CConstaterende datVoorst
Koppel je AI →
Document · PDF

Inspraakreactie 2 (2021-32834)

gemeenteraad 20 september 2021, gemeente VoorstBij agendapunt: Ontwerp Regionale Energie Strategie 1.0 (RES) (2021-38725)4.322 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

4 alinea's met “lokaal”: 4 36 45 46

Reactie op ontwerp RES 1.0 CleanTech Regio Voorst 30 mei 2021

Inleiding Wij zijn de vereniging van bewoners en belanghebbenden Door Weer en Wind uit Voorst. Wij waarderen het dat ons de gelegenheid is geboden om te reageren op dit ontwerp RES 1.0 van de CleanTech Regio

Conclusie De Regionale Energie Strategie is een verwarrend proces met veel onzekerheden. Het is geen democratisch proces waarin partijen op basis van gelijkheid invloed hebben. Dit stimuleert niet tot samenwerking en/of participatie, maar weerstand onder inwoners. Om wind- en zonne-industrie mogelijk te maken, wijzigen diverse overheden de regels die jaren van toepassing zijn geweest op alle initiatieven in ons land en die tot doel hadden natuur en mens te beschermen. Dit raakt ons democratische bestel. Vele omschrijvingen en benaderingen in de RES zijn misleidend. De Nederlandse overheid gaat voorbij aan Europese wetgeving. In het kader van juridische aspecten willen wij verwijzen naar de zienswijze ten aanzien van de RES 1.0 van Klarenbeek. Wij hebben onze zienswijze opgebouwd op basis van een aantal hoofdpunten. Deze zijn hieronder apart uitgewerkt waarbij wij naast onze toelichting ook vragen stellen over het ontwerp RES 1.0 CleanTech Regio.         

Mogelijkheid om problemen aan te kaarten bij Provincie en Rijk wordt niet gebruikt. Wij willen ook graag reageren op het definitieve ontwerp van de RES 1.0. Voorsterklei is nu zoekgebied met ecologische belemmeringen, maar wat betekent dat? Een moderne windturbine landschappelijk inpassen in de directe woonomgeving is eigenlijk onmogelijk. Zoekgebieden zijn gekozen zonder rekening te houden met wettelijke belemmeringen. De rol van de netbeheerder in de oplossingen voor problemen van het elektriciteitsnet. Participatie – welke overheid praat met de groep die het meest wordt getroffen? Waarom is er verzet? Lokaal eigendom en financiële participatie.

Algemeen Het ontwerp van de RES 1.0 is een nauwkeurig geformuleerde tekst over een moeilijk onderwerp. Het kost zeker een volle dag om het te lezen en nóg één of twee dagen om de samenhang te begrijpen. Voor zover we kunnen overzien, is er in de periode na de concept-RES door de gemeenten goed geluisterd naar haar inwoners. Dat geldt zeker voor de gemeente Voorst. De zonneladder in hoofdstuk 3.3 geeft de voorkeur van inwoners van de regio weer voor meer geïntegreerde oplossingen en het totale bod aan zonne-industrie is ten opzichte van de concept-RES flink toegenomen. WE noemen dit een geïntegreerde aanpak waarbij kleinschalige projecten vanuit buurten en bewoners in synergie met elkaar een groter geheel vormen. Onder druk van de protesten

1

in de zoekgebieden voor wind die in de concept-RES werden aangewezen, is de ambitie voor het aantal windturbines flink teruggeschroefd - van 59 naar 12 nieuwe windturbines. Met dit als achtergrond, volgen hieronder onze kritiekpunten – in de vorm van vragen en opmerkingen - bij deze versie van het ontwerp RES 1.0.

Mogelijkheid om problemen aan te kaarten bij Provincie en Rijk wordt niet gebruikt Er wordt in de tekst niet of nauwelijks gebruik gemaakt van de mogelijkheid om richting Provincie en Rijk de pijnpunten aan te geven die er bestaan rond het opwekken van duurzame energie in onze regio. Er is eerder sprake van versluierend taalgebruik - zo zijn zoekgebieden voor wind ‘ecologisch uitdagend’ en ‘niet iedereen omarmt de zichtbaarheid in het landschap van opwekking van energie’. De RES straalt zo een sfeer uit van ‘we fiksen dit’. Daarmee laat ze de kans liggen om Provincie en Rijk te wijzen op de eigen rol en verantwoordelijkheid voor het creëren en oplossen van die problemen, waarvoor zij en niet de gemeenten de instrumenten hebben. Wii vragen u waarom u gebruik maakt van versluierd taalgebruik en waarom worden pijnpunten niet aangehaald en besproken?

