CConstaterende datVoorst
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 14 - Woningbouwlocatie Binnenweg Wilp ecologische voortoets (2021-58201)

gemeenteraad 7 maart 2022, gemeente VoorstBij agendapunt: Bestemmingsplan Woningbouw Binnenweg-Rijksstraatweg, Wilp (2021-71443)7.719 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ecologische voortoets

Wilp, Woningbouwlocatie Binnenweg

Gemeente Voorst

Datum: 25 februari 2021 Projectnummer: 170353.02

INHOUD

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3

Aanleiding Huidige situatie Toekomstige situatie

3 3 3

2

Wettelijk kader

6

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6

Natura 2000-gebieden Verstoring door stikstof door verzuring en vermesting De voortoets en passende beoordeling Het begrip significant Het begrip Kritische DepositieWaarde (KDW) Het begrip cumulatie

6 6 7 8 10 11

3

Methode

12

4

Resultaat

13

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6

Samenvatting resultaten stikstofberekening Instandhoudingsdoelstellingen Overschrijding Kritische Depositiewaarde Gevoeligheid voor stikstof Gevolgen significant? Cumulatietoets

13 14 15 16 17 21

5

Conclusie; significant gevolg?

Geraadpleegde bronnen

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Nikkels is voornemens om in het dorp Wilp, gemeente Voorst, 44 grondgebonden woningen te ontwikkelen op een inbreidingslocatie tussen de Binnenweg en de Rijksstraatweg. Het plangebied ligt nabij Natura 2000-gebied Rijntakken, waar stikstofgevoelige vegetaties aanwezig zijn. Om de gevolgen van het plan op stikstofdepositie binnen het Natura 2000-gebied te onderzoeken, werd een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (SAB 2021). Uit de berekening blijkt dat door de ontwikkeling tijdelijk extra stikstofdepositie te verwachten is. Om de gevolgen van deze depositie op het Natura 2000-gebied te onderzoeken dient een ecologische voortoets opgesteld te worden. Dit rapport vormt het verslag van deze ecologische voortoets.

1.2

Huidige situatie Het projectgebied bevindt zich tussen de Binnenweg en de Rijksstraatweg in het dorp Wilp. De percelen van deze locatie momenteel onbebouwd. Figuur 1 geeft de ligging van de ontwikkellocatie ten opzichte van de nabije omgeving weer.

Figuur 1 Topografische kaart met globale aanduiding ontwikkellocatie (in blauw).

1.3

Toekomstige situatie Het totale plan voorziet in de bestemming van 44 woningen met bijbehorende openbare inrichting zoals het groen. De woningen zijn verdeeld in 12 twee-onder-eenkapwoningen, 25 tussen/hoekwoningen en 7 vrijstaande woningen. Figuur 3 geeft het stedenbouwkundig ontwerp weer.

3

Figuur 2 Uitsnede stedenbouwkundige schets project Binnenweg, Wilp. Het plan zal gefaseerd uitgevoerd worden, waarbij op dit moment wordt uitgegaan van volgende planning:  2022: aanleg delen A en D  2023: gebruik delen A en D  2024: aanleg delen B en C en gebruik delen A en D  2025: gebruik delen A, B, C en D In de volgende figuur zijn de delen weergegeven.

4

Figuur 3 Fasering Binnenweg, Wilp.

5

2 2.1

Wettelijk kader Natura 2000-gebieden Op grond van artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/ of habitats vastgesteld. Als een plan of project mogelijk negatieve gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied, vindt eerst een globale toetsing plaats, de ecologische voortoets genaamd. In de voortoets wordt bepaald of het plan of project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van de desbetreffende Natura 2000-gebieden. Als uit de voortoets blijkt dat er zeker geen negatieve gevolgen zijn, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of geldt in het geval van een project geen vergunningplicht. Als de kans op significante gevolgen niet kan worden uitgesloten dan moet, conform artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming, een passende beoordeling worden gemaakt. Voor alle Natura 2000-gebieden geldt verder, op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze gebieden.

Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor deze gebieden zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Uit de Memorie van Toelichting blijkt, dat de Wet natuurbescherming, buiten de zorgplicht, al voldoende instrumenten bevat om schadelijke handelingen in Natura 2000-gebieden te beperken. Deze zorgplicht is daarmee primair bedoeld om de eigen verantwoordelijkheid vast te leggen, die een ieder heeft voor een zorgvuldige omgang met de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden.

2.2

Verstoring door stikstof door verzuring en vermesting1 Stikstofdepositie kan verzuring van bodem of water veroorzaken. Stikstof, in de vorm van stikstofoxide (NOx) of ammoniak (NH3) komt daarbij via de lucht of het water in de grond terecht. De belangrijkste bronnen van verzurende stoffen zijn de landbouw, het verkeer en de industrie. De verzuring leidt tot een directe of indirecte afname van de buffercapaciteit (het neutralisatievermogen) van bodem en water. Hierdoor zullen soorten van meer basische omstandigheden verdwijnen. Stikstofdepositie veroorzaakt ook vermesting. De groei in veel natuurlijke ecosystemen, zoals bossen, vennen en heidevelden, wordt gelimiteerd door de beschikbaarheid van stikstof. Het gevolg van stikstofdepositie in deze arme ecosystemen is in eerste instantie dat er extra groei optreedt. Daarbij is de beschikbaarheid van stikstof bepalend voor de concurrentieverhoudingen tussen de plantensoorten. Als de stikstofdepositie boven een bepaald kritisch niveau komt, neemt een beperkt aantal plan-

1

Tekst gebaseerd op Vakblad natuur, bos, landschap 158, oktober 2019.

6

tensoorten sterk toe ten koste van andere plantensoorten. De leefgebieden van veel dieren, die afhankelijk zijn van planten, veranderen hierdoor ook. Naast een effect op de groeisnelheid van planten kan een hoge stikstofdepositie ook zorgen voor een onbalans in nutriënten in de vegetatie. Planten kunnen hierdoor groeiverstoringen vertonen en ook de samenstelling van plantendelen, zoals bladeren, verandert hierdoor. Deze verandering werkt door in diergroepen die van de planten eten, zoals insecten of slakken. Deze dieren kunnen door de onbalans aan nutriënten verzwakken en tekorten vertonen aan bepaalde nutriënten. Op deze manier kunnen de effecten van hoge stikstofdeposities hele voedselketens beïnvloeden. Effecten hiervan zijn bijvoorbeeld het verdwijnen van planten-, slakken- en vogelsoorten uit bepaalde gebieden.

2.3

De voortoets en passende beoordeling Om een indicatie te krijgen van mogelijke negatieve gevolgen van projecten en plannen waarbij een toename te verwachten is van stikstofdepositie in Natura 2000gebied, vindt een toetsing in twee stappen plaats (Europese Commissie 2019, ECLI:NL:RVS:2020:212). Eerst vindt een globale toetsing plaats; de voortoets of oriëntatiefase. Met deze voortoets wordt bepaald of een nadere evaluatie de moeite waard is (ECLI:EU:C:2012:743, r.o. 50). In deze voortoets moet daarbij beoordeeld worden of een plan of project, dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het Natura 2000-gebied, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen heeft voor dat gebied. Deze beoordeling dient plaats te vinden op basis van objectieve gegevens (ECLI:EU:C:2018:882). Blijkt uit deze objectieve gegevens dat een plan of project waarschijnlijk significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied, dan dient een passende beoordeling te worden opgesteld (ECLI:EU:C:2013:220, r.o. 28-30). Het begrip ‘significant’ is hierbij bedoeld om een minimumdrempel te bepalen. Plannen of projecten die geen merkbare gevolgen hebben hoeven niet passend beoordeeld te worden (ECLI:EU:C:2012:743, r.o. 48).

