CConstaterende datVoorst
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen toelichting

gemeenteraad 4 maart 2024, gemeente VoorstBij agendapunt: Bestemmingsplan De Kar 9, Klarenbeek10.330 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan De Kar 9 Klarenbeek Planfase vastgesteld

De Kar 9 Klarenbeek

Voorst

bestemmingsplan

De Kar 9 Klarenbeek

2

De Kar 9 Klarenbeek

Inhoudsopgave

Bijlagen toelichting

5

Bijlage 1

Landschappelijk inpassingsplan

6

Bijlage 2

Quickscan wet natuurbescherming

16

Bijlage 3

Watertoets

51

3

De Kar 9 Klarenbeek

4

De Kar 9 Klarenbeek

Bijlagen toelichting

5

De Kar 9 Klarenbeek

Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan

6

1763 E

D

F A

B G

C

H I

1210

HUIDIGE BEBOUWING A B C D E F G H I J

143,7 m2 verbouw bestaande (woon)boerderij 80,5 m2 223,3 m2 136,5 m2 (sloop) 104,0 m2 (sloop) 196,7 m2 (sloop) 27,5 m2 (sloop) 40,5 m2 (sloop) 13,5 m2 (sloop) 7,7 m2 (sloop)

KADASTRAAL BEKEND:

datum: 17-08-2023 gew:

GEMEENTE VOORST code VOO00 sectie A, nrs. 1763, 1210 en 1825

project: W2204 de Kar 9, Klarenbeek layout: situatie bestaand schaal: 1:1000 status: fase: VO bladnr: 01

J

1825

13

8

1 10

13

12

14,0 m

13 D

3

2

E A

1 weiland 2 oprit met gebroken puin 3 tuin, erf 4 terreinverharding 5 parkeren woningen (verharding) 6 bomenrij (elzen) 7 extensieve weide 8 zeeuwse haag (1.250 m2, uitgroeiend) 9 zeeuwse haag (geknipt) 10 bosaanplant (circa 12.450 m2) 11 8 camper/caravan plaatsen (grasklinkers) 12 oude waterloop terugbrengen 13 solitiare bomen in zeeuwse haag en bij de camperplaatsen 14 wandelpad (Revicon verharding)

5

4

C 3

13

houtbouw dakhelling 30gr. goot 3 mtr. 1

B

4

F

G

9

2 13 9

GEWENSTE BEBOUWING A 143,7 m2 - hoofdwoning B 80,5 m2 - schuur C 223,3 m2 - bedrijfsgebouw Parfumwas D 50,4 m2 - berging E 294,0 m2 - werkplaats Houtbouw F 50,4 m2 - (mantel)zorgwoning (t.z.t. als B&B in te zetten op n.t.b. positie) G 105,0 m2 - silo Parfumwas en faciliteit camperplaatsen 7

project: W2204 de Kar 9, Klarenbeek layout: situatie nieuw schaal: 1:1000 status: fase: VO bladnr: 02

14 12

11

10

datum: 17-08-2023 gew:

21,3 m

1 6

7 nadere uitwerking van de groenvoorzieningen, het bos en de poelen conform het natuurinrichtingsplan

10

10

10,50 m

doorgang voorziening campers toilet/douche/wasruimte

spoelbak chemisch toilet

4,3 m

datum: 17-08-2023 gew:

project: W2204 de Kar 9, Klarenbeek layout: plattegrond camperfaciliteit en silo schaal: 1:100/1:200 status: fase: VO bladnr: 03

8,00 m

bestaande loods

5,00 m

silo voor opslag pallets - 3 hoog houtbouw - geisoleerd muurplaat op 4,2 meter

datum: 17-08-2023 gew:

project: W2204 de Kar 9, Klarenbeek layout: 3D1 schaal: n.v.t. status: fase: VO bladnr: 04

datum: 17-08-2023 gew:

project: W2204 de Kar 9, Klarenbeek layout: 3D2 schaal: n.v.t. status: fase: VO bladnr: 05

datum: 17-08-2023 gew:

project: W2204 de Kar 9, Klarenbeek layout: 3D3 schaal: n.v.t. status: fase: VO bladnr: 06

datum: 17-08-2023 gew:

project: W2204 de Kar 9, Klarenbeek layout: 3D4 schaal: n.v.t. status: fase: VO bladnr: 07

zuidgevel

uitbreiding nokhoogte: 5,85 m1 goothoogte: o.k. 4,2 m1 dakhelling: als bestaande loods

westgevel

oostgevel

gevel: dak: goten: boeien: deuren: scharnier: kozijnen: plint:

houten delen, antraciet metaal, sandwichpanelen, antraciet zink, grijs hout, gebroken wit hout, antraciet met duimheng, antraciet hout, gebroken wit ?????

noordgevel uitbreiding

datum: 17-08-2023 gew:

project: W2204 de Kar 9, Klarenbeek layout: gevels camperfaciliteit en silo schaal: 1:200 status: fase: VO bladnr: 08

nokhoogte: 7,1 m1 goothoogte: o.k. 3 m1 dakhelling: 30 graden

gevel: dak: goten: boeien: deur: plint:

houten delen, antraciet metaal, sandwichpanelen, antraciet zink, grijs hout, gebroken wit metaal, antraciet prefab beton

westgevel

zuidgevel

noordgevel

oostgevel

datum: 17-08-2023 gew:

project: W2204 de Kar 9, Klarenbeek layout: gevels houtopslag schaal: n.v.t. status: fase: VO bladnr: 09

De Kar 9 Klarenbeek

Bijlage 2 Quickscan wet natuurbescherming

16

Quickscan DE KAR 9

KLARENBEEK QuickScan Wet natuurbescherming

Status:

Datum:

28 maart 2023

Definitief

Project:

QS50510

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

INHOUD 1. Colofon

3

2. Samenvatting en advies

4

3. Inleiding

5

3.1

Aanleiding

5

3.2

Planlocatie

5

3.3

Ontwikkelingen en effecten

5

4. Kader en methode

7

4.1

Wettelijk kader

7

4.2

Onderzoeksmethode

12

4.3

Toepasbaarheid

13

5. Gebiedsbescherming

14

5.1

Natura2000

14

5.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

15

5.3

Stikstofdepositie

16

6. Soortbescherming

18

6.1

Flora

18

6.2

Fauna

19

6.3

Houtopstanden

27

Verantwoording

28

Bijlagen

29

Disclaimer

30 2

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

1. Colofon Onderzoek

QuickScan natuurtoets

Document

QS50510

Datum

28 maart 2023

Locatie

De Kar 9; Klarenbeek

Opdrachtgever

Edok-RO

Opdrachtnemer

Ecofect B.V.

Ecoloog

Dhr. P. Wiegel

Adres

Van Oordtstraat 3, 8071 KV Nunspeet

Telefoon

06-41737676

Email

info@ecofect.nl

Internet

www.ecofect.nl

KvK-nummer

87036487

Btw-identificatienr.

