Evaluatie participatiebeleid en invoering uitdaagrecht gemeente Voorst
Tekst van het document
Evaluatie participatiebeleid en invoering uitdaagrecht gemeente Voorst
Datum vastgesteld:
Inhoudsopgave
Inhoudsopgave................................................................................................................................... 2 1. Inleiding.......................................................................................................................................... 3 2. Proces............................................................................................................................................ 3 3. Inbreng evaluatie participatiebeleid................................................................................................ 4 4. Inbreng invoering uitdaagrecht....................................................................................................... 9 5. Aanbevelingen............................................................................................................................. 12
-2-
1. Inleiding De gemeenteraad van Voorst heeft op 3 juli 2023 participatiebeleid vastgesteld. Ook stelde de raad een participatieverordening vast. In het beleid staat dat wij het beleid evalueren na twee jaar. Dit document gaat over deze evaluatie. De Gemeentewet introduceert een nieuw onderwerp: uitdaagrecht. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) definieert uitdaagrecht als het recht van inwoners en maatschappelijke partijen om de feitelijke uitvoering van een gemeentelijke taak over te nemen. De Gemeentewet bepaalt dat in de participatieverordening voorwaarden worden bepaald waaronder inwoners en maatschappelijke partijen bepaalde gemeentelijke taken kunnen uitvoeren1. Dit moet gebeuren voor 1 januari 2027. De gemeenteraad nam op 11 november 2024 de motie ‘Wie pakt de handschoen op?’ met algemene stemmen aan. Met deze motie draagt de raad het college op kaders uit te werken voor de invoering van het uitdaagrecht en deze voor te leggen aan de raad. Met als doel om het uitdaagrecht op te nemen binnen het participatiebeleid en de participatieverordening. De motie draagt het college op voor het uitwerken van deze kaders input op te halen van de dorpsbelangenverenigingen, eventuele andere belangenverenigingen en de raad. Om vervolgens deze kaders aan te bieden samen met de evaluatie van het participatiebeleid voor de fysieke leefomgeving.
2. Proces Het college van burgemeester en wethouders stelde op 4 februari 2025 een procesplan vast. Daarin stond hoe het college belanghebbenden wilde betrekken in de evaluatie van het participatiebeleid en de invoering van het uitdaagrecht. Belanghebbenden gaven hun inbreng tijdens bijeenkomsten, gesprekken en via een (digitale) vragenlijst. Belanghebbenden die wij uitnodigden waren onder meer dorpsbelangenorganisaties, dorpscontactpersonen, lokale bedrijven en instanties die vaker participatie toepassen (bijvoorbeeld Stichting Mens en Welzijn en Stichting De Koepel Voorst), dorpshuisexploitanten, buurtverbinders, speeltuinverenigingen, Stichting Dorpsverfraaiing Twello en de gemeentelijke organisatie. Verder hadden wij al eerder gesproken met Kadijk Buurtbelang. Degenen die niet konden komen, hebben een link ontvangen naar een digitale vragenlijst. De gemeenteraad werd tijdens twee IBB’s in februari 2025 geïnformeerd over het uitdaagrecht en gevraagd om inbreng te geven. Daarnaast plaatsten wij op 19 maart 2025 in het Voorster Nieuws in de Voorstwijzer een uitnodiging om de digitale vragenlijst in te vullen. Inwoners konden dan via een QR-code deelnemen. Aan de hand van evaluatievragen uit het participatiebeleid en vragen over het uitdaagrecht gingen belanghebbenden met elkaar en ons in gesprek. De uitkomst daarvan staat verwerkt in dit document.
Ook de uitkomsten van de digitale enquête zijn verwerkt. Verder hebben we uitkomsten van de bijeenkomst met dorpsbelangenorganisaties op 18 december 2024 meegenomen, omdat die nauw verweven zijn met het participatiebeleid. Tot slot hebben wij de inbreng van de gemeenteraad over uitdaagrecht eveneens verwerkt in dit document. In dit proces pasten we de derde trede van de participatieladder toe (adviseren). De inbreng, die hierna in de hoofdstukken 3 en 4 is verwoord, is de basis voor een aantal overwegingen met aanbevelingen. De inbreng komt zoveel mogelijk terug in de aanbevelingen. Als de inbreng verschillende richtingen uitwees, hebben wij een keuze gemaakt die zoveel mogelijk aansluit bij de realiteit. De aanbevelingen met de overwegingen staan in hoofdstuk 5.
1
Artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet bepaalt: In de verordening worden voorwaarden bepaald waaronder ingezetenen en maatschappelijke partijen de volgende taken kunnen uitvoeren: a. taken inzake de huishouding van de gemeente waarvan de raad de uitvoering aan het gemeentebestuur heeft opgedragen; b. taken waarvan de uitvoering bij of krachtens een andere dan deze wet van het gemeentebestuur is gevorderd, voor zover de uitvoering van de taak door een ander dan het gemeentebestuur met het bij of krachtens die wet bepaalde niet in strijd is.
-3-
3. Inbreng evaluatie participatiebeleid De gesprekken voerden wij met deelnemers die ingingen op de uitnodiging om mee te denken in de evaluatie. Tijdens de gesprekken doorliepen wij (evaluatie)vragen uit hoofdstuk 10 van het participatiebeleid. Hierna staan de vragen die wij bespraken met de deelnemers, met daaronder hun reacties. In dit hoofdstuk staan dus niet de standpunten van het gemeentebestuur, maar die van de deelnemers. 3.1. Het huidige participatiebeleid geldt voor beleid, projecten en activiteiten in de fysieke leefomgeving. Bij welk beleid, project en/of bij welke concrete activiteit kreeg u de mogelijkheid om uw mening te geven? Kreeg u daarvoor voldoende ruimte? Als voorbeeld werd het Programma Landelijk Gebied genoemd. De manier van betrekken van de inwoners voelde hierin als ‘een wereld van verschil’. De inbreng voor dit programma werd echt opgehaald in de kernen. De inbrengers zijn in afwachting van wat er met hun inbreng zal gebeuren. Een ander beleidsdocument dat werd genoemd is de Contourenschets 2050 van Regio Stedendriehoek. De gemeente is daar volgens de inbrengers niet mee naar buiten getreden richting de kernen, alvorens te reageren naar Regio Stedendriehoek. Dat voelde als een gemiste kans. Er is volgens de inbrengers een grote samenhang met het landelijk gebied (verstedelijking in balans).
