nota van Zienswijzen
Tekst van het document
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
22
De indiener stelt dat internationale ervaringen (zoals uit Duitsland en Denemarken) met participatie en landschappelijke inpassing niet zijn meegenomen. Dit had waardevolle lessen kunnen opleveren over draagvlak en juridische weerbaarheid.
Het RPE is ontwikkeld binnen de Nederlandse context van de RESstructuur en de Omgevingswet. Daarbij is gebruikgemaakt van kennis van organisaties zoals NP RES en PBL. Deze organisaties leren van internationale ervaringen en nemen deze mee in hun beleid en onderzoeken. De internationale ervaringen die door de indiener zijn benoemd hebben daarnaast betrekking op het schaalniveau van energieprojecten, niet op het schaalniveau van een regionaal programma.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
23
De indiener stelt dat het plan alleen focust op beschermde natuurgebieden en geen aandacht besteedt aan biodiversiteit in agrarische gebieden of ecologische verbindingszones. Dit is volgens de indiener strijdig met het voorzorgsbeginsel en de integrale benadering van de Omgevingswet.
Het RPE bevat geen besluiten over projecten of specifieke locaties. Projecten die in de energieregio ontstaan, doorlopen elk een aparte procedure. Voor meer informatie over de afweging van milieu-effecten bij windprojecten verwijzen wij naar hoofdstuk 4 van deze nota.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
24
De indiener stelt dat de wijze van participatie in dit traject het vertrouwen in de overheid ondermijnt en leidt tot verlies van sociaal kapitaal. Structurele signalen uit de samenleving zijn genegeerd, wat ten koste gaat van democratische legitimiteit.
Voor meer informatie over de participatie over het RPE verwijzen wij naar hoofdstuk 3 van deze nota.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
25
De indiener stelt dat het plan geen analyse bevat van energiearmoede of van hoe lage inkomensgroepen geraakt worden. Hierdoor wordt systematische ongelijkheid in de energietransitie vergroot.
Het RPE bevat uitgangspunten en afspraken die overheden helpen om keuzes te maken die leiden tot een betaalbare, betrouwbare en klimaatneutrale energievoorziening.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
26
De indiener stelt dat het plan alleen kijkt naar de operationele effecten van installaties, en niet naar productie, transport of recycling van materialen zoals zonnepanelen en windturbines.
Het RPE bevat geen besluiten of onderzoeken over specifieke projecten of locaties. Productie, transport en recycling worden wel landelijk meegenomen in beleidsvorming over circulaire economie en productnormering. Het RPE bevat wel een uitgangspunt over circulariteit, dat met de RES 1.0 is vastgesteld en in het RPE is overgenomen. Dit
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
uitgangspunt ontbrak ten onrechte in de ontwerpversie van het RPE en is in de definitieve versie opnieuw toegevoegd. 27
De indiener stelt dat digitale risico’s van smart grids en geautomatiseerde netten niet zijn meegenomen in de planvorming. Hierdoor blijven belangrijke systeemrisico’s buiten beeld.
Digitale risico’s vallen buiten de reikwijdte van het RPE. We verwachten dat er rond deze aspecten de komende jaren veel kennis zal worden ontwikkeld. We zullen die ontwikkelingen volgen.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
6. Zienswijzen vanuit bewoners van en organisaties uit de gemeente Brummen Indiener A, Vereniging Door Weer en Wind Brummen, zienswijze ontvangen op 22-06-2025 (zienswijze 12) #
Zienswijze
Reactie
Conclusie
1
De indiener geeft aan dat zij in eerdere trajecten (zoals RES 1.0 en planMER) herhaaldelijk zienswijzen hebben ingediend, maar nooit rechtstreeks zijn geïnformeerd over nieuwe documenten waar opnieuw op gereageerd kon worden. Hierdoor zijn zij afhankelijk van hun eigen netwerk om op de hoogte te blijven, wat het vertrouwen schaadt en hun rol als serieuze gesprekspartner ondermijnt. Zij pleiten voor een directe meldplicht richting alle partijen die eerder een zienswijze hebben ingediend, conform artikel 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.
In het RPE-traject is ingezet op brede publicatie en kennisgeving van de terinzagelegging via officiële kanalen, gemeentelijke websites en regionale media, zodat alle belangstellenden de mogelijkheid hebben om zienswijzen in te dienen. Het Awb kent geen wettelijke verplichting tot individuele kennisgeving of actieve informatievoorziening. We verwijzen de indiener graag naar de kanalen van de RPE partners, zoals de websites van de gemeenten of de website van de regio Stedendriehoek, om op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen. Op die manier informeren we elke geïnteresseerde op dezelfde manier.
De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
2
De indiener complimenteert de energieregio met het RPE en benoemt onder waardering voor de brede blik in het RPE.
We danken de indiener voor de uitgesproken waardering.
De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
3
De indiener mist concrete randvoorwaarden voor de effecten van elk type opwek op mens en natuur. Genoemd worden: het ontbreken van geluid- en slagschaduwnormen voor windturbines, onvoldoende aandacht voor ecologische impact (zoals vogeltrekroutes en stikstofbelasting) en het ontbreken van een analyse van cumulatieve effecten op landschap en
Het RPE bevat geen besluiten over projecten of specifieke locaties, maar bevat afspraken en uitgangspunten die overheden helpen keuzes te maken die leiden tot een betaalbare, betrouwbare en klimaatneutrale energievoorziening. Eventuele projecten in de energieregio worden getoetst aan landelijke wet- en regelgeving. Deze wetgeving bevat de normen die volgens de indiener missen in het RPE. Voor meer informatie
De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
leefomgeving. Zij verzoeken om duidelijke basiskaders in begrijpelijke taal.
over de afweging van dit soort effecten verwijzen we naar hoofdstuk 4 van deze nota.
4
De indiener stelt dat het RPE niet duidelijk maakt hoe en wanneer inwoners daadwerkelijk invloed kunnen uitoefenen. In het RPE wordt volgens indiener onvoldoende uitgewerkt wat een streven naar 50% lokaal eigendom in de praktijk inhoudt. De indiener verzoekt daarnaast om duidelijk te maken welke participatiemomenten verplicht zijn en om te borgen dat participatie voorafgaand gebeurt aan beleidsvorming.
In de energieregio hebben we afgesproken dat gemeenten in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor het opstellen van participatiebeleid. We leggen het verzoek uit deze zienswijze terug in de communicatiewerkgroep waarin de gemeenten ervaringen en kennis rondom communicatie en participatie uitwisselen.
De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
5
De indiener stelt dat in het RPE jaarlijkse monitoring wordt beloofd, maar dat niet wordt toegelicht wie beoordeelt of de koers wordt gehaald, welke correctiemaatregelen worden ingezet of wie bestuurlijk of financieel verantwoordelijk is wanneer onderliggende projecten stagneren. De indiener verzoekt daarom om een regionale regietafel in te stellen met heldere escalatieroutes en om de monitoringsrapportages openbaar te maken.
Voor meer informatie over de monitoring van het RPE verwijzen we naar hoofdstuk 3 van deze nota. Om de voortgang van het RPE te monitoren en voor de ontwikkeling en uitvoering van het RPE, hebben we een organisatie opgezet bestaande uit een stuurgroep (als bestuurlijk opdrachtgever) een ambtelijke coördinatiegroep en de adviestafel (bestaande uit maatschappelijke partners). Eventuele correctiemaatregelen naar aanleiding van de monitoring zijn aan de orde bij de eerstvolgende versie van het RPE.