NL864184311B01

Rekeningnummer

NL39 RABO 0198 8908 69

3

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

2. Samenvatting en advies Uit de QuickScan is gebleken dat bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden de Wet Natuurbescherming mogelijk wordt overtreden. Gebiedsbescherming Natura 2000 Gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand ten opzichte van N2000 gebieden wordt geen verstoring verwacht Natuur Netwerk Nederland De planlocatie is gelegen buiten het Natuur Netwerk Nederland (Natuurnetwerk Gelderland). Aangezien het Natuur Netwerk in Gelderland geen externe werking kent is vastgesteld dat een verdere toetsing niet aan de orde is. Stikstof Een stikstofberekening (Aerius) is noodzakelijk Soortbescherming Flora Geen overtreding wet natuurbescherming. Vleermuizen Geen overtreding wet natuurbescherming. Zoogdieren Geen overtreding wet natuurbescherming Vogels Geen overtreding wet natuurbescherming. Overige soorten Geen overtreding wet natuurbescherming.

4

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

3. Inleiding 3.1 Aanleiding Met de voorgenomen ontwikkelingen aan de Kar 9 te Klarenbeek heeft Edok-RO aan Ecofect B.V. gevraagd een QuickScan Wet Natuurbescherming uit te voeren t.b.v. het vergunning traject en inzicht te verschaffen of de geplande uit te voeren werkzaamheden conflicteren met de Wet Natuurbescherming. Voorliggend rapport geeft inzicht in het wettelijk kader, de gebruikte methodiek en de resultaten van het uitgevoerde onderzoek.

3.2 Planlocatie De planlocatie betreft een perceel aan de Kar 9 te Klarenbeek. De planlocatie betreft een gerenoveerde boerderij met diverse vervallen opstallen op te erf. De loods is in gebruik als werk- en opslagplaats voor een houtbouwbedrijf.

Klarenbeek is een lintdorp in de Nederlandse provincie Gelderland, ten oosten van Apeldoorn. Het dorp telt ongeveer 3500 inwoners. Het dorp valt onder twee gemeenten, namelijk Apeldoorn en Voorst; de gemeentegrens loopt dwars door het dorp.

5

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

3.3 Ontwikkelingen en effecten Initiatiefnemer is voornemens op de planlocatie de bebouwing te slopen en er een nieuwe schuur voor terug te bouwen. De boerderij is inmiddels in een eindstadium van renovatie en maakt geen onderdeel uit van dit onderzoek.. Ook de lange schuur blijft buiten planontwikkeling. De achter op het erf gelegen silo en schuur worden gesloopt. (zie fotobijlage) Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn blijvend van karakter. De functie van het plangebied zal niet veranderen. De ingrepen en effecten van de ingreep in relatie tot natuurwaarden: •

Sloop- / saneringswerkzaamheden

•

Afvoer sloopmateriaal

•

Nieuwbouw schuur

•

Inrichting terrein behorend bij de nieuwe gebruiksfunctie

Dit onderzoek is gericht om een inschatting te maken of beschermde soorten voorkomen en gebruik maken van de projectlocatie.

Figuur 1 Impressie

6

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

4. Kader en methode 4.1 Wettelijk kader Voor het uitvoeren van ruimtelijke ontwikkelingen is o.a. Wet Natuurbescherming van kracht. Deze wetgeving vervangt de Flora- en faunawet, boswet en natuurbeschermingswet welke van kracht waren voor 1 januari 2017. In deze wet is de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld. In de toekomst zal deze wet worden opgenomen in de omgevingswet (1 januari 2024). Dit onderzoek beperkt zich tot de gebiedsbescherming en de soortenbescherming. In deze QuickScan worden de verschillende onderdelen van de wet Natuurbescherming getoetst. Omdat een veldbezoek en bureau-onderzoek geen zekerheid geeft of de wet Natuurbescherming wordt overtreden, wordt de potentie van het object ingeschat voor wat betreft beschermde soorten. Indien het object potentie heeft, zal een aanvullend onderzoek vast moeten stellen of uit moeten sluiten of er beschermde soorten gebruik maken van de opstallen. Potentie-inschatting vindt plaats op

basis van habitatkenmerken,

habitatseisen en ervaring van de ecoloog. Een goed voorbeeld is de kans op het waarnemen van vleermuizen tijdens het veldbezoek. De trefkans is nagenoeg nihil bij een bezoek overdag. Indien een object (gebouw of boom) potentie heeft, door bijvoorbeeld open stootvoegen, dan zal een nader onderzoek uit moeten wijzen of de beschermde soorten ook daadwerkelijk gebruik maakt van heb object. En zo ja, welke functie heeft het object. Voor diverse soorten zijn er vastgestelde protocollen waarin de optimale onderzoeksperioden, weersomstandigheden en onderzoeksinspanning staan omschreven. Het bevoegd gezag toetst of de onderzoeken op de correcte wijze zijn uitgevoerd. Vanuit de Provincie of omgevingsdiensten zijn er toezichthouders die ten alle tijden kunnen vragen naar de rapporten van de uitgevoerde onderzoeken. Tevens zijn zij bevoegd om op basis van eigen bevindingen het werk stil te leggen en/of een dwangsom op te leggen indien er gehandeld wordt in strijd met de wet Natuurbescherming. Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden.

Artikel 1.11 Zorgplicht 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten:

7

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

a)

dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel,

b)

indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft

om die gevolgen te voorkomen, of c)

voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan

maakt. Overtreding Wet natuurbescherming Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven.

8

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming Artikelen 2.1 tot en met 2.12 van de Wet natuurbescherming regelen de bescherming van Natura2000gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijn gebieden). Voor Natura2000-gebieden zijn instandhoudingsdoelen opgesteld voor habitats, soorten, broedvogels en/ of niet-broedvogels. In artikel 2.7 verplicht de Wet natuurbescherming om vooraf te beoordelen of ingrepen / activiteiten in of in de nabijheid van Natura2000gebieden significant negatieve effecten kunnen hebben op de voor deze gebieden aangewezen instandhoudingsdoelen. Mocht sprake zijn van (significant) negatieve effecten dan kan het aanvragen van vergunning bij bevoegd gezag (veelal de provincie waarbinnen de ingreep of activiteit plaatsvindt) aan de orde zijn. Soortbescherming Artikelen 3.1 tot en met 3.11 van de Wet natuurbescherming regelen de bescherming van soorten. De bescherming is opgedeeld in vijf categorieën met soorten: •

Vogels met jaarrond beschermde nesten;

•

Overige vogels;

•

Soorten van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I);

•

Overige soorten die op nationaal niveau beschermd zijn en waarvoor provinciaal geen vrijstelling geldt;

•

Overige soorten die op nationaal niveau beschermd zijn, maar waarvoor provinciaal wel een vrijstelling geldt.