Als voorbeeld noemde men de ombuigingsvoorstellen in verband met het ravijnjaar 2026. De inbrengers vonden het fijn te mogen deelnemen tijdens een rondetafelgesprek. Wel mist een inbrenger een vervolg. Het gevoel is dat een vervolg vaker uitblijft. Een inbrenger vertelt: “Je steekt een hand uit, de kracht zit immers in de dorpen. Maar ik mis een andere hand die uitgestoken wordt. Ik heb niets vernomen rondom de ombuigingsvoorstellen. Laat ons meedenken waar bezuinigd kan worden.” Een project waar positief op wordt teruggekeken is de rotonde in Posterenk. Gemeente haakte hier de inwoners goed aan. Het was een goed voorbeeld om met alle partijen samen tot iets moois komen. Succesfactor was dat er een brede doelgroep van betrokkenen was. Een inbrenger: “Er zaten ook mensen bij van Wilp-Achterhoek, Posterenk en de gemeente; verder was Rijkswaterstraat ook betrokken. Het mooie was dat er niet ten koste van anderen werd gedacht, maar dat er juist werd meegedacht. Er was een win-win-situatie. Gevoel is nog wel dat het afhankelijk is van de persoon (initiatiefnemer) of er voldoende aan participatie wordt gedaan.” Op 21 oktober 2024 heeft de gemeenteraad beleidskaders over cultuur, inclusie, ontmoeting, sport, mentale gezondheid en bestaanszekerheid vastgesteld. Deze beleidskaders vormen de basis voor de Kadernota sociaal domein 2025-2028.
Het inwonerpanel “Voorst Spreekt” is ingezet om inwoners te laten inspreken over wat er speelt over de genoemde thema’s. Voor sommige thema’s, bijvoorbeeld beleidskader ontmoeting is samengewerkt met de bestaande ontmoetingsplekken. Daarnaast is de Adviesraad sociaal domein betrokken. Er werden voor sport en bewegen twee bijeenkomsten georganiseerd waar alle sport- en beweegorganisaties voor zijn uitgenodigd. Over het beleidskader cultuur werden er voor culturele instellingen ook twee bijeenkomsten georganiseerd. “Deze bijeenkomsten zijn ruim van te voren aangekondigd”, vertelt een deelnemer. De bijeenkomsten werden goed bezocht. De mogelijkheid tot inbreng voor de beleidskaders is positief ontvangen. Het werd als een open proces ervaren en de mogelijkheid voor inbreng werd op tijd gegeven. Dit maakt de inbreng en het proces tot een succes. Een participant vertelt: “Ik heb mee mogen schrijven aan het beleidskader ontmoeting”. Er worden cliëntervaringsonderzoeken gehouden waarin wordt gevraagd hoe mensen de dienstverlening ervaren. Voor het thema mentale gezondheid wordt een klankbordgroep ambassadeurs opgestart. Doel hiervan is om mentale gezondheid in bredere zin op de kaart te zetten en de focus daar meer constant op te richten. Hiermee ontstaat een beweging binnen onze gemeente om het thema mentale gezondheid structureel een plek te geven.
Het betrekken gaat via de hogere participatietredes 3 (adviseren) of 4 (coproduceren). Als de gemeente sociaal beleid of beleid voor de fysieke leefomgeving vormgeeft met raakvlakken rond zorg en welzijn, is het een oproep van bijvoorbeeld Stichting Mens en Welzijn, om vooral -4-
gebruik te maken van de kennis en kunde die al bij haar aanwezig is. Daarbij is van belang haar tijdig te betrekken. Of tijdig door te verwijzen als een bepaalde activiteit al wordt georganiseerd door de sociale organisatie. Dat kan kostenbesparend werken. Denk hierbij aan ouderenactiviteiten, de Formulierenbrigade en Bereken Uw Recht. Verenigingen en scholen geven aan dat bij de nieuw te bouwen sporthal aan de Veilingstraat in Twello goed is afgestemd, vooral over wat de wensen waren. Bewoners werden gevoelsmatig in een latere fase geïnformeerd. Dit leek laat, maar kwam vooral doordat er al eerder eens het bouwvlak was verlegd. Omwonenden konden daar toen op inspreken. Het zo vroeg mogelijk inspreken in eerdere stadia geeft meer ruimte voor invloed. De participatie over het Wijkuitvoeringsplan Wilp als uitvoering van de Transitievisie Warmte was een voorbeeld van een goede samenwerking. In het participatieplan werd onderscheid gemaakt in de mate van betrokkenheid van participanten. De betrokkenen die het het meeste aanging werden intensiever betrokken. 3.2. Vindt u dat u op tijd in het proces betrokken werd? De tip die de gemeente krijgt is: betrek mensen er zo vroeg mogelijk bij. Het kan al snel als te laat voelen. De snelheid van het proces asielopvang Kadijk was volgens een inbrenger niet ideaal om een goede participatie te hebben.
Daar had het volgens diegene anders gekund. Bewoners hadden op dat moment geen vertrouwen meer in de overheid. Ze vertelt: “De gemeente was al heel erg ver in het stappenplan om te communiceren maar mensen staan dan nog niet open voor het stappenplan. Het traject liep niet parallel. Mensen zijn boos en staan niet open voor adviezen. Daar liep het op scheef. De termijn was te kort. Ik vind dat je niet eerst een besluit moet nemen en daarna pas communiceren. Het was te snel; je geeft mensen geen kans te wennen aan het idee. Het wordt er gevoelsmatig doorgedrukt. Er ontstaat zo een gevoel van machteloosheid.” Een deelnemer vertelt: “Projecten waar ik mee te maken heb met de gemeente gingen goed op gebied van participatie, maar de asielopvang was daar een uitzondering op. Het was een zoekproces, ook voor de gemeente. No hard feelings, maar wel belangrijk om te vermelden. Het gehele traject strookte niet met de wijze, waarop we normaliter met elkaar omgaan.” Anderzijds wordt ingebracht dat het toepassen van trede 1 (informeren na het besluit) bij het besluiten tot een asielopvanglocatie een gegeven is. Wel kan een hogere trede worden gebruikt over de verdere invulling en randvoorwaarden van de locatie. Verder kan er ook meer aandacht zijn voor de snelheid van dit type processen.
Enkele betrokkenen geven aan dat het goed zou zijn als inwoners meer tijd krijgen om aan het idee te wennen en een redelijke tijd krijgen om inbreng te geven voor onderdelen waar wél invloed op kan zijn. Overigens was er voordat de locatie aan Kadijk in beeld was rond maart/april 2024 een inwonerpanel over asielopvang. Inwoners konden toen onder andere aangeven wat zij belangrijk vinden als er een opvanglocatie komt, wat voor opvanglocatie de voorkeur heeft en welke zorgen er leven bij dit thema. Door het inwonerpanel kon een representatief beeld worden verkregen in hoe de Voorster inwoners tegen dit gevoelige onderwerp aankijken. Een ander geluid was dat de dorpsbelangenorganisaties geen invloed hadden op de inhoud van het stappenplan voor asielopvang. Het stappenplan werd besloten, zonder een mogelijkheid tot inbreng. Een inbrenger zegt hierover: “Daardoor is het stappenplan niet omarmd door de dbo’s. Wel hebben we een brief gestuurd, maar daar hebben het college en de raad niet op gereageerd. Het stappenplan werd vastgesteld, maar het was vooral een proces tussen de raad en het college. Als echter de basis niet goed is, ontstaat er onvrede. Het is goed om hiervan te leren.” In het al genoemde voorbeeld van de nieuwe sporthal aan de Veilingstraat blijkt dat van belang is dat inwoners zo vroeg mogelijk inspreken, ook als het onderwerp dan misschien nog abstract lijkt.
