Discussienota participatie en adviesrecht in het kader van de Omgevingswet (2022-04919 )
Tekst van het document
Discussienota
participatie
en
adviesrecht
in het kader van de Omgevingswet projectnummer: P000286 Onderwerp:
Discussienota participatie en adviesrecht in het kader van de Omgevingswet
Datum:
01-02-2022
Samenvatting Participatie is een belangrijk maatschappelijk thema, waarover nog nauwelijks vaststaand beleid bestaat, laat staan wetgeving. Dat geldt zowel in de landelijke context als op lokaal niveau. Met de Omgevingswet als aanjager wil Voorst gemeentebreed werk maken van participatie. Een goed begin is het opstellen van participatiebeleid door de gemeenteraad en – aansluitend – de vaststelling van de Participatieverordening Omgevingswet. Daardoor kan de gemeente haar ervaring met participatie gaandeweg vergroten. Op zijn beurt kan het college van B en W, als de uitvoerder van het participatiebeleid, zich bezig houden met het opstellen van beleidsregels over hoe het proces van participatie moet worden toegepast. Met deze werkwijze wordt niet alleen aan de eisen uit de Omgevingswet voldaan maar wordt ook de voorbereiding gestart naar een participatieverordening die volledig is gebaseerd op de toekomstige Wet versterking participatie op decentraal niveau. Anderzijds biedt deze nota ook ruimte voor discussie over de vraag of de gemeente Voorst misschien zelfs direct al een gemeentebrede participatieverordening wil.
De Omgevingswet, waarvan de invoeringsdatum van 1 juli 2022 recent is uitgesteld tot 1 oktober 2022, dan wel 1 januari 2023, roept de gemeente nadrukkelijk op om aan participatie te doen, zowel bij het eigen ruimtelijke beleid als bij de initiatieven van particulieren. Als de gemeente die oproep overneemt moeten specifieke keuzes worden gemaakt over welke gevallen van ruimtelijke initiatieven voor verplichte participatie in aanmerking komen, maar ook over de uitoefening van het adviesrecht door de raad. Vervolgens komt de ‘hoe-vraag’ aan de orde. Hoe vindt participatie plaats en hoe ver strekt de invloed van de inwoners op het gemeentelijke Ow-beleid? Welke rol heeft de uitkomst van een participatietraject op de besluitvorming door raad en/of college? Ook met de ‘hoe-vraag’ bij participatie in ruimtelijke processen moet ervaring worden opgedaan. Na evaluatie
kunnen
de
definitieve
keuzes
dan
worden
vastgelegd
in
een
breed
toepasbare
Participatieverordening op basis van de eerdergenoemde Wet versterking participatie op decentraal niveau. Deze nota wil een bijdrage leveren aan de discussie over participatie, enerzijds door het ‘bredere plaatje’ rondom participatie te belichten, anderzijds door de keuzemogelijkheden in kaart te brengen. In zoverre wordt de lezer nadrukkelijk aangespoord om niet te volstaan met deze samenvatting maar de nota als geheel tot zich te nemen.
Inleiding Dit is de discussienota participatie en adviesrecht. De nota bespreekt de actuele stand van zaken rondom participatie en belicht in het kort het adviesrecht uit de Omgevingswet. Participatie heeft hier een andere betekenis dan bijvoorbeeld in de Participatiewet. Deze wet beoogt inwoners te laten deelnemen aan de maatschappij; participatie in deze nota gaat over het deelnemen aan de vorming van (ruimtelijk) beleid en (ruimtelijke) plannen. Het participatiebeleid in deze nota is weliswaar ingegeven door de Omgevingswet, maar het beperkt zich niet automatisch tot enkel en alleen ruimtelijke initiatieven. Er zijn namelijk ook initiatieven in de leefomgeving die een raakvlak hebben met het sociaal domein. Daarnaast toont de nota de keuzemogelijkheden die de raad en het college hebben bij het opstellen van beleid en regels voor participatie en adviesrecht. Bij wijze van leeswijzer, het volgende: Deel 1 schetst de ontwikkelingen rondom participatie. Deel 2 gaat in op de nieuwe Omgevingswet en de rol die participatie en adviesrecht daarin innemen. Deel 3 bespreekt de keuzes om participatie verplicht te stellen voor initiatiefnemers. Deel 4 bevat de Missieverklaring Participatie. Deel 5 schetst keuzemogelijkheden voor de uitvoeringspraktijk. Deze discussienota geeft aanleiding tot (een aanzet van) de volgende producten van de gemeenteraad en het college: GEMEENTERAAD -
Participatieverordening Omgevingswet, met daarin de aanwijzing van gevallen waarvoor participatie wordt vereist.
-
Beleidsregels over participatie bij het gemeentelijke Omgevingswetbeleid.
-
Besluit tot aanwijzing van gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor de raad adviseur is.
COLLEGE -
Beleidslijn over het instrument participatie bij besluitvormingsprocessen.
-
Beleidsregels over de wijze van toetsing van de participatieplicht bij ruimtelijke initiatieven van derden.
