwekken van energie Wij onderschrijven het belang van duidelijkheid over waar ruimte is om energie op te wekken. Daarom staan in het planMER zoekgebieden die zijn beoordeeld op milieueffecten. Deze gebieden dienen wel als basis voor de motivering van toekomstige besluiten waarin keuzes over locaties worden gemaakt. De regionale aanvullingen geven meer inzicht in de effecten van een zoekgebied. Advies b, cumulatieve milieueffecten Het advies om extra aandacht te besteden aan de optelsom (cumulatie) van milieueffecten – onder andere op leefbaarheid, geluid, landschap en natuur – is terecht. In het planMER is dit niet in beeld gebracht, omdat er nog geen keuzes voor gebieden worden gemaakt. Zodra in het RES herijkingsproces keuzes voor zoekgebieden worden gemaakt, wegen we deze opgetelde effecten per project of gebied nadrukkelijk mee. Deze aanvulling stemmen we af met de regio’s. Deze aanvulling wordt als een oplegnotitie toegevoegd aan het bestaande planMER en vervolgens aan een RES besluit.

Advies c, passende beoordeling en Natura 2000 Ontwikkelingen in of dichtbij Natura 2000-gebieden kunnen negatieve effecten veroorzaken, bijvoorbeeld vogelsterfte door windparken. Als later blijkt dat significante effecten niet uit te sluiten zijn, is volgens de Omgevingswet een Passende beoordeling verplicht. Dit is een vereiste, voorafgaand aan vergunningverlening of vaststelling van het omgevingsplan waarin concrete locaties staan. Deze beoordeling vindt dan plaats in de uitvoeringsfase, bij vergunningverlening, niet in de fase van herijkte RES, waarvoor dit planMER is bedoeld.

Aansluiting provinciaal planMER op regionale aanvullingen Samengevat het Commissie advies Het hoofdrapport laat zien waar wind- en zonne-energie mogelijk is, gebaseerd op wat wet- en regelgeving toelaat. Het rapport maakt geen keuzes tussen de gebieden. De regionale aanvullingen maken zoekgebieden concreter. De Commissie vindt de relatie tussen het hoofdrapport en de regionale aanvullingen onduidelijk. Daarom adviseert de Commissie om beter uit te leggen hoe de het provinciale en regionale MER zich tot elkaar verhouden, en welke

Pagina 13 van 198

Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland

conclusies, randvoorwaarden of keuzes hieruit volgen. Ook ontbreken in het rapport locatie-specifieke milieueffecten van zonneparken. Daarnaast zijn er geen alternatieven om mee te vergelijken. De Commissie adviseert daarom om (a) de milieueffecten van zonneparken per locatie én (b) alternatieven toe te voegen.

Reactie Relatie tussen hoofdrapportage en regionale aanvullingen Het planMER bestaat uit een hoofdrapport op provinciaal niveau en regionale aanvullingen, opgesteld door de RESregio’s in Gelderland. Het doel van het hoofdrapport is voor het hele Gelderse grondgebied de mogelijkheden en milieueffecten van wind- en zonne-energie in beeld te brengen, binnen de kaders van wet- en regelgeving. De regionale aanvullingen geven een verdieping op het hoofdrapport, door zoekgebieden concreter te maken op basis van de specifieke situatie en afwegingen in de regio. Wij onderkennen dat de samenhang tussen het hoofdrapport en regionale aanvullingen nu niet duidelijk genoeg is uitgelegd. In de definitieve versie van het MER is dit beter uitgelegd. We laten zien hoe de regionale aanvullingen voortbouwen op het provinciale abstractieniveau en hoe beide documenten elkaar aanvullen op inhoud en schaal. Vooral de regionale aanvullingen geven richting voor de volgende stappen en besluiten. Deze aanvullingen geven een diepere analyse van de milieueffecten in de regionale context en maken de zoekgebieden voor windenergie concreter. Daarmee vormen zij een belangrijke basis voor keuzes die, waar van toepassing, in de herijkte RES’en worden gemaakt.