De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
6
De indiener vraagt zich af hoe doelstellingen uit het RPE behaald worden, als de windplannen die niet gerealiseerd kunnen worden op de Veluwe niet ergens anders in de regio gecompenseerd worden. De indiener verzoekt om een procedure te benoemen om energie opwek capaciteit eerlijk te verdelen als locaties uitvallen.
De RPE partners werken samen in de ontwikkeling en uitvoering van het RPE en monitoren gezamenlijk de voortgang. Indien de situatie zich voordoet dat het nodig is om bij te sturen, dan ontwikkelen we daar gezamenlijk een aanpak voor.
De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
7
De indiener stelt dat, omdat er in het RPE nog geen keuzes worden gemaakt voor de lokale inrichting, het RPE niet goed toetsbaar is voor inwoners en volksvertegenwoordigers. Volgens de indiener wordt hierdoor rechtszekerheid gecreëerd. De indiener verzoekt daarom om een indicatieve kaart toe te voegen met voorkeurs- en uitsluitingsgebieden of om een separate locatiekeuze-ronde in te plannen met bindende criteria.
Het RPE bevat geen besluiten over projecten of locaties. Elk traject dat wel eindigt in besluitvorming over een project of locatie, kent een eigen participatieprocedure en eigen besluitvorming. Voor meer informatie over het RPE in relatie tot gemeentelijk of provinciaal beleid verwijzen wij naar hoofdstuk 3 van deze nota.
De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
8
De indiener verzoekt om een risico- en gevoeligheidsanalyse toe te voegen aan het RPE, inclusief alternatieve paden bij tegenvallende technologie, draagvlak of netcapaciteit.
In het RPE zijn de uitgangspunten en aannames gebaseerd op de huidige inzichten, beschikbare onderzoeken en landelijke kaders. We erkennen dat ontwikkelingen rondom technologie, draagvlak en netcapaciteit onzekerheden met zich meebrengen. Het RPE bevat daarom een adaptieve aanpak, waarbij periodieke monitoring en bijstelling mogelijk is op basis van nieuwe informatie. De verbrede reikwijdte van het RPE ten opzichte van de RES 1.0 is hier een voorbeeld van.
De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
9
Omdat het energieperspectief expliciet omschreven wordt als levend document, zonder formele status of besluitvormingsproces, is het volgens de indiener voor inwoners lastig te overzien wat de impact is in hun directe omgeving. De indiener stelt dat verschillende doelen tussen gemeenten kunnen leiden tot een ongelijke verdeling en dat sommige gemeenten zwaarder belast worden. De indiener verzoekt om naast de basiskaders gelijktijdig een compensatieregeling uit te werken voor direct betrokken inwoners en om minimale beschermings- en compensatierechten te verankeren voordat grootschalige opwekplannen vergund kunnen worden.
Voor meer informatie over de het RPE in relatie tot gemeentelijk en provinciaal beleid verwijzen we naar hoofdstuk 3 van deze nota. We erkennen dat de ruimtelijke mogelijkheden, het maatschappelijk draagvlak of de bestuurlijk-politieke afwegingskaders tussen gemeenten (en provincie) kunnen verschillen. Uiteindelijk is een betrouwbare, betaalbare en klimaatneutrale energievoorziening een regionale opgave, waar elke gemeente onderdeel van is. De afspraken in het RPE helpen om te voorkomen dat gemeenten onevenredig belast worden in deze opgave. Landelijke kaders regelen de beschermingsinstrumenten waar de indiener op doelt, zoals afstandsnormen en compensatieregelingen. Voor meer informatie over de landelijke wet- en regelgeving bij grootschalige opwekprojecten verwijzen wij naar hoofdstuk 4 van deze nota.
De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
10
De indiener stelt dat het rapport sterk leunt op aannames in plaats van verifieerbare data. Volgens de indiener is scenariodenken nuttig, maar vraagt de stap naar beleidskeuzes dat aannames worden onderbouwd met concrete pilots, business cases en haalbaarheidsstudies. De indiener verzoekt om voor elke sleutel-technologie een onderbouwingsfiche toe te voegen met bronverwijzing, kostencurve en realisatiegraad elders.
Het energieperspectief in het RPE is gebaseerd op een breed palet aan bronnen, waaronder landelijke studies, scenarioplanning van netbeheerders en analyses van maatschappelijke, technische en ruimtelijke ontwikkelingen. Bijlage 3 bij het RPE benoemt deze bronnen en licht ze toe. Bijlage 1 benoemt de kenmerken van de energiebronnen die mogelijk onderdeel zijn van de energievoorziening van de toekomst.
De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
11
De indiener stelt dat er in het RPE oog is voor nieuwe ontwikkelingen, maar onderbelicht bepaalde volgens indiener kansrijke technologieën zoals thoriumcentrales, thermische opslag of modulaire windmolens. De indiener verzoekt om periodiek een onafhankelijke toets op technologieën te organiseren en om te zorgen dat het RPE voldoende flexibiliteit biedt om beleid en plannen hierop aan te passen.
In het RPE sluiten we geen energiebronnen uit. De verbrede reikwijdte van het RPE ten opzichte van de RES 1.0 is een voorbeeld van hoe we voldoende flexibiliteit inbouwen in het regionale programma om in te spelen op nieuwe technologieën en andere ontwikkelingen.
De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
7. Zienswijzen vanuit bewoners van en organisaties in de gemeente Lochem Indiener A, zienswijze ontvangen op 18-06-2025 (zienswijze 3) #
Zienswijze
Reactie
Conclusie
1
Indiener stelt dat het onduidelijk en verwarrend is dat overal van Stedendriehoek gesproken wordt terwijl de gemeente Deventer ontbreekt in de RPE. De indiener suggereert een betere naam te kiezen die de lading wel dekt.
De gemeente Deventer is als enige Overijsselse gemeente onderdeel van het bestuurlijk samenwerkingsverband de Stedendriehoek. Juist omdat Deventer onderdeel is van de provincie Overijssel, hebben zij ervoor gekozen om bij de verdeling in energieregio’s in 2019 aan te sluiten bij de RES-regio West-Overijssel. Daarmee is er een verschil ontstaan in de samenstelling van de regio Stedendriehoek en de energieregio Stedendriehoek. Hoewel de gemeente Deventer geen onderdeel is van de energieregio, is er tussen beide energieregio’s en tussen de verschillende gemeenten wel veel afstemming. Met deze aanvullende uitleg zien wij geen noodzaak om een andere naam te kiezen voor onze energieregio.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
2
De indiener stelt dat voor bewoners in de omgeving van de provinciegrens, wat er in de aangrenzende regio’s gebeurt, net zo belangrijk is als het RPE van de regio Stedendriehoek. Dat gaat met name over de plannen voor grote windmolens die daar mogelijk zijn en de afstemming tussen regionale netbeheerders Liander en Enexis. Indiener benoemt als voorbeeld de problemen met de elektriciteitsvoorziening in buurtschap Kring van Dorth (in de gemeente Lochem in het grensgebied met Overijssel). Indiener zou het op prijs stellen als hierover in het ontwerp RPE een tekst terugkomt, waarin de regio verder gaat dan het uitspreken van een voornemen.
De indiener benadrukt terecht dat ontwikkelingen in aangrenzende regio’s ook van grote invloed kunnen zijn op bewoners nabij de provincieof regiogrens.
Naar aanleiding van deze zienswijze hebben we een tekst over de samenwerking tussen RES-regio’s en gemeenten en provincies buiten onder energieregio toegevoegd.