DEEL 1. PARTICIPATIE IN BREDE ZIN Landelijk nemen de initiatieven om de invloed van inwoners op het bestuur te vergroten toe. Ook het aantal initiatieven van inwoners om invloed uit te oefenen op de leefomgeving neemt toe. Momenteel kennen we alleen de ‘Inspraakverordening’ ex artikel 150 Gemeentewet (hierna: GemW). Op basis van dat artikel mag de gemeente in een verordening regels stellen over het betrekken van inwoners bij de voorbereiding van beleid. Echter, men wil ook bij de uitvoering en evaluatie betrokken
datum 27-01-2022
projectnummer P000286
2
worden. Ook komt steeds vaker het uitdaagrecht voor: inwoners en/of maatschappelijke organisaties dagen de gemeente uit door te zeggen dat zij bepaalde gemeentelijke taken (bijvoorbeeld groenbeheer of dagbesteding) beter en goedkoper kunnen uitvoeren. Als het gaat om de invloed van inwoners op de uitvoering en evaluatie van beleid en het uitdaagrecht, dan komen we op het terrein van de participatie, hoewel het betrekken van inwoners in de voorbereiding van beleid ook een vorm van participatie is. In de gemeente Voorst zetten we er op in om zoveel mogelijk samen op te trekken. De Rijkswetgever heeft dit opgepakt door het opstellen van de Wet versterking participatie op 1
decentraal niveau . Deze wet is nog een voorontwerp. De bedoeling is dat de wet de basis gaat vormen voor de verankering van participatie op decentraal niveau. In principe mag de gemeente op deze wet al een voorschot nemen. Dat kan door op basis van de algemene verordenende raadsbevoegdheid van artikel 149 GemW de huidige Inspraakverordening te vervangen door een 2
‘brede’ Participatieverordening. De VNG stelde daartoe al een voorbeeldregeling op . Nadrukkelijk nog geen Modelverordening, omdat de ‘Wet versterking’ nu eenmaal nog niet is vastgesteld. WAT BETEKENT DIT VOOR DE GEMEENTE VOORST? De gemeente heeft al beleid over inwonerbetrokkenheid vastgesteld in de vorm van de Nota Burgerparticipatie uit 2015. Deze nota ligt aan de basis van de gemeentelijke functie Coördinator maatschappelijke initiatieven en aan de versteviging van de werkwijze met dorpscontactpersonen. Ook is er de ‘Kadernota Sociaal Domein 2020-2024’ met het onderdeel ‘Bruisende Dorpen’ waarin de samenwerking tussen gemeente en dorpsbewoners wordt beschreven. Niettemin is het waardevol om - gemeentebreed - na te denken over de kansen om participatie breder in te zetten om de onderlinge verstandhouding te verbeteren: de verstandhouding tussen inwoners en gemeentebestuur en tussen inwoners en initiatiefnemers onderling. Termen als draagvlak en belangeninventarisatie horen daar bij. Zo kunnen we alvast een beleidslijn ontwikkelen aan de hand waarvan de gemeente ervaring opdoet met vormen van participatie in diverse besluitvormingstrajecten.
Ook
kan
de
gemeenteraad
nu
al
een
Participatieverordening
Omgevingswet vaststellen; dat hoeft niet te wachten op de ‘Wet versterking participatie op decentraal niveau’. Immers, met een nieuwe ‘Participatieverordening Omgevingswet’, die rekening houdt met de eisen uit de Omgevingswet, kan alvast ervaring worden opgedaan. De geleerde lessen kunnen we te zijner tijd – als de ‘Wet versterking participatie op decentraal niveau’ in werking treedt – verwerken in een gewijzigde en breder toepasbare participatieverordening. Een mooi voorbeeld van voorbereiding op een Participatieverordening Omgevingswet is de verkenning die we recentelijk op ambtelijk niveau uitvoerden in een tweetal gesprekken met bestuursleden van dorpsbelangenverenigingen en de dorpscontactpersonen. Meer daarover is te lezen in bijlage 1 ‘Wat ter voorbereiding aan deze discussienota voorafging’.
1
https://www.parlementairemonitor.nl/9353000/1/j9vvij5epmj1ey0/vl4akepvcwxi
2
https://vng.nl/nieuws/voorbeeld-verordening-participatie-en-handreiking-verschenen
datum 27-01-2022
projectnummer P000286
3
Om meer gevoel te krijgen bij wat het inhoudt als we over participatie spreken, is in bijlage 2 ‘Lijst van aandachtspunten’ een opsomming opgenomen van vragen die de initiatiefnemer van een leefomgevingsproject zich kan stellen bij de start van het project. De lijst is bruikbaar voor zowel externe initiatiefnemers als voor de gemeente zelf.
Advies: stel als raad participatiebeleid en een Participatieverordening Omgevingswet op, waarmee de gemeente nu al ervaring kan opdoen met participatie en maak daarbij – ter inspiratie - gebruik van de lijst met aandachtspunten. Stel als college beleidsregels vast over hoe het proces van participatie moet worden toegepast. Dit, om aan de Omgevingswet te voldoen en eveneens ter voorbereiding op een gewijzigde participatieverordening die volledig is gebaseerd op de Wet versterking participatie op decentraal niveau.
DEEL 2. PARTICIPATIE IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET Al vanaf het begin van de Omgevingswet (hierna: Ow) neemt participatie een belangrijke plaats in. De Ow verstaat onder een participatieve aanpak: het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit. Participatie draagt bij aan een grotere betrokkenheid van de samenleving bij beleidsvorming en biedt meer ruimte voor maatschappelijke initiatieven in de fysieke leefomgeving. Het vroegtijdig betrekken van de omgeving zorgt ervoor dat verschillende perspectieven, kennis en creativiteit snel op tafel komen. Zo zorgt participatie voor meer draagvlak en betere besluiten. GEMEENTELIJK PARTICIPATIEBELEID OMGEVING SWET De Eerste Kamer vond dat aan de vorm en wijze van participatie nog te weinig eisen werden gesteld. Dat bleek bij de behandeling van het ‘Invoeringsbesluit Omgevingswet’, toen de motie Nooren werd aangenomen. De motie roept op om decentrale overheden eigen participatiebeleid te laten opstellen. De motie Nooren heeft uitsluitend betrekking op het Ow-beleid van gemeenten: participatie bij het opstellen van een omgevingsvisie, omgevingsplan of programma’s. In de memorie 3
van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet zegt de Rijkswetgever over de motie het volgende: De regering ondersteunt de visie dat van decentrale overheden gevraagd mag worden om op voorhand na te denken over hoe ze participatie gaan inrichten. Ter uitvoering van de motie is, binnen de ruimte van de grondslag die de Omgevingswet daartoe biedt, in dit besluit voorgesorteerd op het wetsvoorstel Versterking participatie op decentraal niveau. Daarbij is aansluiting gezocht bij de bestaande motiveringsplicht over participatie voor de instrumenten omgevingsvisie, omgevingsplan en programma. Deze verplichting houdt in dat wordt aangegeven ‘hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de 3
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2020-400.html
datum 27-01-2022
projectnummer P000286
4
voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn’ en wordt met dit besluit uitgebreid. Met deze uitbreiding op de motiveringsplicht wordt geregeld dat decentrale overheden moeten nadenken over participatiebeleid, dit moeten vaststellen en publiceren en worden zij verplicht bij het vaststellen van de genoemde besluiten te motiveren hoe daar in het concrete geval invulling aan is gegeven. Ook in het kader van de voorbereiding op de Ow roept het Rijk de gemeente dus op om alvast een beleidslijn op te stellen over de wijze waarop ze aan participatie wil doen als deze wet eenmaal in werking is getreden. PARTICULIER INITIATIEF EN PARTICIPATIE De Ow roept nadrukkelijk op om meer ruimte te geven aan het particulier initiatief. De wet kent grote waarde toe aan een participatieve aanpak. In de Ow is geregeld dat de gemeenteraad ten aanzien van particuliere initiatieven die niet voldoen aan het (tijdelijke) omgevingsplan, categorieën van 4
gevallen kan aanwijzen waarvoor een participatieplicht geldt . Als de raad van deze bevoegdheid gebruik wil maken, is het verstandig dat hij die gevallen aanwijst voor de datum van invoering van de Ow. Hoe de gemeente het proces van participatie vervolgens toepast is een bevoegdheid van het college. Het college is namelijk bevoegd om te beslissen over het buiten behandeling laten van een aanvraag om omgevingsvergunning omdat de participatie te kort schiet. In het Invoeringsbesluit Omgevingswet zegt de Rijkswetgever daarover het volgende: Op grond van artikel 16.55, zevende lid, van de Omgevingswet, kunnen alleen voor aanvragen om omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten verdergaande eisen worden gesteld aan participatiemogelijkheden die een aanvrager moet bieden alvorens hij een aanvraag kan indienen. De gemeenteraad zal daartoe van tevoren de gevallen moeten aanwijzen waarvoor die verplichting tot het bieden van participatiemogelijkheden geldt. Bij de beoordeling of de aanvraag in behandeling kan worden genomen, zal onder meer bezien worden of de participatiemogelijkheden die de aanvrager heeft geboden voldoende zijn geweest.
