Bijlage 17 - archeologie zuid (2021-58204)
Tekst van het document
ARCHEOLOGISCH VERKENNEND BOORONDERZOEK BINNENWEG TE WILP GEMEENTE VOORST
archeologisch verkennend booronderzoek Binnenweg te Wilp Opdrachtgever
Nikkels projecten Zuiderlaan 1 7391 TZ Twello
Rapportnummer
7582.002
Versienummer1
2
Datum
10 april 2020
Vestiging
Overijssel Wilhelm Röntgenstraat 7a 8013 NE Zwolle 088 - 5001600 zwolle@econsultancy.nl
Opsteller
drs. J. Holl
Paraaf
Kwaliteitscontrole
drs. A.H. Schutte
Paraaf
© Econsultancy bv, Zwolle Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1
Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode
7582.002
Toponiem
Binnenweg
Opdrachtgever
Nikkels projecten
Gemeente
Voorst
Plaats
Wilp
Provincie
Gelderland
Kadastrale gegevens
gemeente Wilp, sectie C, nummers 1532, 1647, 1664 en 1706
Omvang plangebied
circa 1,4 ha
Kaartblad
33 E (1:25.000)
Coördinaten centrum plangebied
X: 206.930/Y: 469.970
Bevoegde overheid
Gemeente Voorst H.W. Lordensweg 17 7391 KA Twello
gemeente@voorst.nl (0571) 27 99 11
Deskundige namens de bevoegde overheid
Gemeente Apeldoorn Postbus 9033 7300ES Apeldoorn
dhr. H.G. Pape-Luijten Regio-archeoloog Stedendriehoek 06 11 70 72 00 h.pape@apeldoorn.nl
ARCHIS3
4811427100
Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)
Archeoregio NOaA
Utrechts-Gelders zandgebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Zwolle/ Provinciaal Archeologisch Depot Gelderland
Uitvoerder
Econsultancy, drs. J. Holl
Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Econsultancy Archeologisch Rapport
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Nikkels projecten een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Binnenweg te Wilp in de gemeente Voorst. De initiatiefnemer heeft het plan om woningbouw te realiseren. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Resultaten vooronderzoek Op basis van de eerder in het plangebied uitgevoerde onderzoeken werden in het plangebied archeologische resten verwacht uit de periode Paleolithicum – Nieuwe tijd. Resten tot in de Late Middeleeuwen werden verwacht in de top van het dekzand, dat op basis van de vooronderzoeken op een diepte variërend van 30 tot 60 cm -mv, eventueel afgedekt met een plaggendek of een pakket dijkdoorbraakafzettingen. Resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd werden vanaf het maaiveld verwacht. Resultaten inventariserend veldonderzoek Tijdens het verkennend booronderzoek is onderin een pakket sterk siltig zand aangetroffen, dat vermoedelijk dekzand betreft waarin bij overstromingen vanuit de IJssel een kleibijmenging is ontstaan. Het is ook mogelijk dat het hier, zoals gesteld in de eerder uitgevoerde onderzoeken ten zuiden van het plangebied, om pleistocene oeverafzettingen gaat.
De diepteligging van het zand varieert van 0,7 tot 1,5 m -mv (5,4 tot 6,1 m NAP). In de zones waar de top van het zand relatief laaggelegen is (5,5 m NAP en lager), is dit afgedekt door een pakket zandige, lichtbruine oeverklei, waarvan de top zich bevindt op 0,8 à 1,1 m -mv (5,8 à 6,0 m NAP). Naar verwachting is de top van het pleistocene zand geërodeerd bij de afzettingen van deze oeverafzetting, wat te zien is aan het feit dat het bioturbatieniveau ontbreekt in de boringen waar oeverafzettingen zijn aangetroffen. In de boringen 2, 4, 7, 9 en 10 is boven het pleistocene zand een circa 10 cm dikke laag sterk siltig, lichtbruin zand met lichtgrijze vlekken aangetroffen. Dit betreft de bioturbatielaag die ook tijdens het proefsleuvenonderzoek direct ten zuiden van het plangebied is aangetroffen. Binnen deze laag zijn in veel boringen houtskoolspikkels herkend. De top van deze laag bevindt zich op een diepte variërend tussen 0,6 en 1,1 m -mv (5,8 tot 6,2 m NAP). In alle boringen behalve boring 5 bevindt zich boven de eerder genoemde afzettingen een pakket sterk siltig, grijsbruin zand met vlekken en kleibrokken. Binnen dit pakket zijn in veel boringen houtskoolspikkels (en in één boring een baksteenspikkel) herkend.
Dit betreft vermoedelijk de laag die tijdens de booronderzoeken ten zuiden en noorden van het plangebied als cultuurlaag geïnterpreteerd is en die tijdens het proefsleuvenonderzoek ten zuiden van het plangebied als plaggendek geïnterpreteerd is. Gezien de heterogeniteit van het pakket en aanwezigheid van kleibrokjes, en op basis van de aanwezigheid van wielen direct aan de overzijde van de dijk (ten oosten van het plangebied) lijkt het binnen het huidige plangebied echter om een pakket dijkdoorbraakafzettingen te gaan. De top van deze afzettingen bevindt zich op een diepte variërend tussen 0,4 en 0,7 m -mv (6,0 tot 6,4 m NAP). De bovenste 40 à 70 cm bestaat uit een verstoord pakket en deels een pakket lichtgrijs ophoogzand. In boring 5 is tot 80 cm -mv een pakket ophoogzand aangetroffen. Op AHN-beelden zijn geen grootschalige ophogingen of afgravingen te herkennen. Verwacht wordt daarom dat de bovenste 40 à 50 cm van de oorspronkelijke bodem reeds verstoord is. Eventuele vindplaatsen in de top van de dijkdoorbraakafzettingen zullen hierbij verloren zijn gegaan.