Bij deze eerste toetsing of voortoets mogen mitigerende (verzachtende maatregelen) nog niet worden betrokken (Europese Commissie 2019). Als in deze fase al duidelijk wordt dat er geen merkbare gevolgen zijn, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of geldt in het geval van een project geen vergunningplicht. Als uit de voortoets blijkt dat een negatief effect optreedt en het niet duidelijk is of het effect significant van aard is, dan treedt het voorzorgsbeginsel in werking. In dat geval moet ervan uitgegaan worden dat er sprake is van een significant effect. Voor plannen of projecten waarvan het risico bestaat dat ze significante gevolgen hebben, vindt een tweede beoordeling plaats; de passende beoordeling. Bij deze beoordeling dient rekening gehouden te worden met de instandhoudingsdoelstellingen, conform artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming. Wanneer voor een bestemmingsplan een passende beoordeling wordt opgesteld, wordt een plan eveneens m.e.r.-

7

2

plichtig . Wel bestaat er het voorstel, van de minister voor Milieu en Wonen, deze 3 m.e.r.-plicht te laten vervallen voor kleine plannen . Bij de passende beoordeling mogen de effecten van verzachtende of mitigerende maatregelen worden betrokken (Europese Commissie 2019). Blijkt uit de passende beoordeling dat er geen aantasting plaatsvindt van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld of kan voor de projecten door gedeputeerde staten een vergunning worden verleend. In bepaalde gevallen kan, ondanks dat uit de passende beoordeling blijkt dat aantasting van de natuurlijke kenmerken mogelijk is, een plan toch worden vastgesteld of kan een vergunning toch worden verleend. Er dient dan te worden voldaan aan de zogeheten ADC criteria. De ADC criteria houden in: i) dat er geen alternatieve oplossingen zijn, ii) dat er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en iii) dat de nodige compenserende maatregelen worden getroffen.

2.4

Het begrip significant Zoals hierboven beschreven, dient in de voortoetsfase beoordeeld te worden of een plan of project significante gevolgen heeft. Voor plannen en projecten die mogelijk een significant gevolg hebben, dient vervolgens een passende beoordeling opgesteld te worden. Maar wat wordt hier bedoeld met het begrip ‘significant’? Een definitie van het begrip significant is niet opgenomen in de Habitatrichtlijn of de Wet natuurbescherming. De interpretatie van dit begrip is aan het Europese Hof van Justitie voorbehouden (Steunpunt Natura 2000 2010). Uit de overwegingen van Advocaat Generaal Sharpston (ECLI:EU:C:2012:743, r.o. 48) blijkt dat het begrip ‘significant’ bedoeld is om een minimumdrempel te bepalen. “Indien namelijk alle plannen of projecten die enig gevolg zouden kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied passend beoordeeld zouden moeten worden, bestond het gevaar dat alle activiteiten op of nabij het gebied wegens overdreven wetgevingsijver onmogelijk werden.”, zo geeft Sharpston aan. Voor activiteiten die enig gevolg hebben voor een Natura 2000-gebied dient dus niet noodzakelijkerwijs een passende beoordeling opgesteld te worden, maar het gevolg dient een bepaalde minimumdrempel te overschrijden.

Maar hoe hoog is die minimumdrempel dan? In de uitspraak over de kokkelvisserij geeft het Hof van Justitie een nadere duiding van het begrip significant (ECLI:EU:C:2004:482, r.o. 48): “een plan of project dat de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken gebied in gevaar dreigt te brengen, noodzakelijkerwijs moet worden beschouwd als een plan of project dat significante gevolgen kan hebben voor het betrokken gebied. In het kader van de inschatting van de effecten die dit plan of project kan hebben, moet de significantie van die gevolgen met name worden beoordeeld in het licht van de specifieke milieukenmerken en omstandigheden van het gebied waarop het plan of project betrekking heeft”.