Het ligt in de rede dat voor die beoordeling beleidsregels worden vastgesteld, zodat het ook voor een aanvrager inzichtelijk is op basis van welke criteria een aanvraag wordt beoordeeld bij het toepassen van de bevoegdheid om een aanvraag niet te behandelen op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht.
5
Voor de goede orde: bij activiteiten die regulier vergunbaar zijn (dus die passen binnen het omgevingsplan) op basis van het (tijdelijke) omgevingsplan kan de raad geen participatieplicht opleggen. Dit is alleen het geval bij de zogenaamde ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteiten’.
4
Artikel 16.55 lid 7 Ow
5
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2020-400.html
datum 27-01-2022
projectnummer P000286
5
HET ADVIESRECHT VAN DE RAAD Onder de Ow verandert de positie van de raad als het gaat om initiatieven die niet vergunbaar zijn op basis van het geldende Omgevingsplan (dit is de opvolger van het bestemmingsplan). Onder huidig recht is de gemeenteraad bevoegd om over het verlenen van medewerking te beslissen. Stemt de raad in, dan mag het college een omgevingsvergunning verlenen. Onder de Omgevingswet valt die instemmingsbevoegdheid weg. Het college van B en W mag dan zelf beslissen over medewerking aan het initiatief. Dit is anders, indien de raad zichzelf met een raadsbesluit als adviseur aanwijst voor 6
omgevingsvergunningen voor bepaalde gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten . Dit zogeheten ‘bindend adviesrecht’ maakt ook onderdeel uit van deze nota. DE RELATIE TUSSEN
PARTICIPATIEPLICHT EN ADVIESRECHT
Uit het vorenstaande blijkt dat de gemeenteraad twee mogelijkheden heeft om zijn invloed te laten gelden bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Hij kan gevallen aanwijzen waarvoor participatie verplicht is en hij kan gevallen aanwijzen waarvoor hij bindend adviseur wil zijn bij het besluit om mee te werken aan het initiatief. De gevallen waarvoor participatie verplicht wordt gesteld, kunnen dezelfde zijn als waarvoor de raad van zijn adviesrecht gebruik wil maken. Meestal zijn dit de gevallen die grote impact hebben op de omgeving en die veel belangen raken. Echter, beide aanwijzingen hebben geheel verschillende doelen. Daarnaast ligt de drempel voor participatie normaal gesproken lager dan voor uitoefening van het adviesrecht. Dit laatste zorgt namelijk dat de reguliere beslistermijn (8 weken plus 6 weken verlenging) niet of nauwelijks kan worden gehaald. Daarom is het advies om voor participatie een andere lijst (voor initiatiefnemers) te hanteren dan voor 7
adviesrecht (voor de gemeenteraad). Een voorbeeld van een lijst met omgevingsplanactiviteiten , waarbij de gemeenteraad gebruik zou kunnen maken van zijn adviesbevoegdheid kan zijn: -
het bouwen van meer dan [20] woningen binnen de bebouwde en meer dan [5] woningen buiten de bebouwde kom;
-
het vergroten van als zodanig bestemde (bedrijfs)woningen tot meer dan 750 m3;
-
een antenne-installatie hoger dan 50 m;
-
het gebruiken van een recreatiewoning voor permanente bewoning;
-
een activiteit die leidt tot overschrijding van omgevingswaarde [y]
-
het uitbreiden met maximaal [20 %] van de oppervlakte van sportvelden, recreatieterreinen en begraafplaatsen en de daarop aanwezige bebouwing mits de omvang van de bebouwing na de uitbreiding in overeenstemming is met de aard en de capaciteit van de terreinen;
-
het uitbreiden van bestaande bedrijven met [15% of meer];
-
projecten ten behoeve van extensieve recreatie, inclusief de daarbij behorende voorzieningen (zoals paden, ontsluiting en groen);
6
het realiseren van windmolenparken en weiden met zonnepanelen; Instemming is niet aan de orde. Zie artikel 4.21 van het Omgevingsbesluit. Maar B&W moeten wel het advies in
acht nemen. Zie artikel 16.15b van de Omgevingswet. 7
Deze voorbeeldlijst is grotendeels afkomstig uit de ‘Handreiking Adviesrecht gemeenteraad bij afwijkingen van
het Omgevingsplan’.
datum 27-01-2022
projectnummer P000286
6
-
het uitbreiden of oprichten van bebouwing in en nabij natuurgebieden [x], [y] en [z] of van een bepaald omvang/inhoud;
-
indien de activiteit niet past binnen de doelen van het omgevingsplan;
-
indien de activiteit niet past binnen de (overige) door de gemeenteraad gestelde kaders;
-
indien de activiteit in strijd is met regel [x] [y] [z] van het omgevingsplan.