R 7582.002 versie 1
Alle aangetroffen indicatoren zijn aangetroffen in verspoelde context en vormen geen directe aanwijzing voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats ter plaatse. Gezien de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen ten noorden en zuiden van het plangebied is de kans echter groot dat sporen die aan deze vindplaatsen gerelateerd zijn doorlopen tot binnen het plangebied. Conclusie Op basis van het booronderzoek worden in het gehele plangebied archeologische vindplaatsen verwacht in de top van het pleistocene zand. Dit betreffen vooral vindplaatsen uit de periode IJzertijd – Romeinse tijd, maar ook oudere vindplaatsen kunnen voorkomen. Het archeologische sporenniveau wordt verwacht direct onder de bioturbatielaag, in het zuiden van het plangebied op 5,9 à 6,1 m NAP en in het overige deel op 5,7 tot 5,8 m NAP. Vondstmateriaal wordt tot 10 cm boven dit niveau verwacht, binnen het bioturbatieniveau. In een deel van de boringen is het bioturbatieniveau door erosie verdwenen, vooral daar waar oeverafzettingen aanwezig zijn. In de boringen met oeverafzettingen is het dekzand aangetroffen op 5,3 tot 5,5 m -NAP. Uit het proefsleuvenonderzoek direct ten zuiden van het plangebied, waar de bioturbatielaag nog aanwezig was, bleek dat van de meeste sporen alleen nog de onderkant aanwezig was en deze maximaal 10 cm diep waren.
Het is daarom aannemelijk dat in de boringen waar oeverafzettingen aanwezig zijn, het archeologisch relevante niveau van voor de Vroege Middeleeuwen reeds vrijwel geheel verloren is gegaan. Resten uit de Middeleeuwen (periode tot aan de dijkdoorbraak) kunnen verwacht worden in de top van de oeverafzettingen of (waar geen oeverafzettingen aanwezig zijn) in de top van het dekzand. Sporen uit deze periode worden verwacht op 5,6 tot 6,1 m NAP. Advies Gezien de hoge verwachting binnen het plangebied wordt geadviseerd om bij bodemgrepen dieper dan 6,5 m NAP in het zuiden van het plangebied (top van de aangetroffen bioturbatielaag plus een bufferzone van 30 cm) en 6,2 m NAP in het overige deel van het plangebied (top van de bioturbatielaag of oeverafzettingen plus bufferzone) een vervolgonderzoek uit te voeren (zie figuur 6). Aangezien overwegend archeologische sporen verwacht worden en de vondstlaag vermoedelijk deels geërodeerd is bij overstromingen vanuit de IJssel, in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen.
Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Voorst). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit.
R 7582.002 versie 1
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1 1.1 1.2
2
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK ................................................................................ 3 2.1 2.2 2.3
3
Resultaten vooronderzoek ................................................................................................ 1 Gespecificeerde Verwachting ........................................................................................... 2
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 3 Methoden .......................................................................................................................... 3 Resultaten ......................................................................................................................... 3
CONCLUSIE EN ADVIES ........................................................................................................... 5
LITERATUUR ........................................................................................................................................ 8 BRONNEN ............................................................................................................................................ 9
R 7582.002 versie 1
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6.
Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Sporenkaart van het proefsleuvenonderzoek direct ten zuiden van het plangebied Boorpuntenkaart op recente luchtfoto Resultaten van het booronderzoek Advieskaart
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2
R 7582.002 versie 1
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Boorprofielen
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van Nikkels projecten een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Binnenweg te Wilp in de gemeente Voorst (zie figuur 1). De initiatiefnemer heeft het plan om woningbouw te realiseren. Bij de aanvraag van de hiervoor benodigde omgevingsvergunning is gebleken dat voor een plangebied een archeologische onderzoeksplicht geldt. Deze onderzoeksplicht vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Het archeologisch onderzoek bestaat uit een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 2). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 3). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in maart 2020 door drs. J. Holl (Senior KNA Prospector). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (senior KNA Archeoloog). 1.1
Resultaten vooronderzoek
In augustus 2013 is voor het plangebied een bureauonderzoek uitgevoerd en is direct ten zuiden van het plangebied een verkennend en karterend booronderzoek uitgevoerd door Hamaland Advies (zie figuur 2).2 Tijdens het booronderzoek is onder de recente bouwvoor een cultuurlaag aangetroffen met hierin aardewerkfragmenten uit de periode IJzertijd – Vroege Middeleeuwen. Hieronder bevindt zich siltig zand, dat geïnterpreteerd is als oeverafzettingen. Op basis van dit onderzoek is in mei 2015 een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd door SOBResearch (figuur 3).3 Hierbij is vastgesteld dat de top van het dekzand verspoeld is waardoor dit zand is opgenomen in de grindhoudende beddingafzettingen. Op deze beddingafzettingen is een cultuurlaag ontstaan van humeus zand met sporen en vondsten uit de Late IJzertijd en Romeinse tijd. De grondsporen maken onderdeel uit van de periferie van een nederzettingsareaal, dat zich zowel in noordelijke als in zuidelijke richting verder uitstrekt over de oeverwal (dus vermoedelijk ook binnen het huidige plangebied). Door landbewerking in de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd is het sporenniveau aangetast, waarbij de top van de cultuurlaag is opgenomen in het later opgebrachte plaggendek. De cultuurlaag wordt afgedekt door een plaggendek waarin vondstmateriaal uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd is aangetroffen.