-5-
Een deelnemer zegt hierover: “Hoe vager de plannen, hoe minder de interesse lijkt. Dus het is lastig om op te halen wat er leeft. Het gaat dan immers vaak over de basis, die later verder concreet wordt. In de praktijk blijkt dat insprekers soms pas hun invloed aanwenden als iets concreet wordt. Maar dan zijn er al stappen gezet die niet meer teruggedraaid kunnen worden. Belangrijk is dat insprekers weten dat dit zo werkt.”
3.3. Waren in de situaties waarin u uw mening kon geven, volgens u, voldoende mensen of instanties betrokken? Bij het zoeken naar een tijdelijke locatie voor Younger at heart zijn jongeren betrokken bij wat voor plek ze gecreëerd wilden hebben. Het was moeilijk om te weten te komen of de betrokken doelgroep wel representatief was. De wens is om hier meer aandacht voor te hebben en te zoeken naar goede vormen om de doelgroep zoveel mogelijk te bereiken. We moeten ze eerst bereiken voordat we ze kunnen gaan betrekken. En hoe kunnen we de jeugd zo goed mogelijk betrekken? Het moeilijke is dat de doelgroep bij jongeren relatief snel wisselt: jongeren worden volwassen en er ontstaat een nieuwe groep jongeren. Tegelijk is in situaties waarin een jongerenlocatie wordt gezocht, belangrijk om de buurt rondom een jongerenlocatie te betrekken. Je gaat met elkaar het gesprek aan. Dit vanuit de insteek van een gemeenschappelijk belang: we moeten goed voor onze jongeren zorgen. Om dan te vragen: hoe doen we dat het beste? Een inspreker vraagt zich af: “Hoe betrek je mensen zodat ze alert zijn? Door brieven in de bus te doen met de boodschap: “Het is belangrijk, dus kom erbij”? Mogelijk kan helpen het participatieniveau op een aansprekende manier te vergroten, om op die manier mensen beter te bereiken”. Vaak is het moeilijk om een beeld te krijgen van hoeveel draagvlak er is.
Immers, je weet van het deel van de bewoners dat niet ingaat op een uitnodiging hun mening niet. Wat is dan de waarde van de participatie? En hoe zwaar weegt die participatie-opbrengst? Er is een inwonerspanel (Voorst Spreekt) dat een zeer representatief beeld creëert van de inbreng, maar dat is niet in alle gevallen toepasbaar. Er kan ook een deelname-moeheid ontstaan. 3.4. Was voor u duidelijk waar u invloed op had en waarop niet? Een van de betrokkenen zegt: “Een inloopavond is een prettige manier om mensen te betrekken, maar het is lastig om te beoordelen of je nou invloed hebt gehad of niet. We worden vriendelijk bejegend en wordt toegezegd dat iets meegenomen gaat worden, maar uiteindelijk weet je niet of het ook echt meegenomen en of er iets mee gedaan wordt.” Sommige gemeenten zetten een enquête uit met een QR-code, maar dan blijkt naderhand de terugkoppeling te ontbreken. Belangrijk is die terugkoppeling wel te doen. Niet altijd is helder waarop invloed is en waarop niet. Soms is een bepaalde fase al afgesloten en kan in de volgende fase alleen nog invloed worden aangewend over hóe een maatregel wordt genomen en niet meer over óf de maatregel wordt genomen. Hier is behoefte aan meer helderheid. 3.5. Bij participatie zijn er 5 verschillende treden waarop iemand invloed heeft. Van alleen informeren (trede 1) tot echt meebeslissen (trede 5).
Welke was dat bij uw inbreng? De participatieladder bestaat uit de volgende treden: 1. Informeren: informatie verstrekken, bijvoorbeeld met een persbericht of bewonersbrief. 2. Raadplegen: passief respons ophalen, bijvoorbeeld met een enquête of inspraakavond over een al gemaakt ontwerp. 3. Adviseren: actief respons ophalen via dialoog, bijvoorbeeld in een klankbordgroep voordat er een ontwerp is gemaakt. 4. Coproduceren: gezamenlijke planvorming, bijvoorbeeld in een ontwerpatelier of projectgroep. -6-
5. (Mee)beslissen: gezamenlijk beslissen (of zelfs delegeren), bijvoorbeeld via een stuurgroep. Bij de totstandkoming van het Programma Landelijk Gebied ging de gemeente eerst informatie ophalen voordat het document werd opgesteld. De participatietrede die daarin werd toegepast was coproduceren (trede 4). Dit was ook het geval bij het warmtetransitieproject in Wilp. De dbo van Posterenk geeft als eigen voorbeeld aan dat zij de inwoners intensief betrekt door hen te laten meedenken, wat erop neerkomt dat treden 3 tot 5 worden toegepast. Bij sommige activiteiten of projecten ervaart men dat het betrekken van inwoners nog vrij beperkt is. Wettelijk gezien voldoet veelal het betrekken van inwoners via participatietrede 2 (raadplegen), maar dan is een voorgenomen besluit vaak al grotendeels uitgewerkt. Door een hogere trede te kiezen, kan de inbreng en invloed worden vergroot. 3.6. Op welke wijze vond de participatie plaats? Een aantal deelnemers geeft aan dat de participatie vooral verliep via een gesprek, bijeenkomsten, inspraakavonden, een rondetafelgesprek en project- en klankbordgroepen. Dit zijn vormen die passen in de participatietreden 2, 3 en 4. Er zijn nog wel vragen over welke vormen er verder nog zijn. Er is een behoefte aan meer duidelijkheid hierover. 3.7.