We willen ook graag kunnen reageren op het definitieve ontwerp van de RES 1.0. Wat er nu ligt, is het eerste ontwerp van de RES 1.0. De partijen (behalve de direct getroffenen…! waarover hieronder meer) gaan met dit ontwerp aan de slag en leveren dit najaar een tweede, definitief ontwerp. Daarbij kan de versie die er nu ligt in de komende maanden nog flink op de schop gaan. De netbeheerder Liander tekent al aan dat hun net niet is opgewassen tegen het grote bod van zonne-energie en het lage bod van wind-industrie en geeft ook aan dat het geen rol zal kunnen spelen in de sleutelfactor om zoveel zonne-industrie aan te kunnen: de kwestie van de opslag van energie. Door gemeentelijke politici wordt bovendien gewaarschuwd voor de mogelijkheid dat Provincie of Rijk zullen ingrijpen. We moeten dus wel rekening houden met de mogelijkheid dat dit tweede ontwerp flink zal afwijken – in de zin van meer windturbines en minder zonnevelden - van wat er nu ligt. Met klem willen wij opmerken dat als bijvoorbeeld de status van zoekgebied Voorsterklei verandert, wij ook op die definitieve versie onze zienswijze moeten kunnen geven!

Voorsterklei is nu zoekgebied met ecologische belemmeringen, maar wat betekent dat? In de concept-RES was de natuurrijke Voorsterklei en het industriegebied van Zutphen samengevoegd in één zoekgebied (nr 4). In de ontwerp RES 1.0 is dit gebied gesplitst in twee zoekgebieden. Dit juichen we toe want beide gebieden lijken eigenlijk in niets op elkaar, afgezien van hun nabijheid ten opzichte van elkaar. De Voorsterklei wordt nu in figuur 8 aangemerkt als ‘zoekgebied met ecologische belemmeringen’. Wat zijn de gevolgen dat de Voorsterklei wordt aangemerkt als ‘zoekgebied met ecologische belemmering”? Het bod voor windindustrie dat in de ontwerp RES 1.0 wordt gedaan bestaat uit 15 windturbines: 3 bestaande windturbines bij Zutphen; 3 beoogde bij Eefde; 4 nieuwe in de gemeente Lochem en 5 nieuwe op de Veluwe stuwwal. Hieruit maken we op dat in het bod voor 2030 geen windturbines

2

worden geplaatst op de Voorsterklei. Zo wordt dit ook geïnterpreteerd door leden van de gemeenteraad van Voorst. Naast antwoorden op bovenstaande vragen zouden wij ook graag antwoord willen ontvangen op het volgende; Als dit zo in de definitieve versie van de RES 1.0 wordt overgenomen, worden er dan in ieder geval tot 2030 in het kader van de RES geen verdere acties meer rond windmolens in de Voorsterklei ondernomen? Verwarrend is dat op pagina 26 bij de Ontwikkelagenda onderscheid wordt gemaakt tussen ‘Veluweflankclusters’ en ‘Andere clusters’, waarbij niet duidelijk is of Voorsterklei al of niet behoort tot de categorie ‘Andere clusters’. Als dit wel het geval zou zijn, dan zou ook voor de Voorsterklei ‘lokale ontwikkelingsvisies en beleidskaders’ worden uitgewerkt en ‘effectonderzoek’ noodzakelijk zijn ‘ten behoeve van vergunningverlening’. Dat wekt de indruk dat de Voorsterklei toch nog in beeld is als zoekgebied? Wat betekent dit? Ons valt op dat in de impactanalyse van Liander, een van de onderliggende documenten, de Voorsterklei nog steeds als zoekgebied voor wind-industrie staat vernoemd op de kaart van pag. 24. Dit is niet consistent met wat er door de leden van de gemeenteraad Voorst is besloten over dit gebied. Wij vragen u hierover duidelijkheid te scheppen.