Dit duidt erop dat het dek vanaf de Late Middeleeuwen is ontstaan. De bovenlaag bestond uit een subrecente bouwvoor met daarin indicatoren uit de moderne tijd, onder andere scherfmateriaal van geschutsprojectielen uit de Tweede Wereldoorlog. Op basis van de lage gaafheid en lage informatiewaarde is de vindplaats als niet-behoudenswaardig gewaardeerd. De landschappelijke situatie zoals aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek wijkt dus sterk af van wat op basis van het bureau- en booronderzoek verwacht werd. De verwachte dijkdoorbraakafzettingen zijn in zijn geheel niet aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek. Wel is, hoewel niet verwacht op basis van het bureau- en booronderzoek een plaggendek aangetroffen dat op de beddingafzettingen/dekzand ontstaan is.
2 De Graaf & Van der Kuijl, 2013. 3 Benerink & Van der Kuijl, 2018.
R 7582.002 versie 1
Pagina 1 van 9
Direct ten noorden van het plangebied is in maart 2007 een bureauonderzoek en verkennend en karterend booronderzoek uitgevoerd door RAAP Archeologisch Adviesbureau. Hierbij is direct onder de bouwvoor een cultuurlaag aangetroffen met aardewerkfragmenten uit de periode IJzertijd – Romeinse tijd. Deze laag bestaat uit bruingrijs, zwak siltig, matig ijzerrijk, matig fijn zand en bevindt zich tussen 30 en 70 cm -mv.4 1.2 Gespecificeerde Verwachting In het binnen het plangebied uitgevoerde bureauonderzoek 5 is de volgende verwachting opgesteld: “Het bureauonderzoek bevestigt de hoge archeologische verwachting (volgens de gemeentelijke verwachtingskaart). Door de natuurlijk relatief hoge ligging op een oeverwal is het plangebied geschikt zowel geweest voor jagers/verzamelaars in de prehistorie als voor landbouwende samenlevingen vanaf de Late Steentijd. Archeologische gegevens tonen aan dat er op deze plaats al (tenminste) sinds de Bronstijd sprake was van bewoning in de vorm van een uitgestrekt nederzettingsterrein. “Tevens wordt ingeschat dat de oorspronkelijke bodem ter plaatse als gevolg van de aanwezige bebouwing, gesloopte bebouwing, boomgaard, beplanting, en aanwezige kabels en leidingen een (deels) verstoord bodemprofiel kan hebben. Dit zal aangetoond moeten worden met behulp van het inventariserend veldonderzoek.
“De waarnemingen in Archis tonen aan dat er in de omgeving al vanaf de prehistorie menselijke aanwezigheid is geweest. De waarnemingen bevestigen het continuüm van menselijke activiteiten door de jaren heen.” Periode Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd Romeinse tijd – Vroege Middeleeuwen Bronstijd – IJzertijd Mesolithicum – Neolithicum Paleolithicum
Verwachte vindplaatstypen Resten van oude bedrijfsgebouwen, oude akkers, erfgreppels, sloten, ontginningssporen, oude zandpaden Nederzettingsterreinen, begravingen
Verwachte grondlaag (diepte) In of direct onder de oude akkerlaag
Nederzettingsterreinen, urnenvelden, resten van smeedhaarden, meilers Nederzettingsterreinen, jachtkampen, losse vuursteenstrooiingen Vuursteenvindplaatsen
BC-horizont en top van de C-horizont
Direct onder de oude akkerlaag
Top van de C-horizont (oeverwal)
Opgemerkt dient te worden dat door Hamaland Advies geconcludeerd wordt dat een hoge verwachting geldt vanaf de steentijd en dat deze resten in de oeverwal verwacht worden. De IJssel ontstond echter pas vanaf de Romeinse tijd actief en pas vanaf de Vroege Middeleeuwen werd deze vanuit de Rijn gevoed waardoor deze veel breder kon worden. Hiervoor was tot 40.000 jaar geleden de Rijn actief nabij het plangebied. Indien inderdaad resten vanaf de steentijd op de oeverwal voorkomen, zou het dus moeten gaan om oeverafzettingen uit de periode tot 40.000 jaar geleden. Deze oeverafzettingen worden in het rapport van het proefsleuvenonderzoek 6 beschreven als zwak grindig, geelgrijs, siltig, matig fijn tot matig grof zand. Gezien de tijdens booronderzoek aangetroffen cultuurlaag vanaf circa 30 cm zowel direct ten noorden als direct ten zuiden van het plangebied, wordt ook binnen het plangebied een dergelijke cultuurlaag verwacht. Hierin kunnen resten verwacht worden uit de periode IJzertijd – Vroege Middeleeuwen, hoewel ook oudere resten kunnen voorkomen. Uit een proefsleuvenonderzoek direct ten zuiden van het plangebied blijkt dat ter plaatse de periferie van een nederzetting uit de Late IJzertijd en Romeinse tijd aanwezig is, die zich vermoedelijk uitstrekt binnen het huidige plangebied.