Als u zelf initiatiefnemer was die de participatie moest regelen en uitvoeren, was voor u duidelijk wat u moest doen? Op dit moment is het verplicht om bij alle buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (bopa’s) aan participatie te doen. Bij sommige activiteiten die een ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteit’ zijn, blijkt het niet nodig te zijn om participatie toe te passen. Bijvoorbeeld omdat het een heel klein project is. Om initiatiefnemers niet onnodig te belasten, wordt ingebracht of het een optie is om in die gevallen participatie niet meer verplicht te stellen. Voor de meeste deelnemers is relatief duidelijk wat van hen verwacht werd. De website van de gemeente bevat echter nog niet voldoende duidelijkheid over participatie. Daarvoor wordt aandacht gevraagd. 3.8. Is het participatiebeleid voldoende geïmplementeerd in de gemeentelijke organisatie? En is het voldoende bekend bij en uitvoerbaar door initiatiefnemers? Goede afstemming binnen de gemeentelijke organisatie bij participatie over bepaalde plannen is noodzakelijk. Er wordt bij de gemeente gewerkt aan een totaaloverzicht van plannen en projecten. Medewerkers in de gemeentelijke organisatie hebben in beeld in welke gevallen zij aan initiatiefnemers moet vragen om participatie toe te passen. Initiatiefnemers kunnen inwoners zijn, maar bijvoorbeeld ook projectontwikkelaars en de gemeente zelf.
Dat betekent nog niet dat de resultaten daar dan ook naar zijn. Soms is de participatie te weinig gedaan. Het is dus belangrijk dat de gemeente initiatiefnemers blijft informeren over wat het participatiebeleid vraagt. Tegelijk zijn er diverse projectontwikkelaars die al meer ervaring hebben met participatie, wat ook is terug te zien in de resultaten. Bij de gemeentelijke organisatie is dit beeld ook terug te zien: daar waar participatie nog (te) weinig is toegepast, zit zij in een lerende rol. Wat helpt zijn de kopjes Participatie die standaard al in college- en raadsvoorstellen staan voordat ze worden opgesteld. Zo wordt speciaal aandacht gevraagd voor het onderwerp participatie. Niet altijd is voor de gemeente duidelijk of de weergave die initiatiefnemers presenteren van de inbreng van participanten ook echt klopt. Met andere woorden: vinden de participanten dat hun inbreng op de goede manier is omschreven? Daarom is validatie belangrijk. Validatie is een aantoonbare check van een initiatiefnemer bij participanten of het klopt hoe hij hun inbreng heeft opgeschreven. Die plicht geldt nu al. De gemeente blijft daar alert op.
-7-
3.9. Hoe ervaar je de gemeentelijke rol van adviseur en/of participant bij particuliere initiatieven? Deze vraag is geadresseerd aan de gemeentelijke organisatie. Initiatiefnemers zijn zoals eerder gezegd verplicht om participatie toe te passen als het gaat om bopa’s. De verantwoordelijkheid voor de participatie ligt geheel bij de initiatiefnemer zelf, maar de gemeente helpt hem of haar regelmatig tijdens een participatietraject. Dit voorkomt dat er onvoldoende aan participatie is gedaan op het moment dat een aanvraag wordt ingediend. Dat kan namelijk betekenen dat een aanvraag buiten behandeling wordt gelaten of wordt afgewezen. Medewerkers vertellen dat de extra servicehulp extra tijd en inzet vergt, ondanks dat de gemeente niet verantwoordelijk voor de participatie is. De gemeente is slechts verantwoordelijk voor participatie als het om een eigen initiatief of eigen beleid gaat. Aan de andere kant stimuleert hulp vanuit de gemeente dat processen van initiatieven vlotter en succesvoller verlopen. 3.10. Kan in zijn algemeenheid worden gesteld dat dit beleid heeft bijgedragen aan uitvoering van onze missie: betrokkenheid, saamhorigheid en verbinding met elkaar? Goed communiceren vraagt blijvend aandacht. Tegelijk zullen communicatiefouten blijven bestaan.
Conclusie is dat we er (nog) niet zijn, maar tijdens een van de bijeenkomsten wordt gesteld dat het participatiebeleid heeft bijgedragen aan zijn missie. Deze missie is: "Wij staan voor betrokkenheid, saamhorigheid en verbinding met elkaar. De samenleving, dat zijn wij samen. Wij zien graag dat participatie daarbij een aanjager is om die kwaliteiten te versterken." Het beleid is gevormd door de visie vanuit de Voorster gemeenschap waarop de gemeentelijke organisatie zoveel mogelijk is aangesloten. Het heeft een denkrichting in beweging gezet. De dorpsbelangenorganisaties zijn initiatiefnemer om het leer- en samenwerkingsproces over participatie gezamenlijk verder te brengen. Gemiddeld één keer per halfjaar is er een bijeenkomst over dit thema. Op 18 december 2024 en 3 april 2025 hadden de dorpsbelangenorganisaties en de gemeente vervolgbijeenkomsten over participatie. Zij hebben samen afspraken over het vervolg gemaakt. 3.11. Het participatiebeleid wordt verbreed naar het sociaal domein. Ziet u nog aandachtspunten? Zoals uit paragraaf 3.1 blijkt, is de conclusie van de inbreng op deze vraag dat het sociaal domein in de praktijk al goed aanhaakt op het bestaande participatiebeleid. Wel blijft het op tijd betrekken van belanghebbenden ook hier een aandachtspunt.
Voor het sociaal domein is het woord ‘participatie’ in deze context trouwens wat verwarrend, omdat binnen dat domein het woord een andere betekenis heeft, namelijk ‘deelname aan de samenleving’, of ‘arbeidsparticipatie’.
-8-
4. Inbreng invoering uitdaagrecht Gesprekken voerden wij ook met deelnemers die aangaven mee te willen denken over de invoering van het uitdaagrecht. Hierna staan de vragen die wij met hen bespraken, met daaronder hun reacties. In dit hoofdstuk staan dus niet de standpunten van het gemeentebestuur, maar die van de deelnemers. 4.1. Welke taken van de gemeente passen volgens u binnen het uitdaagrecht, als u kijkt naar de behoefte van u of uw omgeving? Op dit moment is er nog geen lijst vastgelegd welke taken wel of niet onder het uitdaagrecht mogen vallen. Het aantal taken lijkt volgens de deelnemers beperkt. Valt alleen plantsoen- en groenstrookonderhoud eronder? Binnen de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is het ook even zoeken. Vanuit de Wmo worden mensen verzorgd maar als buurt zou je iets kunnen betekenen voor mensen die hulpbehoevend zijn. Er is een tekort aan hulpverleners. Wellicht dat de buurt iets kan betekenen? De behoefte is inzicht te krijgen in welke taken er overgenomen kunnen worden. De tip wordt gegeven een speelveld te maken zodat mensen zelf kunnen bedenken wat ze zouden willen doen. Er leven ook andere vragen. Voor het overnemen van taken heb je toch al snel deskundigheid nodig en moet het voldoen aan allerlei (veiligheids)eisen.
