Nota activabeleid 2025
Tekst van het document
Nota activabeleid 2025
Datum gewijzigd: 12-11-2025
2 |
Inhoudsopgave ■ 1 | Inleiding, toelichting, wettelijk kader en autorisatie ■ 2 | Advies amendement financiële optimalisatie (duurzaam) vastgoed ■ 3 | Activeren ■ 4 | Afschrijven ■ 5 | Bijlage 1: afschrijvingstabel ■ 6 | Bijlage 2: begrippen en definities
| 3
Hoofdstuk 1 Inleiding, toelichting, wettelijk kader en autorisatie
4 |
Inleiding De Nota activabeleid 2025 is bedoeld als een kaderstellend instrument voor de gemeenteraad voor het waarderen, activeren, afschrijven en rente toerekenen aan activa. Deze nota vervangt de 'Nota activabeleid 2021' die op 1 maart 2021 door de gemeenteraad is vastgesteld. Toelichting De gemeentelijke financiële huishouding kent twee soorten uitgaven, de exploitatieuitgaven (jaarlijks terugkerende uitgaven, personeelslasten, onderhoudskosten, energie etc.) en investeringsuitgaven (activa). De investeringsuitgaven zijn eenmalig waarvan het nut zich uitstrekt over meerdere jaren, zoals het realiseren van een nieuw gebouw of de aanleg van wegen en rioleringen. Ze dalen in waarde door slijtage en veroudering. Door afschrijving wordt deze waardevermindering tot uitdrukking gebracht. De afschrijvings- en rentelasten (samen kapitaallasten) komen ten laste van de exploitatie. De aanschafwaarde minus de afschrijvingen noemen we boekwaarde, dat als bezit op de balans vermeld wordt. Wettelijk kader In artikel 11 van de 'Verordening financieel beleid, beheer en organisatie gemeente Voorst 2023', gebaseerd op artikel 212 van de 'Gemeentewet', is vastgelegd dat de raad minimaal eens in de vier jaren een 'Activanota' vaststelt.
Voor de waardering en afschrijving van activa worden de methodieken en termijnen gehanteerd, die mede gebaseerd zijn op het 'Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV)' en de (stellige uitspraken en aanbevelingen uit de) 'Notitie materiële vaste activa' van de Commissie BBV. Voor de gemeenten blijft relatief weinig beleidsvrijheid over voor het maken van keuzes. In deze nota worden de bestaande afspraken A t/m N en P t/m R uit de Nota activabeleid 2021 gecontinueerd. Voor afspraak O is sprake van een correctie en afspraak S is vervallen door realisatie. Afspraak T 'Afschrijftermijnen onderwijshuisvesting' is toegevoegd. Indien het voornemen bestaat om af te wijken van de in deze nota vermelde richtlijnen dan wordt dit in een raadsvoorstel gemotiveerd ter besluitvorming voorgesteld aan de gemeenteraad. Autorisatie De gemeenteraad legt met deze nota voor het college van B&W kader stellend beleid vast voor het waarderen, activeren, afschrijven en rente toerekenen aan activa.
| 5
Hoofdstuk 2 Advies amendement financiële optimalisatie (duurzaam) vastgoed
6 |
Op 11 november 2024 heeft de raad een amendement aangenomen waarin het college werd opgedragen een onderzoek uit te voeren naar financiële mogelijkheden binnen de nota activabeleid 2021. Dit heeft geresulteerd in het 'Advies amendement financiële optimalisatie (duurzaam) vastgoed', dat als bijlage bij de Prioriteitennota 2026-2029 was gevoegd. De drie adviezen worden hieronder nader toegelicht. 1. Advies afschrijvingstermijnen: Langere afschrijvingstermijnen kunnen worden toegepast bij nieuw te bouwen multifunctionele gebouwen. Voor bestaande en nieuwe gebouwen betekent dit echter wel dat extra investeringen nodig zijn om deze geschikt te maken voor een (langdurig) multifunctioneel gebruik. Het financieel gewin kan hierdoor beperkt zijn, dit moet per project of situatie worden beoordeeld. Om dit te onderzoeken is politiek draagvlak nodig en vergt een langere doorlooptijd van de huidige ruimtelijke projecten. Toelichting: Een multifunctioneel gebouw komt in aanmerking voor een langere afschrijftermijn dan 40 jaar omdat het een bredere en flexibelere gebruiksfunctie heeft. Door de langere economische levensduur, minder waardevermindering, een hogere restwaarde en lagere risico's op leegstand is een afschrijftermijn van 60 jaar te rechtvaardigen.