De grondsporen hiervan bevonden zich op 0,7 à 0,9 m -mv, in de top van de C-horizont (lichtgeelgrijs, matig fijn tot matig grof, zwak grindig zand met bioturbatiesporen). Dit niveau bevond zich op 0,7 tot 1,0 m -mv (5,9 4 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 5 De Graaf & Van der Kuil, 2013. 6 Benerink & Van der Kuijl, 2018.
R 7582.002 versie 1
Pagina 2 van 9
à 6,0 m NAP). Als gevolg van erosie resteerde echter alleen de onderkant, waardoor de meeste sporen niet dieper dan 10 cm waren. Hierboven bevond zich een 0,2 à 0,3 m dikke gebioturbeerde laag of oude cultuurlaag. Hierboven bevond zich een circa 40 cm dik plaggendek dat bovenin donkerbruin is en onderin bruin en verder bestaat uit matig fijn tot matig grof, zwak tot matig siltig zand. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken wordt de cultuurlaag verwacht vanaf 30 cm -mv en waar afgedekt door een plaggendek (vermoedelijk het zuiden van het plangebied) vanaf circa 60 cm -mv. Grondsporen tekenen zich af in de top van de C-horizont, direct onder de verwachte cultuurlaag.
2
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
2.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 2.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Ook is het onderzoek uitgevoerd conform de gemeentelijke richtlijnen voor archeologisch vooronderzoek.7 Voor het inventariserend veldonderzoek is op 29 maart 2020 door drs. J. Holl (Senior KNA Prospector) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld.8 Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 10 cm) 10 boringen tot maximaal 1,7 m -mv gezet (figuur 4). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. 9 De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen.
Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. 2.3
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 2 weergegeven. De bodemopbouw kan als volgt worden beschreven (zie figuur 5):
7 Vossen, 2013. 8 Holl, 2020. 9
Bosch, 2005.
R 7582.002 versie 1
Pagina 3 van 9
Het onderste aangetroffen pakket betreft matig tot sterk siltig, matig fijn, zwak grindig, lichtgeelgrijs tot lichtbruin zand. Dit is het pakket dat door Hamaland Advies 10 en SOB Research11 omschreven is als oeverafzettingen van voor 40.000 jaar geleden. Op basis van de lithologische kenmerken (matig fijn zand) lijkt het echter eerder om een pakket (verspoeld) dekzand te gaan waarin lutum is ingedrongen bij latere overstromingen vanuit de IJssel. De diepteligging van het zand varieert van 0,7 m -mv in het zuiden tot 1,5 m -mv in het noorden (5,9 à 6,1 m NAP in het uiterste zuiden en 5,4 tot 5,8 m NAP in het overige deel van het plangebied). Er is nergens een podzolprofiel aangetroffen. Indien ooit aanwezig, is dit vermoedelijk bij overstromingen vanuit de IJssel geërodeerd geraakt. Dit komt overeen met de onderzoeken in de directe omgeving, waar eveneens geen podzolbodem aanwezig was. In de boringen 2, 4, 7, 9 en 10 is hierboven een circa 10 cm dikke laag matig fijn, sterk siltig, zwak humeus, lichtbruin zand met lichtgrijze vlekken aangetroffen. Dit betreft de bioturbatielaag die ook tijdens het proefsleuvenonderzoek direct ten zuiden van het plangebied is aangetroffen. 12 Binnen deze laag zijn in veel boringen houtskoolspikkels herkend. De top van deze laag bevindt zich op een diepte variërend tussen 0,6 en 1,1 m -mv (5,8 tot 6,2 m NAP).
In de zones waar de top van het dekzand (of mogelijk pleistocene oeverafzettingen) relatief laaggelegen is (5,5 m NAP en lager), is dit afgedekt door een pakket zandige, lichtbruine klei. Dit is een pakket oeverafzettingen, afgezet vanaf waarschijnlijk de Vroege Middeleeuwen, toen de IJssel actief werd nabij het plangebied. De top van deze afzettingen bevindt zich op 0,8 à 1,1 m -mv (5,8 à 6,0 m NAP). Naar verwachting is de top van het pleistocene zand geërodeerd bij de afzettingen van deze oeverafzetting, wat te zien is aan het feit dat het bioturbatieniveau ontbreekt in de boringen waar oeverafzettingen zijn aangetroffen. In de zones waar het bioturbatieniveau nog intact is, ligt de top van de C-horizont op 5,7 tot 6,1 m NAP. In de zones met holocene oeverafzettingen is de C-horizont op 5,4 à 5,5 m NAP aangetroffen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat in deze laatste zone reeds 20 tot 70 cm van het pleistocene zandniveau geërodeerd is. In de top van de oeverafzettingen is geen bodem aangetroffen. Aangezien deze vanaf de Vroege Middeleeuwen zijn afgezet, betreft dit echter een relatief jong pakket, waarin nog geen bodemvorming heeft kunnen optreden. In de boringen zonder oeverafzettingen is het bioturbatieniveau nog grotendeels intact.