Advies a en b, locatie-specifieke milieueffecten van zonneparken en alternatieven In het hoofdrapport nemen we nu geen locatie-specifieke informatie of extra onderzoek naar alternatieven voor zonneenergie op. De effecten van zon zijn relatief beperkt en sterk afhankelijk van de locatie. Hierdoor is het lastig om op provinciaal niveau tot een concreet en bruikbaar afwegingskader te komen. De zonneladder - die later is vastgesteld dan het planMER is opgestart - helpt al bij het zorgvuldig kiezen van locaties. Op regionaal niveau, in samenhang met besluitvorming door de RES-regio’s, kunnen deze keuzes specifieker worden uitgewerkt. Als een regio haar RES wil herijken en daarbij specifieke zoekgebieden voor zonne-energie heeft, is er reden om dit verder te bekijken. Op dit moment zien wij in dit planMER geen meerwaarde om dit toe te voegen op provinciaal niveau. In het hoofdrapport van het planMER staan alternatieven voor zon op land voor heel Gelderland. Als in een volgende fase van het RES-herijkingsproces locaties voor zon worden opgenomen, kan worden besloten voor welke alternatieven verdere uitwerking nodig is. De eerder beschreven criteria voor het kiezen van onderzoeksgebieden kunnen hierbij helpen. Ze helpen bepalen op welke manier de verschillende alternatieven binnen de milieubeoordeling verder onderzocht kunnen worden.

Landschap Samengevat het Commissie advies Het provinciaal MER beoordeelt zoekgebieden op landschappelijke impact, maar de Commissie vindt de analyse te globaal. Voor de beoordeling van windturbines per type landschap is een diepere uitwerking op regionaal niveau nodig, omdat er nu te weinig rekening is gehouden met lokale verschillen. De Commissie raadt aan om gebruik te maken van visualisaties om de beoordeling beter te onderbouwen. Ook vindt de Commissie dat niet goed is uitgelegd waarom negatieve beoordelingen over het landschap zijn afgezwakt. Daarom adviseert de Commissie om (a) de beoordeling specifieker te maken, en het planMER aan te vullen met visualisaties, en (b) de gekozen werkwijze beter te onderbouwen. Reactie De landschappelijke beoordeling in het planMER blijft op hoofdlijnen en gaat niet in op lokale verschillen binnen de landschapstypen. Deze aanpak is gekozen om een eerste inschatting voor heel Gelderland te kunnen maken van hoe gevoelig elk type landschap is voor windenergie. Hierbij is informatie over lokale verschillen niet beschikbaar. We Pagina 14 van 198

Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland

erkennen dat het belangrijk is om dit regionaal of lokaal verder uit te werken, maar zien dat niet als logische stap binnen dit planMER. Dit maatwerk past binnen het herijkingsproces. Daar kunnen de landschappelijke mogelijkheden specifieker worden gemaakt, onder andere door per landschapstype toe te lichten welke kenmerken bepalend zijn voor de gevoeligheid, en door regionale verschillen beter te laten zien. De beoordeling van het landschap is afgestemd tussen de RES regio’s en provincie. De verschillen in kans rijkheid blijven echter behouden en bruikbaar. In een volgende fase kunnen ontwerpprincipes zoals ‘leegtes en voltes’ helpen om concrete keuzes te beoordelen en motiveren. Advies a, gebruik van visualisaties en bestaande RES 1.0-analyses Het advies om visualisaties te gebruiken bij de landschappelijke beoordeling heeft juist een meerwaarde voor de herijkte windzoekgebieden, niet voor alle onderzoeksgebieden. Daarom kiezen we ervoor om nog geen visualisatie op te nemen. Visualisaties worden pas ingezet als er definitieve locaties of concrete zoekgebieden voor windenergie zijn, als uitkomst van een eventuele RES herijkingproces. Dan kunnen de visualisaties gericht worden uitgewerkt, afgestemd op de kenmerken van het gebied en het project. Om verwarring te voorkomen en de focus te houden op de actuele planvorming, is ervoor gekozen deze niet opnieuw in beeld te brengen.

Advies b, toelichting op de gekozen werkwijze landschap Het planMER is bedoeld om de impact van windenergie op het landschap op hoofdlijnen in kaart te brengen. De beoordeling is gebaseerd op landschappelijke hoofdstructuren en typeringen op provinciaal niveau. Wij onderkennen dat deze aanpak geen recht kan doen aan alle lokale verschillen en dat een gedetailleerdere analyse per gebied nuttig kan zijn. Er is echter geen data beschikbaar om zo’n gedetailleerde analyse uit te voeren. In een volgende fase, bij de uitwerking van herijkte RES’en en het provinciaal windbeleid, kan meer gebruik worden gemaakt van lokale kennis en context. Tot slot lichten wij in de definitieve versie van het planMER de werkwijze rondom de aangepaste landschapsbeoordelingen verder toe.