Advies: 1.
weeg af:
-
of de invloed van de inwoners op het gemeentelijke Ow-beleid verder moet gaan dan uitsluitend het openen van de mogelijkheid inspraak;
-
of het opleggen van de participatieplicht bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten meerwaarde heeft voor de kwaliteit van de besluitvorming;
-
of het doelmatig is om de participatieplicht en het adviesrecht gelijk te schakelen.
2.
kies voor:
-
het uitbreiden van de participatiemogelijkheden, conform de gedachte die achter de Omgevingswet zit;
-
het opleggen van een participatieplicht bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten die een meer dan gemiddelde impact op de omgeving hebben;
-
het volgen van bovenstaande lijst in plaats van het gelijkschakelen van de participatieplicht en het adviesrecht, omdat deze twee verschillende doelen hebben en verschillend uitpakken ten aanzien van doorlooptijden/beslistermijnen.
DEEL 3. KEUZES MAKEN VOOR PARTICIPATIEVERPLICHTING Dit deel van de discussienota is uitsluitend relevant als de gemeenteraad inderdaad over gaat tot de aanwijzing van categorieën van gevallen waarvoor aan een initiatiefnemer een participatieplicht wordt opgelegd. Vervolgens legt het college in beleidsregels vast welke mate van participatieinspanningen het verlangt van de initiatiefnemer. In het merendeel van de gevallen zal een aangevraagde activiteit overigens regulier kunnen worden vergund. Voor zwaardere gevallen wordt in Voorst als regel
gehanteerd om mee te werken via omgevingsvergunning en dus niet via
herziening van het tijdelijke omgevingsplan. De reden is dat aanpassing van het omgevingsplan nog met tal van kinderziekten is omgeven en daardoor de nodige procedurele onzekerheden met zich meebrengt. Onder de naam ‘Adaptiefase‘ wordt deze beleidslijn de eerste twee jaren na invoering van de Ow aangehouden. Bij het aanwijzen van gevallen van verplichte participatie krijgt de raad de nodige vrijheid. Zo zijn er verschillende scenario’s denkbaar waaruit de raad kan kiezen: 1.
Het
integraal
afzien
van
aanwijzing
van
gevallen
van
activiteiten
waarvoor
een
participatieplicht zal gelden; datum 27-01-2022
projectnummer P000286
7
2.
Een specifieke lijst van gevallen van activiteiten samenstellen waarvoor een participatieplicht zal gelden, bijvoorbeeld: a.
een of meer van de onderstaande gevallen van activiteiten aanwijzen waarbij participatie verplicht is : 1. nieuwbouw van één of meer woningen; 2. het oprichten, veranderen of uitbreiden van bedrijvigheid (inclusief detailhandel) in een
andere
categorie
dan
het
omgevingsplan
toestaat
(geldt
ook
voor
bedrijventerreinen); 3. het gebruiken van de gronden en/of bouwwerken voor (gebruikswijziging) voor logiesfuncties voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën van niet-ingezetenen; 4. het gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor (gebruikswijziging) voor (woon)zorgvoorzieningen en andere functieveranderingen; 5. het oprichten, veranderen of uitbreiden van bedrijvigheid in het buitengebied; 6. het oprichten of veranderen van een antenne-installatie, ongeacht de hoogte; 7. projecten ten behoeve van intensieve recreatie, inclusief de daarbij behorende voorzieningen, zoals paden, ontsluiting en groen; onder intensieve recreatie wordt verstaan een gebied specifiek bedoeld voor recreatiedoeleinden. Bij deze vormen is sprake van een permanent ruimtebeslag, eventueel aangevuld met faciliteiten t.b.v. van dat recreatieve gebruik (bv. recreatieterreinen, campings etc.) 8. het realiseren van één of meer windmolens, ongeacht de hoogte; 9. het realiseren van zonnepanelen op onbebouwde gronden in het landelijk gebied, ongeacht het ruimtebeslag; 10. Het opwekken en/of opslag van energie (zoals buurtbatterij, biomassa-installatie en waterstof); 11. het realiseren van maatschappelijke voorzieningen; 12. het aanleggen/bouwen van infrastructurele (kunst) werken; 13. initiatieven
die
in
een
beschermde
omgeving
plaatsvinden
(beschermde
dorpsgezichten, gemeentelijke monumenten en Rijksmonumenten, agrarische gebieden met landschapswaarden en natuurgebieden met landschapswaarden). b.
het bindend adviesrecht ook van toepassing verklaren op de lijst van gevallen als bedoeld onder a., dan wel een selectie daaruit.
datum 27-01-2022
projectnummer P000286
8
Advies: -
kies voor scenario 2a, stel de lijst van gevallen samen die kan worden verwerkt in een Participatieverordening Omgevingswet;
-
evalueer de participatieplicht en leg de definitieve keuze te zijner tijd vast in een breed toepasbare Participatieverordening op basis van de ‘Wet versterking’.
DEEL 4. DE BELEIDSLIJN VOOR PARTICIPATIE IN DE GEMEENTE VOORST Deze discussienota vormt een kader voor het keuzeproces rondom participatie bij de Omgevingswet. We willen graag een breed gedragen beleidslijn ontwikkelen met verplichte onderdelen in een Participatieverordening Omgevingswet. En – meer specifiek - in de beleidsregels van het college bij de 8
beoordeling van buitenplanse activiteiten van particulieren . Dit laatste uiteraard slechts in het geval de gemeenteraad overgaat tot aanwijzing van categorieën van gevallen waarvoor participatie verplicht is (zie deel 3). Na de nodige oefening, ervaring en evaluatie kunnen de beleidslijn en de Participatieverordening Omgevingswet opgaan in een Participatieverordening op basis van de Wet versterking lokale participatie. Als het gaat om het nadenken over participatie, dan heeft gemeente Voorst al de nodige stappen gezet. Zie daarvoor de schets uit eerdergenoemde bijlage 1. De vervolgstap zou kunnen zijn dat de raad een Missieverklaring Participatie vaststelt. De missie is kaderstellend voor het participatiebeleid van
raad
en
college
bij
de
concrete
toepassingen
van
participatie
bij
buitenplanse
omgevingsplanactiviteiten. Een eerste poging van een dergelijk missiestatement luidt als volgt:
8
Voor de goede orde: in het geval de gemeente zelf initiatiefnemer is van een buitenplanse activiteit dient zij zich
ook te conformeren aan haar eigen beleidsregels.
datum 27-01-2022
projectnummer P000286
9
MISSIEVERKLARING PARTICIPATIE GEMEENTE V OORST De gemeente Voorst doet aan participatie, omdat we het belangrijk vinden dat: -
we ruimtelijke plannen eerst goed afwegen;
-
we plannen in een vroeg stadium aan de mening en inbreng van anderen toetsen;
-
we iedereen tijdig informeren;
-
we mensen actief betrekken bij plannen die hem of haar raken;
-
het college goed verantwoording kan afleggen aan de raad.