2

Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001, welke plicht in de Nederlandse wetgeving is verankerd in artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.

3

Stb. 27 november 2019. Nr. 64808.

8

Uit deze uitspraak volgt dat ‘significantie’ beoordeeld moet worden in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen die gelden voor de aangewezen habitats en soorten. Deze instandhoudingsdoelstellingen zijn in verschillende termen beschreven, zoals oppervlakte of omvang en kwaliteit van een leefgebied. Daarbij geldt dat wanneer een plan of project de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar dreigt te brengen, dat dit een plan of project is met significante gevolgen. Verder wordt in dezelfde uitspraak van het Hof van Justitie over de kokkelvisserij de suggestie gewekt dat het begrip significant omschreven kan worden met het woord ‘aanzienlijk’. Bij rechtsoverweging 42 van deze uitspraak vergelijkt het Hof het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn artikel 6.3 met die van de richtlijn voor de Milieu-effectbeoordeling (richtlijn 85/337) en stelt dan: “Met betrekking tot artikel 2, lid 1, van richtlijn 85/337, waarvan de formulering in wezen gelijk is aan die van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn, namelijk dat „de lidstaten [...] de nodige maatregelen [treffen] om te verzekeren dat, voordat een vergunning wordt verleend, de projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben [...] worden onderworpen aan een beoordeling van die effecten", heeft het Hof geoordeeld dat dit projecten zijn die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben”.

Dat met significante gevolgen aanzienlijke gevolgen bedoeld lijken te worden, blijkt ook zijdelings uit paragraaf 4.5.3 van het interpretatiedocument van de Europese Commissie over de Habitatrichtlijn (Europese Commissie 2019), wanneer cumulatieve effecten worden besproken. De tekst in deze paragraaf luidt: “Een reeks van gevolgen die op zichzelf beperkt zijn, kunnen in combinatie met elkaar significant zijn. Het Hof heeft erop gewezen dat „wanneer het cumulatieve effect van projecten buiten beschouwing wordt gelaten, zulks in de praktijk tot gevolg heeft dat alle projecten van een bepaald type aan de beoordelingsverplichting kunnen worden onttrokken, hoewel zij tezamen een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben” Een meer werkbare omschrijving van het begrip significant volgt uit de overweging van Advocaat Generaal Sharpston (ECLI:EU:C:2012:743, r.o. 48): “Het vereiste dat de bedoelde gevolgen ‘significant’ zijn, beoogt een minimumdrempel te bepalen. Plannen of projecten die geen merkbare gevolgen voor het gebied hebben vallen erbuiten.” De gevolgen van een storingsfactor zijn dus significant als ze merkbaar zijn, zo valt op te maken uit deze overweging. Bovenstaande uitspraken van het Hof van Justitie maken dus duidelijk dat van een significant gevolg sprake is, als een verstoring leidt tot een merkbaar gevolg voor de instandhoudingsdoelstellingen.

Om het begrip ‘significantie’ te verduidelijken heeft de overheid de ‘Leidraad bepaling significantie’ opgesteld (Steunpunt Natura 2000 2010). Het volgende doorloopschema uit deze leidraad geeft de benodigde stappen weer om te bepalen of een verstoring significant kan zijn. Ook in deze leidraad wordt onderbouwd dat getoetst dient te worden aan de instandhoudingsdoelstellingen. Verder gaat men er in de leidraad vanuit dat gevolgen pas significant kunnen zijn als ze leiden tot een meetbare aantasting van de instandhoudingsdoelstelling. Dit meetbare komt overeen met het merkbare zoals

9

dat werd genoemd in de hierboven aangehaalde overweging van Advocaat Generaal Sharpston.

Schema bepaling significantie. Bron: Steunpunt Natura 2000 (2010).