Als een buurt of dorp voor elkaar zorgt, kunnen ze dan niet zichzelf in de voet schieten? Loop je als dorp geld mis omdat er al goed voor elkaar wordt gezorgd? Hoeveel geld wordt vrijgegeven per taak? Inzicht hebben in het beschikbare budget en de randvoorwaarden, dat is voor sommige deelnemers van belang. Een inspreker van de buurt 'De Omloop' uit Twello vertelt dat de buurt actief is in noaberschap en vergroenen. Stenen maken plaats voor beplanting. De buurt leert elkaar kennen door samen te werken en ruimtes te creëren voor ontmoeten. Zij zijn een inspiratiebron voor andere buurten in de gemeente Voorst. Stichting Dorpsverfraaiing Twello houdt zich bezig met het aanbrengen en in stand houden van groenvoorzieningen. Dit doet zij in het centrum van Twello en in de ruime omgeving daarvan. Daarnaast houdt zij zich bezig met andere activiteiten. Verder heeft de Stichting een goede samenwerking met organisaties in en rond Twello.
Andere deelnemers gaven suggesties van taken die mogelijk onder het uitdaagrecht kunnen vallen: ‒ inrichting van een buurt ‒ inrichting en (groen)beheer van fiets- en wandelpaden en bermen ‒ bevorderen van biodiversiteit en landschapselementen ‒ beheer van begraafplaatsen en speeltuinen ‒ uitvoering geven aan het sportbeleid ‒ beheer van dorpshuizen en sportclubs ‒ beheer en uitleen van collectieve vervoersvoorzieningen zoals scootmobielen ‒ uitleenservice van andere hulpmiddelen ‒ regelen van leerlingenvervoer ‒ organiseren van een café/ontmoetingsplek voor cliënten en mantelzorgers ‒ organiseren van buitenactiviteiten als begeleiding van jongeren ‒ organiseren van natuuractiviteiten voor kinderen ‒ activiteiten die buurtverbinders in het seizoen organiseren voor buurten ‒ creëren van fysieke ontmoetingsruimtes vanuit maatschappelijk belang (verbinding) ‒ organiseren van inloopochtenden voor ouderen ‒ papier- en afvalprikken langs wegen en in plantsoenen ‒ Austerlitz Zorgt is een organisatie voor zorg- en welzijnsvoorzieningen in Austerlitz. De zorgcoöperatie is een burgerinitiatief: alle zorg- en welzijnstaken die doorgaans de verantwoordelijkheid van de gemeente zijn, worden georganiseerd door, voor en met eigen inwoners van het dorp.
-9-
4.2. Vindt u dat initiatiefnemers een band moeten hebben met de buurt en/of het initiatief bij het overnemen van een gemeentelijke taak binnen het uitdaagrecht? De deelnemers geven in grote meerderheid aan dat er inderdaad een band moet zijn. Anders ontbreekt de verbinding of wordt het een verdienmodel voor bedrijven. Waarbij het de vraag is of dat in het algemeen belang is voor de buurt. Een idee zoals in de buurt De Omloop komt van de grond als een buurt een gezamenlijk belang heeft. Geopperd wordt dat maatschappelijke partijen ook wel een band binnen de gemeentegrenzen moeten hebben. Deelnemers riepen de gemeente op om initiatiefnemers binnen Twello in een soort netwerk samen te brengen, omdat daar geen dbo’s zijn. 4.3. Initiatieven die worden overgenomen, mogen geen winst nastreven. Denkt u dat bedrijven toch een rol kunnen spelen bij het overnemen van gemeentelijke taken? Een meerderheid van de deelnemers zegt dat bedrijven inderdaad geen leidende of initiatiefnemende rol moet hebben, maar dat zij bijvoorbeeld wel in opdracht van de buurt kunnen worden ingezet. Dit levert een win-win-situatie op als lokale bedrijven hiervoor worden ingezet. Voorkeur gaat uit naar lokale bedrijven met een maatschappelijk belang. Veel bedrijven willen graag iets terugdoen voor de maatschappij. Dit moet uiteraard wel voldoen aan aanbestedingsregels.
Buurt De Omloop vertelt dat in hun geval een plaatselijke hovenier een hele positieve rol had bij de aanleg van de buurttuin. Stichting Dorpsverfraaiing Twello kan niet zonder de hulp van bedrijven, zegt zij. Soms heb je bijvoorbeeld hulp nodig van een bedrijf dat een website maakt. 4.4. Vindt u dat initiatieven dan een rechtsvorm moeten hebben, bijvoorbeeld een coöperatie, vereniging of stichting? Iemand geeft als voorbeeld dat een groep jongeren een kleine woonwijk willen laten bouwen. Dat moet met een rechtsvorm in verband met de aansprakelijkheid. Aan de andere kant kan het moeten oprichten van een rechtsvorm een te hoge drempel zijn voor initiatiefnemers. Volgens meerdere insprekers is het afhankelijk van de situatie of een rechtsvorm nodig is. Buurt De Omloop vertelt: “We willen het juist laagdrempelig houden. Misschien is het wel handig als het om grotere bedragen gaat. Bij het aanvragen van subsidies is soms ook nodig om in een rechtsvorm georganiseerd te zijn.”
4.5. Initiatieven moeten draagvlak en maatschappelijke meerwaarde hebben. Bent u het eens met deze stelling? Een overgrote meerderheid zegt dat er inderdaad maatschappelijke meerwaarde en een zekere mate van draagvlak moet zijn en afstemming met de buurt. Een van de dbo’s stelt dat de dbo het aanspreekpunt zou kunnen of moeten zijn binnen een dorp voor het uitdaagrecht. Daar werd tegenin gebracht dat er onbedoeld willekeur kan ontstaan als het bestuur van de dbo jou toevallig niet leuk vindt. Kun je dan geen aanspraak meer maken op het uitdaagrecht? Heeft de dbo in dat geval een stem? Rechtstreekse afstemming met de belanghebbenden kan zonder het betrekken van een dbo, wordt gesteld. Tegelijk is afstemming met een dbo wel nodig als een initiatief het belang van het dorp raakt. De dbo kan het dan bespreken met haar achterban. Belangrijk is dat draagvlak inzichtelijk wordt via bijvoorbeeld verslaglegging. 4.6. Denkt u dat de initiatieven die u noemde, beter en goedkoper gedaan kunnen worden? Deelnemers verwachten in zijn algemeenheid dat de initiatieven beter en goedkoper kunnen zijn. Mensen kiezen het beste voor hun buurt of wijk. Ze willen niet dat het slechter wordt, dus doen het met een positieve intentie. Maar het hangt natuurlijk ook af van het initiatief, of het goedkoper kan. Tijdens een bijeenkomst werd gezegd dat ‘beter’ al goedkoper is.
