CConstaterende datVoorst
Koppel je AI →
Document · PDF

Geconsolideerde verzamelverordening

gemeenteraad 25 november 2024, gemeente VoorstBij agendapunt: Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ gemeente Voorst 202410.381 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

d.

30% gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie;

e.

100% gedurende een maand bij gedragingen van de vijfde categorie;

f.

100% gedurende een maand als er bij een gedraging van de zesde categorie sprake was van fysiek geweld tegen personen;

g.

75% gedurende een maand als er bij een gedraging van de zesde categorie sprake was van mondelinge of schriftelijke bedreigingen geuit tegen de met de uitvoering van de PW, IOAW en/of IOAZ belaste personen, instanties.

h.

50% gedurende een maand bij iedere andere vorm van zeer ernstige misdraging als bedoeld in de zesde categorie.

Artikel 45

Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

1.

Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt afgestemd op het benadelingsbedrag.

2.

De verlaging wordt vastgesteld op: a.

10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag tot € 1000;

27

3.

b.

20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 1000 tot € 2000;

c.

40% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2000 tot € 4000;

d.

100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag van € 4000 of hoger.

Onverminderd het 1e lid van dit artikel wordt, indien belanghebbende een tekort schietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond ten aanzien van het onverantwoord besteden van vermogen, een maatregel opgelegd: a.

van 100% van de bijstandsnorm, gedurende de periode dat belanghebbende niet op een uitkering zou zijn aangewezen, indien hij op verantwoorde wijze het vermogen waarover hij beschikte of redelijkerwijs kon beschikken, zou hebben aangewend, met een maximum van zes maanden, of

b.

in de vorm van een geldlening als bedoeld in artikel 48, lid 2 onder b van de PW, indien en voor zover het vastgestelde vermogen bij aanvang van de uitkering onvoldoende is om gedurende de hiervoor onder a genoemde periode van de maatregel in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien.

Artikel 46

Niet nakomen van overige verplichtingen

Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op: a.

20% van de bijstandsnorm gedurende één maand , bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;

b.

40% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand;

c.

100% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.

Artikel 47

Verrekening maatregel PW 28

1.

Het college verrekent de maatregel voor een gedraging in de vijfde categorie als bedoeld in artikel 25 vijfde lid van deze verordening over de maand van oplegging en de daaropvolgende twee maanden. De eerste en tweede maand bedraagt de verrekening 35% en de derde maand bedraagt de verrekening 30%.

2.

Op verzoek van belanghebbende is volledige verrekening in de maand van oplegging mogelijk.

3.

Als sprake is van een maatregel vanwege het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid vindt geen verrekening plaats als bedoeld in het eerste lid, maar vindt verrekening ineens plaats.

Artikel 48

Recidive

1.

Als belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging, niet zijnde een gedraging van artikel 25, vijfde lid van deze verordening, wordt de duur van de maatregel verdubbeld.

2.

Als belanghebbende zich binnen twaalf maanden na toepassing van het vorige lid, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging, niet zijnde een gedraging van artikel 25, vijfde lid van deze verordening, wordt de duur van de maatregel, als bedoel in het eerste lid nogmaals verdubbeld.

3.

Als belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd in verband met een gedraging van artikel 25, vijfde lid van deze verordening, opnieuw schuldig maakt aan een gedraging van de vijfde categorie, bedraagt de maatregel 100% gedurende twee maanden.

4.

Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na toepassing van het vorige lid, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van artikel 25, vijfde lid van deze verordening, bedraagt de maatregel telkens 100% gedurende drie maanden.

29

Hoofdstuk 5 Individuele inkomenstoeslag en studietoeslag

Artikel 49

Individuele inkomenstoeslag

1.

Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier.

2.

Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 100% van de toepasselijke bijstandsnorm.

3.

Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar: a.

€ 391,- voor een alleenstaande;

b.

€ 505,- voor een alleenstaande ouder;

c.

€ 567,- voor gehuwden.

4.

Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.

5.

Voor toepassing van het tweede en derde lid is de situatie op de peildatum bepalend.

6.

De bedragen genoemd in het derde lid worden jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig de prijsindex in de gemeentebegroting. De bedragen worden afgerond op hele euro’s.

Artikel 50

Individuele studietoeslag

1.

Een verzoek als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier.

2.

Het college kan advies vragen bij een externe organisatie met betrekking tot het oordeel of een persoon met voltijdse arbeid niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie.

3.

Een persoon kan slechts eenmaal in een studiejaar in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag. 30

4.

De toeslag is bedraagt 20% van het voor de leeftijd van aanvrager geldende bruto minimum jeugdloon.

5.

De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro's.

6.

Een individuele studietoeslag wordt in 12 maandelijkse termijnen uitbetaald.

31

Hoofdstuk 6 Bestuurlijke geldschulden Artikel 51

Reikwijdte, betalingstermijn en wijze van betaling

1.

Dit artikel is van toepassing op bestuursrechtelijke geldschulden binnen de PW, Bbz 2004, I IOAZ, de Wet inburgering, WMO, de Wet op de Lijkbezorging en het Burgerlijk Wetboek.

OAW,

2.

In afwijking van het bepaalde in artikel 4:87 van de Awb geschiedt de betaling van een bestuursrechtelijke geldschuld binnen 1 maand nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.

Hoofdstuk 7 Slotbepalingen Artikel 52

Beleidsregels

Onverminderd het bepaalde in deze verordening kan het college ten behoeve van deze verordening beleidsregels vaststellen Artikel 53

Innovatie en experimenten

1.

Het college kan van de bepalingen in deze verordening afwijken wanneer experimenten ter bevordering van de re-integratie daartoe aanleiding geven;

2.

De duur van een experiment als bedoeld in het eerste lid is ten hoogste drie jaar.

Artikel 54

Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening indien de toepassing tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 55

Onvoorziene omstandigheden

Het college beslist in gevallen waarin de verordening niet voorziet.

Artikel 56

Overgangsrecht

32

1.

Een belanghebbende die vóór het inwerkingtreden van deze verordening een besluit heeft gekregen op grond van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ gemeente Voorst 2019, houdt recht op deze voorziening totdat het college een nieuw besluit heeft genomen, waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

2.

Aanvragen die zijn ingediend onder de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ gemeente Voorst 2019 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ gemeente Voorst 2019.

3.

Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ gemeente Voorst 2019, wordt beslist met inachtneming van die verordening.

33

Artikel 57 1.

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2024, onder gelijktijdige intrekking van: a.

2.

Inwerkingtreding en citeertitel

Verzamelverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2019 gemeente Voorst.

Deze verordening wordt aangehaald als Verzamelverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Voorst 2024.

34

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14523895/3