Vermoed wordt daarom dat de erosie bij de afzettingen van het bovenliggende overslagpakket (zie hieronder) beperkt geweest is en dat de top van de oever nog relatief intact is. In alle boringen behalve boring 5 bevindt zich boven de eerder genoemde afzettingen een pakket matig fijn, sterk siltig, zwak humeus, grindhoudend zand. Dit pakket is grijsbruin en bevat grijze vlekken en kleibrokken. Binnen dit pakket zijn in veel boringen houtskoolspikkels herkend. Dit betreft vermoedelijk de laag die tijdens de booronderzoeken ten zuiden en noorden van het plangebied als cultuurlaag geïnterpreteerd is en die tijdens het proefsleuvenonderzoek ten zuiden van het plangebied als plaggendek geïnterpreteerd is. 13 Gezien de heterogeniteit van het pakket en aanwezigheid van kleibrokjes, en op basis van de aanwezigheid van wielen direct aan de overzijde van de dijk (ten oosten van het plangebied) lijkt het hier echter eerder om een pakket dijkdoorbraakafzettingen of overslagafzettingen te gaan. Ook op basis van de meest recente versie van de geomorfologische kaart14 bevindt het plangebied zich op dijkdoorbraakafzettingen. De top van deze afzettingen bevindt zich op een diepte variërend tussen 0,4 en 0,7 m -mv (6,0 tot 6,4 m NAP).
10 De Graaf & Van der Kuijl, 2013. 11 Benerink & Van der Kuijl, 2018. 12 Benerink & Van der Kuijl, 2018. 13 De Graaf & Van der Kuijl, 2013 / Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE),
Amersfoort / Benerink & Van der Kuijl, 2018. 14 Wageningen Environmental Research, 2019.
R 7582.002 versie 1
Pagina 4 van 9
In de boringen 1-4 en 6-10 is boven 0,5 à 0,7 m -mv een pakket matig fijn, sterk siltig, matig humeus zand met veel grijze vlekken aangetroffen. Binnen dit pakket zijn fragmenten recent puin vastgesteld. Dit betreft een verstoord pakket van dijkdoorbraakafzettingen. In boring 3 is boven dit pakket nog een 0,4 m dik pakket lichtgrijs, opgebracht zand aanwezig. In boring 5 is het verstoorde pakket niet aangetroffen. Hier is direct boven de oeverafzettingen een lichtgrijs tot grijs pakket matig fijn, zwak siltig zand aangetroffen. Dit betreft een opgebracht zandpakket. Archeologie Tijdens het veldonderzoek zijn in een deel van de boringen archeologische indicatoren aangetroffen (zie figuur 5). In de boringen 2, 4 en 7 zijn in de eerder genoemde bioturbatielaag (op 100 à 110 cm mv/5,8 à 5,9 m NAP) enkele houtskoolspikkels aangetroffen en in de boringen 2-4, 6, 7, 9 en 10 waren in de overslagafzettingen eveneens enkele houtskoolspikkels aanwezig. In boring 10 is bovendien een baksteenspikkel binnen de overslagafzettingen waargenomen. Al deze indicatoren zijn aangetroffen in verspoelde context en vormen geen directe aanwijzing voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats ter plaatse.
Op basis van het proefsleuvenonderzoek direct ten zuiden van het plangebied geldt binnen het plangebied echter een hoge verwachting voor de aanwezigheid van een nederzettingsterrein uit de periode IJzertijd – Romeinse tijd binnen het plangebied. De bodemlagen waarbinnen deze vindplaats is aangetroffen (bioturbatielaag en top van de onderliggende C-horizont) zijn ook binnen het plangebied aangetroffen. Vandaar dat de kans groot is dat sporen gerelateerd aan deze vindplaats doorlopen tot binnen het plangebied. . 3
CONCLUSIE EN ADVIES
Op basis van de eerder in het plangebied uitgevoerde onderzoeken werden in het plangebied archeologische resten verwacht uit de periode Paleolithicum – Nieuwe tijd. Resten tot in de Late Middeleeuwen werden verwacht in de top van het pleistocene zand, dat op basis van de vooronderzoeken op een diepte variërend van 30 tot 60 cm -mv, eventueel afgedekt met een plaggendek of een pakket dijkdoorbraakafzettingen. Resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd werden vanaf het maaiveld verwacht. Tijdens het verkennend booronderzoek is onderin een pakket sterk siltig zand aangetroffen, dat vermoedelijk dekzand betreft waarin bij overstromingen vanuit de IJssel een kleibijmenging is ontstaan. Het is ook mogelijk dat het hier, zoals gesteld in de eerder uitgevoerde onderzoeken ten zuiden van het plangebied, om pleistocene oeverafzettingen gaat. De diepteligging van het zand varieert van 0,7 tot 1,5 m -mv (5,4 tot 6,1 m NAP). In de zones waar de top van het zand relatief laaggelegen is (5,5 m NAP en lager), is dit afgedekt door een pakket zandige, lichtbruine oeverklei, waarvan de top zich bevindt op 0,8 à 1,1 m -mv (5,8 à 6,0 m NAP). Naar verwachting is de top van het pleistocene zand geërodeerd bij de afzettingen van deze oeverafzetting, wat te zien is aan het feit dat het bioturbatieniveau ontbreekt in de boringen waar oeverafzettingen zijn aangetroffen.