In de afschrijvingstabel (bijlage 1) is de omschrijving 'Nieuwbouw, multifunctioneel gebouw' met een afschrijftermijn van 60 jaar opgenomen onder zowel 'Bedrijfsgebouwen' als 'Specifiek voor scholen'. 2. Advies restwaarden: Het wordt afgeraden vanwege de onzekerheid en risico's die het financiële gewin niet rechtvaardigen. Het levert in verhouding weinig besparing op kapitaallasten op. Voor bestaande eigen huisvestingspanden is het werken met restwaarden met terugwerkende kracht speculatief, risicovol en onzeker. Toelichting: Dit advies sluit aan bij de bestaande afspraak M (zie hoofdstuk Afschrijven, onder 4.4 Restwaarde). Afspraak M. Restwaarde De restwaarde wordt op € 0 gesteld.
3. Advies afschrijvingsmethode: Per project wordt een voorstel aangeboden aan de raad waarbij beide afschrijvingsmethoden worden toegelicht. Voor nieuwe investeringen kan de annuitaire afschrijvingsmethode worden toegepast. Dit levert in de eerste jaren tot ongeveer de helft van de afschrijvingstermijn lagere kapitaallasten op. Over de hele looptijd van de investeringen zijn de totale kapitaallasten echter hoger. Stel dat de inflatie flink toeneemt dan kan dit op termijn de hogere kapitaallasten verzachten.Hierop speculeren is echter risicovol en onzeker. In het raadsvoorstel voor de actualisatie van het activabeleid worden beide afschrijvingsmethoden toegelicht en kan een keuze worden gemaakt. Toelichting: Lineaire afschrijvingsmethode Bij de lineaire afschrijvingsmethode wordt per jaar een vast percentage (o.b.v. afschrijftermijn) afgeschreven de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Bij deze methode blijft het afschrijvingsbedrag elk jaar gelijk. Doordat de boekwaarde elk jaar vermindert, dalen de rentelasten. Per saldo betekent dit dat de kapitaallasten jaarlijks dalen.
| 7
Het voordeel van een lineaire afschrijving is dat in zijn algemeenheid de afschrijving in de pas loopt met de economische waardevermindering van een actief. Met andere woorden: de boekwaarde op een gegeven moment is in overeenstemming met de economische waarde. Bij lineaire afschrijving dalen geleidelijk aan de jaarlijkse kapitaallasten. Hierdoor ontstaat er ruimte om het stijgend onderhoud op te kunnen vangen dan wel een storting te doen in een onderhoudsvoorziening. Over de totale afschrijvingsperiode bezien levert deze methode de laagste kapitaallasten op. Nadeel bij lineaire afschrijving is dat in het begin de kapitaallasten zwaarder drukken op de gemeentelijke begroting dan op het einde. Dit betekent dat wanneer de daadwerkelijke vervanging plaats gaat vinden de begroting weer zwaarder belast wordt. Annuïtaire afschrijvingsmethode Bij een annuïteit vormen de rente en de afschrijving een gelijke som. De definitie van een annuïteit luidt dan ook: een jaarlijks gelijk blijvend bedrag aan rente en afschrijving. De totaalsom blijft hetzelfde, alleen de component rente wordt jaarlijks kleiner en de component afschrijving jaarlijks groter. Het voordeel bij annuïtair afschrijven is dat de kapitaallast jaarlijks gelijk blijft en in de beginjaren lager is dan bij lineair afschrijven.
Bij vervanging van het actief is het verschil tussen de nieuwe annuïteit en de oude annuïteit gering. Nadeel bij annuïteiten is dat de boekwaarde niet in de pas loopt bij de feitelijke waarde en dat er geen ruimte gaat ontstaan voor het stijgend onderhoud. Over de totale afschrijvingsperiode bezien levert deze methode de hoogste kapitaallasten op omdat de totale rentelast hoger is. Advies 3. Advies afschrijvingsperiode en bovenstaande toelichtingen geven geen aanleiding om het bestaande, in deze nota activabeleid onder afspraak K omschreven beleid, te wijzigen m.b.t. de afschrijvingsmethode (zie hoofdstuk Afschrijven, onder 4.2 Afschrijvingsmethode). Afspraak K. Afschrijvingsmethode Investeringen worden afgeschreven volgens de lineaire methode, tenzij de afschrijvingskosten doorberekend worden in tarieven, belastingen en huurprijzen. Dan wordt de annuïtaire methode toegepast.