In het rapport dat Pondera recentelijk heeft opgemaakt over windzoekgebied 5 onder Zutphen staat dat in de nieuwe Gelderse omgevingswet, alle natuurbeschermingsaspecten feitelijk zijn komen te vervallen en “zachte” criteria zijn geworden. Kunt u uitleggen wat dit betekent en specifiek voor ons, bewoners van de Voorsterklei? Tenslotte vragen wij u of er op dit moment lokale ontwikkelingsvisie en beleidskaders worden uitgewerkt en of er effectonderzoek wordt gedaan op de Voorsterklei zoekgebied 4, ten behoeve van plaatsing van windturbines en welke partijen zijn daarbij betrokken?

Een moderne windturbine landschappelijk inpassen in de directe woonomgeving is eigenlijk onmogelijk Er is hard gewerkt aan concepten om wind- en zonne-industrie ruimtelijk in te passen in het landschap – of beter, de landschappen – van de regio. Voor zonne-industrie is dit ten dele gelukt door een koppeling te maken tussen de zonneladder en 14 landschapstypen – zie de kaarten in hoofdstuk 3.3. Ten dele is dit gelukt, want veel gebieden, waaronder de Voorsterklei, zijn terecht gekomen in 3 van de vier treden van de ladder, zodat hier nee, nee-tenzij én ja-mits zonneparken mogelijk zijn. Dit probleem wordt niet in het hoofdstuk zelf benoemd, maar in een ander hoofdstuk (3.1) wordt gesteld dat er ‘onvoldoende tijd’ was om de ruimtelijke uitwerking van de zonnetredes ‘toe te passen op de regio’. Ook constateren wij dat de problemenin de RES 1.0 niet expliciet of versluierd worden benoemd. Voor inpassing van windindustrie in het landschap zijn er naar onze mening geen geschikte concepten ontwikkeld. Op de schaal van de regio als geheel zijn er wel uitgangspunten zoals clustering, een afstand tussen clusters van minimaal 5 kilometer om zichtlijnen te behouden en versnippering te voorkomen. Zichtlijnen worden ook op 5 km afstand niet behouden als windturbines 150 m of hoger zijn.

Als je van Lemmer naar Amsterdam rijdt dan zie je de zoom langs het Ijsselmeer inmiddels bijna geheel verindustrialiseerd door windturbines. Vanaf ieder punt in de route kun je de windturbines zien, ook van grotere afstanden dan 5 km. De auteurs zien hierdoor een leidend principe ontstaan: ‘de stuwwallen en Hanzesteden als ‘poortwachters’ (waarover meer hieronder). Maar dit zijn principes op de grote schaal. Ze zijn van belang voor degenen die zich in de ruimte verplaatsen tijdens het woon-werk verkeer of bij de

3

beleving van het landschap door toeristen of recreanten. Op de kleine schaal, als je woont in een straal van zeg 2 kilometer van zo’n windmolen, heb je niets aan deze principes. Dan wordt de beleving van je omgeving een groot deel van je tijd onherroepelijk en fundamenteel aangetast. Zo’n windturbine is er altijd, zo gauw je je deur uitloopt, hoorbaar en zichtbaar, dag en nacht, immens en intens. Het is dan versluierend om te spreken van ‘landschappelijke inpassing’. Als je je verplaatst in de drie typen van clusters van windturbines op pagina 25, dan wordt dat ook duidelijk. In het ‘industriecluster’ zijn moderne windturbines nog het meest op hun plaats, maar daar zijn geen woningen. In het ‘landschapsontwikkelingscluster’ is van het oorspronkelijke landschap weinig meer over; daarnaast laat dit een ontwikkeling zien, die niet expliciet wordt benoemd: komen er eenmaal windturbines, dan is de kans groot dat er zonneparken volgen (en omgekeerd). In het ‘agrarische cluster’ trekken de verticale lijnen van de windturbines stelselmatig de aandacht weg van de horizon die hier altijd bepalend was; bovendien is dit type eerder van toepassing op de Flevopolder dan op onze regio waarin agrariërs en niet-agrariërs naast elkaar wonen. Wat moeten we ons voorstellen bij poortwachters? Het leidend principe van ‘poortwachters’ roept bij ons vooral vragen op.

Is het een gangbaar begrip in het denken over landschappen? Of is het een beeld dat achteraf is gekozen voor de verzameling van cirkels in figuur 6 van de tekst? Zijn de poortwachters de windturbines die mogelijk in de cirkels komen, of zijn het de stuwwalen en Hanzesteden zelf? Van bovenaf kijkend op een kaart of vanuit een vliegtuig kunnen we nog iets voorstellen bij ‘wachtposten’, hoewel we ons afvragen wat ze dan bewaken. Vanaf het maaiveld, waar het eigenlijk over gaat, zien we moderne windturbines van 200+ meter eerder als opdringerige, niet-genode over-dominante reuzen dan als onze ‘beschermers’.