Binnen de energieregio Stedendriehoek overleggen we regelmatig met buurgemeenten en aangrenzende energieregio’s, zoals de regio’s NoordVeluwe, West-Overijssel en Twente. In deze overleggen wisselen we kennis en ervaringen uit en informeren we elkaar over relevante ontwikkelingen. We nemen in het RPE een passage op die deze bovenregionale samenwerking beschrijft.
Indiener B, zienswijze ontvangen op 27-06-2025 (zienswijze 4) #
Zienswijze
Reactie
Conclusie
Alg em een A1
Op meerdere plaatsen in de tekst en in meerdere zienswijzen komt naar voren dat de indiener het gevoerde proces rondom het ontwerp RPE als niet democratisch ervaart.
In hoofdstuk 3 van deze nota is de werkwijze bij het opstellen van het RPE toegelicht. Ook is toegelicht door welke democratisch gekozen volksvertegenwoordigingen het definitieve RPE wordt vastgesteld.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
A2
In meerdere zienswijzen wordt de indruk gewekt dat de indiener denkt dat het RPE uitspraken doet over projecten of specifieke locaties.
In hoofdstuk 3 van deze nota is de scope van het RPE toegelicht. De besluitvorming over energieprojecten of het kiezen van locaties is geen taak van de regio en ook geen onderwerp van de RPE.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
A3
De indiener ervaart verschillende delen van de tekst en verschillende afbeeldingen als manipulatief. Daarnaast verwijst indiener terug naar het proces rondom de RES 1.0 waarin sprake was van onveilige situaties voor kritische insprekers en bedreigende omstandigheden.
We betreuren dat de indiener het RPE als manipulatief ervaart. We benadrukken dat het RPE is opgesteld met als doel het realiseren van een betrouwbare, betaalbare en klimaatneutrale energievoorziening in de toekomst. Afbeeldingen in het RPE zijn bedoeld als visuele ondersteuning en ter illustratie. Opmerkingen van indiener over bedreigende of onveilige situaties rondom het proces van de RES1.0 worden door de RPE partners niet herkend.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
A4
De indiener uit in verschillende zienswijzen ongenoegen over de wijze van participatie rondom het RPE.
Voor meer informatie over participatie over het RPE verwijzen zij naar hoofdstuk 3 van deze nota.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
A5
De indiener stelt dat het geen houdbare strategie is om steeds meer elektriciteit op te wekken. In plaats daarvan is een fundamentele verandering in houding en gedrag nodig ten aanzien van energieverbruik. De indiener benoemt in meerdere zienswijzen dat de aandacht in het RPE voor anders consumeren, produceren en transporteren mist.
De energietransitie draait in de kern om het vervangen van fossiele brandstoffen door hernieuwbare vormen van energie, met als doel het verminderen van CO₂-uitstoot en het beperken van klimaatverandering. Dat betekent niet alleen overstappen op duurzame opwek, maar ook bewust omgaan met energieverbruik. Het RPE erkent dat de energievoorziening van de toekomst vraagt om meer dan alleen technische oplossingen. Naast grootschalige opwek, opslag en netaanpassing is er ook een andere houding en gedrag nodig. We zijn het met de indiener eens dat dit aspect beter belicht kan wordenin het RPE.
Onder andere naar aanleiding van deze zienswijze hebben we een paragraaf over gedragsverandering (en hoe we hier als energieregio op inzetten) toegevoegd aan het RPE.
A6
De indiener stelt dat windenergie op land in Nederland niet meer verantwoord te realiseren is vanwege ruimtelijke druk, maatschappelijke weerstand en risico’s voor gezondheid. De indiener wijst op het herhaald uitstel van landelijke normen voor windturbines en stelt dat dit leidt tot verwarring bij provincies, ongelijke behandeling van burgers en feitelijk stilstand van beleid. Volgens de indiener is het wachten op het Rijk, maar wordt dat proces ondermijnd door rechtszaken waarin rechtsbescherming vooral initiatiefnemers zou bevoordelen, niet omwonenden.
Voor meer informatie over windenergie in het RPE verwijzen wij u naar hoofdstuk 3 van deze nota.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
A7
In meerdere zienswijzen vraagt de indiener naar een evaluatie van de RES 1.0 of suggereert de indiener dat deze evaluatie niet heeft plaatsgevonden.
Voor meer informatie over de evaluatie van de RES 1.0 verwijzen wij naar hoofdstuk 3 van deze nota.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
2
De indiener stelt de visie op de toekomst te missen.
Het RPE bevat nadrukkelijk een visie op de energievoorziening van de toekomst, uitgewerkt in het energieperspectief (hoofdstuk 3 van het RPE) en het geschetste eindbeeld voor 2050 (hoofdstuk 4 van het RPE). Hierin staan de uitgangspunten, afspraken en verwachte energiestromen centraal. De visie is bedoeld als richtinggevend kader voor de regio, waarop lokale keuzes voortbouwen.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
3
De indiener stelt dat woorden als uiterlijk, realiseren 2035 en mijlpaal suggereren dat het in plaats van een inspanningsverplichting gaat om een resultaatverplichting? De indiener vraagt zich af of dit geen verbale verwarring oproept?
Het RPE spreekt bewust van een inspanningsverplichting ten aanzien van het realiseren van het bod van 1,07 TWh. Termen als ‘uiterlijk 2035’ en ‘mijlpaal’ zijn bedoeld om richting en urgentie te geven, niet om een juridische resultaatsverplichting op te leggen. De formulering is bedoeld om duidelijk te maken dat dit bod een belangrijke stap is op weg naar de klimaatdoelen van 2050, zonder af te wijken van het karakter van de inspanningsverplichting.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
4
De indiener stelt dat de in de RES 1.0 genoemde inspanningsverplichting tot op de dag van vandaag door initiatiefnemers en overheid als resultaatverplichting wordt gepresenteerd. De indiener stelt dat deze presentatie tot dure en tijdrovende rechtszaken leidt en vraagt zich af of de energieregio zich dit realiseert.
In het RPE wordt expliciet benoemd dat het bod een inspanningsverplichting betreft. We streven ernaar hier helder over te communiceren, zodat verwachtingen eenduidig zijn. Dat lokale ontwikkelingen en aanvraagprocedures leiden tot rechtszaken staat los van het RPE.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
5
De indiener vraagt hoe de energievoorziening betaalbaar wordt geacht. De indiener vraagt hoe de energieregio garandeert dat hierin geen wijzigingen komen zoals na de RES 1.0 wel het geval is geweest in de kosten voor zonnepanelen en warmtepompen. De indiener vraagt daarnaast voor wie de energievoorziening betaalbaar wordt geacht en hoe de kosten voor gezondheidsschade en de waardedaling van vastgoed wordt verdisconteerd.