8 |
Hoofdstuk 3 Activeren
| 9
Activeren is het op de balans presenteren van de financiële waarde van het aangeschafte of vervaardigde kapitaalgoed met meerjarig nut dat vanaf dat moment als bezitting kan worden beschouwd. Een kapitaalgoed is een materiële bezitting die de gemeente nodig heeft om haar publieke diensten te leveren, zoals wegen, riolering en gebouwen. 3.1 Investeringen Investeringen kunnen worden verdeeld in nieuwe- of uitbreidingsinvesteringen (ontwikkeling van nieuwe activiteiten of uitbreiding van de huidige activiteiten), vervangingsinvesteringen (vervanging van een oud (bestaand) actief als gevolg van economische veroudering of slijtage) en levensduur verlengende investeringen (geen groot onderhoud). Autorisatie van investeringen vindt door de gemeenteraad plaats door het vaststellen van de programmabegroting. Daarbij kan de gemeenteraad voor bepaalde investeringskredieten aangeven dat deze niet beschikbaar worden gesteld aan het college. Besluitvorming vindt dan seperaat plaats d.m.v. een raadsvoorstel. Afspraak A. Autorisatie investeringen 1. Autorisatie van investeringen vindt plaats door vaststelling van de programmabegroting door de raad. De investeringskredieten worden vervolgens door het college beschikbaar gesteld aan de organisatie ter uitvoering.
Indien met de investering extra of nieuwe exploitatielasten gemoeid zijn moeten deze worden opgenomen in de meerjarenbegroting vanaf het jaar van realisatie van het actief. 2. In de jaarrekening wordt aangegeven of investeringskredieten worden afgesloten of doorlopen naar het volgende dienstjaar voor verdere uitvoering.
3.2 Vaste activa De vaste activa worden onderverdeeld in materiële (3.2.1), immateriële (3.2.2) en financiële vaste avtiva (3.2.3). Per soort worden deze nader toegelicht. 3.2.1 Materiële vaste activa Dit zijn investeringen met een economisch of maatschappelijk nut die langer dan een jaar meegaan. Voorbeelden zijn gebouwen, sportcomplexen en investeringen in de openbare ruimte. Ook gronden die zijn verworven voor gebiedsontwikkeling, maar nog niet in exploitatie zijn, vallen hieronder. In het BBV is bepaald dat alle investeringen worden geactiveerd, dus ook de investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut. Enige uitzondering is een investering in kunstvoorwerpen met een cultuurhistorische waarde, die niet geactiveerd wordt. Vaste materiële activa worden voor het bedrag van de investering geactiveerd (brutowaardering). Bijdragen van derden die in directe relatie staan met het actief (bijvoorbeeld subsidies) mogen wel in mindering worden gebracht. Dit geldt niet voor bijdragen vanuit reserves; deze kunnen wel via de reserve dekking kapitaallasten jaarlijks ten gunste komen aan de exploitatie ter dekking van de kapitaallasten. Afspraak B.
Bijdragen van derden Bijdragen van derden die in directe relatie staan met een investering worden in mindering gebracht op zowel investeringen met een economisch nut als investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut.
Volgens de voorschriften mag een redelijk deel van de indirecte kosten (salarissen / apparaatskosten) worden toegerekend aan de vervaardigingprijs. Effect hiervan is dat deze kosten mede worden geactiveerd en de lasten hiervan over de komende jaren gespreid worden. Afspraak C. Indirecte kosten tijdens de vervaardigingperiode Tijdens de vervaardigingperiode indirecte kosten aan investeringen toerekenen volgens de systematiek als opgenomen in deVerordening financieel beleid, beheer en organisatie gemeente Voorst 2023.
10 |
3.2.2 Immateriële vaste activa Hier is sprake van investeringen zonder fysieke vorm. Voorbeelden zijn kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en kosten van onderzoek en ontwikkeling die een meerjarig nut hebben. Ook bijdragen aan investeringen door derden kunnen hieronder vallen, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Kosten van onderzoek en ontwikkeling van een bepaald actief kunnen worden geactiveerd als het voornemen bestaat het actief te gebruiken of te verkopen, de technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien vaststaat, het actief in de toekomst economisch of maatschappelijk nut zal genereren en de uitgaven die aan het actief zijn toe te rekenen betrouwbaar kunnen worden vastgesteld. Als niet aan alle voorwaarden wordt voldaan, dan moeten de kosten in één keer ten laste van de exploitatie gebracht worden. Afspraak D. Activering kosten onderzoek en ontwikkeling De kosten van onderzoek en ontwikkeling van een bepaald actief worden bij de betreffende investering meegenomen en geactiveerd.