Zwitserse Garde bij het Vaticaan

Chinese muur met wachttorens

Zoekgebieden zijn gekozen zonder rekening te houden met wettelijke belemmeringen Er is voor zover wij kunnen nagaan tot nu toe in het RES-proces niet gewerkt vanuit een long-list van mogelijke zoekgebieden die min of meer vrij zijn van wettelijke belemmeringen zoals de voorgeschreven afstand tot woningen vanwege de geluidsnorm, externe veiligheid en natuur- en landschappelijke waarden1. We begrijpen niet waarom dit niet is gedaan, u heeft nergens uitgelegd waarom u stellig uit bent gegaan van de zoekgebieden zoals beschreven. Zonder zo’n analyse komt de keuze van zoekgebieden willekeurig over. Een begin van zo’n analyse is redelijk eenvoudig uit te voeren op basis van het kaartmateriaal dat wordt geleverd door het Nationaal Programma RES2. De figuur hieronder is de uitkomst van een snelle analyse van onze hand. De zwarte gebieden voldoen min of meer aan de voorgeschreven afstand tot woningen op basis van de geluidsnorm en het 1 Zutphen heeft dit jaar zo’n analyse laten uitvoeren door bureau Pondera naar de zoekgebieden

Zutphen-Broekgebied en Lochemse Weg (zoekgebied 5 en 6 in de concept-RES) 2 https://www.regionale-energiestrategie.nl/ondersteuning/analysekaarten+np+res/default.aspx 4

uitgangspunt dat windmolens niet in Natura-2000 gebied worden geplaatst3. Zo’n figuur biedt relevante inzichten die we in de ontwerp RES 1.0 hebben gemist:  De ruimte voor windmolens in de CleanTech Regio is heel klein en versnipperd. Dit zou toch een belangrijke boodschap moeten zijn naar het nationale niveau.  Er lijkt geen verband te zijn tussen de ‘vlekkenkaart’ en de keuze van de zoekgebieden in de ontwerp RES 1.0. Veel van de zoekgebieden hebben nauwelijks belemmering-vrije ruimte en veel op het eerste gezicht belemmering-vrije ruimtes zijn niet opgenomen als zoekgebied. De kansrijkheid van veel van de zoekgebieden lijkt dus op voorhand laag te zijn.

Toelichting: de zwarte gebieden liggen a) meer dan 500 meter uit de bebouwde kom EN b) meer dan 300 meter ten opzichte van woningen in het buitengebied EN c) buiten Natura-2000 gebied. 3 Natuurlijk zijn er in onze analyse veel mitsen en maren. Zo zijn er factoren waardoor de gebieden

kleiner en schaarser kunnen worden. Bijvoorbeeld:  De voorgeschreven afstand tot woningen in het buitengebied vanwege de geluidsnorm is voor moderne turbines zeker 400 meter (zie de Pondera studie in opdracht van Zutphen), maar dit was in de NPRES kaarten niet vrij in te stellen.  Er is niet gekeken naar externe veiligheid  Een ecologische status anders dan Natura-2000 is niet meegenomen  Waterpartijen zoals Bussloo zijn niet uitgesloten En er zijn factoren waardoor de gebieden groter kunnen worden. Bijvoorbeeld:  Hoe ‘hard’ is de uitsluiting op basis van Natura-2000?  De belemmering door individuele ‘hinderlijk gelegen’ woningen kan worden weggenomen door zo’n woning de status te geven van molenaarswoning. Overigens wordt hierbij in onze ogen opportunistisch gebruik gemaakt van een regeling uit een verleden tijd toen windturbines nog een menselijke maat hadden en een vakbekwame molenaar in de directe omgeving vereisten.

5

De figuur hieronder laat zien waar welk criterium meetelde. Donker groen: 500 meter uit de bebouwde kom; oranje: meer dan 300 meter van woningen in het buitengebied; licht groen: Natura2000 gebied. Een deel van het Natura-2000 gebied wordt door oranje gebied gemaskeerd. Opvallend is dat in het ontwerp RES 1.0 niets wordt vermeld in het kader van MER of gezondheidsaspecten die zouden moeten worden meegewogen. Kunt u dit toelichten? Kortheidshalve verwijzen wij ook naar de gehele "zienswijze t.a.v. de RES 1.0" van de bewoners van Klarenbeek, door , waarin uitgebreid is ingegaan op de Europese richtlijn voor Strategische Milieubeoordeling en aanverwante MER bepalingen, als ook de verplichting van de overheid inzake het verlenen van toegang tot milieu-informatie en het verlenen van inspraak in besluitvorming in milieuaangelegenheden. Deze verplichtingen gelden natuurlijk ook voor de gemeente Voorst en uw toelichting zien wij dan ook graag tegemoet.