In het RPE betekent betaalbaarheid dat betrouwbare en klimaatneutrale oplossingen bereikbaar moeten zijn voor iedereen, zodat de energievoorziening de brede welvaart in de regio Stedendriehoek optimaal blijft ondersteunen. We hebben als regio echter geen invloed op marktprijzen of landelijke regelgeving, maar benadrukken het belang van eerlijke verdeling van kosten en baten. De uitgangspunten en afspraken uit het RPE helpen om ook in de uitvoering invulling te geven aan het begrip betaalbaar.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
We kunnen betaalbaarheid van de energievoorziening niet garanderen als regio. Maar we zien wel sterke indicaties dat een volledig duurzaam en decentraler systeem uiteindelijk goedkoper, toegankelijker en gezonder is
dan het systeem dat we nu kennen. In Nederland is opwek van elektriciteit uit zon en wind bijvoorbeeld veel goedkoper dan elektriciteit uit een nieuwe gascentrale. Bovendien is dat kostenniveau stabiel en niet afhankelijk van (geo)politieke ontwikkelingen. We zien daarom dat naarmate het aandeel duurzame energie toeneemt, de gemiddelde energiekosten dalen. Door in te zetten op lokale samenwerking, coöperatief eigendom en slimme combinaties van opwek, opslag en gebruik stimuleren we als regio de mogelijkheden om de voordelen van een duurzaam energiesysteem aan iedereen ten goede te laten komen. We verwachten dat dat zal bijdragen aan acceptabele kosten op de lange termijn, onder andere doordat we hiermee maatschappelijke kosten voor de verzwaring van netten (deels) kunnen ontwijken en dubbele energiebelasting kan worden vermeden. Gezondheidseffecten worden bij energieprojecten meegewogen in de planvorming en vergunningverlening (zie ook hoofdstuk 4 in relatie tot windenergie). Voor mogelijke waardedaling door overheidsbesluiten kunnen inwoners onder de Omgevingswet een beroep doen op nadeelcompensatie. Dit is mogelijk als een project of maatregel daadwerkelijk is uitgevoerd. Overigens zijn de gezondheidseffecten van het gebruik van fossiele brandstoffen vele malen groter dan die van duurzame vormen van opwek.
Doorgaan met fossiele energie is van alle opties die we hebben de slechtst mogelijke keuze vanuit het perspectief van gezondheid. 6
De indiener reageert op een tekst op bladzijde 6, waar staat dat duurzame energiebronnen zoals wind overal beschikbaar zijn. De indiener stelt dat hoewel het overal kan waaien, dat niet betekent dat overal windenergie geproduceerd kan worden op wat indiener stelt industriële wijze met turbines die schadelijk zijn voor mens, dier en milieu. Indiener stelt dat initiatiefnemer en de overheid vaak wel presenteren dat de productie van windenergie overal plaats kan vinden, wat vanwege de ernstige schade die daar volgens indiener mee
Het RPE benoemt dat duurzame energiebronnen zoals wind breed beschikbaar zijn in de omgeving, maar stelt nadrukkelijk niet dat windenergie overal gerealiseerd moet of kan worden. Juist daarom wordt in het RPE (en hiervoor in de RES 1.0) veel nadruk gelegd op een zorgvuldige ruimtelijke inpassing. Voor meer informatie over windenergie in het RPE verwijzen wij naar hoofdstuk 4 van deze nota.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
gemoeid gaat vaak leidt tot ernstig protest van omwonenden, wetenschappers, artsen en zorgprofessionals. 7
De indiener stelt dat windturbines in het document op een eufemistische en positief gekleurde manier worden gepresenteerd. Indiener noemt daarbij als voorbeeld het gebruiken van de term ‘windmolen’ in plaats van windturbine of windturbines worden niet benoemd bij de voorbeelden die impact hebben op de fysieke leefomgeving. Daarbij worden de negatieve effecten op omwonenden, zoals sociale ontwrichting, gezondheidsproblemen en gedwongen verhuizingen, onvoldoende benoemd.
Het RPE erkent dat windenergie een zichtbare en ingrijpende vorm van energie opwek is met ruimtelijke en maatschappelijke impact. Daarom wordt in het RPE gestuurd op een zorgvuldige afweging op basis van landschap, afstand tot bebouwing en maatschappelijke haalbaarheid. Deze afweging vindt niet plaats in het RPE. Het gebruik van het woord 'windmolen' sluit aan bij gangbare terminologie en is niet bedoeld om de effecten van windenergie te verzachten.
Deze zienswijze leidt tot een tekstuele aanpassing van het RPE. We hebben in het RPE ‘windmolen’ vervangen door ‘windturbine’. Daarnaast hebben we windturbine benoemd bij de voorbeelden die een plaats krijgen in de fysieke ruimte.
9
De indiener vraagt hoe veranderingen in productie, consumptie en transport zijn meegenomen in het bepalen van de regionale energiebehoefte.
Het energieperspectief bij het RPE brengt de toekomstige regionale energiebehoefte in beeld op basis van landelijke modellen en scenario’s aangevuld met lokale inzichten en kennis. Daarmee ontstaat een realistisch vertrekpunt voor de regionale energievoorziening. Veranderingen in productie, consumptie en transport worden hierin onder andere meegenomen omdat hier landelijk aannames over worden gemaakt die wij in ons regionale energieperspectief hebben overgenomen. Dat zijn bijvoorbeeld aannames over hoeveel zuiniger onze elektrische apparaten zullen zijn in 2050 en ook hoe de verduurzaming van mobiliteit gaat verlopen.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
10
De indiener vraagt hoe of de energiebehoefte van (zeer winstgevende) bedrijven in de regio mee wordt genomen in de regionale energiebehoefte. Daarbij stelt indiener dat, aangezien de afzet en functie van deze bedrijven landelijk is, de energiebehoefte ook landelijk zou kunnen worden ingevuld.
De energievraag van grote bedrijven met een landelijke functie wordt wel meegenomen in de regionale cijfers, omdat hun fysieke aanwezigheid ook leidt tot netbelasting en ruimtelijke impact in de regio. Daarnaast is onze energievoorziening in de toekomst decentraler dan nu, dat betekent ook dat we de regionale energievraag voor een groot deel regionaal invullen. Tot slot sluiten we hiermee aan bij de landelijke RES-systematiek.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
11
De indiener vraagt hoe historische milieuschade wordt meegewogen in het ontwerp RPE. Indiener vraagt bijvoorbeeld of er locaties zijn waar mogelijk niet schadelijk opwek niet overwogen wordt, omdat het opruimen van eerdere schade drukt op de financiële haalbaarheid.
Er zijn op dit moment geen locaties bekend binnen de energieregio Stedendriehoek waar milieubelastende situaties uit het verleden een belemmering vormen voor duurzame opwek.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
10
De indiener stelt dat bij de uitgangspunten op p. 7 van het ontwerp RPE de aandacht voor de gezondheid van omwonenden als uitgangspunt ontbreekt.
Gezondheid is een belangrijk maar ook breed thema in de energietransitie. Zoals in hoofdstuk 4 van deze nota toegelicht, zijn er voor de bescherming van de gezondheid van bewoners landelijke wet- en regelgeving waaraan energieprojecten getoetst moeten worden. Omdat we willen benadrukken dat we gezondheid een belangrijk thema vinden, nemen we hier een uitgangspunt over op
Deze zienswijze leidt tot een aanpassing van het RPE. We nemen in het RPE de volgende afspraak op: We beschermen de gezondheid van bewoners door landelijke ontwikkelingen rondom milieunormen te volgen en deze bij de uitvoering van energieprojecten goed onderbouwd en zorgvuldig toe te passen.
11
De indiener stelt dat bij de uitgangspunten op p. 7 wordt vermeld dat er zorgvuldig wordt omgegaan met ‘landschappelijk kapitaal’. Indiener stelt dat er ook expliciet aandacht zou moeten zijn voor de bescherming van mensen en gemeenschappen.
Het RPE richt zich op een toekomstbestendige energievoorziening met oog voor de leefomgeving. Onder ‘landschappelijk kapitaal’ valt ook het belang van leefkwaliteit voor mensen. De uitgangspunten: “We voeren het RPE uit samen met onze inwoners, ondernemers, maatschappelijke partners en de netbeheerders” en “we streven naar minimaal 50% lokaal eigendom in onze projecten” borgen het zorgvuldig omgaan met menselijk kapitaal naar ons inzien.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
12
De indiener refereert aan het uitgangspunt uit de RES 1.0 dat stelt dat wat we op gebied van windenergie niet kunnen realiseren op en rondom de Veluwe mag niet leiden tot een zogenaamd waterbedeffect. Dit betekent dat die windenergie niet elders in de regio opgewekt hoeft te worden. De indiener heeft ervaren dat in navolging op de RES 1.0 toch door de gemeente het argument is gebruikt dat windenergie binnen de gemeente moet plaats vinden, omdat het op de Veluwe niet mogelijk is.