Bijdragen aan activa in eigendom van derden kunnen worden geactiveerd als er sprake is van een investering door een derde, de investering bijdraagt aan de publieke taak, de derde zich heeft verplicht tot het daadwerkelijk investeren op een wijze zoals is overeengekomen en de bijdrage kan worden teruggevorderd, indien de derde in gebreke blijft of de provincie onderscheidenlijk gemeente anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de investering. Afspraak E. Activering bijdragen aan activa in eigendom van derden Bijdragen aan activa van derden worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs verminderd met de afschrijvingen.
3.2.3 Financiële vaste activa Dit betreft financiële belangen en leningen. Voorbeelden zijn kapitaalverstrekkingen aan deelnemingen en gemeenschappelijke regelingen, leningen aan woningcorporaties en verbonden partijen, overige (verstrekte) langlopende geldleningen en bijdragen in activa in eigendom van derden. Kapitaalverstrekkingen aan deelnemingen, gemeenschappelijke regelingen en overige verbonden partijen worden geactiveerd en gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs. Deelnemingen worden tegen de marktwaarde gewaardeerd indien de marktwaarde lager is dan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. 3.3 Vlottende activa De vlottende activa zijn onder te verdelen in voorraden (3.3.1), uitzettingen met een rente typische looptijd korter dan één jaar (3.3.2) en de liquide middelen (3.3.3). 3.3.1 Voorraden Voorraden in het kader van activabeleid hebben betrekking op onderhanden werken in het kader van bouwgrondexploitaties en vooruitbetalingen. De onderhanden werken grondexploitatie worden opgenomen tegen de verkrijgingsof vervaardigingsprijs. Indien de marktwaarde duurzaam lager is dan deze prijs, vindt waardering tegen de marktwaarde plaats. Ook de overige voorraden worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs of duurzaam lagere marktwaarde. Afspraak F.
Waardering onderhanden werken Onderhanden werken worden gewaardeerd op verkrijgings-, vervaardigingsprijs of marktwaarde, indien deze duurzaam lager is.
Op de complexen van de grondexploitatie wordt niet afgeschreven, de kapitaallasten bestaan hier dus alleen uit rentelasten. Deze zijn gebaseerd op de daadwerkelijk te betalen rente over het vreemd vermogen. De rente wordt, net als de overige lasten, als vermeerdering van het desbetreffende complex geboekt.
| 11
3.3.2 Uitzettingen met een rente typische looptijd korter dan één jaar Dit zijn bedragen die de gemeente tegoed heeft van afnemers of andere relaties en die op korte of lange termijn opvorderbaar zijn. Ook behoren de uitzettingen in ´s Rijks schatkist hier toe. De vorderingen op derden worden gewaardeerd tegen nominale waarde. De op de balansdatum openstaande vorderingen worden op volwaardigheid beoordeeld. Voor verwachte oninbaarheid wordt een voorziening dubieuze debiteuren op het balanstotaal van de vorderingen in mindering gebracht. 3.3.3 Liquide middelen Liquide middelen zijn contant geld, bankbiljetten of munten, die als betaalmiddel in omloop zijn, banktegoeden (rekening courant) en waardepapieren aan toonder, zoals aandelen en obligaties. De liquide middelen worden gewaardeerd tegen nominale waarde. Bij liquide middelen is geen sprake van activering en afschrijving. 3.4 Minimumeisen activeren Het uitgangspunt is dat alle vaste activa worden geactiveerd en in de financiële administratie vastgelegd. Op deze manier komt de waarde van de activa op de balans tot uitdrukking en ontstaat inzicht in de financiële positie en het financiële vermogen van de gemeente. Aan het activeren van een investering zijn de nodige administratieve handelingen verbonden.
Uit het oogpunt van efficiency heeft het niet de voorkeur om alle investeringen te activeren en is het raadzaam om een ondergrens te hanteren. Bovendien is de invloed van investeringen van geringe financiële omvang van beperkte invloed op de financiële positie. Dit betekent wel dat investeringen die niet geactiveerd worden in de begroting als exploitatielast moeten worden meegenomen. Afspraak G. Minimumeisen activeren Als ondergrens voor het activeren van investeringen geldt een bedrag van € 10.000. Investeringen onder dit bedrag worden om efficiencyredenen direct ten laste van de exploitatie gebracht.