In de boringen 2, 4, 7, 9 en 10 is boven het pleistocene zand een circa 10 cm dikke laag sterk siltig, lichtbruin zand met lichtgrijze vlekken aangetroffen. Dit betreft de bioturbatielaag die ook tijdens het proefsleuvenonderzoek direct ten zuiden van het plangebied is aangetroffen. Binnen deze laag zijn in veel boringen houtskoolspikkels herkend. De top van deze laag bevindt zich op een diepte variërend tussen 0,6 en 1,1 m -mv (5,8 tot 6,2 m NAP). In alle boringen behalve boring 5 bevindt zich boven de eerder genoemde afzettingen een pakket sterk siltig, grijsbruin zand met vlekken en kleibrokken. Binnen dit pakket zijn in veel boringen houtskoolspikkels (en in één boring een baksteenspikkel) herkend. Dit betreft vermoedelijk de laag die tijdens de booronderzoeken ten zuiden en noorden van het plangebied als cultuurlaag geïnterpreteerd is en die tijdens het proefsleuvenonderzoek ten zuiden van het
R 7582.002 versie 1
Pagina 5 van 9
plangebied als plaggendek geïnterpreteerd is. Gezien de heterogeniteit van het pakket en aanwezigheid van kleibrokjes, en op basis van de aanwezigheid van wielen direct aan de overzijde van de dijk (ten oosten van het plangebied) lijkt het binnen het huidige plangebied echter om een pakket dijkdoorbraakafzettingen te gaan. De top van deze afzettingen bevindt zich op een diepte variërend tussen 0,4 en 0,7 m -mv (6,0 tot 6,4 m NAP). De bovenste 40 à 70 cm bestaat uit een verstoord pakket en deels een pakket lichtgrijs ophoogzand. In boring 5 is tot 80 cm -mv een pakket ophoogzand aangetroffen. Op AHN-beelden zijn geen grootschalige ophogingen of afgravingen te herkennen. Verwacht wordt daarom dat de bovenste 40 à 50 cm van de oorspronkelijke bodem reeds verstoord is. Eventuele vindplaatsen in de top van de dijkdoorbraakafzettingen zullen hierbij verloren zijn gegaan. Alle aangetroffen indicatoren zijn aangetroffen in verspoelde context en vormen geen directe aanwijzing voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats ter plaatse. Gezien de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen ten noorden en zuiden van het plangebied is de kans echter groot dat sporen die aan deze vindplaatsen gerelateerd zijn doorlopen tot binnen het plangebied. Op basis van het booronderzoek worden in het gehele plangebied archeologische vindplaatsen verwacht in de top van het pleistocene zand.
Dit betreffen vooral vindplaatsen uit de periode IJzertijd – Romeinse tijd, maar ook oudere vindplaatsen kunnen voorkomen. Het archeologische sporenniveau wordt verwacht direct onder de bioturbatielaag, in het zuiden van het plangebied op 5,9 à 6,1 m NAP en in het overige deel op 5,7 tot 5,8 m NAP. Vondstmateriaal wordt tot 10 cm boven dit niveau verwacht, binnen het bioturbatieniveau. In een deel van de boringen is het bioturbatieniveau door erosie verdwenen, vooral daar waar oeverafzettingen aanwezig zijn. In de boringen met oeverafzettingen is het dekzand aangetroffen op 5,3 tot 5,5 m -NAP. Uit het proefsleuvenonderzoek direct ten zuiden van het plangebied, waar de bioturbatielaag nog aanwezig was, bleek dat van de meeste sporen alleen nog de onderkant aanwezig was en deze maximaal 10 cm diep waren. Het is daarom aannemelijk dat in de boringen waar oeverafzettingen aanwezig zijn, het archeologisch relevante niveau van voor de Vroege Middeleeuwen reeds vrijwel geheel verloren is gegaan. Resten uit de Middeleeuwen (periode tot aan de dijkdoorbraak) kunnen verwacht worden in de top van de oeverafzettingen of (waar geen oeverafzettingen aanwezig zijn) in de top van het dekzand. Sporen uit deze periode worden verwacht op 5,6 tot 6,1 m NAP.
Gezien de hoge verwachting binnen het plangebied wordt geadviseerd om bij bodemgrepen dieper dan 6,5 m NAP in het zuiden van het plangebied (top van de aangetroffen bioturbatielaag plus een bufferzone van 30 cm) en 6,2 m NAP in het overige deel van het plangebied (top van de bioturbatielaag of oeverafzettingen plus bufferzone) een vervolgonderzoek uit te voeren (zie figuur 6). Aangezien overwegend archeologische sporen verwacht worden en de vondstlaag vermoedelijk deels geërodeerd is bij overstromingen vanuit de IJssel, in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.
R 7582.002 versie 1
Pagina 6 van 9
Mochten tijdens de graafwerkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 15).
15 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
R 7582.002 versie 1
Pagina 7 van 9
LITERATUUR Benerink, G.M.H. & E.E.A. van der Kuijl, 2018: Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven ‘Plangebied Binnenweg, naast nr. 11’, Wilp, Gemeente Voorst. Heinenoord (SOB Research Projectnummer 2309-1504). Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Graaf, R. de & E.E.A. van der Kuijl, 2013: Bureauonderzoek en Karterend Booronderzoek Archeologie; Plangebied Binnenweg naast nr. 11 te Wilp, Gemeente Voorst. Zelhem (Hamaland Advies Projectnummer 20130530). Holl, J., 2020: Plan van Aanpak booronderzoek Binnenweg te Wilp. Zwolle (Econsultancy Projectnummer 7582.002). Vossen, N., 2013: Richtlijn archeologisch vooronderzoek, gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe, Lochem en Voorst. Wageningen Environmental Research, 2019: Geomorfologische Kaart van Nederland (2019), schaal 1:50.000.