De rol van de netbeheerder in de oplossingen voor problemen van het elektriciteitsnet. De rol van de netbeheerder, Liander in ons geval is niet duidelijk uitgewerkt in het RES proces. Liander is als nutsbedrijf verantwoordelijk voor het midden en laagspanningsnetwerk, de aansluitingen en problemen als netcongestie. Ze hebben een netimpact analyse gedaan met de ontwerp RES 1.0 en vergeleken met RES 0.0. Ze horen daarbij verschillende scenario’s door te rekenen en oplossingen aan te dragen met kosten ramingen. Uit de impactanalyse blijkt dat praktisch nergens in de regio voldoende ruimte op het net is om de opwekking van stroom door de wind- en zonne-industrie aan te sluiten. Daarbij is de kostenraming uitsluitend uitgewerkt enkel voor de kosten van Liander zelf en enkel vanuit een scenario waarin het net vernieuwd en verzwaard wordt. Dit is onvoldoende en draagt niet bij aan het vinden van de beste oplossing in de afwegingen die de lokale politici voor alle belanghebbenden moeten maken.

6

Een elektriciteitsnet wordt voor vele tientallen jaren aangelegd. Op dit moment blijkt het huidige net al nauwelijks de huidige problemen door toenemend gebruik van elektriciteit en toenemend toevoer van elektriciteit van zon en wind aan te kunnen. Het is een landelijk probleem dat in april door de samenwerkende netbeheerders in beeld is gebracht. Het werkt de ontwikkeling van de energietransitie en onze economie tegen omdat nieuw aangelegde zonneparken en windturbines simpelweg niet kunnen leveren aan het net, of bedrijven niet kunnen uitbreiden met bijvoorbeeld elektrische mobiliteit. Het is vanuit deze situatie van vandaag en vanuit de visie over de energietransitie in 2050 onvoldoende dat een lange termijn visie over het elektriciteitsnet ontbreekt. De onduidelijke suggesties van Liander die over 2030 worden gegeven zijn geen basis om juiste keuzes op te maken. De impactanalyse beschrijft dat t.o.v. RES 0.0 meer zonne-industrie en minder windindustrie lastig is voor Liander. Er wordt daarbij een kostenraming gemaakt van extra investeringen die Liander moet doen.

Wij vragen u; waarom worden enkel kosten van Liander hierin meegenomen? Indien achterstallig onderhoud, tekort aan personeel, het nalaten van tijdige investeringen in het net en gebrek aan visie nu leidt tot noodzakelijk ingrijpen op locaties waar het de netbeheerder het beste past, gaat dit ten koste van de andere noodzakelijk afwegingen en democratische principes. Dit is ontoelaatbaar. Daarnaast vragen wij u waarom Liander maar één scenario heeft uitgewerkt en dat dan nog slechts gedeeltelijk; namelijk enkel netuitbreiding en verzwaring van het huidige net. Liander geeft aan dat ontwerp RES 1.0 problemen en kosten met zich mee brengt. Dit in vergelijking met RES 0.0 die blijkbaar voor Liander een optimale situatie was qua locatie en verhouding zonne- en windindustrie . Het is onterecht dat Liander dit als probleem aanmerkt omdat zij andere mogelijkheden die er zijn, niet hebben uitgewerkt in scenario’s en dus op voorhand andere mogelijkheden uitsluiten die balans kunnen brengen met alle maatschappelijke, sociale, ecologische en economische impact. Wij noemen u een aantal andere mogelijkheden die in verschillende scenario’s uitgewerkt dienen te worden:  Liander gebruikt in zijn impact analyse uitbreiding van het huidige bestaande netwerk om o.a. netcongestie tegen te gaan.