Voor vogels geldt dat er twee categorieën zijn: de vogels met jaarrond beschermde nesten (o.a. Huismus, Gierzwaluw en Buizerd) en de overige broedvogels. Vogels met jaarrond beschermde nesten hebben een strikte beschermingsstatus binnen de Wet natuurbescherming. Van overige broedvogels zijn hun nesten alleen tijdens het broedseizoen beschermd zijn (periode van nestbouw, eileg, broeden en voeren van de jongen op het nest). Voor soorten van de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn zijn in artikel 3.5 verboden vastgelegd (o.a. verboden om dieren te doden en voortplantings- of rustplaatsen te vernielen) en geldt een strikte beschermingsstatus. Soorten die op nationaal niveau beschermd zijn, kunnen ingedeeld worden in twee categorieën. Provincies mogen besluiten om bepaalde soorten vrij te stellen van bescherming in het kader van ruimtelijke ingrepen, beheer en onderhoud. In de meeste provincies geldt - onder andere voor ruimtelijke ontwikkelingen - een vrijstelling voor een selectie van zoogdieren en amfibieën. Voor de overige soorten gelden vergelijkbare verboden (zie artikel 3.10) als voor soorten van de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn en geldt eveneens een strikte beschermingsstatus.

Voor het overtreden van verbodsartikelen bij ruimtelijke ingrepen is het noodzakelijk om ontheffing aan te vragen bij bevoegd gezag (veelal de provincie waarbinnen de ingreep plaatsvindt). Voor het verkrijgen van een ontheffing dient een uitgebreide rapportage opgesteld te worden waarin o.a. wordt aangegeven hoe gezorgd wordt dat schade tot een minimum beperkt blijft en of compenserende maatregelen aan de orde zijn.

9

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

Bescherming houtopstanden Een houtopstand beslaat een oppervlakte van 10 are of meer, of bestaat uit een beplanting van twintig bomen of meer in een rij, gerekend over het totaal aantal rijen. Buiten de bescherming houtopstanden (artikel 4.2) vallen de •

Houtopstanden binnen door de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom houtopstanden,

•

Houtopstanden op erven of in tuinen en fruitbomen en windschermen om boomgaarden,

•

Naaldbomen bedoeld als kerstbomen en niet ouder dan twintig jaar en kweekgoed,

•

Uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen en beplantingen langs landbouwgronden (enkele rij)

•

Het dunnen van een houtopstand, Uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa en die:

•

Minimaal eens per tien jaar worden geoogst,

•

Bestaan uit ten minste tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid bestaande uit een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter,

•

Zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Volgens artikel 4.2 is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen zonder daar melding van te doen bij Gedeputeerde Staten. Dit geldt niet voor het periodiek vellen van griend- of hakhout. Binnen drie jaar moet het gevelde deel weer zijn herplant. Vrijstellingen gelden er wanneer het vellen gebeurt middels een goedgekeurde gedragscode of de werkzaamheden voortvloeien uit instandhoudingsdoelstellingen voor Natura2000-gebieden of nodig zijn voor aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen.

10

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wn

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wn

Beschermingsregime andere soorten § 3.3 Wn

Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.

Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantings- plaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.

Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben.

Art 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.

Niet van toepassing.

Niet van toepassing

Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidings- gebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen

Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidings- gebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen

11

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

4.2 Onderzoeksmethode De volgende methoden zijn bij het onderzoek gebruikt: 1.

Door middel van bureauonderzoek is onderzocht welke beschermde flora en fauna in de omgeving van het plangebied recentelijk zijn waargenomen. Hierbij is gebruik gemaakt van waarnemingen uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Op basis van het onderzoek in verspreidingsatlassen en overige beschikbare natuurinformatie is een inschatting gemaakt welke soorten er redelijkerwijs zijn te verwachten in het plangebied.

2.

Op 23 maart 2023 is het plangebied aan de Kar 9 te Klarenbeek door dhr. P. Wiegel bezocht. Daarbij werden de, in het plangebied aanwezige, natuurwaarden geïnventariseerd en beoordeeld. Tijdens dit veldbezoek was het winderig maar droog weer en ongeveer 7 graden Celsius. Er is gekeken naar mogelijke groeiplaatsen dan wel vaste rust- en verblijfplaatsen van de beschermde flora- en fauna. Dit is uitgewerkt in het hoofdstuk soortbescherming.

3.

Er is een visuele inspectie uitgevoerd op aanwezigheid van kieren, holten en spleten (voor zover aanwezig).

4.

De controle is te voet uitgevoerd en waar mogelijk zijn eventuele toegankelijke holtes en spleten verkennend geïnspecteerd (met zaklamp en/of endoscoop).

5.

Bewijslast is verzameld met fotomateriaal.

6.

De ligging van het plangebied ten opzichte van nabijgelegen beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN) werd opgezocht. Dit is uitgewerkt in het hoofdstuk gebiedsbescherming.

7.

In samenspraak met de opdrachtgever is de ingreep in kaart gebracht.

8.

Door middel van een nauwkeurige analyse van deze data en waarnemingen is: a.

bepaald of negatieve effecten op beschermde gebieden op voorhand zijn uit te sluiten of dat hiervoor een aanvullend onderzoek noodzakelijk is,

b.

een inschatting gemaakt van de redelijkerwijs te verwachten negatieve effecten op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten en functies,

c. 9.

bepaald of de bescherming van houtopstanden aan de orde is.

Er is gebruik gemaakt van de volgende hulpmiddelen (zie verantwoording).

10. De opgestelde rapportage is gecontroleerd en beoordeeld door een tweede lezer.

12

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

4.3 Toepasbaarheid Deze QuickScan is gericht op de mogelijke overtreding van de wet natuurbescherming, niet aan andere (natuur)wetgeving. De resultaten van het onderzoek zijn 3 jaar geldig. Dit onderzoek kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen dat natuuronderzoek is verricht. Deze rapportage kan dan ook ingediend worden aan belanghebbende partijen zoals gemeente en provincie. Op basis van in de deze rapportage opgenomen projectgegevens (zie hoofdstuk 3; maart 2023) is dit onderzoek uitgevoerd en een inschatting gemaakt van de effecten hiervan op de beschermde soorten en gebieden. Latere wijzigingen van het project kunnen invloed hebben op deze effecten en zijn dus niet opgenomen in deze rapportage. Er zal dan een nieuwe beoordeling plaats moeten vinden. Deze verstrekte natuurinformatie is ten behoeve van de initiatief- en ontwerpfase van de planontwikkeling. Om in de uitvoerings- en beheerfase overtreding van de wet natuurbescherming te voorkomen, wordt – indien nodig- in deze rapportage aangegeven wanneer het noodzakelijk is om te werken volgens één van de volgende standaarden: •

Algemeen zorgvuldig handelen

•

Gedragscode ruimtelijke ontwikkeling

•

Ecologisch werkprotocol

•

Ontheffing/vergunning wet natuurbescherming

13

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

5. Gebiedsbescherming 5.1 Natura2000 In Europa is een netwerk van beschermde gebieden opgezet. Dit zijn de zogenoemde Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn in de Wet natuurbescherming strikt beschermd. Volgens de Wet natuurbescherming is het volgens artikel 2.7 lid 2 verboden zonder vergunning projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Dit geldt ook voor projecten die fysiek buiten het Natura 2000-gebied gelegen zijn maar wel een effect kunnen hebben op het gebied (externe werking). Het plangebied ligt op een afstand van 6.78 km van het N2000 gebied de Veluwe (figuur 2).