We verwachten dat we hierdoor: -
de besluitvorming en uitvoerbaarheid van besluiten verbeteren en versnellen;
-
het draagvlak voor plannen laten groeien;
-
de maatschappelijke zorgplicht voor een veilige en gezonde leefomgeving activeren;
-
de afstand tussen inwoners en overheid verkleinen.
Dat vraagt van ons als gemeente dat wij duidelijk zijn over: -
de wijze waarop we participatie organiseren;
-
de rol van de gemeenteraad in het proces;
-
de manier waarop we belanghebbenden betrekken;
-
hoe we belangen afwegen;
-
hoe wij met de ideeën en resultaten van het participatieproces omgaan;
-
de vorm van participatie die we vragen bij verschillende soorten plannen.
DEEL 5. KEUZEMOGELIJKHEDEN VOOR DE UITVOERINGSPRAKTIJK Aan de hand van dit kader moeten we keuzes maken voor de uitvoeringspraktijk. Deze keuzes vormen, tezamen met de missieverklaring Participatie, de basis van de beleidslijn en/of de beleidsregels voor participatie in het kader van de Omgevingswet. KEUZESTAP
1
WAT
ZIJN
DE
RANDVOORWAARDEN
V AN
EEN
GOEDE
PARTICIPATIE? Ruimte voor inbreng Om participatie zinvol te laten zijn, vragen we de inbreng van inwoners op het moment dat er nog ruimte is in het proces om daarmee iets te doen. Het gaat er dan om te bepalen welk schaalniveau van besluitvorming aan de orde is. In elk besluitvormingsproces kunnen 5 schaalniveaus worden onderscheiden:
datum 27-01-2022
projectnummer P000286
10
1.
Denken: stel de fundamentele vraag: is er noodzaak / behoefte?
2.
Kiezen: wat heeft uit alle beschikbare varianten de voorkeur?
3.
Uitwerken: hoe geven we vorm en inhoud aan de voorkeursvariant?
4.
Vastleggen: hoe borgen we voorkeursvariant?
5.
Uitvoering / beheer: hoe onderhouden we de voorkeursvariant?
Voorbeeld stadion In de onderstaande afbeelding zijn de vijf schaalniveaus concreet gemaakt in het voorbeeld van een stadion. De fundamentele vraag is: 1.
Is een stadion nodig? Als we die vraag met ja beantwoorden luidt de vervolgvraag:
2.
Welke varianten van een stadion zijn mogelijk en welke heeft de voorkeur? Is die keuze gemaakt, dan volgt vraag 3:
3.
Hoe voeren we het stadion uit? Daarna volgt vraag 4:
4.
Hoe leggen we de voorkeursvariant juridisch vast. Tenslotte komt vraag 5:
5.
Wat is de aard en frequentie van het te plegen onderhoud aan het stadion.
In de praktijk van participatie is het belangrijk om te communiceren welk schaalniveau aan de orde is. Is bijvoorbeeld eenmaal de fundamentele vraag beantwoord, in de zin dat we een stadion nodig vinden, dan is daarover geen participatie meer mogelijk. Er kunnen zich uitzonderingen voordoen, bijvoorbeeld als bijzondere omstandigheden gedurende de tijd veranderen. We gaan vervolgens over naar stap 2; het niveau van keuzes over de voorkeursvariant. Datzelfde geldt voor de daarna volgende stappen. Door helder te communiceren over het aan de orde zijnde schaalniveau ‘managen’ we de verwachtingen over participatie. De organisatie moet openstaan voor inbreng Participatie legt een beslag op middelen en mensen. Indien we deze onvoldoende vrij kunnen maken, heeft dat gevolgen voor de mate waarin participatie mogelijk is. Daarnaast is een gemeentelijke organisatie nodig die automatisch de focus bij de inwoners legt en die gericht is op samenwerken.
datum 27-01-2022
projectnummer P000286
11
Zo’n gemeente heeft een organisatiecultuur waarin iedereen leert, fouten mag maken en er vertrouwen is in collega’s en inwoners. Participanten moeten in staat zijn om inbreng te leveren Goede informatie is noodzakelijk. Van inwoners mag men niet verwachten dat zij altijd even goed in het onderwerp zijn ingevoerd als de gemeente of de initiatiefnemer. Dat betekent dat we per schaalniveau moeten nadenken welke mate van expertise en informatie we beschikbaar stellen aan participanten. Verder dient het proces afgestemd te zijn op de doelgroepen (omwonenden, gebruikers of experts bijvoorbeeld) die we bij de participatie betrekken. KEUZESTAP
2
HOEVEEL
INVLOED
OP
DE
BESLUITVORMING
GEVEN
WE
PARTICIPANTEN? Bij elk participatievoornemen stellen we ons als gemeente de vraag welk niveau van beïnvloeding we aan de inwoners willen geven. Het antwoord op die vraag moeten we expliciet duidelijk maken aan de participanten. Zo voorkomen we teleurstellingen en onvrede. Voor deze keuze is de zogenaamde participatieladder een goed hulpmiddel. Het idee is dat hoe hoger de trede van participatie is, hoe groter de mate van invloed. De participatieladder heeft vijf treden. Van onder naar boven zijn dit: -
Informeren: de gemeente bepaalt de agenda en houdt inwoners op de hoogte van haar keuzes. Een voorbeeld is de aankondiging van wegwerkzaamheden. Van participatie is nauwelijks sprake. Het gaat vooral om eenzijdige informatie van de gemeente naar de inwoners.
-
Raadplegen: de gemeente bepaalt de agenda, maar ziet inwoners als gesprekspartners bij de ontwikkeling van beleid. Ze stelt zich open voor meningen van inwoners, maar doet dat geheel vrijblijvend. Een voorbeeld is de inspraak op voorontwerpbestemmingsplannen.