3.5 Afwaarderen van activa Artikel 65 van het BBV geeft voorschriften voor het afwaarderen van activa. Dit is het verlagen van de waarde van een bezit (een actief) op de balans, bijvoorbeeld door schade, veroudering of duurzame waardevermindering. Dit gebeurt door de boekwaarde van het activum aan te passen en de waardevermindering als kostenpost ten laste van het betreffende jaar te brengen. 3.6 Desinvesteren Op het moment dat een desinvestering (verkoop van het actief) plaatsvindt wordt, na het afwaarderen van de boekwaarde, de boekwinst of –verlies ten gunste/laste van het betreffende jaar gebracht. Het is niet toegestaan om een boekwinst in mindering te brengen op de nieuwe investering; deze moet immers gewaardeerd worden tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Afspraak H. Boekwinst of -verlies De boekwinst of -verlies bij het afstoten van een kapitaalgoed wordt als incidentele bate of last in de exploitatie verwerkt.
3.7 Componentenbenadering Investeringen bestaan soms uit verschillende componenten, zoals gebouwen, technische installaties en inventaris. De componentenbenadering houdt in dat de verschillende onderdelen van een actief afzonderlijk worden geactiveerd en dat op deze onderdelen wordt afgeschreven op basis van de voor dat onderdeel geldende economische/technische levensduur. 12 |
De commissie BBV beveelt aan om de componentenbenadering en de daarbij horende opsplitsing van activa in verschillende componenten uit praktische overwegingen te beperken en alleen toe te passen bij investeringen met een economisch nut. Afspraak I. Componentenbenadering De componentenbenadering wordt, indien van toepassing, bij investeringen met een economisch nut gebruikt.
3.8 BTW De aftrekbare (als ondernemer) en compensabele (als overheid) BTW wordt niet geactiveerd. De wel kostenverhogende BTW (niet compensabel) wordt geactiveerd onder gelijke condities als het betreffende kapitaalgoed.
| 13
Hoofdstuk 4 Afschrijven
14 |
Afschrijven is de administratieve verwerking van de waardevermindering van een actief. Hierdoor wordt de juiste waarde op de balans gepresenteerd. De waardevermindering wordt veroorzaakt door technische slijtage en/of economische veroudering. De gebruiksduur bepaalt de afschrijvingstermijn en dus ook de hoogte van de afschrijvingslasten. Een uitzondering op deze regel vormt een geactiveerde investering in grond, waarop niet mag worden afgeschreven. Gronden en terreinen zijn normaliter niet aan slijtage onderhevig; daardoor is er geen sprake van waardevermindering en bestaat er geen noodzaak tot afschrijving. 4.1 Afschrijvingstermijnen Op basis van de gekozen afschrijvingsmethode worden investeringen afgeschreven in verschillende afschrijvingstermijnen. De afschrijvingstermijnen zijn gebaseerd op de technische of de economische levensduur. Afspraak J. Afschrijvingstermijnen Voor de afschrijvingstermijnen wordt de in bijlage1 opgenomen afschrijvingstabel gehanteerd.
4.2 Afschrijvingsmethode Bij de overheid worden de lineaire en annuïtaire afschrijvingsmethode gebruikt. Bij de lineaire afschrijving is de afschrijving een vast deel van de aanschafwaarde, gebaseerd op de afschrijvingstermijn. Ondanks de vaste afschrijving dalen de kapitaallasten door minder rentelasten als gevolg van de jaarlijks afnemende boekwaarde. Bij de annuïtaire afschrijving nemen de afschrijvingskosten jaarlijks toe. De afnemende rentelasten zorgen ervoor dat de totale jaarlijkse kapitaallasten tijdens de looptijd gelijk blijven. Deze methode wordt toegepast als de kapitaallasten worden doorberekend in tarieven en belastingen. Afspraak K. Afschrijvingsmethode Investeringen worden afgeschreven volgens de lineaire methode, tenzij de afschrijvingskosten doorberekend worden in tarieven, belastingen en huurprijzen. Dan wordt de annuïtaire methode toegegepast.
4.3 Aanvang afschrijven De commissie BBV doet de aanbeveling om in de financiële verordening c.q. nota activabeleid op te nemen wanneer met het afschrijven van een nieuw kapitaalgoed wordt begonnen. Mogelijke keuzes hierbij: ▪ in het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt/verworven wordt; ▪ in het jaar dat het door de gemeente in gebruik kan worden genomen; ▪ in het begrotingsjaar dat volgt op het jaar waarin het gereed komt/verworven wordt. Afspraak L. Aanvang afschrijving Met afschrijving van de investeringen wordt begonnen in het begrotingsjaar dat volgt op het jaar waarin het gereed komt/verworven wordt.