Figuur 2 – Natura2000 gebied Veluwe (6.7 km)

U kunt te maken hebben met de zogenoemde externe werking van het Natura 2000-gebied. U moet daarbij bijvoorbeeld denken aan mogelijke effecten op de waterhuishouding, uitstoot van stikstof of effecten die het gevolg zijn van een groot project zoals aanleg van windmolens, zandwinning, een woonwijk of industrie. Het plangebied is gelegen op een afstand van 6.78 kilometer van N2000-gebied de Veluwe.

14

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

De Veluwe bestaat overwegend uit droge bossen, droge en natte heide, vennen en stuifzanden. In de voorlaatste ijstijd duwden de ijslobben van het landijs enorme hoeveelheden door de rivieren aangevoerd zand en grond voor zich uit en opzij en vormden zo de stuwwallen. Hoewel de hoogteverschillen sindsdien door wind en water zijn afgevlakt, reiken de hoogste delen van de Veluwe tot ruim 100 m boven NAP. Tot 1900 was de Noord-Veluwe één uitgestrekt stuifzandgebied. Tegenwoordig is er in totaal nog 1400 hectare stuifzand op de Veluwe. Bij Kootwijk is één van de grootste actieve stuifzandgebieden van Europa. Plaatselijk komen in de heiden natte (o.a. Leemputten bij Staverden) of droge (o.a. Harskamp) heischrale graslanden, jeneverbesstruwelen, vennen, natte heide en hoogveenkernen (Mosterdveen) voor. In het beekdal van de Hierdense en Staverdense Beek worden schraallanden aangetroffen. Langs de randen van de Veluwe ontspringen de (sprengen)beken, waar beekvegetaties en zeer plaatselijk bronbossen voorkomen. Conclusie N2000 Gezien de aard van de ingreep en de afstand tot N2000 wordt geen verstoring verwacht op de doelstellingen van het betreffende gebied.

5.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • • • • •

Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; Alle Natura 2000-gebieden.

Conclusie Natuurnetwerk Nederland Aangezien het plangebied is gelegen buiten het NNN van Gelderland en het NNN in Gelderland geen externe werking kent, is nadere toetsing niet aan de orde. Natuurnetwerk Nederland

15

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

Groene Ontwikkelingszone Een nieuwe ontwikkeling in de Groene Ontwikkelingszone is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat. Deze onderbouwing dient te worden vastgelegd in een versterkingsplan. Tevens ligt er een versterkingsopgave in de Omgevingsverordening Gelderland. Vanwege de ligging van het plangebied vereist dit geen nadere uitwerking.

16

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

5.3 Stikstofdepositie Door de uitspraak van de Raad van State inzake het Programma Aanpak Stikstof kan er geen beroep gedaan worden op de oude regeling PAS. Citaat uit de kamerbrief van 11 juni 2019: ‘Het is duidelijk dat het PAS niet meer gebruikt kan worden als passende beoordeling voor toestemmingsverlening. Dat wil niet zeggen dat alle vergunningverlening daarmee helemaal stil komt te liggen. Met een individuele passende beoordeling die voldoet aan de randvoorwaarden die de Afdeling schetst is dit wel mogelijk. Als gevolg van de uitspraak geldt als voorwaarde bij toestemmingsverlening dat zodanige maatregelen moeten worden getroffen dat verzekerd is dat de stikstofdepositie op daarvoor gevoelige Natura 2000gebieden niet toeneemt. Dat kan door maatregelen verbonden aan de activiteit zelf (intern salderen), of – onder strikte voorwaarden – door saldering met de effecten van beëindiging of beperking van andere activiteiten (extern salderen). Individuele toestemmingsverlening is ook mogelijk op basis van een andere ecologische onderbouwing waaruit blijkt dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende Natura 2000gebied niet worden aangetast, ondanks een toename van stikstofdepositie van het betreffende project. Het is aan het betreffende bevoegde gezag om hierover te oordelen. Hierbij is aandacht voor een eenduidige handelwijze tussen de bevoegde gezagen.

Wanneer uit een individuele passende beoordeling niet de vereiste zekerheid kan worden verkregen dat er geen sprake is van aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied, zal alleen toestemming kunnen worden verleend aan de hand van de ADCtoets. Een toestemming op basis van de ADC-toets kan alleen worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: er zijn geen alternatieve oplossingen (A), het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang (met inbegrip van redenen van sociale of economische aard) (D), en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura-2000 bewaard blijft (C). Het resultaat van de compensatie moet in beginsel bereikt zijn op het moment waarop het betrokken gebied schade van het project ondervindt.’ (einde citaat) De afstand tot depositiegevoelige Natura 2000-gebieden (inclusief habitatsoorten) is 6.78 kilometer. Het gaat hier om het Natura2000 gebied de Veluwe. Er zijn instandhoudingsdoelstellingen voor stikstofgevoelige habitattypen of soorten met stikstofgevoelig leefgebied vast gesteld voor het Natura2000 gebied de Veluwe. Gezien de afstand tot het N2000 gebied in relatie tot de geplande ontwikkelingen wordt geen toename aan stikstofdepositie verwacht..

Advies / conclusie Sinds de uitspraak van de Raad van State is het noodzakelijk om aan te tonen dat de geplande ontwikkeling geen effect heeft op beschermde natuur. Er zal een stikstofberekening voor de sloop- en aanlegfase uitgevoerd moeten worden.

17

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

6. Soortbescherming De wet natuurbescherming kent twee vormen van soortbescherming voor ruimtelijke ontwikkeling gekoppeld aan de juridische status van de soorten: • •

Algemene zorgplicht Zorgvuldig handelen

Algemene zorgplicht Heb respect voor alle wilde flora en fauna en tracht het doden, verontrusten en beschadigen van aanwezige soorten te voorkomen of, indien voorkomen in redelijkheid niet mogelijk is, dit zo veel mogelijk te beperken. Zorgvuldig handelen Deze vorm van soortbescherming is gekoppeld aan soorten met een juridisch beschermde status. Er dient invulling te worden gegeven aan zorgvuldig handelen tijdens de uitvoering van werken die vallen onder ruimtelijke ontwikkeling. Zorgvuldig handelen betreft: 1.

Voorkomen dat schade optreedt aan beschermde planten en dieren (bijvoorbeeld andere projectlocatie kiezen).

2.

Beperken van schade aan beschermde planten en dieren (bijvoorbeeld beschermingszone hanteren rondom een bewoond vogelnest of verplaatsen beschermde planten).

3.

Ongedaan maken van schade aan beschermde planten en dieren:

Preventief: alternatieve verblijfplaats (mitigerende maatregelen) realiseren voordat het werk uitgevoerd wordt (bijvoorbeeld aanleg van een poel voor de gewone pad). Achteraf: opgelegd door het bevoegd gezag indien onzorgvuldig is gehandeld.

6.1 Flora Toetsing aan gebiedsbescherming vindt uitsluitend plaats indien beschermde gebieden in het geding zijn, terwijl toetsing aan de soortbescherming altijd vereist is, zowel binnen als buiten beschermde gebieden. Bevinding veldbezoek Het perceel en de te slopen opstal is nauwkeurig onderzocht op inheemse en uitheemse beschermde vegetatie. Er zijn geen (groeiplaatsen van) beschermde soorten aangetroffen. Ook de geraadpleegde databanken geven geen aanwijzingen naar beschermde soorten op de projectlocatie.