Tip is om de focus bij ‘beter’ te leggen en niet bij ‘goedkoper’. ‘Efficiënter’ kan misschien wel een voorwaarde zijn. Een deelnemer merkt op dat het voor initiatiefnemers moeilijk kan zijn een taak goedkoper uit te voeren, omdat de - 10 -
gemeente vaste overheadkosten heeft die met het overnemen van een uitvoeringstaak niet verdwijnen. 4.7. Als inwoners een gemeentelijke taak overnemen, vindt u dan dat er ook ondersteuning vanuit de gemeente nodig is bij de uitvoering? Aangegeven werd dat het fijn zou zijn als de gemeente de mensen op weg helpt en het vervolgens loslaat. Ondersteuning is dus wel wenselijk. Bijvoorbeeld door kennis mee te geven of advies te geven over wet- en regelgeving en vergunningaanvragen. Of de ondersteuning nu gebruikt wordt of niet, het zou wel geboden moeten worden. Het ondersteunen kan wel wat capaciteit van de gemeentelijke organisatie vragen. Dit is nog niet bekend, omdat er nog niet veel voorbeelden zijn. Verder zou ondersteuning misschien kunnen in de vorm van een financiële bijdrage. De gedachte is dat je voor het uitvoeren van de taak binnen het budget moet blijven waar de gemeente het eigenlijk zelf voor zou (laten) doen. De gemeente zou ook kunnen kijken naar bestaande geldstromen. Zijn bepaalde uitvoeringstaken uitbesteed en staat daar een budget tegenover? Dan kan het zijn, afhankelijk van het plan, dat die geldstroom verschuift naar initiatiefnemers die gebruikmaken van het uitdaagrecht. 4.8.
Welke andere voorwaarden denkt u dat er nodig zijn om het uitdaagrecht goed te laten slagen? Denk bijvoorbeeld aan: hoe om te gaan met algemeen en maatschappelijk belang, hoe zorg je voor continuïteit en hoe verantwoord je de uitvoering van initiatieven? Deelnemers geven aan dat de opstelling van de gemeente belangrijk is, namelijk open te staan voor ideeën. En om maatwerk per initiatief toe te passen. Er wordt aan de andere kant voorzichtigheid geadviseerd als het gaat om kwetsbare groepen (bepaalde taken uitsluiten). Er moet duidelijkheid zijn over kennis, kunde en motivatie van de initiatiefnemer. De deelnemers vertellen dat er sprake moet zijn van continuïteit (betrouwbaarheid) en (actieve) verantwoording. Door bijvoorbeeld ook tussentijds te overleggen of het goed gaat. Ook door bijvoorbeeld een plan B klaar te hebben liggen. Dit en andere afspraken moeten schriftelijk worden vastgelegd. Stichting Dorpsverfraaiing Twello geeft als tip om dat wat je doet als initiatiefnemer publiciteit te geven. Na een aantal jaar is het goed om het lokale uitdaagrecht te evalueren. 4.9. Hoe kunnen we zorgen dat veiligheid en aansprakelijkheid goed bewaakt wordt? Voor deelnemers is dit wel een harde voorwaarde. Er zullen randvoorwaarden opgesteld moeten worden om ook de aansprakelijkheid te waarborgen. De gemeente Voorst heeft een collectieve verzekering voor vrijwilligers uit de gemeente.
Alle vrijwilligers die in enig organisatorisch verband, onverplicht en onbetaald werkzaamheden verrichten ten behoeve van anderen en/of de samenleving waarbij een maatschappelijk belang wordt gediend, zijn automatisch en kosteloos verzekerd. Met ‘enig organisatorisch verband’ wordt bedoeld dat het vrijwilligerswerk vanuit een collectief plaats dient te vinden. In veel gevallen wordt vrijwilligerswerk vanuit een vereniging of stichting (rechtspersonen) gedaan. Maar ook een landelijk “Project Buurtvaders”, waarbij een aantal betrokken vaders de handen ineenslaan en afspraken maken om de sociale controle en leefbaarheid in een buurt te verhogen, is een voorbeeld van een organiserend verband. Voor alle schadeverzekeringen (uitgezonderd de ongevallen) binnen dit verzekeringspakket geldt een zogenaamde secundaire dekking. Dit betekent dat bestaande verzekeringen in de dekking voor gaan op de dekking van deze verzekering. Als er ook dekking is bij reeds bestaande, door de vrijwilliger of vrijwilligersorganisatie zelf afgesloten verzekeringen, moet die verzekering eerst voor het vergoeden van de schade benaderd worden. Meer informatie en voorwaarden staan op https://www.voorst.nl/zorg-welzijn-werk/welzijn/vrijwilligerspolis.
- 11 -
5. Aanbevelingen In dit hoofdstuk nemen we de inbreng mee en doen wij aanbevelingen. Wij geven daarbij telkens een toelichting waarin we hebben afgewogen om inbreng wel of niet mee te nemen. De meeste inbreng kunnen wij overnemen. Daar waar de inbreng naar uiteenlopende richtingen, hebben wij een keuze gemaakt die zoveel mogelijk aansluit bij de realiteit. De aanbevelingen hebben als doel een vertaling te krijgen in het participatiebeleid en/of de participatieverordening. In paragraaf 5.1 staan de aanbevelingen voor de evaluatie van het participatiebeleid; in paragraaf 5.2 staan de aanbevelingen voor de invoering van het uitdaagrecht. 5.1. Participatie Hieronder staan de aanbevelingen over de evaluatie van het participatiebeleid en komt de inbreng terug die in hoofdstuk 3 is verwoord. 5.1.1. Betrek belanghebbenden zo vroeg mogelijk en streef indien passend en mogelijk naar een hogere trede op de participatieladder. Hoewel het participatiebeleid al voorziet in deze aanbeveling, blijft dit een aandachtspunt voor initiatiefnemers (inclusief de gemeente). Deelnemers die hun inbreng op deze evaluatie gaven, vonden dit een van de kernpunten. Dat wil niet zeggen dat het betrekken van belanghebbenden altijd vroeg kan; dit blijft een afweging. Toch is het goed om steeds af te wegen belanghebbenden er zo vroeg mogelijk bij te betrekken.
Een initiatiefnemer stelt zichzelf de vraag: “Begin ik een initiatief door zelf te starten met denken of uitwerken of start ik met een open (maar afgebakende) vraag aan belanghebbenden dat ik van plan ben om het initiatief uit te voeren?” 5.1.2. (en
Neem in het participatiebeleid op dat de snelheid van een participatietraject bij voorkeur
indien mogelijk) overeenkomt met een redelijke termijn waarbinnen belanghebbenden hebben kunnen wennen aan een idee of initiatief. Dit punt werd breder ervaren en van meerdere kanten aangegeven. Een te hoge snelheid kan het gevoel geven dat er een besluit wordt doorgedrukt, waardoor er een gevoel van machteloosheid ontstaat. Uiteraard kan er verschil van mening zijn of een termijn wel of niet redelijk is. Het is in eerste instantie aan de initiatiefnemer om die afweging te maken. 5.1.3.