-
Adviseren: de gemeente bepaalt de agenda, maar inwoners kunnen problemen en oplossingen aanbieden. Deze ideeën spelen een grote rol in de ontwikkeling van beleid. Met andere woorden, deze vorm van participatie is niet vrijblijvend. Een voorbeeld is het betrekken van wijkbewoners bij het opstellen van hondenpoepbeleid.
-
Coproduceren: de gemeente en de inwoners benoemen samen een probleem, waarna ze gezamenlijk naar oplossingen zoeken. Een voorbeeld is het opstellen van een ontwerp of inrichtingsplan in de openbare ruimte en het gezamenlijk beheren daarvan.
-
Meebeslissen: de gemeente laat de ontwikkeling en de besluitvorming over aan de inwoners, waarbij de ambtelijke organisatie een adviserende rol heeft. Een voorbeeld is het laten meebeslissen van wijkbewoners over een speelvoorziening of over het zelfstandig organiseren van straatfeesten.
datum 27-01-2022
projectnummer P000286
12
KEUZESTAP 3 WELKE VORM VAN PARTICIPATIE IS AAN DE ORDE? Er zijn allerlei werkvormen voor participatie. Welke het best werkt is een kwestie van onderzoeken en afwegen. Factoren die een rol spelen zijn de impact van de voorgenomen activiteit, de aard van de doelgroep of doelgroepen, de urgentie in relatie tot de belangen die gemoeid zijn met de activiteit etc. Er zijn veel verschillende werkvormen beschikbaar. Inspiratie kan worden opgedaan bij het 9
Informatiepunt Leefomgeving . KEUZESTAP
4
WELKE
EISEN
MOETEN
GELDEN
BIJ
PARTICIPATIE
VOOR
INITIATIEVEN TOT BUITENPLANSE OMGEVINGSPLANACTIVITEITEN (ZIE OOK DEEL 3)? Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het (tijdelijke) omgevingsplan en niet vergunningvrij voor het bouwen is; voor deze activiteit is een vergunning nodig volgens het omgevingsplan. Besluit de gemeenteraad buitenplanse activiteiten aan te wijzen waarvoor participatie een indieningsvereiste is en dus verplicht is voorafgaand aan indienen van een aanvraag? Dan moet de aanvrager aantonen op welke manier hij/zij heeft geparticipeerd en wat hij/zij heeft gedaan met de resultaten daarvan. Alleen met die verantwoording kunnen we als gemeente de aanvraag behandelen. We beoordelen de participatie dan op het proces. Het college kan in zijn beleidsregels vastleggen dat de initiatiefnemer bij de vergunningaanvraag aangeeft: -
wie zijn uitgenodigd om iets te vinden van het plan;
-
op welke manier initiatiefnemer met deze personen / organisaties in gesprek is gegaan;
-
wat de inbreng was van de participanten;
-
wat hij al dan niet met de inbreng heeft gedaan;
-
op welke manier hij het plan op basis van die inbreng heeft aangepast.
Bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten is het college het bevoegd gezag. Als de aanvrager niet of volgens de beleidslijn onvoldoende aan participatie heeft gedaan, kan het college de aanvraag buiten behandeling laten. Dit is van belang omdat binnen 8 (+ 6) weken het gehele vergunningsproces moet 9
https://iplo.nl/participatieomgevingswet/hulpmiddelen/werkvormen-participatie/
datum 27-01-2022
projectnummer P000286
13
zijn afgerond. Wel moet het college de aanvrager de gelegenheid geven het gebrek te herstellen (volgens art. 4.5 Awb). Een initiatiefnemer kan ook beslissen om het participatieproces alsnog te doorlopen en een nieuwe aanvraag in te dienen. Ook is denkbaar dat het college gradaties van participatie onderscheidt. Bijvoorbeeld in drie oplopende stadia van licht naar regulier en naar intensief. De lichte vorm van participatie is standaard aan de orde bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Per geval moet worden beoordeeld of opschaling naar de reguliere of de intensieve gradatie van participatie aan de orde moet zijn. Bij de lichte vorm van participatie gelden de volgende stappen: 1.
De initiatiefnemer treedt in overleg met de gemeente om samen te bespreken hoe hij/zij de participatie het best kan aanpakken.
2.
De initiatiefnemer maakt bij de start van de uitwerking het initiatief in ieder geval bekend aan de rechtstreeks belanghebbenden (dit zijn degenen van wie het belang rechtstreeks is betrokken bij de activiteit), via het lokale huis-aan-huisblad, via het digitaal dorpsplein www.kijkindekernen.nl en met een open uitnodiging aan een ieder die meent een belang te hebben.
3.
De initiatiefnemer raadpleegt de belanghebbenden en vraagt hen over hun belangen en hoe het plan die raken.
4.
De initiatiefnemer presenteert de uitwerking aan de participanten en geeft aan of en hoe rekening is gehouden met hun belang.
Bij de reguliere vorm van participatie gelden de volgende stappen: 1.
De initiatiefnemer treedt in overleg met de gemeente om samen te bespreken hoe hij/zij de participatie kan aanpakken.
2.
De initiatiefnemer maakt middels een startnotitie de plannen bekend. De initiatiefnemer kondigt de startnotitie aan in het lokale huis-aan-huisblad, via het digitaal dorpsplein www.kijkindekernen.nl en met een open uitnodiging aan een ieder die meent een belang te hebben. In de startnotitie geeft de initiatiefnemer aan hoe het initiatief bijdraagt aan de beoogde ontwikkelingen in de Omgevingsvisie; wat de invloed op andere gebruiksfuncties is en hoe hij/zij belangengroepen betrekt.
3.
De initiatiefnemer raadpleegt de belanghebbenden bij de uitwerking van het initiatief.
4.
De initiatiefnemer presenteert de uitwerking aan de direct omwonenden en geeft aan hoe hij/zij rekening houdt met hun belang.
5.
De initiatiefnemer vraagt belanghebbenden te reageren op de uitwerking en verwerkt in een overzicht wat al dan niet met de reacties is gedaan.
Bij de intensieve vorm van participatie gelden de volgende stappen:
datum 27-01-2022
projectnummer P000286
14
1.
De initiatiefnemer treedt in overleg met de gemeente om samen te bespreken hoe hij/zij de participatie kan aanpakken.