2.5

Het begrip Kritische DepositieWaarde (KDW) Voor de habitattypen en leefgebieden waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden in Natura 2000-gebieden zijn kritische depositiewaarden (KDW) voor stikstofdepositie vastgesteld. Deze KDW zijn bepaald op basis van de waarden in wetenschappelijke literatuur, op basis van veldexperimenten en op basis van modeluitkomsten (Bobbink en Hettelingh 2011). Wanneer in een Natura 2000-gebied de totale depositie de KDW van een vegetatie overschrijdt, bestaat het risico dat deze depositie de kwaliteit van deze vegetatie significant aantast, als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed (Van Dobben et al. 2012, Van Dobben 2020).

10

Een overschrijding van de KDW door de achtergronddepositie betekent niet dat iedere extra depositie op voorhand een significant gevolg heeft. Het betekent uitsluitend dat de mogelijkheid van een significante aantasting dan niet zonder meer afwezig is (ECLI:NL:RVS:2012:BY7360). De gevolgen van een extra depositie dienen in dat geval te worden onderzocht; in eerste instantie in een voortoets. Als daaruit volgt dat significant negatieve gevolgen niet op voorhand kunnen worden uitgesloten dan dient een passende beoordeling te worden gemaakt (ECLI:NL:RVS:2020:212 of ECLI:NL:RVS:2020:1125). Blijken in de voortoets de gevolgen niet merkbaar of meetbaar, dan is een passende beoordeling niet nodig, zoals bevestigd door uitspraken van de Raad van State (bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2015:3206, ECLI:NL:RVS:2016:866, ECLI:NL:RVS:2020:1110).

2.6

Het begrip cumulatie In voorliggende voortoets wordt beoordeeld of het plan afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben. Maar welke plannen of projecten dienen precies betrokken te worden bij deze beoordeling? Uit jurisprudentie blijkt dat onzekere toekomstige gebeurtenissen en reeds voltooide plannen en projecten niet meegenomen hoeven te worden bij de beoordeling van cumulatieve gevolgen (ECLI:NL:RVS:2009:BK5864). Afgeronde plannen en projecten maken gewoonlijk deel uit van de uitgangssituatie van het gebied (Europese Commissie 2019). Wel meegenomen moeten worden de projecten waarvoor een vergunning is verleend, maar die nog niet zijn gerealiseerd. Andere (ontwerp-) bestemmingsplannen kunnen buiten beschouwing worden gelaten, omdat voor de verwezenlijking van daarin opgenomen projecten in de toekomst nog nadere besluitvorming in het kader van de Wet natuurbescherming moet plaatsvinden (ECLI:NL:RVS:2014:1312).

11

3

Methode Deskundige Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staan bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om aan onze standaard te voldoen, wordt ecologisch onderzoek enkel uitgevoerd door deskundigen. Onder een ecologisch deskundige verstaan we iemand met aantoonbare ervaring en kennis op het gebied van de ecologie van de betreffende soorten. Onze deskundigen voldoen aan de eisen van een ecologisch deskundige zoals de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland die stelt. Ecologen in opleiding tot deskundige werken altijd onder begeleiding van een deskundige. Werkwijze voortoets Deze ecologische voortoets vormt een beoordeling van de gevolgen van stikstofdepositie. De voortoets bestaat uit een bureaustudie en werd opgezet overeenkomstig aanwijzingen voor de toetsing in de oriëntatiefase (Provincie Gelderland 2011). In deze voortoets is alleen de mogelijke verstoring van Natura 2000-gebied door verzuring en vermesting door stikstofdepositie beoordeeld. Bij de voortoets werden als eerste de resultaten van de Aerius-berekeningen van de huidige, aanleg- en gebruiksfase op een rij gezet. Vervolgens is voor zowel de aanlegfase als gebruiksfase een verschilberekening gemaakt.