4.4 Restwaarde De restwaarde is de geschatte waarde van een actief aan het eind van de gebruikstermijn. Deze vertegenwoordigt de opbrengstwaarde die na de gebruikstermijn nog gerealiseerd kan worden, verminderd met de te maken kosten van overdracht, verwijdering of vernietiging van het actief. Vanwege de grote mate van onzekerheid rond het bepalen van de restwaarde van een actief (restwaarden liggen in de verre toekomst en zijn in grote mate onderhevig aan onzekere factoren vanuit de markt) is het te adviseren geen rekening te houden met de restwaarde. | 15
Afspraak M. Restwaarde De restwaarde wordt op € 0 gesteld.
4.5 Extra afschrijven Slechts om gegronde redenen kan worden afgeweken van de vastgestelde afschrijvingstermijn. Het gaat hierbij om gewijzigde inzichten in de verwachte toekomstige gebruiksduur van de investering. De totale gebruiksduur is bijvoorbeeld korter dan bij het oorspronkelijke activeringsmoment is geschat. De reden van de verandering wordt in de toelichting op de balans uiteengezet. Afspraak N. Extra afschrijvingen Bij wijziging van de verwachte toekomstige gebruiksduur is het toegestaan investeringen extra af te schrijven.
4.6 Rentepercentage Voor de rentetoerekening aan investeringen heeft de gemeente keuzevrijheid. Voor de toerekening van rentelasten aan investeringen zijn er in principe twee mogelijkheden, te weten: ▪ een omslagrente (het zogenaamde renteomslagpercentage); ▪ een vooraf bepaald vast rentepercentage. In het geval van toepassing van een renteomslagpercentage wordt gebruik gemaakt van het jaarlijks door de gemeente vast te stellen tarief voor de verdeling van rentelasten. Op basis van de rentelasten en de omvang van de boekwaarden van de activa wordt het percentage van de renteomslag berekend. Wanneer de rente wordt toegerekend op basis van een vast rentepercentage wordt het rentepercentage jaarlijks bij de begrotingsrichtlijnen, aan de hand van de leningenportefeuille en de marktrente, bepaald. In de jaarrekening wordt hetzelfde percentage gehanteerd als in de begroting. Het verschil tussen de berekende rentelasten en de werkelijke rentelasten is het renteresultaat dat ten bate of ten laste komt van de exploitatie. Afspraak O. Rentepercentage Voor rentetoerekening aan de vaste activa een omslagrente (het zogenaamde renteomslagpercentage) hanteren.
4.7 Raming rentelasten Op begrotingsbasis wordt een raming gemaakt van de verwachte rentelasten in het begrotingsjaar. Deze raming bestaat uit een deel waarover zekerheid bestaat en een deel waarover nog onzekerheid bestaat. Het deel van de kapitaallasten waarover zekerheid bestaat betreft activa die al in bezit zijn en waarover afgeschreven wordt (opgenomen op de balans/werkelijke boekwaarden). Het deel van de rentelasten waarover geen zekerheid bestaat betreft activa die in bezit zullen komen of investeringen die gedurende het jaar plaatsvinden. Vooraf is niet aan te geven wanneer in het jaar de investering gerealiseerd wordt. Afspraak P. Raming rentelasten In het jaar van beschikbaarstelling van investeringskredieten worden 25% van de volledige rentelasten geraamd.
Binnen de voorschriften bestaat de mogelijkheid om een rentevergoeding over het eigen vermogen (reserves) en de voorzieningen te berekenen de deze door te belasten aan de taakvelden. Het advies van de commissie BBV om vanwege het verlangde inzicht, de eenvoud en transparantie het toerekenen van een rentevergoeding over het eigen vermogen (reserves) niet (meer) toe te passen, is met ingang van 2017 gevolgd. Voor de voorzieningen was dit al het geval.
16 |
Afspraak Q. Rente over eigen vermogen (reserves) en voorzieningen Aan de voorzieningen en het eigen vermogen (reserves) geen rentevergoeding berekenen, uitgezonderd de voorzieningen die op basis van contante waarde zijn gewaardeerd (voorziening groot onderhoud en vervangingsinvesteringen riolering)
4.8 Onderuitputting Onderuitputting op de kapitaallasten ontstaat als de werkelijke kosten van een investering (actief) lager zijn dan de geraamde kosten of als activering op een later tijdstip dan gepland plaatsvindt. Hierdoor zijn de kapitaallasten lager of deze worden vanaf een later moment gerealiseerd. Om onderuitputing te beperken worden in het jaar van beschikbaarstelling van het investeringskrediet geen afschrijvingslasten geraamd. Voor de rente wordt 25% van de volledige rentelasten geraamd (zie afspraak P). Afspraak R. Raming afschrijvingslasten In het jaar van beschikbaarstelling van investeringskredieten worden geen afschrijvingslasten geraamd.