2.
De initiatiefnemer maakt middels een startnotitie de plannen bekend. Hij/zij kondigt de startnotitie
aan
via
lokale
en
regionale
kranten,
via
het
digitaal
dorpsplein
www.kijkindekernen.nl en met een open uitnodiging aan een ieder die meent een belang te hebben. In de startnotitie geeft de initiatiefnemer aan hoe het initiatief bijdraagt aan de ontwikkeling in de Omgevingsvisie; wat de invloed op gebiedswaarden en andere gebruiksfuncties is. Ook geeft de initiatiefnemer in een stakeholderanalyse aan welke belangengroepen hij/zij in ieder geval betrekt. In de aankondiging van de startnotitie doet de initiatiefnemer een oproep aan belanghebbenden om zich te melden. 3.
De initiatiefnemer toetst de aanpak van het participatieproces bij de geïdentificeerde en gemelde belanghebbenden. In de aanpak is opgenomen hoe de initiatiefnemer partijen met verschillende rollen (beslisser, gebruiker, toeleverancier, beïnvloeder) betrekt (meeweten, meedenken, meedoen, meebeslissen). Daarnaast bespreekt de initiatiefnemer wat hij/zij doet de inbreng bij de besluitvorming.
4.
5.
De initiatiefnemer voert het participatieproces met in ieder geval de volgende onderdelen: a.
een gezamenlijke inventarisatie van de terzake doende belangen;
b.
gezamenlijke zoektocht naar oplossingen voor conflicterende belangen.
De initiatiefnemer presenteert de uitwerking aan de betrokken belanghebbenden en geeft aan hoe hij/zij rekening houdt met hun belang.
6.
De initiatiefnemer vraagt belanghebbenden te reageren op de uitwerking en laat in een overzicht zien wat hij/zij met de reacties heeft gedaan.
Advies: Instemmen met toepassing van de keuzemogelijkheden en de drie (nader in te vullen) gradaties van participatie.
datum 27-01-2022
projectnummer P000286
15
Bijlagen
datum 27-01-2022
projectnummer P000286
16
Bijlage 1 Wat ter voorbereiding aan deze discussienota voorafging Als het gaat om het nadenken over participatie, dan heeft gemeente Voorst al de nodige stappen gezet. Zo werd de raad tijdens een IBB op 7 juni 2021 bijgepraat over participatie in de Ow door Jan Oosterkamp van BügelHajema. Op een raadsavond op 22 november 2021 gebeurde dat door Pascale Georgopoulou van de VNG. Daarin kwamen diverse onderwerpen aan de orde, zoals de vraag naar de relatie tussen participatie en besluitvorming door de raad: moet de gemeenteraad de uitkomst van een participatietraject onverkort volgen of niet? En de vraag: is onze gemeente van de ‘regels’ of van de ‘afspraken’. Maar ook: welke sturingsfilosofie kiest de raad, faciliterend of sturend en wat betekent dat voor participatie in de zin van het zoeken naar vormen van samenwerking tussen overheid en inwoners? En moeten (of willen) we als gemeente het uitgangspunt veranderen van ‘ja, mits’ naar ‘nee, tenzij’? Daarnaast zijn er twee interne en twee externe workshops gehouden over participatiebeleid. De twee externe workshops werd onder andere gehouden met bestuursleden van dorpsbelangenorganisaties en dorpscontactpersonen uit de gemeente Voorst. Uit de interne workshops kwam naar voren dat er verwarring bestaat over het onderwerp participatie.
Er zijn mensen die denken dat participatie betekent dat de uitkomst daarvan het daarna te nemen besluit bepaalt. Participatie is echter het ophalen van belangen; het besluiten is wegen van die opgehaalde belangen. Belangrijk aandachtspunt is dat als participatie nodig is, dat zo vroegtijdig mogelijk moet gebeuren. En wat ook belangrijk werd gevonden: wat is de verwachting van een participatietraject, wat zijn de kaders en welke vraag ligt voor? Genoemd werd ook dat het veld ingaan (‘outreachend werken’) een belangrijk participatief effect heeft. Het creëren van draagvlak zou een mooi effect zijn van participatie, maar in de praktijk laat lang niet iedereen zijn stem horen. Met andere woorden: hoe representatief is de uitkomst van een participatietraject. Wat wel als belangrijk effect werd genoemd is dat besluiten door participatie beter worden omdat je zo veel verschillende belangen en argumenten hoort. Verder werd gezegd dat participatietrajecten veel energie, tijd en geld kosten. Anderzijds werd ook overwogen dat alle energie die je aan de voorkant in een proces steekt, zich beloont. Want aan de achterkant kan daardoor de tijdwinst terugkomen en belangrijker nog: dan kijken deelnemers tevredener terug op het traject. In de eerste externe workshop werd gezegd dat het belangrijk is een doel te hebben als je mensen laat participeren.
Gezegd werd dat in een ruimtelijk plan centraal moet staan dat het gaat om een goede leefomgeving en dus vanuit meerdere perspectieven bekeken. Een voorbeeld is het project Polder Nijbroek, waarin het in de visienota onder andere ging om zorg, wonen, e.d. De plaatselijke belangenvereniging heeft inwoners betrokken om inzichten op te halen. Zo ontstond een win-winsituatie. Daarbij was duidelijk welke invloed je kon inbrengen. Ook zijn deskundigen betrokken geweest. Er was een goede samenwerking met de gemeente, waarbij deze de inwoners echt
datum 27-01-2022
projectnummer P000286
17
probeerde te betrekken. Kern was: vertrouwen in elkaar. En: ga het gesprek met elkaar aan. Verder moet participatie geen ‘kunstje’ zijn; de participatievraag moet dus oprecht zijn en er moet wat in te brengen zijn. Klarenbeeks Belang vertelde dat ze bezig was geweest met het realiseren van een speeltuin en speelplaats. De participatie is leerzaam geweest, met name omdat het zorgde voor draagvlak en verbinding. Aangegeven werd dat het heel belangrijk is om vroegtijdig de participatie te starten. Eerst iets besluiten als gemeente en daarna participatie starten heeft geen zin en leidt tot onrust en frustratie. Als de gemeente iets zegt (bijvoorbeeld via de media) dan moet het vroegtijdig zijn en duidelijk zijn in wat voor stadium zo’n idee of initiatief zich bevindt. Met andere woorden: bevindt het idee zich in de eindfase of juist in de beginfase en is er nog inbreng mogelijk? Verder werd genoemd dat (verbetering van) participatie een grote meerwaarde heeft: je legt er een waardevolle verbinding mee. In de tweede externe workshop werd gezegd dat bij elk groter vraagstuk al aan de voorkant de wijze en de mate van participatie duidelijk moet zijn. Quote uit de workshop: ‘We moeten zo vroeg mogelijk met elkaar spreken over de vraag hoe om te gaan met participatie. Samen moeten daar afspraken over worden gemaakt die zich vertalen naar beleid. En het moet geen kunstje zijn.