Echter de verwachting is dat steeds meer deels aangesloten (meshed) microgrids zullen ontstaan bijvoorbeeld bij bedrijventerreinen. Deze zullen ‘achter de meter’ zelf elektriciteit opwekken én gebruiken. Hierdoor zijn kleinere aansluitingen voldoende en kan extra belasting van het grotere net voorkomen worden.  In de ontwerp RES 1.0 wordt opslagtechnologie genoemd. Inzet van deze technologieën kan veel brengen en het is goed dat deze op de kaart staat. Echter Liander geeft aan geen partij te zijn, en in de ontwerp RES 1.0 wordt geen nieuwe partij hierin genoemd. Electrische opslag technologieën kunnen bidirectioneel door peakshaving netcongestie tegengaan en de huidige en toekomstige problemen op het net verminderen en deels oplossen. Het is noodzakelijk deze oplossingen in scenario’s uit te werken en daarbij de rollen duidelijk benoemen wie voor wat verantwoordelijk is.  Mogelijkheden van besparen van stroomverbruik missen in scenario’s.  Mogelijkheden van ‘smartgrids’ missen. Hiermee kan door slimme afstemming van vraag en aanbod voor en/of achter de meter, resulteren in minder belasting van het net.  Actief congestiemanagement van diverse partijen via digitale platforms (GOPACS).  Microgrids op DC.

Door deze scenario’s niet uit te werken beperkt u de oplossingsmogelijkheden en blijft u zonder duidelijke visie en kennis over consequenties, vanuit de oude situatie en structuur de nieuwe situatie vormen. Dit bevordert het verloop van de energietransitie niet.

Participatie – welke overheid praat met de groep die het meest wordt getroffen? In de taakverdeling voor participatie tussen de stuurgroep RES en de gemeenten wordt één groep op de laatste plaats gesteld: de bewoners van de zoekgebieden voor wind en zon. Dit hebben we gemerkt. Dat de Voorsterklei in de Concept-RES werden opgevoerd als zoekgebied, kwamen de

7

meeste bewoners van de Voorsterklei pas te weten toen de Concept-RES werd aangeboden aan het nationale niveau. Noch de stuurgroep RES noch de gemeente Voorst zag het als zijn taak om ons de boodschap te geven: ‘let op, jullie zijn in beeld als zoekgebied’. N m Dit is het gevolg van een fout in de strategie voor participatie - misschien een weeffout maar misschien ook wel bewust zo gekozen. Deze strategie is weergegeven in de illustratie in Bijlage 4: op het niveau van de RES wordt gepraat met zogenaamde stakeholders – dat zijn allen met een zakelijk of overkoepelend belang, behalve de inwoners van de regio. Dat wordt overgelaten aan de gemeenten. De gemeente Voorst heeft zijn best gedaan om dit in te vullen, maar heeft dat ingestoken als een gesprek met alle inwoners van de gemeente, dus participatie op lokaal niveau, zonder een apart gespreksplatform te creëren voor de bewoners van de zoekgebieden. Dit laatste gesprek wordt in de illustratie gezien als participatie op gebiedsniveau en is volgens de RES pas nodig als de zoekgebieden definitief zijn. De verantwoordelijkheid om dit gesprek te organiseren wordt vervolgens gelegd bij de initiatiefnemers van de projecten om windturbines en zonnevelden te plaatsen – denk aan de ontwikkelaars of energiecoöperaties (zie rechts in de figuur 17). Dit is een recept dat vraagt om problemen.

Direct getroffenen voelen dat er buiten hun om wordt besloten, dat ze in een fuik worden gedreven en hebben de keuze tussen lijdzaam de bouw van industriële wind- en zonneparken te ondergaan of in verzet te komen. Dit is geen democratisch proces met echte participatie.

Waarom is er verzet? We missen in de RES 1.0 ook een analyse van de weerstand en het verzet, de oorzaken en de mogelijke oplossingen. We denken daarbij vooral aan twee zaken: 