Aanbevelingen voor warmte Samengevat het Commissie advies Bij het planMER is een onderzoeksrapport over warmte opgesteld. Het rapport biedt handvatten voor gemeentelijk warmtebeleid en het kiezen van locaties voor grootschalige warmtebronnen. Ook brengt het rapport kansen en risico’s van verschillende warmtetechnieken in beeld. Het planMER voorziet geen vervolgbesluiten op het warmte-onderzoeksrapport, maar ziet het als inspiratie voor regio’s. De Commissie adviseert om de koppeling tussen warmtebronnen en de toekomstige vraag naar warmte per regio duidelijker te maken. Dit helpt regio’s beter in te schatten welke milieubelemmeringen relevant zijn en hoe de milieueffecten van warmte-, wind- en zonprojecten samenkomen. Reactie Het onderwerp warmte is onlosmakelijk verbonden met de bredere ontwikkeling van het provinciaal en regionaal energiesysteem. Tegelijkertijd zien wij dat warmte momenteel vooral regionaal en lokaal wordt opgepakt. Daarnaast overwegen een aantal Gelderse regio’s om zelf een planMER op te stellen, waar het thema warmte onderdeel van kan

Pagina 15 van 198

Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland

zijn. Door deze ontwikkelingen is het niet wenselijk of doelmatig om vanuit dit planMER in te gaan op de koppeling tussen warmtebronnen en warmtevraag op lokaal niveau.

Pagina 16 van 198

Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland

4. Welke wijzigingen worden doorgevoerd in het planMER? Overzicht wijzigingen van het planMER naar aanleiding van de inspraakreacties Thema

Zienswijze 4

Gezondheid

24 & 25 Waterveiligheid

Wat? In de laatste factsheet van het RIVM (jan 25) is 'hinder' als direct gezondheidseffect aangeduid. In H2 van deze oplegnotitie is het effect op gezondheid beschreven met inachtneming van deze laatste factsheet. Het benoemen van de waterschappen als mogelijke beheerder van de primaire waterkeringen

Waar?

Hoofdrapport par. 5.3

Hoofdrapport par 3.1.4 en in Regionale Aanvulling Rivierenland Bijlage I, blz. 20 par. 4.5.

24

Het toevoegen van regionale keringen op de kaarten

Hoofdrapport par 3.1.4 en 5.5.3

311 Luchtvaart

Het toevoegen van (bufferzones rondom) vliegveld Stadtlohn Vreden

Hoofdrapport par 3.1.5

Hoofdrapport par 4.3.2

Belemmeringen

78

Het verwijderen van waterpartijen in de belemmeringen van zon op land

Hoofdrapport par 3.1

95

Het toevoegen van de huidige situatie over de provinciegrens waar dit relevant is Het verduidelijken welke aanvullingen op het planMER nodig zijn voor het verankeren van zoeklocaties in lokaal beleid. Pas als het concreet is wat regio's in hun programma vast willen leggen over onder andere locaties voor windenergie, kunnen er aanvullende milieueffecten worden onderzocht en worden toegevoegd aan dit planMER. Voorbeelden van aanvullende onderzoeken zijn het opstellen van een concretere landschapsanalyse, het beschouwen van de afweging op regionaal niveau en het

Hoofdrapport H1

Waterveiligheid

Huidige situatie

23

Proces

Pagina 17 van 198

Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland

onderzoeken van lokale of nieuwe geluids- en/of afstandsnormen. Ook is het nodig om in een planMER ter onderbouwing van een programma een beschouwing op te nemen van de milieueffecten van het programma.

Regionale Aanvulling RESregio Stedendriehoek

308

Opnemen bij onderzoeksgebied S3H11 dat hier ontwikkelingen zijn voor een woongebied.

Regionale Aanvulling RES-regio Stedendriehoek hoofdstuk 4

Regionale Aanvulling RESregio Stedendriehoek

305

Wijziging van ‘0,02’ bij zon op land, bestaand, naar ‘0,20’.

P.8 tabel 2.1.

Regionale Aanvulling RESregio Stedendriehoek

278

Aanpassen omschrijving van de effecten bij S3H22 het onderzoeksgebied ligt niet binnen de bufferzone van beschermd dorpsgezicht Stokkum (in Overijssel), maar Lochem.