Het uitgangspunt dat er geen waterbedeffect mag ontstaan als gevolg van de onmogelijkheden van windenergie op en rondom de Veluwe wordt in het RPE opnieuw benadrukt en daarmee door alle samenwerkende partijen opnieuw bevestigd.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
13
De indiener benoemt dat het verwarrend is dat er in het ontwerp RPE gesproken wordt over een programma en een perspectief. De indiener vraagt zich af of het document een andere betekenis heeft voor gemeenten dan voor bewoners.
Het RPE is een programma, een kerninstrument onder de nieuwe Omgevingswet. Het is een programma in de zin dat het een gezamenlijke gedragen koers en afspraken bevat tussen de regiogemeenten, provincie en netbeheerder. Dit betreft een dynamisch document omdat de ontwikkelingen zeer snel gaan. Het energieperspectief heeft geen eigen status (het wordt dus niet apart door de gemeenten vastgesteld), maar het richting geeft aan de afspraken in het RPE.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
14
De indiener vraagt hoe gemeenten aan het ontwerp RPE kunnen vasthouden als er initiatieven bij de provincie ter besluitvorming worden aangeboden, die tegen deze principes ingaan. De indiener vraagt welke middelen de gemeente heeft om het totaal te overzien, af te wegen en de juiste beslissingen te maken, zeker als de provincie voor relevante onderdelen verantwoordelijk is.
Gemeenten en provincies hebben andere bevoegdheden als het aankomt op de toekomstige energievoorziening, maar het is belangrijk om te benadrukken dat ook de provincie Gelderland de uitgangspunten uit het RPE omarmt. Ook de Provinciale Staten van de provincie Gelderland worden gevraagd om het RPE vast te stellen en daarmee de uitgangspunten en afspraken te omarmen. Ook in de uitwerking daarna werken gemeenten en provincie nauw samen.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
15
De indiener adviseert om, hoewel het kennisniveau in de Achterhoek en bij de Stedendriehoek vast ook toereikend is, kennis en expertise ook nationaal en zelfs internationaal te ontwikkelen gezien het vereiste niveau en wetenschappelijke karakter.
Het RPE onderschrijft het belang van hoogwaardige kennisontwikkeling op alle schaalniveaus. In het energieperspectief is opgenomen dat de regio inzet op het ontwikkelen en benutten van kennis en expertise zoveel mogelijk lokaal en regionaal (zie paragraaf 3.3, afspraak 11 van het RPE). Dit betekent nadrukkelijk niet dat nationale of internationale kennis buiten beeld blijft. Zo werken de verschillende Nederlandse energieregio’s samen en leren ze van elkaar. Het Nationaal Programma RES ondersteunt de energieregio’s met o.a. bredere kennisontwikkeling op relevante onderwerpen. Daarnaast is het energieperspectief onderbouwd met diverse nationale kennisbronnen (zie bijlage 3 van het RPE). Deze kennis blijft ook in de uitvoeringsfase van het RPE een belangrijke basis voor beleidsontwikkeling en regionale afwegingen.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
17
De indiener refereert aan H0.1, waarin twee toekomstbeelden zijn neergezet (van de toekomst in 2035 en van 2050). Indiener zet hier twee alternatieve toekomstbeelden tegenover, waarin met name de zorgen van indiener over de effecten van windturbines op de gezondheid naar voren komen. Indiener stelt dat in de toekomst door deze effecten
In het RPE zijn twee toekomstbeelden opgenomen om op een aansprekende manier te illustreren hoe de energievoorziening er in de toekomst uit zou kunnen zien voor inwoners van de energieregio Stedendriehoek. Deze beelden zijn geen doel op zich, maar bedoeld als verkenning van mogelijke ontwikkelingen, op basis van de kennis en
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
19
veel omwonenden zijn verhuisd naar andere delen van het land of naar het buitenland, maar dat voornamelijk de gezinnen die daar geen financiële middelen voor hebben, de klachten ondervinden. In het alternatieve scenario voor 2050 betreurt de hoofdpersoon van de indiener dat er geen andere houding is aangenomen ten opzichte van het uitnutten van de aarde.
inzichten die nu beschikbaar zijn. Er kunnen zich ook geheel andere ontwikkelingen voordoen. Belangrijker dan het precieze scenario is het besef dat de energievoorziening hoe dan ook verandert. Deze beelden zijn bedoeld om die verandering concreter te maken en het gesprek daarover te ondersteunen, met bewoners en partners in de regio. We streven ernaar dit gesprek op een open, uitnodigende en constructieve manier te blijven voeren. Ten aanzien van de zorgen van indiener over de effecten van windturbines op de volksgezondheid, verwijzen we naar hoofdstuk 3 van deze nota.
De indiener vraagt of in het RPE duidelijker kan worden gemaakt wat wel en niet kan binnen de decentrale energievoorziening. De indiener stelt daarbij voor om als uitgangspunt te benoemen decentraal waar het kan, maar centraal waar het moet. Indiener stelt dat door de decentrale aanpak, recent is gebleken dat er een nieuw onderstation ten noorden van Utrecht nodig is.
Het RPE gaat in op wat er voor een decentrale energievoorziening nodig is ten aanzien van de energievraag, het energie-aanbod, transport en opslag van energie en flexibel gebruik. Juist door decentrale opwek te realiseren, worden we minder afhankelijk van de bovenliggende elektriciteitsnetwerken. Ten noorden van Utrecht werkt landelijke netbeheerder aan een nieuw hoogspanningsstation vanwege de toenemende vraag naar elektriciteit en teruglevering van wind- en zonne-energie. Dit is een uitbreiding die het centrale elektriciteitsnetwerk dient te versterken en is niet nodig vanwege de decentrale aanpak. De complexiteit rondom de realisatie van dit nieuwe hoogspanningsstation illustreert juist dat een decentrale energievoorziening ook op de lange termijn belangrijk blijft. Netbeheerder Liander werkt ook mee aan het RPE en is voor ons een gesprekspartner in het bepalen van wat nodig is op het gebied van netinfrastructuur voor een toekomstbestendige energievoorziening.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
Indiener stelt dat door de decentrale aanpak, grootschalige windturbines energie leveren tegen de stroming van het elektriciteitsnetwerk. Indiener stelt dat grootschalige vormen van opwek passen bij een centraal elektriciteitsnetwerk om op die manier netcongestie te voorkomen.