Neem in het bestaande participatiebeleid op dat duidelijkheid over het aanbrengen van fases van belang is voor belanghebbenden, als het gaat om een langlopend en/of ingrijpender proces. Bij sommige besluiten is participatietrede 1 van toepassing (informeren na een besluit). Denk aan bijvoorbeeld het besluit tot aanwijzing van een asielopvanglocatie. De gemeente kan afwegen of er mogelijk nog wel inbreng mag zijn over de invulling en randvoorwaarden van dat besluit. Hierbij is het belangrijk om van tevoren (indien haalbaar: op persoonlijke wijze) aan te geven in welke fase het proces zich bevindt. En dat inbreng alleen gaat over de fase die aan de orde is en niet meer over voorgaande fases. 5.1.4. Informeer inwoners op de gemeentelijke website over het belang van hun (tijdige) inbreng en kies als initiatiefnemer voor zo concreet mogelijke vraagstelling. Soms lijkt een bepaald besluit niet relevant en geen rechtstreekse gevolgen te hebben. Wij zien dat belanghebbenden minder interesse blijken te hebben om in te spreken. Maar daarna zijn er dan al stappen gezet die niet meer teruggedraaid kunnen worden. In een eventuele volgende fase wordt de inbreng, die iemand dan juist wel geeft, minder invloedrijk. Belangrijk is dat inwoners weten dat dit zo werkt. Aan de andere kant is het goed om participatie zo concreet mogelijk te maken.
Denk aan een visiedocument, waarbij tijdens de participatie concrete (doelgerichte en/of gebiedsgerichte) keuzes worden voorgelegd. Dat maakt het meedoen aantrekkelijker voor belanghebbenden. 5.1.5.
Informeer belanghebbenden bij de uitnodiging om te participeren ook over het gemeenschappelijke belang. In het geval van realisatie van een jongerenlocatie kan er weerstand tegen zijn vanuit de buurt. Maar in principe wil elke ouder dat hun eigen kinderen goed terecht komen en worden geholpen als ze in problemen zitten. Daarom is het belangrijk het gemeenschappelijke belang te benadrukken: we moeten goed voor onze jongeren zorgen. Zo zijn er bij andere type projecten of activiteiten vaak ook gemeenschappelijke belangen. - 12 -
5.1.6.
Doe als initiatiefnemer altijd een terugkoppeling naar participanten die hebben meegedaan aan het proces, zodat zij weten wat er met hun inbreng gebeurt. Het participatiebeleid voorziet al in deze aanbeveling, maar het is goed om terugkoppeling als stap te benadrukken. Zij maakt onderdeel uit van het gehele participatieproces. De terugkoppeling bestaat uit het informeren over wat er met de inbreng is gedaan en waarom voor die uitkomst is gekozen. 5.1.7. Blijf hulp bieden aan initiatiefnemers en informeer hen over de participatie-eisen. De mate en kwaliteit van participatie wordt soms ervaren als iets wat afhankelijk is van de initiatiefnemer die de participatie uitvoert. Om het kwaliteitsniveau te vergroten is het belangrijk te blijven informeren en te helpen. De gemeente kan de dbo’s bij grotere projecten onder bepaalde voorwaarden inlichten over initiatieven van derden, maar stimuleert vooral initiatiefnemers om dit zelf te doen. Dit vergroot het kwaliteitsniveau ook. Het participatiebeleid wijzigt op dit punt niet. 5.1.8. Neem voorbeelden van participatievormen op in het participatiebeleid. Er is behoefte aan inspiratie over participatievormen. Twee voorbeelden van participatievormen zijn: ‒ Bij inspraaksessies wordt vaak gekeken hoe iets beter kan en kan de focus dus op de negatievere kanten liggen. Bij een sessie over een regionale visie werd de groep in tweeën gedeeld.
Eén groep mocht door “een roze bril” alles wat goed was aan de visie benoemen. De andere groep keek door een donkere bril en mocht de verbeterpunten noemen. Daarna werden de groepen omgewisseld. Op deze manier krijg je een evenwichtiger beeld. ‒ De gemeente kan bijvoorbeeld een soort markt organiseren met verschillende invalshoeken. Dus met kraampjes waar telkens een ander inzicht valt op te halen. Zo kunnen inwoners rondlopen en zelf in gesprek gaan. Dat kan meehelpen voorkomen dat situaties ombuigen tot “wij tegen zij”. De vorm is dus erg belangrijk. Verder zijn er veel voorbeelden op internet te vinden. Websites die inspiratie bieden: ‒ https://www.vpng.nl/ ‒ https://www.movisie.nl/sites/default/files/2023-04/Participatietips-gemeenten.pdf ‒ https://parolo.nl/blog/vormen-van-participatie/#participatievormen Het participatiebeleid wordt gewijzigd met verwijzing naar deze vormen. Ook nemen we in het participatiebeleid een verduidelijking op over de participatietreden 2 en 3. De gemeentelijke website wordt aangepast met meer duidelijkheid over wat het participatiebeleid van initiatiefnemers vraagt. Verder houdt de gemeente inspiratiebijeenkomsten over participatie. De dbo’s doen dit al sinds een paar jaar. 5.1.9.
Pas de participatieverordening aan, zodat voor bepaalde buitenplanse omgevingsplanactiviteiten een uitzondering van de participatieplicht kan gelden. In sommige gevallen is het verplicht stellen van participatie niet realistisch. Bijvoorbeeld als het gaat om een heel kleine activiteit of een activiteit waar praktisch niemand last van heeft. Voor dergelijke gevallen kan de participatieverordening een uitzondering maken door het college van burgemeester en wethouders de mogelijkheid te geven een initiatiefnemer vrij te stellen van de participatieplicht. De vrijstellingsmogelijkheid wordt opgenomen in de participatieverordening, als de gemeenteraad daartoe besluit. 5.1.10. Actualiseer het participatiebeleid op basis van de huidige feiten en omstandigheden. Het participatiebeleid wordt verbreed, waardoor het sociaal domein ook eronder valt. Verder wordt het participatiebeleid geactualiseerd op basis van overige feiten en omstandigheden. 5.1.11. Blijf samen naar mogelijkheden zoeken om elkaar beter te leren kennen en blijf elkaar opzoeken en elkaar ontmoeten. Laat inwoners, dbo’s en andere maatschappelijke partijen meedenken als dat voor een bepaald type besluit in de rede ligt. Er zijn al veel dingen bedacht en zij kunnen meerwaarde leveren aan een besluit. Gebruik de kennis en kunde die al aanwezig is. Dat is een oproep die dbo’s en enkele maatschappelijke partijen doen.