R 7582.002 versie 1
Pagina 8 van 9
BRONNEN AHN; internetsite, maart 2020. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, maart 2020. https://archis.cultureelerfgoed.nl Data Archiving and Networked Services DANS-Easy; internetsite, maart 2020. https://easy.dans.knaw.nl/ui/home SIKB; internetsite, maart 2020. https://www.sikb.nl
R 7582.002 versie 1
Pagina 9 van 9
Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland
Binnenweg te Wilp. Situering van het plangebied binnen Nederland
Legenda Plangebied
R 7582.002 versie 1
Figuur 2. Detailkaart van het plangebied
Binnenweg te Wilp. Detailkaart van het plangebied
R 7582.002 versie 1
Figuur 3. Sporenkaart van het proefsleuvenonderzoek direct ten zuiden van het plangebied 16
Binnenweg te Wilp. Sporenkaart van het proefsleuvenonderzoek direct ten zuiden van het plangebied
Legenda Plangebied
16 Benerink & Van der Kuijl, 2018.
R 7582.002 versie 1
Figuur 4. Boorpuntenkaart op recente luchtfoto
Binnenweg te Wilp. Boorpuntenkaart op recente luchtfoto
R 7582.002 versie 1
Figuur 5. Resultaten van het booronderzoek, met NAP-hoogtes top oeverafzettingen
Binnenweg te Wilp. Resultaten van het booronderzoek
R 7582.002 versie 1
Figuur 6. Advieskaart
Binnenweg te Wilp. Advieskaart
R 7582.002 versie 1
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
R 7582.002 versie 1
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
1950
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 815
2650
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755
IVa
5000
4900
5300
7020
8240
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
R 7582.002 versie 1
Bijlage 6
Boorstaten
Bijlage 2
Boorprofielen
1 X: Y:
2 207017,00 470027,00 6,4
0
X: Y:
m +NAP 0
gras
206979,00 470006,00 6,8
0
m +NAP 0
Zand, matig fijn, sterk siltig, matig humeus, zw ak grindig, matig puinhoudend, donker bruingrijs, scherp, Veel gevlekt grijs, omgew erkte grond
gras Zand, matig fijn, sterk siltig, matig humeus, zw ak grindig, matig puinhoudend, donker bruingrijs, scherp, Veel gevlekt grijs, omgew erkte grond
45
50
Zand, matig fijn, sterk siltig, zw ak humeus, zw ak grindig, grijsbruin, Kb, overslag, scherp, Sporen gevlekt grijs
50 60
Zand, matig fijn, sterk siltig, zw ak humeus, zw ak grindig, sporen houtskool, grijsbruin, Kb, overslag, scherp, Sporen gevlekt grijs
90
100 110
Zand, matig fijn, sterk siltig, zw ak grindig, licht geelgrijs, scherp, roestvlekken: w einig, C-horizont
100
100
110
130
Zand, matig fijn, sterk siltig, zw ak humeus, zw ak grindig, sporen houtskool, lichtbruin, Biot, Weinig gevlekt lichtgrijs Zand, matig fijn, sterk siltig, zw ak grindig, licht geelgrijs, scherp, roestvlekken: w einig, C-horizont
3 X: Y: 0
4 206983,00 469961,00 6,9
X: Y:
m +NAP 0
gras
0
206897,00 470000,00 7
m +NAP 0
Zand, matig fijn, zw ak siltig, lichtgrijs, opgebrachte grond
Zand, matig fijn, sterk siltig, matig humeus, zw ak grindig, matig puinhoudend, donker bruingrijs, scherp, Veel gevlekt grijs, omgew erkte grond
35
50 70
100
100
Zand, matig fijn, sterk siltig, matig humeus, zw ak grindig, matig puinhoudend, donker bruingrijs, scherp, Veel gevlekt grijs, omgew erkte grond Zand, matig fijn, sterk siltig, zw ak humeus, zw ak grindig, sporen houtskool, grijsbruin, Kb, overslag, scherp, Weinig gevlekt grijs
50
50
Zand, matig fijn, sterk siltig, zw ak humeus, zw ak grindig, sporen houtskool, grijsbruin, Kb, overslag, scherp, Sporen gevlekt grijs
100
100 110
Klei, sterk zandig, bruin, oever, geleidelijk 130
150
150
170
R 7582.002 versie 1
Zand, matig fijn, matig siltig, zw ak humeus, zw ak grindig, lichtgrijs, roestvlekken: w einig, C-horizont
gras
Zand, matig fijn, sterk siltig, zw ak humeus, zw ak grindig, sporen houtskool, lichtbruin, Biot, Weinig gevlekt lichtgrijs Zand, matig fijn, sterk siltig, zw ak grindig, licht geelgrijs, scherp, roestvlekken: w einig, C-horizont
Bijlage 6
Boorstaten
5 X: Y:
6 206862,00 469973,00 6,8
0
X: Y:
m +NAP 0
braak
206933,00 469980,01 6,9
0
m +NAP 0
Zand, matig fijn, zw ak siltig, lichtgrijs, opgebrachte grond
Zand, matig fijn, sterk siltig, matig humeus, zw ak grindig, matig puinhoudend, donker bruingrijs, geleidelijk, Weinig gevlekt grijs, omgew erkte grond