Eén van de grote voordelen van elektriciteit als energiedrager is juist dat je over dezelfde infrastructuur twee kanten op kunt. Juist door dat principe goed te benutten –door lokaal vraag en aanbod dicht bij elkaar te realiseren- gebruik je een elektriciteitsnet optimaal. Wij begrijpen de zorg van de indiener over de mogelijke effecten van decentrale grootschalige windturbines op de netstabiliteit en netcongestie. Het elektriciteitsnet is echter steeds meer in transitie van een traditioneel centraal gestuurd netwerk naar een netwerk waarin decentrale en grootschalige opwek samen functioneren.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
Grootschalige windturbines worden doorgaans via onderstations aangesloten op het regionale of landelijke hoogspanningsnet, waarmee zij onderdeel worden van het bredere elektriciteitsnetwerk. Dit betekent dat zij niet ‘tegen de stroom’ in leveren, maar juist worden geïntegreerd in de energievoorziening, waarbij netbeheerders, producenten en gebruikers actief maatregelen nemen om congestie te beheersen. Overigens kunnen moderne grote windturbines en eigenaren van grote elektrische installaties, netbheerders goed ondersteunen bij het bewaken van de netfrequentie (power quality). Netbeheerders maken daarom steeds vaker afspraken hierover met dit soort deelnemers aan het energiesysteem. 20
De indiener stelt dat dat bij de vraag, aanbod en flexibel gebruik uit wordt gegaan van de huidige mate van energieconsumptie. Indiener stelt dat dit een kernprobleem is waar aandacht voor moet zijn.
Bij het bepalen van de toekomstige energievraag, nemen we niet de huidige mate van energieconsumptie als uitgangspunt. Hoofdstuk 4.2 van het RPE licht toe hoe we energievraag van de regio zich de komende jaren naar verwachting ontwikkeld. Daarin staat ook beschreven hoe wij ervan uitgaan dat de energievraag daalt, deels vanwege efficiëntere processen en apparaten, deels vanwege besparende maatregelen.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
22
De indiener stelt dat in het ontwerp RPE in de tekst volksvertegenwoordigers, bestuurders en netbeheerders nog voor bewoners in de tekst een plek krijgen. Indiener stelt dat juist de bewoners centraal zouden moeten staan. Indiener stelt dat bewoners structureel bij plannen betrokken zouden moeten worden, maar dat dit nu niet is gebeurd. Daarbij stelt indiener dat het betrekken van burgerinitiatieven onvoldoende is, omdat indiener heeft ervaren dat deze initiatieven gebruikt werden als instrument om de ideeën van de overheid door te drukken.
Indiener benoemt terecht dat de door indiener genoemde partijen in het RPE benoemd worden, voordat gesproken wordt over de bewoners van de regio. De verklaring hiervoor is dat dit onderdeel van het RPE, zoals benoemd in de inleiding, met name bedoeld is voor volksvertegenwoordigers en bestuurders omdat zij op basis van het document goed afgewogen keuzes kunnen maken. In die keuzes zetten deze partijen vervolgens de bewoners centraal. De rest van het document richt zich op iedereen met een rol in de energietransitie, waarbij bewoners op verschillende plekken nadrukkelijk benoemd worden. We wijzen de notie dat burgerinitiatieven worden gebruikt als instrument om de ideeën van de overheid door te drukken af.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
24
De indiener benadrukt dat het verminderen van uitstoot een mooi initiatief is dat de indiener ondersteunt. Indiener stelt wel dat dit niet ten koste mag gaan van de gezondheid van bewoners en dat dat wel het geval is bij plaatsing van windturbines bij woningen. Indiener stelt dat het uitblijven
Voor meer informatie over gezondheid en milieunormen bij windenergie, verwijzen wij naar hoofdstuk 3.2 van deze nota.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
van landelijke milieunormen betekent dat ook de landelijke politiek deze gevolgen inziet. Indiener uit daarnaast minachting over dat provinciaal beleid of het ontwerp RPE hier ondanks het uitblijven van de landelijke normen wel in blijft zetten op windturbines nabij woningen. 25
De indiener waardeert het bredere perspectief van het RPE, maar mist samenhang met andere opgaven zoals woningbouw, landbouw, defensie of zorg. Windenergie op land zou volgens de indiener kritisch tegen het licht moeten worden gehouden.
We zijn het met indiener eens dat de samenhang met andere grote (ruimtelijke) opgaven een belangrijke vervolgstap is. De samenhang met andere opgaven wordt gezocht in het Ontwikkelperspectief voor de regio Stedendriehoek dat momenteel wordt opgesteld. Het RPE is inbreng voor dit ontwikkelperspectief. In hoofdstuk 4.2.1 van het RPE staat meer informatie over het ontwikkelperspectief.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
26
De indiener reageert op p. 20. Daar stelt het ontwerp RPE dat er veel te kiezen is als het gaat om de energievoorziening. De indiener ervaart echter dat grootschalige windenergie in de praktijk al min of meer vastligt.
Het RPE benadrukt juist dat er op gemeentelijk en provinciaal niveau nog veel keuzevrijheid is in de duurzame energiemix en inzet op energiebesparingsopties. Grootschalige windenergie speelt wel een belangrijke rol in de energievoorziening van de toekomst (zie hoofdstuk 4 van deze nota), maar het RPE maakt nadrukkelijk geen locatiekeuzes en sluit andere opties niet uit. De beleidsdoelen van de gemeenten zijn niet in of via het RPE bepaald, maar komen over het algemeen voort uit eerder opgestelde beleidsdocumenten.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
27
De indiener merkt op dat lokaal beleid op gemeentelijk niveau in de praktijk niet mogelijk is wanneer de provincie het bevoegd gezag overneemt. Het RPE zou daar volgens de indiener eerlijk over moeten zijn.
Voor meer informatie over de verschillende bevoegdheden in relatie tot windenergie, verwijzen we naar hoofdstuk 4 van deze nota.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
28
De indiener stelt dat het programma geen kritische reflectie bevat op windenergie, terwijl de maatschappelijke gevolgen daarvan – zoals conflicten, verhuizingen en sociale ontwrichting – ernstig zijn. Ook stelt de indiener dat signalen van artsen en wetenschappers over mogelijke negatieve effecten worden genegeerd. Daarnaast ontbreekt volgens de indiener een andragogische analyse waarin de rol en motivatie van agrariërs wordt onderzocht.
Voor meer informatie over de afweging van gezondheidseffecten bij windprojecten verwijzen wij u naar hoofdstuk 3 van deze nota. Wij nemen de zorgen van de indiener serieus en erkennen het belang van een zorgvuldig proces waarin inzicht wordt verkregen in de perspectieven van verschillende maatschappelijke groepen, waaronder agrariërs. De energietransitie raakt de landbouwsector in meerdere opzichten: ruimtelijk, economisch en sociaal. In de regio wordt daarom in verschillende trajecten actief het gesprek gevoerd met agrarische ondernemers, onder meer via gebiedsprocessen, keukentafelgesprekken, belangenorganisaties en energiecoöperaties.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
29
De indiener stelt dat netcongestie mede het gevolg is van het dogmatisch willen opwekken van energie op lokale schaal, ook wanneer centralere opwek technisch beter inpasbaar is op het net.
De zienswijze raakt een belangrijk punt: netcongestie is – naast elektrificatie in algemene zin- mede een gevolg van de snelle toename van (decentrale) opwek, vaak gedomineerd door zon-PV, en op plekken waar het net daar (nog) niet op berekend is. Het RPE onderkent dit en pleit voor een afgewogen en systeemgerichte benadering, waarin de geschiktheid van locaties – zowel ruimtelijk als nettechnisch – nadrukkelijk wordt meegewogen.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
32
De indiener stelt dat het RPE pleit voor ondersteuning van mensen die moeite hebben met het betalen van energiekosten, maar dat er geen ondersteuning is voor mensen die schade ondervinden van vastgoedwaardeverlies of die om financiële redenen niet kunnen verhuizen.