De weerstand tegen moderne, hoge windturbines wordt vooral ingegeven door een aantal zaken: ze maken hinderlijk lawaai met ook nog eens mogelijke gevolgen voor de gezondheid én ze zijn visueel buiten proporties. Voor lawaai bestaat een norm; deze schiet waarschijnlijk tekort maar er is tenminste een norm. Voor de proporties van de windmolen – hoogte en diameter – is geen enkele norm. Dat is vreemd in een goed gereguleerd land als Nederland met zijn traditie van horizonschilders en ruimtelijke ordening. De reden is volgens ons een combinatie van geld en een politiek die zoekt naar de weg van de minste weerstand. Het Ministerie van Economische Zaken (EZ) stuurt via de hoogte van de SDE subsidie (Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie) in de keuze van het type windturbines door ontwikkelaars. Dit doet EZ zó strak en zuinig dat ontwikkelaars maar één kant op willen: de hoogte in, de wieken zo lang mogelijk. Netbeheerders vinden dit een goede ontwikkeling omdat dit leidt tot lagere kosten voor aansluiting op het net. Landschapsecologen hopen dat door het clusteren van deze gigantische windturbines grote delen van het landschap behouden blijven. Dit samenspel van EZ, ontwikkelaars, netbeheerders en landschapsecologen heeft tot gevolg dat de pijn wordt geconcentreerd bij beperkte groepen van mensen die in de gebieden wonen waar de windturbines terecht komen.

Een alternatief zou zijn om royaler om te gaan met de subsidiekraan, in combinatie met een norm voor de maximale hoogte. Dit heeft als consequentie dat er méér, lagere windturbines moeten worden geplaatst om een gegeven doelstelling te halen. Deze keuze is duurder en voor het landschap op grote schaal bezien wellicht minder aantrekkelijk. Maar deze keuze is ook democratischer en meer solidair: het verdeelt de pijn in plaats van deze te concentreren: voor meer mensen wordt het landschap een beetje aangetast. Synergie met andere kleinschaliger opwekking is hierbij waarschijnlijk sneller te vinden. Deze keuze is ook een krachtige boodschap naar de maatschappij als geheel: overal wordt zichtbaar dat het ‘menens’ is met de energietransitie.

Op dit moment schort het aan de kwaliteit van het aanbod aan de bewoners in de zoekgebieden. Stel dat er sprake zou zijn van een markt voor zoekgebieden. Overheden, ontwikkelaars, netbeheerders en de inwoners elders in de regio of het land zijn de vragende partij: zij komen

8

met het verzoek om gebruik te mogen maken van een zoekgebied, om dit fundamenteel en in negatieve zin aan te tasten. Daar moet een aanbod tegenover staan voor de bewoners. Als dit aanbod goed genoeg zou zijn, zouden er vrijwillig voldoende zoekgebieden door bewonersgroepen worden ‘aangeboden’. .

Lokaal eigendom en financiële participatie Je mag lokaal eigendom niet gebruiken om verzet tegen wind- en zonneparken te breken In het Klimaatakkoord is afgesproken dat in projecten voor wind- en zonneparken wordt gestreefd naar minimaal 50% lokaal eigendom. Omwonenden moeten hun spaargeld steken in een aandeel in of een lening aan een windturbine of zonnepark in hun omgeving. Dit wordt in hoofdstuk 6.3 in abstracte zin uitgewerkt, maar is nog weinig concreet. De deal lijkt te zijn: als je je geld erin steekt, verdien je geld aan de windturbine en geef je vanzelf je verzet op. Vroeger heette dit: ‘een sigaar uit eigen doos’. Dit is te veel gevraagd van mensen die aanvoelen dat ze dagelijks hinder gaan ondervinden, vrezen voor hun gezondheid, de natuur of voor een onverkoopbare woning. Bovendien hébben veel omwonenden niet het spaargeld voor zulke investeringen. Ook als je zo min mogelijk te maken wilt hebben met de windturbine of het zonnepark die vlak bij je achtertuin wordt neergezet, heb je recht op een eerlijke compensatie van de schade – materieel en immaterieel - die je hierdoor lijdt. Het Rijk en niet de gemeenten moet ervoor zorgen dat het streven van minimaal 50% lokaal eigendom wordt gerealiseerd. De RES neemt dit streven naar 50% lokaal eigendom over, maar stelt dat het de gemeenten zijn die dit moeten borgen in hun beleid.

Wij vinden dat het Rijk dit moeilijke dossier met een zekere gemakzucht van zich af schuift. Moet nu iedere gemeente voor zich – Heerde, Epe, Voorst, Brummen, Lochem, Zutphen, Apeldoorn, ieder met een beperkt ambtelijk apparaat en middelen - het wiel gaan uitvinden om vervolgens te verzuchten dat zij niet de instrumenten en de bevoegdheden hebben om de gewenste vormen van lokaal eigendom te realiseren, vanwege bestaande regelgeving op Rijksniveau? Laat het Rijk ervoor zorgen dat dit daadwerkelijk voor elkaar komt.

9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10414214/2