Regionale Aanvulling RES-regio Stedendriehoek hoofdstuk 4

Regionale Aanvulling RESregio Stedendriehoek

144

Aanpassen uitgangspuntennotitie (bijlage 1 van de Regionale Aanvullingen) wordt aangepast; schrappen van de genoemde 2e ontwerpvoorkeur.

Bijlage I Regionale Aanvulling

Pagina 18 van 198

Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland

5. Zienswijzen Hoofdrapport planMER Zienswijze 4 Reactienummer:

4

Indiener:

NN

Samenvatting In het planMER staat dat er geen wetenschappelijk bewijs is voor directe gezondheidseffecten door geluid van windturbines. De indiener stelt dat dit een onjuiste verklaring is. Het RIVM zegt dat er een duidelijk verband is tussen geluid van windturbines en hinder. Hinder wordt hierin beschouwd als een schadelijk gezondheidseffect. Antwoord Op de datum van het vaststellen van het planMER werd door het RIVM hinder nog niet gezien als gezondheidseffect. In haar laatste factsheet 'Windturbines en gezondheid' (januari 2025) geeft het RIVM nu inderdaad aan hinder als gezondheidseffect te zien. Deze geluidshinder kan indirect slaapverstoring of andere gezondheidsproblemen, zoals harten vaatziekten en mentale gezondheidsproblemen, veroorzaken of bestaande aandoeningen verergeren. Er is echter geen causaal verband aangetoond tussen geluidshinder door windturbines en gezondheidsklachten. Deze klachten zijn voornamelijk gerelateerd aan niet-akoestische factoren in plaats van het daadwerkelijke geluidsniveau (de berekende geluidbelasting). Bij participatie- en besluitvormingsprocessen en de ontwikkeling van windturbines zijn nietakoestische factoren een belangrijk aandachtspunt. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.

Zienswijze 5 Reactienummer:

5

Indiener:

NN

Samenvatting Indiener mist in het onderzoek de toepassing van kleine windmolens (hoogte 15 - 30 meter) op grote particuliere percelen. De aanleg en het onderhoud kost de provincie geen cent, maar deze kunnen een substantiële bijdrage leveren een de noodzakelijke energietransitie. Antwoord Het MER richt zich op grotere windturbines (en grootschalige zon op veld) omdat dit de kern is van de opgave uit de Gelderse RES'en. Kleine windmolens dragen inderdaad bij aan de doelen uit het klimaatakkoord. Een kleine molen van 15 KWh (21 meter tiphoogte) levert zo'n 32,1 MWh/jaar en een grote molen van 5,6 MW (circa 250 meter tiphoogte) zo'n 16.800 MWh/jaar. Voor dezelfde opbrengst van één grote windturbine zijn dus meer dan 500 kleine molens nodig. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.

Zienswijze 6 Reactienummer:

6

Indiener:

NN

Samenvatting De indiener stelt dat in het hoofdrapport wordt benoemd dat beperkingen van stiltegebieden niet gelden voor duurzame Pagina 19 van 198

Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland

energie. Indiener vindt dat deze conclusie voorbij gaat aan het belang van de afweging die het beleid moet maken. Voor een goede ruimte afweging van functies is het relevant om inzicht te hebben in de locaties van stiltegebieden, bij een nagenoeg gelijke beoordeling van locaties dient de wens voor het behoud van stilte meegewogen te worden als ongewenst effect. De indiener verzoekt de provincie om het planMER aan te vullen met een analyse van zoekgebieden versus stiltegebieden.

Antwoord In het planMER is onderzoek gedaan naar het effect van geluid van windturbines op de leefomgeving. Hierin is niet speciaal rekening gehouden met stiltegebieden omdat hier geen wettelijke beperkingen voor gelden. Wel gelden er voorwaarden in de omgevingsverordening voor en in deze gebieden. Stiltegebieden komen wel elders in het onderzoek terug. In het alternatief ‘Gezonde en veilige leefomgeving’ zijn stiltegebieden uitgesloten. Met deze analyse kan bekeken worden welke locaties kansrijk zijn op het moment dat een bestuurder ervoor kiest om extra geluidbelasting, ook in stiltegebieden, te vermijden.

Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.