De ondersteuning van mensen met energiearmoede is een sociaalmaatschappelijke verantwoordelijkheid, waarbij gemeenten en het Rijk diverse regelingen hebben. Voor gevallen van schade, zoals waardevermindering van vastgoed of belemmering om te verhuizen, bestaan andere juridische kaders. Onder de Omgevingswet kunnen inwoners bij feitelijke schade als gevolg van rechtmatige overheidsmaatregelen een beroep doen op nadeelcompensatie.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
33
De indiener stelt dat samenwerking tussen regionale energiecoöperaties en commerciële partijen in sommige gevallen gepaard gaat met manipulatieve of misleidende praktijken.
De energieregio zal de signalen uit deze en andere zienswijzen meenemen in gesprekken met overheden en de samenwerkende energiecoöperaties.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
34
De indiener stelt dat de lijst met geraadpleegde bronnen in het RPE onvolledig is. Volgens de indiener ontbreken geluiden van omwonenden, actiegroepen, advocaten, kritische auteurs, wetenschappers en recente artikelen over onderwerpen als laagfrequent geluid, BSA (bewonersspecifieke aanpassingen) en informatiebronnen zoals Windwiki.
De genoemde bronnen vormen de basis voor de regionale visie op het energiesysteem als geheel en hebben geen relatie tot de voor- of nadelen van wind. In hoofdstuk 4 van deze nota hebben we daarom uiteengezet welke onderzoeken naar windenergie landelijk zijn uitgevoerd en welke globale conclusies daaraan te verbinden zijn.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
35
De indiener stelt dat het star vasthouden aan lokaal opwekken een adequate oplossing voor tekorten in de winter belemmert, zoals grootschalige opslag of import van waterstof uit bijvoorbeeld Afrika.
Het RPE ziet toe op de gehele regionale energievoorziening. Daarnaast maken we in onze regio ook gebruik van de nationale netten, nationale opslagen(h2) en van centrale opwek van elektriciteit. Import van waterstof uit andere landen of werelddelen is geen regionale opgave en valt daarmee buiten de kaders van het RPE.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
38
De indiener is positief over het meenemen van de energievoorziening in plannen voor de leefomgeving en over het streven naar energiebesparing.
We waarderen de feedback van de indiener.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
42
De indiener stelt dat hoewel de inwoners van de Stedendriehoek intelligent en deskundig zijn, het belangrijk is om expliciet ook universiteiten, landelijke en internationale wetenschappers, en kritische professionals te betrekken bij het proces.
Het energieperspectief in het RPE is gebaseerd op een breed palet aan bronnen, waaronder landelijke studies, scenarioplanning van netbeheerders en analyses van maatschappelijke, technische en ruimtelijke ontwikkelingen.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
43
De indiener stelt dat lokaal eigendom in de praktijk niet betekent dat omwonenden profiteren, maar vooral dat initiatiefnemers en leden van een coöperatie – die niet in de directe omgeving wonen – financieel voordeel behalen ten koste van de gezondheid en leefomgeving van anderen.
Het RPE pleit voor een eerlijke verdeling van lusten en lasten. De afspraak dat ten minste 50% van een project in lokaal eigendom is, helpt hierbij. Die afspraak is geen vervanging voor draagvlak en zorgvuldigheid, dat vraagt in elk project om maatwerk.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
44
De indiener stelt dat het uitgangspunt om zoveel mogelijk voor coöperatieve projecten te kiezen niet altijd werkt in het publieke belang. Volgens de indiener kunnen coöperaties in de praktijk sterk financieel gedreven opereren en zich profileren als investeringsmaatschappijen.
De indiener heeft gelijk met de opmerking dat energie coöperaties ook financieel gedreven opereren. Dat is ook verstandig als het gaat om de continuïteit van hun projecten en de energievoorziening. De werkelijke vraag is echter wat de energie coöperaties doen met de waarde die ze met hun projecten genereren. Onze waarneming is dat energie coöperaties in onze regio een sterk maatschappelijk georiënteerde aansturing hebben. Onderdeel daarvan is dat ze hun toegevoegde waarde ook weer in lokale, maatschappelijk relevante initiatieven investeren.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
46
De indiener stelt dat doordat Apeldoorn stad geen mogelijkheden heeft voor turbines en de Veluwe en haar randzone wordt uitgesloten de druk vooral op het restgebied komt te liggen.
Binnen de energieregio Stedendriehoek is nadrukkelijk oog voor een eerlijke verdeling van de opgave. Een belangrijk uitgangspunt daarbij is: Wat we op gebied van windenergie niet kunnen realiseren op en rondom de Veluwe mag niet leiden tot een zogenaamd waterbedeffect. Dit betekent dat die windenergie niet elders in de regio opgewekt hoeft te worden. Tegelijkertijd sturen we regionaal en gezamenlijk op de inrichting van de toekomstige energievoorziening, met een energiemix die nodig is om deze betaalbaar, betrouwbaar en klimaatneutraal te maken.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
47
De indiener stelt dat het initiatief IJsselwind al jaren met veel protesten en rechtszaken te maken heeft, vooral vanwege zorgen over de afstand tot de turbines en mogelijke gezondheidsschade. Voor een objectieve weergave zouden deze zorgen vermeld moeten worden.
Er is in de tekst gemeld dat er sprake is van vergunningverlening door de provincie en een gerechtelijk traject bij de Raad van State. Het RPE maakt hierin verder geen keuzes. Het betreft een feitelijke weergave van de stand van zaken
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
48
De indiener stelt dat het initiatief Papenslagweg zeer discutabel is, zowel qua lokale initiatiefnemers als Pure Energie. Het initiatief toont zorgelijke aspecten van de democratie en rechtspraak in Nederland. Dit zou voor een objectieve weergave vermeld moeten worden.
Ook hier geeft de tekst een feitelijke weergave van de ontwikkelingen en spreekt hierbij verder geen oordeel uit.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
49
De indiener merkt op dat er momenteel acht rechtszaken tegen het Papenslagweg-initiatief lopen bij de Raad van State, maar dat deze niet vermeld worden, terwijl de rechtszaak van IJsselwind wel wordt genoemd.
Ook hier geeft de tekst een feitelijke weergave van de ontwikkelingen en spreekt hierbij verder geen oordeel uit.
50
De indiener stelt dat veel mensen het gebied rondom Papenslagweg hebben verlaten door de turbineplannen. Dit perspectief zou in het programma meegenomen moeten worden, omdat het de ernst van de situatie benadrukt.
Het door indiener geschetste beeld van onevenredig veel verhuizingen wordt door de RPE partners niet herkend.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
53
De indiener waardeert dat de biogashub in Lochem is benoemd in het RPE en noemt dit een heel mooi initiatief.
We waarderen de terugkoppeling van de indiener.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
55
De indiener stelt dat het RPE ten onrechte stelt dat maatschappelijke ontwikkelingen maar beperkt te beïnvloeden zijn. Volgens de indiener zijn er talloze studies en praktijkvoorbeelden die juist laten zien hoe beleid maatschappelijke verandering kan sturen, met name via echte, diepgaande participatie. De energietransitie zou volgens de indiener veel beter en met meer draagvlak verlopen als burgers werkelijk betrokken worden en als volwaardige gesprekspartners worden behandeld.
Het RPE onderkent dat maatschappelijke veranderingen – zoals veranderend consumentengedrag, andere mobiliteitskeuzes of de acceptatie van nieuwe energie-infrastructuur – mede gestuurd en versterkt kunnen worden via actief beleid, educatie en participatie. De passage waarin staat dat maatschappelijke ontwikkelingen “beperkt te beïnvloeden” zijn, is bedoeld om aan te geven dat deze vaak afhankelijk zijn van complexe en langdurige interacties tussen overheden, bedrijven en samenleving.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
In het RPE wordt participatie nadrukkelijk gezien als essentieel onderdeel van de energietransitie. Op meerdere plaatsen wordt het belang van vroegtijdige betrokkenheid van inwoners, open communicatie en zeggenschap benadrukt. 57
De indiener stelt dat de communicatie rond het RPE en de energietransitie te eenzijdig is. Volgens de indiener gaat het daarbij niet om echte communicatie, maar om indoctrinatie, omdat er onvoldoende wordt geluisterd naar andere perspectieven en onvoldoende wordt ingevoeld in wat omwonenden ervaren en belangrijk vinden.