4.9 Beheerplan gemeentelijke gebouwen Het beheerplan voor gemeentelijke gebouwen is gesplitst in groot onderhoud en vervangingsinvesteringen. Groot onderhoud wordt direct ten laste van de voorziening gebracht en vervangingsinvesteringen afgeschreven. Daarmee kan de afspraak S vervallen. 4.10 Afschrijftermijnen onderwijshuisvesting Tot op heden worden voor onderwijshuisvesting de afschrijvingstermijnen gehanteerd die gebruikelijk zijn voor de diverse componenten van het gebouw: nieuwbouw in 40 jaar, machines, apparaten en installaties in 15 jaar en inrichtingskosten in10 jaar. Sinds januari 2015 zijn schoolbesturen volledig verantwoordelijk voor het onderhoud en aanpassingen van schoolgebouwen. Tussentijdse kosten aan en vervanging van machines, apparaten, installaties en inrichtingskosten zijn daarmee de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur. De economische levensduur van deze componenten kan dan ook identiek gesteld worden aan die van het gebouw zelf. Daardoor kan het volledige bedrag van de toekomstige bekostiging voor nieuwbouw, machines, apparaten, installaties en inrichtingskosten afgeschreven worden in 40 jaar. De geraamde kapitaallasten van het Integraal huisvestingsplan onderwijs (IHP) 2024-2027 zijn al op basis van 40 jaar afschrijving gebaseerd. Afspraak T. Afschrijftermijnen onderwijshuisvesting Voor toekomstige investeringen m.b.t.
onderwijshuisvesting een afschrijftermijn van 40 jaar hanteren voor de componenten nieuwbouw, machines, apparaten, installaties en inrichtingskosten.
| 17
Hoofdstuk 5 Bijlage 1: afschrijvingstabel
18 |
Omschrijving Gronden en terreinen Woonruimten nieuwbouw renovatie, restauratie, verbouw en uitbreiding (levensduur verlengend) woonwagens Bedrijfsgebouwen nieuwbouw nieuwbouw, multifunctioneel gebruik renovatie, restauratie, verbouw en uitbreiding (levensduur verlengend) tijdelijke gebouwen/noodlokalen terreinafscheidingen inrichtingskosten schaftunits begraafplaats Specifiek voor scholen oude schoolgebouwen (tot het jaar 1995) nieuwbouw nieuwbouw, multifunctioneel gebruik renovatie, restauratie, verbouw en uitbreiding (levensduur verlengend) inrichtingskosten machines, apparaten en installaties Grond-, weg-, en waterbouwkundige werken wegen, fiets- en voetpaden, parkeerplaatsen: aanleg/vervanging, reconstructie, renovatie, verkeersmaatregelen parkeerplaatsen: aanleg / vervanging bruggen: aanleg/vervanging en reconstructie openbare verlichting: masten openbare verlichting: armaturen plantsoenen/parken: aanleg/vervanging sportterreinen/speelplaatsen: aanleg/vervanging sportterreinen/speelplaatsen: reconstructie sportterreinen/speelplaatsen: kunstgrasvelden speeltoestellen/ -voorzieningen waterbeheer: vervanging vrijverval leidingen, hemelwatermaatregelen, milieumaatregelen en grondwatertaken waterbeheer: persleidingen bouwkundige aanpassingen waterbeheer: persleidingen mechanische / elektrische aanpassingen waterbeheer: grondwaterbeheersing waterbeheer: onderzoek en advies
derden waterbeheer: vervangen/renoveren rioolgemalen waterbeheer: baggerwerkzaamheden Vervoermiddelen vrachtwagen kleine tractor grote tractor gladheidbestrijding: zout(opzet)strooiers gladheidbestrijding: sneeuwschuivers aanhangwagens personenauto, bestelauto, bus snorscooters schaftwagens Machines, apparaten en installaties archiefinstallaties lift installaties elektrotechnisch installaties werktuigbouwkundig inventaris en meubilair zonwering noodstroomaggregaten brandslanghaspels en blusmiddelen veiligheidsvoorzieningen bedrijfsgebouwen begraafplaatsen: grafbekistingen & rijdende baar begraafplaatsen: grafliften gereedschappen en werktuigen: (onderhouds)materieel divers