Daar prik je doorheen. Maar écht met elkaar in gesprek gaan.’ Het overslaan van stappen kan funest zijn; dat kan een kloof tussen burger en bestuur veroorzaken of vergroten (‘want de keuze is al gemaakt’). Het moet snel helder zijn wanneer en in welke mate participatie een ‘must’ is, maar je moet ook weer niet doorslaan, want niet iedereen kan bondscoach zijn (en de overheid heeft ook kennis in huis). Met andere woorden: een besluit voor honderd procent laten afhangen van draagvlak is niet wenselijk. Hieraan werd toegevoegd dat ‘geen participatie’ ook tot de mogelijkheden moet kunnen behoren, maar dat je dat dan bij stap 1 wel helder moet hebben. Bij sommige onderwerpen valt er ook niet veel in te brengen, bijvoorbeeld bij harde, landelijke milieuregels. Dan moet duidelijk zijn dat de participatievraag daarover niet gaat en niet kan gaan. Integraliteit in besluitvorming is belangrijk en participatie kan daarbij helpen. Tot slot werd aangegeven dat dorpsbelangenorganisaties behoefte hebben aan informatie over welke handvatten de Omgevingswet biedt en hoe je burgers in hun belangen ondersteunt bij het benutten van de mogelijkheden van de Omgevingswet. Als de gemeente hierin een rol pakt, heeft dat ook weer een verbindende functie met de inwoners. Samenvattend is het belangrijk een goede verbinding tussen inwoners en de gemeente te hebben. Participatie biedt hierin kansen.
Belangrijk is: doe het vroegtijdig. En: welk doel heeft een participatietraject, wat mag een inwoner ervan verwachten en in welk stadium bevindt het traject zich? Cruciale stappen overslaan kan funest zijn voor vertrouwen in de overheid. Participatie mag geen ‘kunstje’ zijn; het moet een oprecht gesprek zijn.
datum 27-01-2022
projectnummer P000286
18
Bijlage 2 Voorbeelden van aandachtspunten bij de uitvoering van participatie Bij de uitvoering van participatie kunnen (als voorbeeld) de volgende punten worden langsgegaan. Deze punten worden overwogen en van de afweging wordt een verslag gedaan. 1.
Is het verplicht om participatie uit te voeren in dit type project?
2.
Is participatie ondanks het eventueel ontbreken van een verplichting toch gewenst?
3.
Is participatie voor dit type project mogelijk uitgesloten via de participatieverordening?
4.
Is participatie geëigend voor dit project? Met andere woorden: valt er wat in te brengen?
5.
Waarom wordt gekozen om (g)een participatietraject te starten?
6.
Wie is de eigenaar van het project? Een inwoner, een bedrijf, een instelling of de gemeente zelf?
7.
Wie is het bevoegde bestuursorgaan: de gemeenteraad, het college of de burgemeester?
8.
Hoe kan het project gedefinieerd worden?
9.
Wordt de participatie in dit project vroegtijdig gestart, of bevindt het zich in een ver(der)gaande fase? In welke fase bevindt het project zich? De fundamentele-vraag-fase, de keuzefase, de uitwerkingsfase, de borgingsfase of de uitvoeringsfase?
10.
Welk doel dient een te doorlopen participatietraject?
11.
Welke vraagstelling leg je de betrokkenen voor; wat wordt van ze verwacht?
12.
Waar liggen de kaders van inbreng in dit project?
13.
Wat zijn de randvoorwaarden van participatie?
14.
Wat is de beïnvloedingsruimte van participatie? Benoem welk type inbreng wel/niet kan worden meegenomen.
15.
Welke mate van invloed op de besluitvorming wordt aan de participanten toegekend? Informeren, raadplegen, adviseren, co-produceren of meebeslissen?
16.
Op welke manier communiceert het bestuursorgaan vooraf over deze kaders?
17.
Hoe breed is de kring van belanghebbenden? Inventariseer en benoem wie (inwoners, bedrijven, instellingen) in de gelegenheid moeten worden gesteld deel te nemen aan het participatietraject.
18.
Moet de gemeenteraad worden betrokken en/of is dat gewenst? Geldt er een bindend adviesrecht? Hoe wordt de raad betrokken?
19.
Wie van de interne organisatie wordt betrokken?
20.
Benoem bij het betrekken van belanghebbenden wat het doel van participatie is.
21.
Benoem wat ieders rol is: participatie is belangen ophalen; besluiten is belangen wegen.
22.
Benoem bij het betrekken van belanghebbenden wat men kan en mag verwachten van het participatietraject.
23.
Welke (wettelijke) procedure wordt gevolgd?
24.
Welke gradatie geldt voor dit project? De lichte, reguliere of intensieve gradatie?
datum 27-01-2022
projectnummer P000286
19
25.
Hoe worden burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding betrokken?
26.
Welk werkvorm van participatie is het meest geschikt?
27.
Wat zijn de (ingeschatte) kosten van een te doorlopen participatietraject?
28.
Wat is het tijdspad van het participatietraject?
29.
Hoe wordt het participatietraject geëvalueerd en eventueel gemonitord?
30.
Maak een overzicht van de gevolgde participatieprocedure.
31.
Wat zijn de resultaten van het participatietraject? Maak een weergave van de zienswijzen die tijdens de participatieprocedure mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht.
32.
Reageer op deze zienswijzen, waarbij wordt aangegeven welke punten al dan niet worden overgenomen.
33.
Breng in beeld welke wijzigingen zijn doorgevoerd door de inbreng in het participatietraject.
34.
Geef aan op welke wijze invulling is gegeven aan het gemeentelijke participatiebeleid.
datum 27-01-2022
projectnummer P000286
20