Participatie en communicatie zijn essentieel in de energietransitie. In hoofdstuk 3 van deze nota hebben we toegelicht hoe de participatie over het RPE heeft plaats gevonden. Ervaringen met participatie in het verleden of bij specifieke energieprojecten valt buiten de reikwijdte van het RPE.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
58
De indiener stelt dat een energiegemeenschap zich niet alleen zou moeten richten op het opwekken, opslaan, delen en leveren van energie. Energie is volgens de indiener onderdeel van het hele leven en een energiegemeenschap zou dan ook dienstbaar moeten zijn aan bredere maatschappelijke functies zoals arbeid, vervoer, huisvesting, zorg, onderwijs, landbouw en sociale samenhang. De energiegemeenschap moet volgens de indiener een afgeleide zijn van de volledige gemeenschap, en niet slechts een technische constructie.
Het begrip energiegemeenschap zoals gehanteerd in het RPE is gebaseerd op de definitie uit de nieuwe Energiewet, die op 1 januari 2026 in werking treedt. Deze wet introduceert energiegemeenschappen als juridische entiteit op de energiemarkt, waarmee burgers, bedrijven, maatschappelijke instellingen, agrariërs en overheden lokaal kunnen samenwerken om energie op te wekken, op te slaan, te delen en te leveren. Gemeenten kijken bij de lokale uitwerking naar mogelijkheden waarbij energiegemeenschappen zich verankeren in de lokale samenleving, met oog voor bredere maatschappelijke doelen zoals betaalbaarheid, inclusie, leefbaarheid en verbondenheid.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
60
De indiener stelt dat het provinciale planMER nog niet is vastgesteld en dat het onlogisch is om daar nu al van uit te gaan. Volgens de indiener zou eerst het Regionaal Programma Energie (RPE) vastgesteld moeten worden. Pas daarna kan een Nationaal Referentie Document (NRD) met inspraak worden opgesteld, gevolgd door een MER. De huidige volgorde – waarbij het RPE wordt opgesteld op basis van een niet vastgesteld planMER en zonder grondige evaluatie – is volgens de indiener een omgekeerde en onzorgvuldige werkwijze die leidt tot plannen op drijfzand. Pas na vaststelling van het RPE kan de werkelijke reikwijdte en milieueffecten worden bepaald.
In hoofdstuk 3 van deze nota lichten we toe dat het RPE geen directe besluiten met milieugevolgen bevat, maar het wel richting geeft aan toekomstige besluiten met directe milieueffecten. De provincie Gelderland heeft een milieueffectrapport laten opstellen waarvoor onderzoek is gedaan naar de milieueffecten van wind- en zonne-energie en duurzame warmtebronnen. In deze planMER worden geen locatiekeuzes gemaakt, maar het onderzoek laat wel zien wat milieueffecten zijn. De uitkomsten van de planMER helpen om een zorgvuldige onderbouwing te geven van waar windparken, zonnevelden en duurzame warmtevoorzieningen kunnen komen. Omdat de planMER ook ingaat op de energieregio Stedendriehoek, gebruiken we de planMER ook om ons RPE zorgvuldig te onderbouwen. Eventuele projecten die ontstaan in de energieregio Stedendriehoek moeten daarnaast ook
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
zorgvuldig onderzocht worden op de milieueffecten. Dat gebeurt met een project-MER. Die project-MER is doorslaggevend in de vergunningverlening, terwijl de planMER van de provincie slechts richtinggevend is bij het opstellen van provinicaal beleid. 61
De indiener stelt dat er binnen de RES 1.0 sprake is geweest van problematische bestuurlijke samenwerking, bijvoorbeeld doordat de provincie initiatieven van de gemeente Lochem overnam tegen de wil van de gemeente en burgers in. De lopende rechtszaken betreffen deels deze bestuurlijke problematiek en het eenzijdig toepassen van rechtsbescherming. De indiener pleit voor een nieuwe bestuurscultuur om vertrouwen te herstellen en transities succesvol te laten verlopen. Een enkele zin in de nota is onvoldoende; er is behoefte aan een gedegen analyse en concrete acties op dit vlak
De indiener verwijst naar processen die buiten de reikwijdte van het RPE vallen.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
63
De indiener stelt dat zij wil meewerken aan de energietransitie, maar alleen onder de voorwaarde dat dit gebeurt op basis van vertrouwenwekkend bestuur, met voldoende aandacht voor de gezondheid van burgers en uitgaande van de grondwet en de basisrechten van de mens.
We waarderen de bereidheid van de indiener om mee te doen. Ook wij vinden aandacht voor gezondheid, de grondwet en de basisrechten van de mens belangrijke uitgangspunten.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
64
De indiener stelt dat het kostenplaatje in het RPE zeer onvolledig is. Volgens de indiener worden belangrijke kostenposten niet meegenomen, waaronder zorgkosten door gezondheidsproblemen, waardedaling van vastgoed, verlies van woongenot, verhuiskosten, juridische kosten en de tijd en energie die burgers moeten investeren om hun stem te laten horen. De indiener stelt dat dit leidt tot een scheve verdeling van lusten en lasten, waarbij initiatiefnemers profiteren en omwonenden opdraaien voor de kosten.
Het RPE is opgesteld als een programmatische verkenning van mogelijke richtingen voor een robuuste, betaalbare en duurzame energievoorziening in de regio. Daarbij is in algemene zin aandacht besteed aan maatschappelijke kosten en baten van verschillende energiebronnen, maar het RPE bevat geen gedetailleerde financiële doorrekening op projectniveau, zoals individuele gezondheidsschade of waardedaling van vastgoed. Dergelijke aspecten komen – waar relevant – aan de orde bij concrete planvorming of projectbesluiten, inclusief bijbehorende milieueffectrapportages (MER), participatieprocedures en juridische afwegingen. Voor meer informatie over windenergie in relatie tot gezondheid verwijzen wij u naar hoofdstuk 4 van deze nota.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
67
De indiener stelt dat de in bijlage 1 genoemde provinciale plan-MER voor windenergie geen feitelijk en onafhankelijk onderzoek is. Volgens de indiener wordt in de onderbouwing voortgeborduurd op de wensen van de windindustrie, bijvoorbeeld bij normen voor slagschaduw, in plaats van een onafhankelijke, wetenschappelijk verantwoorde beoordeling.
In deze nota gaan wij niet in op zienswijzen die inhoudelijk betrekking hebben op de provinciale planMER omdat deze een eigen inspraaktraject heeft gekend.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
68
De indiener stelt dat het streven naar minder afhankelijkheid van buitenlandse energiebronnen vanuit veiligheidsoverwegingen begrijpelijk is, maar plaatst daar een kanttekening bij. Volgens de indiener draagt juist internationale handel, samenwerking en economische ontwikkeling – bijvoorbeeld via energie-aankoop in minder welvarende landen – bij aan stabiliteit en vrede. De indiener wijst op de oprichting van samenwerkingsverbanden als de EEG na de Tweede Wereldoorlog en roept op tot moed en vertrouwen in internationale samenwerking.