Hoewel we er (nog) niet zijn, heeft het participatiebeleid bijgedragen aan de al eerder genoemde missie die in het beleid omschreven staat. De gemeente en de dorpsbelangenorganisaties – die initiatiefnemer zijn om het leer- en samenwerkingsproces over participatie gezamenlijk verder te brengen – hebben een denktrant in beweging gezet. Dit is een leerproces met een lange adem. Aanbeveling is de kwaliteiten die ontwikkeld zijn vast te houden.
- 13 -
5.2. Uitdaagrecht Hieronder staan de aanbevelingen over de invoering van het uitdaagrecht en komt de inbreng terug die in hoofdstuk 4 is verwoord. 5.2.1. Kies voor uitdaagrecht met een uitnodigend karakter. Het woord ‘uitdaagrecht’ geeft al aan dat het een uitnodigend karakter heeft. Maar er zijn meerdere varianten denkbaar. Een gesloten variant zou bijvoorbeeld zijn om specifiek taken te noemen die voor uitdaagrecht in aanmerking komen. Het voorstel is een open variant te kiezen. Dat kan de gemeenteraad doen door voorwaarden te bepalen, maar de ideeën en initiatieven van inwoners en maatschappelijke partijen op een open wijze te beoordelen. Dit wil echter niet zeggen dat op initiatieven altijd positief worden besloten. Dat blijft een afweging. 5.2.2. Houd het type initiatieven zo veel mogelijk open. We stellen voor om het type initiatieven zo veel mogelijk open te houden. Dat betekent dat we geen inventarisatie maken van uitvoeringstaken die onder het uitdaagrecht kunnen vallen. De gemeente heeft namelijk heel veel (honderden) uitvoeringstaken, en het is niet altijd duidelijk of die taken ook werkelijk onder uitdaagrecht kunnen vallen. Het is ondoenlijk om deze sluitend en volledig op te sommen.
Het idee van uitdaagrecht is niet dat de gemeente zelf met een lijst komt, maar dat de kracht van het initiatief ligt en begint bij inwoners of maatschappelijke partijen die gemotiveerd zijn om een bepaalde uitvoeringstaak over te nemen. Met andere woorden: uitdaagrecht betekent niet dat de gemeente haar inwoners uitdaagt, maar inwoners (en maatschappelijke partijen) de gemeente uitdagen. Voor inspiratie kan men gebruik maken van de suggesties die deelnemers gaven (zie paragraaf 4.1). De suggesties zijn bedoeld ter inspiratie en zijn niet beoordeeld. Een tweede tip is om gebruik te maken van het idee dat enkele deelnemers al hadden: het opbouwen van een netwerk(organisatie). Zo inspireren initiatiefnemers elkaar. 5.2.3. Neem de participatieverordening uit 2023 als uitgangspunt. Er is een model-participatieverordening van de VNG, versie december 2024. Deze wijkt op een aantal punten af van de inhoud en structuur van onze participatieverordening uit 2023. Denk aan het hoofdstuk over de Adviesraad Sociaal Domein. Deze verordening is ook tot stand gekomen met inbreng van diverse partijen uit de Voorster samenleving. Daarom hebben we ervoor gekozen om de bestaande participatieverordening uit 2023 als uitgangspunt te kiezen.
We gebruiken het VNGmodel wel voor de suggesties over het uitdaagrecht (waaronder de definitie van uitdaagrecht), en nemen de inbreng uit hoofdstuk 4 op veel punten nadrukkelijk mee. Zo hopen we te voorkomen dat de inbreng ondersneeuwt door het VNG-model als uitgangspunt te nemen, en blijft de participatieverordening haar lokale kleur houden. 5.2.4. Bepaal voorwaarden in de participatieverordening. Voorwaarden die op voorhand al gelden zijn dat alleen inwoners en maatschappelijke partijen kunnen meedoen aan het uitdaagrecht. En alleen de uitvoering van gemeentelijke taken valt eronder. Besluitvorming en belangenafweging vallen er bijvoorbeeld niet onder. De uitvoering mag niet in strijd zijn met regelgeving en beleid. Dit volgt uit de Gemeentewet. De deelnemers brachten hun mening in over een aantal voorwaarden. Op basis van een analyse daarvan, kan worden opgemaakt dat de voorwaarden als volgt kunnen worden overgenomen in de participatieverordening. ‒ ‒ ‒ ‒ ‒
De initiatiefnemer heeft betrokkenheid (een lokale band en een gezamenlijk belang), kennis en ervaring om het initiatief uit te voeren. Het initiatiefplan waarborgt continuïteit en verantwoording van de uitvoeringstaak en bevat daarvoor bijvoorbeeld een alternatief plan om dit te kunnen waarborgen. Het initiatiefplan waarborgt veiligheid en aansprakelijkheid van de taakuitvoering. In aansluiting daarop heeft de gemeente een collectieve verzekering voor vrijwilligers. Maatschappelijke partijen die een initiatiefplan indienen, hebben een band binnen de gemeentegrenzen. Bedrijven zijn geen initiatiefnemer, maar kunnen wel in opdracht van initiatiefnemers op ondergeschikte wijze worden ingezet. Het zijn bij voorkeur lokale bedrijven, mits aanbestedingsregels dit toelaten. Initiatiefnemers kunnen niet zonder de hulp van bedrijven. - 14 -
‒
‒ ‒ ‒
‒ ‒
‒
Geef initiatiefnemers rechtstreeks de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek. Dbo’s hoeven niet het aanspreekpunt te zijn, maar moeten wel worden betrokken als het initiatief een dorpsbelang heeft. Verplicht een rechtsvorm alleen als de situatie daar om vraagt. Zo houden we het laagdrempelig. Er moet een maatschappelijke meerwaarde en een zekere mate van draagvlak zijn. De uitvoering van de taak moet beter en de kosten mogen niet hoger zijn. De eindverantwoordelijkheid van de taak blijft bij de gemeente rusten. Het is moeilijk uit te leggen als de taak door overdracht kwalitatief minder goed of duurder wordt uitgevoerd. Het klopt dat de overheadkosten moeten worden meegenomen in de beoordeling van de berekening. Ondersteuning door de gemeente in kennis en advies is wenselijk. Dit kan tot een bepaalde mate, want de capaciteit van de gemeentelijke organisatie moet dit toelaten. Het uitdaagrecht geldt niet voor uitvoeringstaken waar de (algemene) veiligheid en gezondheid in het geding is en waar de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor kwetsbare groepen in de samenleving zwaarder moet wegen. De uitvoering van een initiatief wordt geëvalueerd.
- 15 -