18

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

6.2 Fauna Bureaustudie geeft, op basis van data uit het NDFF, aanleiding om de in de omgeving (<2 km) voorkomende soorten ecologisch onderbouwd nader te beoordelen. Habitatgeschiktheid en waarnemingen van aanwezigheidsaanwijzingen zullen bepalend zijn om een nader onderzoek te adviseren om vast te stellen of uit te sluiten of het plangebied een functie heeft voor deze soorten en wat de ingreep voor effect heeft. Binnen een straal van 2 km komen volgens het NDFF de volgende soorten voor (NDFF 2019-2022): Zoogdieren:

Haas en woelrat

Op de planlocatie is bebouwing aanwezig in de vorm van een loods. De opstal is vrij van holten en kieren. De schuur is bedekt met een golfplaten dak zonder dakbeschot. Er is geen mogelijkheid voor de huismus om zich te vestigen in de schuur. Vanwege het ontbreken van een geschikt pannendak kunnen wij redelijkerwijs uitsluiten dat de opstal dient als vaste rust- en verblijfplaats of nestlocatie voor de huismus. Het habitat is ongeschikt vanwege het ontbreken van groenblijvende struiken, heesters en water. De directe omgeving rondom de planlocatie heeft wel opties en de omgeving vele alternatieven voor de huismus. De ingreep heeft geen invloed op het habitat of nestplaatsen van de huismus. Een nader onderzoek naar de huismus is niet noodzakelijk. Gedurende het veldbezoek zijn individuen, nesten en/of sporen niet aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2019- 2022). De gierzwaluw maakt ook gebruik van menselijke bebouwing als nestplaats. Deze 90- dagenvogel broedt veelal onder dakpannen. Een aantal voorwaarden stelt de gierzwaluw aan zijn nestplaats (kolonie).

Een potentiële nestplaats is vrijwel nooit onder de 3 meter te vinden in verband met het aan- en afvliegen en doorgaans ook niet in de onmiddellijke omgeving van bomen. Gierzwaluwen hebben invliegopeningen nodig van ca 55 x 20 mm. Het is onmogelijk dat de gierzwaluw broedt in de aanwezige opstal vanwege het ontbreken van kieren, holten en/of een geschikt (pannen)dak. Ook het karakter van de omgeving (natuurrijk) geniet geen voorkeur voor de gierzwaluw. Sporen of uitwerpselen zijn niet aangetroffen. Van de vogels uit categorie 5 (zie tabel 3) kunnen in de omgeving worden verwacht: vink (Fringillidae), pimpelmees (Cyanistes caeruleus), koolmees (Parus major), ekster (Pica pica) kokmeeuw (Chroicocephalus ridibundus), en spreeuw (Sturnus vulgaris). Wat betreft de spreeuw kan er buiten het broedseizoen worden geveld omdat dit soort een soort is dat makkelijk uitwijkt naar alternatieve verblijfplaatsen (doorgaans gebouwen). Hiernaast kunnen binnen het plangebied zangvogels aanwezig zijn die in tuinen en landelijk gebied broeden zoals de merel (Turdus merula), heggenmus (Prunella modularis) en winterkoning (Troglodytes troglodytes) en overige vogels die broeden in gebouwen onder bijvoorbeeld dakpannen, zoals de kauw (Coloeus monedula). De bomen in de directe nabijheid zijn in goede conditie en hebben geen kieren, holten of (scheur)spleten.

Spechten of holtebroeders zullen niet verstoord worden vanwege de ruime afstand tussen de werkzaamheden, het huidige gebruik van de planlocatie (gewenning aan menselijke activiteit). Weliswaar dat de begroeiing geschikt als nestgelegenheid voor algemene soorten, echter zonder jaarrond beschermd nest. Er geen sporen aangetroffen van uilen of roofvogels die duiden op het gebruik van de opstallen als verblijfplaatsen en het omliggende terrein als foerageergebied (o.a. braakballen, prooiresten, geplukte vogels, zitplaatsen met uitwerpselen/krijtsporen). Weliswaar dat de nabijgelegen omgeving ten noorden van het

19

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

plangebied, de rommelige erven en de toegankelijke schuren in de omgeving een geschikt habitat is voor de steenuil. Volgens NDFF komt de steenuil ook voor in deze (ruime) omgeving. Met de planontwikkeling gaan er geen nest- of rustplaatsen van de steenuil verloren. Volgens het kennisdocument steenuil (BIJ12) verblijft de steenuil graag nabij of in zijn nest en gebruikt deze jaarrond als vaste rust- en verblijfplaats (categorie 1). Een nader onderzoek steenuil is niet noodzakelijk. Ook de kerkuil komt voor in de omgeving (5 km-cohort), maar daar zijn eveneens geen aanwijzingen voor gevonden dat deze op de planlocatie een verblijfplaats heeft. Het foerageergebied blijft voor beide soorten in stand. Sporen van uilen, zoals braakballen en meststrepen zijn niet gevonden. Het voorkomen van vogels zoals genoemd in de verdragen van Bonn en Bern kan niet worden uitgesloten. Deze soorten vallen zowel onder het beschermingsregime Vogelrichtlijn als het beschermingsregime Habitatrichtlijn. Voor deze soorten geldt dat ze niet opzettelijk mogen worden verstoord, ongeacht hun staat van instandhouding. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren.

Voor werkzaamheden met schadelijke effecten op broedvogels wordt veelal geen ontheffing verleend, omdat het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen over het algemeen een goed alternatief vormt. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Voor de meeste soorten kan de periode tussen half maart en eind juli worden aangehouden als broedseizoen. Nesten, horsten en holten zijn niet aangetroffen. Advies / conclusie Ten aanzien van vogels worden geen nadere onderzoeken noodzakelijk geacht

20

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

Jaarrond beschermde nesten In onderstaande tabel (volgende pagina) zijn opgenomen de nesten welke door de wetgever jaarrond beschermd zijn. Geen van deze nesten zijn aangetroffen.