30
50
50
Zand, matig fijn, zw ak siltig, zw ak humeus, zw ak grindig, grijs, geleidelijk, Weinig gevlekt grijs, opgebrachte grond
80
Zand, matig fijn, zw ak siltig, zw ak grindig, lichtgrijs, scherp, Sporen gevlekt grijs, opgebrachte grond
gras
50 65
Klei, sterk zandig, bruin, oever, geleidelijk
100
100
105
Zand, matig fijn, sterk siltig, zw ak humeus, zw ak grindig, sporen houtskool, grijsbruin, Kb, overslag, geleidelijk, Sporen gevlekt grijs, opgebrachte grond Klei, sterk zandig, bruin, oever, geleidelijk
135
135
Zand, matig fijn, matig siltig, zw ak humeus, zw ak grindig, lichtgrijs, roestvlekken: w einig, C-horizont
150
150
150
Zand, matig fijn, matig siltig, zw ak humeus, zw ak grindig, lichtgrijs, roestvlekken: w einig, C-horizont
170
7 X: Y: 0
8 206893,00 469952,00 7,4
X: Y:
m +NAP 0
braak
0
Zand, matig fijn, sterk siltig, matig humeus, zw ak grindig, matig puinhoudend, donker bruingrijs, scherp, Veel gevlekt grijs, omgew erkte grond 50
50
206934,00 469932,00 6,7
m +NAP 0
40
gras Zand, matig fijn, sterk siltig, matig humeus, zw ak grindig, matig puinhoudend, donker bruingrijs, scherp, Veel gevlekt grijs, omgew erkte grond Zand, matig fijn, sterk siltig, zw ak humeus, zw ak grindig, grijsbruin, Kb, overslag, scherp, Sporen gevlekt grijs
50 Zand, matig fijn, sterk siltig, zw ak humeus, zw ak grindig, sporen houtskool, grijsbruin, Kb, overslag, scherp, Sporen gevlekt grijs 90
100
Klei, sterk zandig, lichtbruin, Oever, geleidelijk, roestvlekken: w einig, C-horizont
100 110 120
140
Zand, matig fijn, sterk siltig, zw ak humeus, zw ak grindig, sporen houtskool, lichtbruin, Biot, Weinig gevlekt lichtgrijs Zand, matig fijn, sterk siltig, zw ak grindig, licht geelgrijs, scherp, roestvlekken: w einig, C-horizont
R 7582.002 versie 1
120
140
Zand, matig grof, matig siltig, zw ak grindig, lichtbruin, Bedding, geleidelijk, roestvlekken: w einig, C-horizont
Bijlage 6
Boorstaten
9 X: Y: 0
10 206940,00 469878,00 6,8
X: Y:
m +NAP 0
40
50 60 70
100
R 7582.002 versie 1
100
gras
0
Zand, matig fijn, sterk siltig, matig humeus, zw ak grindig, sporen houtskool, donker bruingrijs, scherp, Veel gevlekt grijs, omgew erkte grond Zand, matig fijn, sterk siltig, zw ak humeus, zw ak grindig, sporen houtskool, grijsbruin, Kb, overslag, scherp, Sporen gevlekt grijs
6,6
m +NAP 0
40
50 65 70
Zand, matig fijn, sterk siltig, zw ak humeus, zw ak grindig, lichtbruin, Biot, Weinig gevlekt lichtgrijs Zand, matig fijn, matig siltig, zw ak grindig, licht geelgrijs, scherp, roestvlekken: w einig, C-horizont
206964,00 469902,00
100
100
gras Zand, matig fijn, sterk siltig, matig humeus, zw ak grindig, sporen houtskool, donker bruingrijs, scherp, Veel gevlekt grijs, omgew erkte grond Zand, matig fijn, sterk siltig, zw ak humeus, zw ak grindig, sporen houtskool, grijsbruin, Kb, overslag, bst spikkel, scherp, Sporen gevlekt grijs Zand, matig fijn, sterk siltig, zw ak humeus, zw ak grindig, lichtbruin, Biot, Weinig gevlekt lichtgrijs Zand, matig fijn, matig siltig, zw ak grindig, licht geelgrijs, scherp, roestvlekken: w einig, C-horizont
Legenda (conform NEN 5104) grind
klei
geur
Grind, siltig
Klei, zwak siltig
Grind, zwak zandig
Klei, matig siltig
geen geur zwakke geur matige geur sterke geur
Grind, matig zandig
Klei, sterk siltig
Grind, sterk zandig
Klei, uiterst siltig
Grind, uiterst zandig
Klei, zwak zandig
uiterste geur
olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig
Klei, sterk zandig
zand
uiterste olie-water reactie
p.i.d.-waarde >0
Zand, kleiïg
>1 >10 Zand, zwak siltig
>100
leem
>1000
Zand, matig siltig
Leem, zwak zandig
>10000
Zand, sterk siltig
Leem, sterk zandig
monsters geroerd monster
Zand, uiterst siltig
overige toevoegingen zwak humeus
veen Veen, mineraalarm
matig humeus
Veen, zwak kleiïg
sterk humeus
ongeroerd monster volumering
overig bijzonder bestanddeel Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand
Veen, sterk kleiïg
zwak grindig
Veen, zwak zandig
matig grindig
Veen, sterk zandig
sterk grindig
Gemiddeld laagste grondwaterstand slib
water
R 7582.002 versie 1