Zienswijze 18 Reactienummer:

18

Indiener:

NN

Samenvatting Indiener verzoekt de Provincie om de windmolens bij zoekgebied N1 niet mogelijk te maken. Reden hiervoor is dat nabij dit zoekgebied de zorginstelling De Junahoeve in Winterswijk ligt. Cliënten in deze instelling zijn extra kwetsbaar voor prikkels. De aanwezigheid van windmolens kan negatieve gevolgen hebben voor hun gezondheid door geluid en beweging. Antwoord Zoekgebied N1 is beschreven in de RES 1.0. Het zoekgebied dat met N1 overlap heeft, is zoekgebied AH47 uit de Regionale Aanvulling voor de Achterhoek. Het planMER en de Regionale Aanvulling geven niet aan waar windturbines gerealiseerd gaan worden. De Regionale Aanvulling beschrijft enkel de milieueffecten van windenergie in de zoekgebieden, zodat overheden deze kunnen betrekken bij later te maken afwegingen. De uitkomsten kunnen inzicht geven of een herijking van de RES 1.0 noodzakelijk of gewenst is. Specifieke toetsing op lokaal niveau vindt plaats bij de uitwerking van een eventueel concreet windproject. Uw specifieke zorgen dienen in een dergelijk traject te worden meegenomen. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen.

Zienswijze 23 Reactienummer:

23

Indiener: Tegenwind

drie samenwerkende burgerinitiatieven Ede Waait Anders, Veenendaal Waait Mee en

Samenvatting 1. Indiener vraagt een definitieve versie van de NRD te delen voor een helder begrip van de opdracht voor het MER.

Pagina 20 van 198

Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland

2. Indiener is van mening dat de aanwezigheid van nieuwe normen een voorwaarde is voor het opstellen van dit planMER. Nu is er te veel onduidelijk en wordt er geanticipeerd op consequenties over nog onbekende, nog vast te stellen normen. 3. Indiener stelt dat ze uit recente cijfers heeft begrepen dat de doelstellingen met betrekking tot wind op land al behaald zijn. 4. Indiener is van mening dat het planMER nog meer informatie moet bevatten over de noodzakelijke aanpassingen in het elektriciteitsnet en de voorzieningen om periodes zonder zon en wind op te vangen. 5. Voor bestuurders moet helder zijn op welke manier dit planMER kaders geeft aan plannen voor projecten op lokaal niveau. In het planMER moet een advies opgenomen worden aan lokale bestuurders over wat er nog aanvullend op het provinciale planMER, in een project-MER, moet worden onderzocht. 6. Een aantal gezondheidseffecten is onvoldoende beschouwd in het planMER. Voorbeelden zijn effecten van PFAS en Bisfenol A, ook in relatie met de zorgen rondom waterkwaliteit en landbouwgewassen. 7. De indiener roept op om uit te gaan van het voorzorgsprincipe rondom gezondheidseffecten van windturbines. Er is immers ook niet aangetoond dat er géén gezondheidsschade veroorzaakt wordt.

Ze stelt voor dat waar negatieve effecten verwacht kunnen worden, deze benoemd worden, gekeken wordt hoe deze beperkt of gemitigeerd kunnen worden, en gekeken wordt hoe deze gecompenseerd kunnen worden. 8. Informatie uit een rapport van 14 jaar oud, dat gebaseerd is op windturbines van 150 meter, en dat een onderwerp betreft waar zoveel over te doen is, dient opnieuw op waarde en relevantie te worden geschat. 9. De indiener benoemt in relatie tot een eerdere zienswijze op de NRD en de omgang hiermee in de reactienota, dat door het samenvatten van de zienswijzen in de reactienota inhoud en argumenten niet letterlijk benoemd zijn. Hierdoor hebben ambtenaren en bestuurders geen of onvoldoende zicht op de inhoud. Hierdoor passen sommige antwoorden ook niet. Daarnaast wordt in een aantal reacties aangegeven dat de vraag niet past bij het detailniveau van het planMER, of op projectniveau verder uitgewerkt moet worden. De indiener vraagt om duidelijker aan te geven bij welk moment zulke vragen wél gesteld kunnen worden en hier, ook richting lokale bestuurders, over te informeren. De indiener vraagt ook of er een samenvatting van de reactienota gemaakt is en deze gedeeld kan worden. Antwoord 1. De NRD is in te zien op onze website. 2. Een planMER is een milieueffectrapport dat wordt opgesteld om de mogelijke milieugevolgen van onder andere windenergie in beeld te brengen.