Nederlandse naam

Bescherming

Nederlandse naam

Bescherming

Nederlandse naam

Bescherming

Steenuil

Categorie 1

Blauwe reiger

Categorie 5

Kleine vliegenvanger

Categorie 5

Gierzwaluw

Categorie 2

Boerenzwaluw

Categorie 5

Koolmees

Categorie 5 Categorie 5

Huismus

Categorie 2

Bonte vliegenvanger

Categorie 5

Kortsnavelboomkruip er

Roek

Categorie 2

Boomklever

Categorie 5

Oeverzwaluw

Categorie 5

Grote gele kwikstaart

Categorie 3

Boomkruiper

Categorie 5

Pimpelmees

Categorie 5

Kerkuil

Categorie 3

Bosuil

Categorie 5

Raaf

Categorie 5

Oehoe

Categorie 3

Brilduiker

Categorie 5

Ruigpootuil

Categorie 5

Ooievaar

Categorie 3

Draaihals

Categorie 5

Spreeuw

Categorie 5

Slechtvalk

Categorie 3

Eidereend

Categorie 5

Tapuit

Categorie 5

Boomvalk

Categorie 4

Ekster

Categorie 5

Torenvalk

Categorie 5

Buizerd

Categorie 4

Gekraagde roodstaart

Categorie 5

Zeearend

Categorie 5

Havik

Categorie 4

Glanskop

Categorie 5

Zwarte kraai

Categorie 5

Ransuil

Categorie 4

Grauwe vliegenvanger

Categorie 5

Zwarte mees

Categorie 5

Sperwer

Categorie 4

Groene specht

Categorie 5

Zwarte roodstaart

Categorie 5

Wespendief

Categorie 4

IJsvogel

Categorie 5

Zwarte specht

Categorie 5

Zwarte wouw

Categorie 4

Kleine bonte specht

Categorie 5

Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming het gehele seizoen: Categorie 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil). Categorie 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus). Categorie 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk). Categorie 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil). Categorie 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.

Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Indien dit het geval is, is een omgevingscheck benodigd.

21

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

Vleermuizen Het leefgebied van beschermde vleermuizen (artikel 3.5 Habitatrichtlijn bijlage IV) bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. In de toelichting vleermuizen (volgende pagina) worden deze onderdelen nader toegelicht. Verblijfplaatsen voor vleermuizen moeten voldoen aan een geschikt microklimaat: temperatuur, verschillende temperaturen binnen één object (gradiënten), snelheid van opwarmen of afkoelen (bufferwaarde) en vochtigheid. Essentieel is dat de verblijfplaats tochtvrij is in verband met de temperatuurregulatie en het voorkomen van uitdroging in de winter. Winterverblijven moeten daarnaast grotendeels vorstvrij zijn. Vleermuizen zijn gevoelig voor licht. Bij een verblijfplaats wordt dan ook niet vaak een lichtbron gevonden. De toegang tot de verblijfplaats, de in- en uitvliegopeningen en de aanvliegroute moet vrij van obstakels zijn. Zoals reeds eerder is beschreven is de opstal op de planlocatie opgetrokken uit metselwerk en heeft het een ontoegankelijk pannendak. Er zijn geen open stootvoegen waardoor de mogelijkheid er niet is dat vleermuizen gebruik maken van de planlocatie als verblijfplaats. De aansluiting met het dak is niet vrij van holten en kieren , maar in dusdanige staat dat er veel tocht en vocht is waardoor er geen kans is dat vleermuizen de opstal in gebruik hebben als verblijfplaats.

Sporen van vleermuizen zijn niet aangetroffen. Een nader onderzoek is niet noodzakelijk (zie fotoverantwoording). De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat hetgeen niet het geval is bij de vervallen opstallen. Nabij en op de planlocatie zijn geen bomen aanwezig met vleermuispotentie. Hierbij kan gedacht worden aan holten en loshangende schors hetgeen niet aanwezig is op de planlocatie. Eventueel aanwezige soorten zullen geen hinder ondervinden van de geplande ontwikkeling en er zullen geen verblijfplaatsen verloren gaan vanwege eerder genoemde redenen. Schade op onmisbare vliegroutes en foerageergebieden, verblijfplaatsen van vleermuizen kan mogelijk ontstaan wanneer de lijnelementen verdwijnen uit het landschap. Nabij de planlocatie zijn deze lijnelementen aanwezig. Hiertussen staan ook bomen met holten welke in potentie een verblijfplaats kan zijn voor de vleermuis.

Aangezien deze bomenrijen buiten het plangebied liggen is er in het onderzoek van uit gegaan dat deze intact blijven. Het foerageergebied blijft intact. Een nader onderzoek naar foerageergebied en vliegroutes is niet noodzakelijk. Het biotoop en habitat laat zich het beste omschrijven door landelijke omgeving. Advies / conclusie Nader onderzoek naar vleermuizen wordt niet noodzakelijk geacht.

22

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

Toelichting vleermuizen Verblijfplaats Een object (gebouw, boom, bunker, grot, kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of ’s winters, met enige regelmaat). Zomerverblijfplaats: Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. Kraamverblijfplaats Een verblijfplaats van een kraamgroep met vrouwtjes met jongen. Paar(verblijf)plaats Een verblijfplaats of de omgeving daarvan, waar ten minste een baltsend mannetje of meerdere vleermuizen overdag verblijven en paren of komen zwermen. Welk gedrag is waar te nemen, is afhankelijk van de soort. Te herkennen aan zwermgedrag en/of baltsroepen. (Zwermen bij het invliegen komt bij meer verblijfsfuncties voor.) Winterverblijfplaats Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan. Het betreft bij soorten die jaarrond in hun leefgebied blijven nogal eens een voormalige paarplaats of een andere verblijfplaats.

Er

zijn

bij

soorten

als

gewone

dwergvleermuis

massa

winterverblijfplaatsen

en

winterverblijfplaatsen voor kleinere groepen te onderscheiden. Vliegroute Een vaste route van een vleermuis of een groep van vleermuizen vanaf een verblijfplaats naar een foerageergebied of tussen verblijfplaatsen visa versa. Migratieroute Een vaste route van zomerleefgebied naar winterverblijfplaats of winterleefgebied en visa versa. Foerageergebied Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert.

23

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

Overige zoogdieren Soorten van Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn Tijdens het veldbezoek zijn geen vaste verblijfplaatsen van overige zoogdieren die zijn opgenomen op Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn aangetroffen. Bever en otter In het plangebied zijn geen sporen van de otter (Lutra lutra) of bever (Castor fiber) aangetroffen. Het voorkomen van beide soorten kan hiermee redelijkerwijs worden uitgesloten. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Vanwege het waterarme karakter van het plangebied is het habitat voor deze soort ongeschikt. Hamster, hazelmuis en noordse woelmuis Het verspreidingsgebied van de hamster (Cricetus cricetus) en hazelmuis (Muscardinus avellanarius) is beperkt tot Zuid-Limburg. Voor de noordse woelmuis (Microtus oeconomus) geldt dat deze soort een zeer natte, kruidenrijke vegetatie behoeft en dat de verspreiding zich beperkt tot de lage, natte delen van Nederland. Derhalve kan worden gesteld dat binnen het plangebied geen van de genoemde soorten voorkomen. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Slaapmuizen Het verspreidingsgebied van de eikelmuis (Eliomys quercinus) beperkt zich tot specifieke gebieden in ZuidLimburg. De soort kan voor het plangebied worden uitgesloten.