Termijn n.v.t. 40 jaar 25 jaar 25 jaar 40 jaar 60 jaar 25 jaar 10 jaar 10 jaar 10 jaar 15 jaar 60 jaar 40 jaar 60 jaar 25 jaar 40 jaar 40 jaar 30 jaar 30 jaar 40 jaar 40 jaar 40 jaar 20 jaar 20 jaar 20 jaar 20 jaar 15 jaar 15 jaar 50 jaar 45 jaar 15 jaar 4 jaar 5 jaar 15 jaar 10 jaar 9 jaar 12 jaar 8 jaar 9 jaar 15 jaar 12 jaar 8 jaar 8 jaar 10 jaar 25 jaar 20 jaar 15 jaar 15 jaar 10 jaar 15 jaar 20 jaar 15 jaar 10 jaar 20 jaar 10 jaar 5-15 jaar | 19
gereedschappen en werktuigen: hefbrug Duurzaamheid duurzame bouwkundige investeringen (alleen bij significante kwaliteitsverbetering en levensduurverlengend) duurzame installatietechnische investeringen zon en wind opweksystemen ICT telefooninstallatie servers, PC’s, randapparatuur (hardware) software / applicaties mobiele apparatuur (tablets, smartphones)
20 |
20 jaar 25 jaar 15 jaar 25 jaar 5 jaar 5 jaar 5 jaar 3 jaar
Hoofdstuk 6 Bijlage 2: begrippen en definities
| 21
Begrip Achterstallig onderhoud
Definitie Onderhoud dat niet op tijd is uitgevoerd, waardoor een onderhoudsrichtlijn is overschreden en niet (meer) wordt voldaan aan het door de gemeenteraad gestelde kwaliteitsniveau. Activeren Het op de balans presenteren van de financiële waarde van het aangeschafte of vervaardigde kapitaalgoed met meerjarig nut dat vanaf dat moment als bezitting kan worden beschouwd. Afschrijven Het op een methodische wijze in de boekhouding (verslaglegging en verslaggeving) tot uitdrukking brengen van de waardedaling van een kapitaalgoed over een bepaalde periode. Componentenbenadering De componentenbenadering houdt in dat op verschillende samenstellende delen van een materieel vast actief, die afzonderlijk vervangen kunnen worden, afzonderlijk worden afgeschreven op basis van de individuele verwachte gebruiksduur van die delen. Groot onderhoud Uitvoering van correctieve maatregelen, als gevolg van slijtage na een langere periode van gebruik, om een object in goede staat te houden of te brengen. Investeringen Onder investeringen wordt verstaan het vastleggen van vermogen in objecten waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt. Investeringen, levensduur Investeringen die worden gepleegd ten behoeve van een bestaand actief en verlengend expliciet leiden tot een substantiële levensduurverlenging van betreffend actief.
Investeringen met een economisch Investeringen hebben een economisch nut indien ze verhandelbaar zijn en/of nut kunnen bijdragen aan het genereren van middelen. Investeringen: Investeringen ten behoeve van de vervanging van een bestaand actief als gevolg vervangingsinvesteringen van economische veroudering of slijtage. Investeringen met een economisch Investeringen met een economisch nut, waarvoor een bestemmingsheffing kan nut, waarvoor ter bestrijding van worden geheven. Bijvoorbeeld riool- en afvalinvesteringen. de kosten een heffing kan worden geheven Investeringen met een Investeringen die geen economisch nut opleveren (geen middelen genereren en/of maatschappelijk nut in de verhandelbaar zijn), bijvoorbeeld wegen. openbare ruimte Kapitaalgoed De materiële bezitting die de gemeente nodig heeft om haar publieke diensten te leveren, zoals wegen, riolering, gebouwen, groen en speelvoorzieningen. Klein onderhoud Preventieve maatregelen en dagelijkse reparaties die noodzakelijk zijn om het object in goede werkende en veilige staat te houden tegen een van te voren vastgesteld kwaliteitsniveau. Opbrengstwaarde Waarde van een kapitaalgoed bij verkoop. Renovatie Renovatie of renoveren is herstellen en wanneer nodig gedeeltelijk vernieuwen van een investeringsgoed, waardoor het beter bruikbaar wordt naar de huidige maatstaven en normen.
Restwaarde De restwaarde is de schatting, tegen het prijspeil van het moment van ingebruikname, van de opbrengst die na de gebruiksduur nog gerealiseerd kan worden, verminderd met de te maken kosten voor verwijdering of vernietiging van (delen van) het actief. Waarderen De waarde die toegekend wordt aan het geactiveerde kapitaalgoed op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs.
22 |