Het doel van een planMER is om provincie en gemeenten te helpen bij het maken van een goed onderbouwde beslissing over de locatie van windenergieprojecten. Het planMER zelf stelt geen normen en daarom was het niet van belang om hierop te wachten. 3. Wind- en zonneparken op land zullen in 2030 – van alle RES’sen in Nederland- naar verwachting (inclusief projecten die nog gerealiseerd worden) 37 tot 45 terawatt-uur elektriciteit produceren. Daarmee zal het doel van 35 terawatt-uur uit het Klimaatakkoord zeer waarschijnlijk worden gehaald (bron PBL 12 december 2024). 4. De noodzakelijke aanpassingen in het elektriciteitsnet en de voorzieningen om periodes zonder zon en wind op te vangen omvat het toekomstig energiesysteem. Het toekomstig energiesysteem zal zich niet alleen ontwikkelen voor het toekomstige aanbod van duurzame energie, maar ook op de toekomstige vraag in gebouwde omgeving, mobiliteit en industrie. Dit systeem omvat meerdere schaalniveaus, als internationaal, nationaal en decentraal die ieder andere aanpassingen vergen. Dat valt buiten de reikwijdte van dit planMER.

Pagina 21 van 198

Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland

5. Mede gezien de reactie op het advies van de Commissie mer zullen in een planMER behorend bij een besluit over een RES aanvullingen gedaan moeten worden aan het planMER. Pas als vanuit dit programma (de herijkte of nieuwe RES) concreet wordt wat de regionale plannen zijn over onder andere locaties voor windenergie, kunnen er aanvullende milieueffecten worden onderzocht en worden toegevoegd aan dit planMER. Deze aanvulling zien voornamelijk op de Regionale Aanvullingen van de betreffende regio. 6. Door erosie aan de bladen van windturbines kunnen microplastics in het milieu terecht komen. Insprekers maken zich hier zorgen om. Mogelijk bevatten deze microplastics ook BPA (Bisfenol A). Volgens recent onderzoek is de hoeveelheid BPA die door windturbines in het milieu terecht komt verwaarloosbaar. De conclusie van het onderzoek is dat de emissie van BPA maximaal ca. 2 gram per jaar per windturbine bedraagt. Deze 2 gram per jaar ligt ver onder de norm. Een dergelijke emissie leidt tot verwaarloosbare concentraties BPA in de lucht, water en grond en heeft geen betekenis voor de volksgezondheid. De geringe uitstoot zorgt naar verwachting niet voor een meetbare lokale verhoging in concentraties rond windmolens..

Daarnaast blijkt uit landelijke schattingen (RIVM) en onderzoek van Haskoning dat windturbines circa 2,7 ton microplastics per jaar veroorzaken, tegenover een totale nationale uitstoot van circa 5.000 ton. BPA maken onderdeel uit van microplastics. Het aandeel van windturbines is 0,0005%. Tegelijkertijd, de Raad van State Afdeling bestuursrechtspraak heeft op 18 juni 2025 in de uitspraak over Windpark IJsselwind bij Provincie Gelderland geoordeeld dat de provincie onderzoek moet doen naar de mogelijke risico’s van erosie van de wiekcoating. Met name voor BPA. Naar aanleiding van deze uitspraak volgt er een nadere motivering en meer inzicht. Uit diverse onderzoeken komt dus naar voren dat de emissies van microplastic en BPA uit windmolens marginaal. In de lucht gedragen deze stoffen zich als fijnstof, en worden diffuus verspreid over de provincie. De geringe uitstoot zorgt naar verwachting niet voor een meetbare lokale verhoging in concentraties rond windmolens. Hieruit volgt dat er geen meetbare effecten zijn op bodem- en watersysteem (RIVM, 2022; Royal HaskoningDHV, 2024). SF6 is een broeikasgas, maar weinig giftig voor mens en dier. Er gelden strenge wettelijke regels om uitstoot van broeikasgassen als SF6 te beperken. In windturbines worden soms kleine hoeveelheden SF6 gebruikt, maar er zijn diverse alternatieve stoffen die gebruikt kunnen worden.