In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Ware muizen Het verspreidingsgebied van de grote bosmuis (Apodemus flavicollis) beperkt zich tot de oostgrens van Nederland en ligt ver buiten het plangebied. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Voor de overige ware muizen geldt dat zij door de provincie Gelderland voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. Spitsmuizen Het verspreidingsgebied van de veldspitsmuis (Crocidura leucodon) betreft Twente en Zeeuws-Vlaanderen en ligt derhalve buiten het plangebied. De waterspitsmuis (Neomys fodiens) is gebonden aan schone wateren met een rijke oevervegetatie. Derhalve kan worden gesteld dat beide soorten niet in het plangebied voorkomen. Voor de overige spitsmuizen geldt dat zij door de provincie Gelderland voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Woelmuizen De verspreiding van de molmuis (Arvicola scherman) is beperkt tot Limburg. Sporen zijn van deze soort niet aangetroffen. De planlocatie leent zich dan ook niet voor deze soort. De overige onder dit beschermingsregime vallende woelmuizen zijn door de provincie Gelderland voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming.

In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied.

24

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

Eekhoorn Tijdens het veldbezoek werden geen nesten van de eekhoorn (Sciurus vulgaris) of knaagsporen aangetroffen. De bomen nabij het plangebied zijn onderzocht. Het plangebied vertoont dan ook geen essentiële functie voor de eekhoorn. In de diverse databases zijn er geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Haasachtigen, egel en vos Deze soorten zijn door de provincie Gelderland voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. Marterachtigen De steenmarter is verspreid rond de planlocatie waargenomen, voornamelijk rond een recreatiepark op circa 400m afstand van de planlocatie. De planlocatie biedt mogelijk geschikt leefgebied voor de steenmarter. Gezien er geen bomen gekapt worden is er geen afname van functioneel leefgebied. Daarnaast zijn er geen sporen als krabsporen bij openingen, prooiresten of uitwerpselen aangetroffen. De planlocatie biedt derhalve geen vaste rust- of voortplantingsplaats. Het is niet uitgesloten dat de steenmarter op de planlocatie voorkomt. Het plangebied heeft geen vaste rust-of verblijfplaatsen. Overige soorten De in Nederland voorkomende zoogdieren betreffen of zeezoogdieren of slechts zelden in Limburgse bossen waargenomen soorten (de wilde kat (Felis silvestris) en lynx (Lynx lynx) en de in Nederland gevestigde wolf (Canis lupus)) ofwel in het bos of open veld levende grote hoefdieren.

Derhalve kan worden gesteld dat binnen het plangebied geen overige zoogdieren voorkomen. In de diverse databases zijn wel verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied (het ree: capreolus capreolus). Reptielen en amfibieën en vissen Het plangebied ligt buiten het bereik van beschermde reptielen en amfibieën. De kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris), gewone pad (Bufo bufo), bruine kikker (Rana temporaria), bastaardkikker (Pelophylax esculentus) en meerkikker (Pelophylax ridibundus) zijn door de provincies voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. De effectafstanden en invloeden van genoemde soorten zijn dus irrelevant. De ingreep heeft geen invloed op het habitat van deze soorten. De beschermde vissen zijn rivieroptrekkende zoutwater soorten die niet of nauwelijks in Nederland worden aangetroffen. De beekdonderpad (Cottus rhenanus), beekprik (Lampetra planeri), elrits (Phoxinus phoxinus) en gestippelde alver (Alburnoides bipunctatus) zijn soorten van schone heldere continu stromende beken en zijn (grotendeels) beperkt tot de provincie Limburg. De beekprik komt ook elders op de hogere zandgronden voor en van de elrits bevindt zich een geïsoleerde populatie op de Veluwe. De kwabaal (Lota lota) is een soort van grote wateren en riviertjes. Dergelijke leefgebieden komen in het plangebied ook niet voor.

Derhalve kan worden gesteld dat in het plangebied geen onder dit beschermingsregime voorkomende vissen te verwachten zijn. De ingreep heeft geen invloed op het habitat van deze soorten. Vlinders en libellen In het plangebied komen geen voedselarme wateren of vegetaties voor die geschikt zijn als leefgebied voor onder dit beschermingsregime vallende libellen en dagvlinders. Het voorkomen van deze libellen en vlinders kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied.

25

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

Overige ongewervelden Het oeveraas (Palingenia longicauda), de juchtleerkever (Osmoderma eremita) en Bataafse stroommossel (Unio crassus) zijn uit Nederland verdwenen. Van de vermiljoenkever (Cucujus cinnaberinus) is slechts een populatie nabij Maarheeze (Noord-Brabant) bekend. Omdat veensloten en vennen met schoon water ontbreken in het plangebied kan het voorkomen van andere overige ongewervelden redelijkerwijs worden uitgesloten. Het plangebied bevindt zich buiten het bekende verspreidingsgebied van de Europese rivierkreeft (Astacus astacus) en het vliegend hert (Lucanus cervus). In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied.

26

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

6.3 Houtopstanden Op de planlocatie worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming. Overtreding op dit onderdeel Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Hoofdstuk 4 in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van houtopstanden. Een bij wet beschermde houtopstand betreft een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend buiten de bebouwde kom, die een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Voor het kappen (van een deel) van een beschermde houtopstand geldt meld- (artikel 4.2) en herplantplicht (artikel 4.3). Er geldt een verbod op de kap als het voornemen daartoe niet (maximaal een jaar en minimaal een maand) vooraf is gemeld bij bevoegd gezag. Binnen drie jaar moet dezelfde grond op bosbouwkundig verantwoorde wijze zijn herbeplant. De gemeenteraad stelt de grens bebouwde kom Wet natuurbescherming vast. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Provinciale staten kunnen in de provinciale verordening regels opnemen over de melding en de herplant, zoals herplant op andere gronden dan waar de (deels) gevelde opstand stond. Deze regel geldt niet voor : 1.

Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom;

2.

Houtopstanden op erven of in tuinen;

3.

Fruitbomen en windschermen om boomgaarden;

4.

Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar;

5.

Kweekgoed;

6.

Uit populieren of wilgen bestaande: a.

Wegbeplantingen;

b.

Beplantingen langs waterwegen, en

c.

Eenrijige beplantingen langs landbouwgronden;

7.

Het dunnen van een houtopstand;

8.

Uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: a.

Ten minste eens per tien jaar worden geoogst;

b.

Bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en

c.

Zijn aangelegd na 1 januari 2013.

27

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

Verantwoording Literatuur / bronnen •

Wet Natuurbescherming

•

Omgevingsverordening

•

Fauna inventarisatie, Rik Schoon

•

150416_Rapport_Effectafstanden_Natura_2000.pdf

Materiaal •

Camera

•

Zaklamp

•

Thermometer

•

Windmeter

•

Verrekijker

•

Endoscoop

•

Ladder (5 meter)

•

Uv lamp

Internet •

www.rvo.nl

•

www.bij12.nl

•

wwww.verspreidingsatlas.nl

•

www.zoogdiervereniging.nl

•

www.ndff.nl

•

www.synbiosys.alterra.nl/natura2000

•

https://atlasnatuurlijkkapitaal.nl/kaarten

•

www.natura2000.nl

•

https://www.infomil.nl

28

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

Bijlagen Groningen

Friesland

Drenthe

Overijssel

Flevoland

Gelderlan d Utrecht

NoordBrabant

ZuidHolland

Zeeland

NoordHolland

Limburg

Ministerie EZ(AmvB RN art. 3.31)