Door lekkage kan naar verwachting een kleine hoeveelheid SF6 vrijkomen uit windturbines. Aan het einde van de levensduur wordt meer dan 95% van het gebruikte SF6 afgevangen. Dit komt daardoor niet in de atmosfeer terecht. De totale uitstoot van SF6 in windturbines en het effect hiervan op het klimaat is klein ten opzichte van de verminderde CO2-uitstoot door het gebruik van windturbines (RIVM, 2022).

7. Het voorzorgsbeginsel is verankerd in Europese en Nederlandse regelgeving, waaronder de Omgevingswet. Het beginsel houdt in dat maatregelen genomen moeten worden wanneer er gegronde redenen zijn om negatieve effecten op gezondheid of milieu te vrezen, ook als wetenschappelijk bewijs voor een causaal verband nog ontbreekt. Deze maatregelen moeten proportioneel en zorgvuldig worden afgewogen. In lijn met vaste rechtspraak gaat het voorzorgsbeginsel echter niet zover dat enkel op basis van publicaties waarin slechts een mogelijk verband wordt gelegd tussen windturbines en gezondheidsklachten, de vaststelling van een ruimtelijk plan achterwege moet blijven. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft geoordeeld dat het niet nodig is om vooraf alle risico’s volledig uit te sluiten of daarvoor vergaande beschermende maatregelen te treffen, zolang er geen concreet wetenschappelijk bewijs is voor aantoonbare schade of risico’s. Daarnaast heeft de Afdeling benadrukt dat aanvullend onderzoek naar mogelijke gezondheidseffecten veelal langdurig is en idealiter op landelijke schaal wordt verricht. Zie onder meer de uitspraken ECLI NL RVS 2023 1433 (Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding), ECLI NL RVS 2018 2225 (Windpark Oostpolder), ECLI NL RVS 2018 616 (Windpark De Drentse Monden – Oostermoer) en ECLI NL RVS 2017 3504 (Windpark De Veenwieken).

Provincie Gelderland heeft in 2024 een eigen Afwegingskader Voorzorgbeginsel (24M1 en 24T9) vastgesteld (documentnummer 2024-007524). Dit afwegingskader beschrijft op welke wijze zorgvuldig en stapsgewijs tot een besluit kan worden gekomen over het al dan niet nemen van voorzorgsmaatregelen in situaties waarin wetenschappelijke onzekerheid bestaat, maar handelen toch gewenst of nodig kan zijn. Het kader wordt de komende tijd in de praktijk toegepast en kan, mede op basis van landelijke ontwikkelingen, nog worden aangescherpt. Bovendien zijn de negatieve gevolgen van het gebruik van fossiele brandstoffen op de gezondheid lokaal en wereldwijd door de wetenschap aangetoond. Uit het voorzorgsbeginsel vloeit óók voort dat de overheid het gebruik van fossiel Pagina 22 van 198

Reactienota planMER Windbeleid en RES provincie Gelderland

brandstoffen moet terugdringen om gezondheidsschade en het verlies aan leefgebied in de toekomst te voorkomen, en dus voortgang moet maken met plannen voor duurzame energie. Zie hiervoor bijvoorbeeld het vonnis in klimaatzaak Urgenda (ECLI NL HR 2019 2006). De effecten van geluid en de plekken waar deze verwacht kunnen worden zijn in het planMER beschreven en in kaart gebracht (paragraaf 5.3). Ook is hier beschreven wat er bekend is over de relatie tussen geluid en gezondheid. Hierbij wordt ook ingegaan op maatregelen om effecten te verminderen. 8. De dosis-effectrelaties waar deze reactie naar verwijst zijn in de afgelopen jaren niet gewijzigd. Het RIVM en de WHO, beide onafhankelijke instanties, verwijzen hier nog naar omdat het om goed onderbouwde en betrouwbare informatie gaat. 9. Op de NRD, en ook op het planMER zijn vele reacties binnengekomen. Om dit overzichtelijk te kunnen publiceren en beantwoorden worden samenvattingen gemaakt van de gestelde vragen. De argumentatie kan daardoor inderdaad wegvallen in de samenvatting, maar wordt wel betrokken in het beantwoorden van de vragen. Van de reactienota is geen samenvatting gemaakt. Vragen mogen altijd gesteld worden, de antwoorden kunnen alleen niet altijd in de procedure zelf al volledig gegeven worden. Een voorbeeld voorliggend planMER is nog niet gekoppeld aan een besluit waarin bijvoorbeeld locaties worden aangewezen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16052860/2