Vrijgestelde soorten per provincie

Aardmuis

Microtus agrestis

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Bosmuis

Apodemus sylvaticus

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Bunzing

Mustela putorius

x5

x

x

x

Dwergmuis

Micromys minutus

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Dwergspitsmuis

Sorex minutus

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Egel

Erinaceus europaeus

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Eekhoorn

Sciurus vulgaris

Gewone bosspitsmuis

Sorex araneus

Haas Hermelijn Huisspitsmuis*

Crocidura russula

Konijn

Oryctolagus cuniculus

Molmuis

Arvicola scherman

Ondergrondse woelmuis

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam Zoogdieren

x

x

x x

x

x

x

x

x

x

x

x

Lepus europeus

x

x

x

x

x

x

x

x

Mustela erminea

x5

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Pitymys subterraneus

x

x

x

x

x

Ree

Capreolus capreolus

x

x

x

x

x

Rosse woelmuis

Clethrionomys glareolus

x

x

x

x

Steenmarter

Martes foina

Tweekleurige bosspitsmuis

Sorex coronatus

x

x

x

Veldmuis*

Microtus arvalis

x

x

Vos

Vulpes vulpes

x

Wezel

Mustela nivalis

x

Wild zwijn

Sus scrofa

Woelrat

Sus scrofa

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x5

x

x

x

x

x

x2

x

x x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Amfibieën en reptielen Bruine kikker

Rana temporaria

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Gewone pad

Bufo bufo

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Hazelworm

Anguis fragilis

Kleine watersalamander

Lissotriton vulgaris

Levendbarende hagedis

Zootoca vivipara

Meerkikker

Pelophylax ridibundus Pelophylax klepton esculentus

Middelste groene kikker / bastaardkikker

x3 x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x4 x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

29

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

30

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

31

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

32

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

33

QUICKSCAN 50510 – DE KAR 9 KLARENBEEK

Disclaimer Deze rapportage is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven. Niets uit deze rapportage mag, met uitzondering van de opdrachtgever, worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, kopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van Ecofect B.V., noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecofect B.V. is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere gegevens verkregen. De opdrachtgever vrijwaart Ecofect B.V. voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is, kan de aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie. © 2023 Ecofect B.V.; Nunspeet

34

De Kar 9 Klarenbeek

Bijlage 3 Watertoets

51

Digitale Watertoets

Digitale watertoets De watertoets helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toetsen of u de belangen van het Waterschap raakt. Indien dit het geval is krijgt u tekst en uitleg over het vervolg proces.

Op basis van de check is onderstaande nodig 1. normale procedure 2. Advies Algemeen 3. Advies leggerwatergang

Op basis van onderstaande locatie

10-05-2023 09:08

1

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets

Vragen en antwoorden uit de check Gaat het om een ruimtelijk plan dat uitsluitend een functiewijziging betreft van bestaande bebouwing zonder fysieke aanpassing van bebouwing en ruimte?

nee

Wordt er in de huidige situatie wateroverlast ervaren binnen het plangebied?

nee

Gaat u verhard oppervlak toevoegen?

nee

Raakt het plangebied een A of B watergang?

ja

Raakt het plangebied een riooltransportleiding?

nee

Raakt het plangebied een waterbergingsgebied?

nee

Raakt het plangebied een waterkering?

nee

Raakt het plangebied een grondwaterbeschermingsgebied?

nee

Raakt het plangebied de grondwaterfluctuatiezone?

nee

Raakt het plangebied "natuurwateren" (voorheen wateren met HEN- of SED-functie)?

nee

Raakt het plangebied een KRW-waterlichaam?

nee

10-05-2023 09:08

2

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets

Details 1. normale procedure Wat moet ik doen? Uw plan heeft invloed op het watersysteem, waterkeringen en/of afvalwaterketen. Het waterschap wil graag met u overleggen wat deze invloed is en welke maatregelen wellicht genomen kunnen worden in uw plan. Wij streven ernaar binnen twee weken contact met u op te nemen om nadere afspraken te maken en advies te geven. Als u eerder een afspraak wilt maken, dan kunt u contact met ons opnemen via het algemene nummer (055-5272911) en vragen naar de planadviseur voor de gemeente waarin uw plan zich bevindt.

In het overleg tussen u en het waterschap worden afspraken gemaakt over het borgen van de waterbelangen in uw plan. Het is van belang dat u de uitkomsten van het overleg en de gemaakte afspraken vastlegt in de ruimtelijke onderbouwing van uw plan. Waar nodig vraagt het ook om verwerking op de verbeelding en/of in de regels. Dit zal blijken uit het overleg met het waterschap. De waterparagraaf dient in ieder geval een beschrijving van de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige situatie te bevatten waarbij de relevante wateraspecten worden beschreven. Daarnaast dienen bij een bestemmingsplan de primaire watergangen, waterkeringen, riooltransportleidingen en waterbergingsgebieden op de verbeelding bij het bestemmingsplan zichtbaar te zijn.

LET OP: het invullen van de digitale watertoets is geen aanvraag voor een watervergunning. De uitkomsten van de digitale watertoets zijn bedoeld voor de (ruimtelijke) planvormingfase. Eventueel benodigde vergunningen worden niet binnen de watertoetsprocedure of met deze Digitale Watertoets geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Een watervergunning van het waterschap is bijvoorbeeld nodig voor het dempen en/of vergraven van watergangen, het lozen van water op oppervlaktewater en het onttrekken van grondwater. Informatie over een watervergunning kunt u vinden op de website van het waterschap (https:// www.vallei-veluwe.nl/toptaken/vergunning-aanvragen/). Op www.omgevingsloket.nl kunt u een watervergunning aanvragen.

Dien deze aanvraag in door op de knop "DIRECT AANVRAGEN" te drukken. Hiervoor is een eenmalige registratie benodigd. Het waterschap ontvangt dan een afschift van deze aanvraag.

Waar moet ik op letten? U dient deze aanvraag in te dienen door op de knop "DIRECT AANVRAGEN" te drukken. Als u dit niet doet, wordt de aanvraag niet doorgezet naar het waterschap en zijn wij nog niet op de hoogte van uw plan.

U dient afstemming te hebben met het waterschap. Hier wordt bepaald welke invloed uw plan heeft en welke maatregelen genomen moeten worden. De uitkomsten van de afstemming dient u op te nemen in uw plan en de maatregelen moeten hierin opgenomen worden.

Met deze watertoets is uw plan naast het beleid van het waterschap gelegd. Hieruit is de conclusie naar voren gekomen dat het plan invloed heeft op de waterhuishouding en/of de afvalwaterketen. Deze beoordeling heeft plaats gevonden vanuit het beleid van het waterschap. Voor het waterschap leidt een toename van verharding alleen tot een watercompensatieopgave (noodzaak tot waterberging) als er een toename is van 1500 m2 of meer. Een groot aantal gemeenten stelt ook eisen bij de reasliatie van nieuw verhard oppervlak of bij herontwikkeling van bestaand verhard gebied. Het kan dan ook zijn dat de gemeente wel/ook eisen aan uw plan stelt. Het is van belang om dit na te vragen bij de betreffende gemeente.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13795837/2