Vervolgens zijn de instandhoudingsdoelstellingen beschreven en is onderzocht of de achtergronddepositie momenteel de KDW overschrijdt. Daarna is beoordeeld of de vegetaties waar depositie plaatsvindt in het Natura 2000-gebied gevoelig zijn voor stikstof. Zoals beschreven in het wettelijk kader dient in de voortoets op basis van objectieve gegevens bepaald te worden of de ontwikkeling kan leiden tot significant negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen. Een gevolg is daarbij te omschrijven als significant, als het leidt tot een merkbare, meetbare aantasting van de instandhoudingsdoelstelling (zie paragrafen 2.3 en 2.4). In het tweede deel van de voortoets is onderzocht of de ontwikkeling kan leiden tot een merkbare of meetbare aantasting van de instandhoudingsdoelstelling. Als laatste werd een cumulatietoets opgesteld. Zoals beschreven in paragraaf 2.6 dient bij de vraag of een plan of project aan een passende beoordeling moet worden onderworpen, rekening te worden gehouden met de cumulatieve gevolgen van andere plannen of projecten. Om dit te beoordelen werd een cumulatietoets opgesteld.

12

4 4.1

Resultaat Samenvatting resultaten stikstofberekening Zoals eerder beschreven, werden voor alle verschillende aanleg- en gebruiksfases stikstofberekeningen uitgevoerd met Aerius-Calculator (stikstofdepositie onderzoek SAB 2021). Dit betreft de aanlegfase in rekenjaar 2022, gebruiksfase in rekenjaar 2023, aanleg- en gebruiksfase in rekenjaar 2024 en gebruiksfase in rekenjaar 2025. Uit de berekeningen blijkt dat de aanlegfase in het rekenjaar 2022 leidt tot de grootste toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Rijntakken. In de aanleg- en gebruiksfase van rekenjaar 2024 is ook een toename van stikstofdepositie te verwachten, maar die is kleiner dan in 2022. Tijdens de gebruiksfases van rekenjaren 2023 en 2025 is geen toename van stikstofdepositie te verwachten (zie onderstaande tabel en afbeeldingen). Om te toetsen of negatieve effecten op de Natura 2000 op voorhand zijn uit te sluiten dient te worden uitgegaan van een worst-case benadering. Derhalve zal in de ecologische voortoets worden uitgegaan van de resultaten van de aanlegfase 2022. Op andere Natura 2000-gebieden vindt geen stikstofdepositie plaats door de ontwikkeling. Op andere Natura 2000-gebieden zijn significant negatieve gevolgen door stikstofdepositie ten gevolge van deze ontwikkeling dus bij voorbaat uitgesloten. Samenvatting AERIUS-berekeningen . (stikstofdepositie onderzoek SAB 2021).

Type Maximale depositie Aanlegfase rekenjaar 2022 ZGLg11 0,02 ZGLg08 0,02 Lg11 0,02 Lg02 0,01 Lg08 0,01 H6510A 0,01 H3150 0,01 ZGLg02 0,01 Gebruiksfase rekenjaar 2023 N.v.t. 0,00 Aanleg- en gebruiksfase rekenjaar 2024 ZGLg11 0,01 ZGLg08 0,01 Lg11 0,01 Lg02 0,01 Lg08 0,01 H6510A 0,01 H3150 0,01 Gebruiksfase rekenjaar 2025 N.v.t. 0,00

De toename van depositie is het hoogst tijdens de aanlegfase in 2022. De toenames vallen op drie verschillende leefgebieden en de drie bijbehorende zoekgebieden voor leefgebieden. Daarnaast is een toename te verwachten op twee verschillende habitattypen. De leefgebieden en zoekgebieden voor leefgebieden waar een toename van stikstofdepositie te verwachten is zijn (ZG)Lg02 Geïsoleerde meander en petgat, (ZG)Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland en (ZG)Lg11 Kamgrasweide & Bloemrijk

13

weidevogelgrasland van het rivier- en zeekleigebied. De habitattypen zijn H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) en H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearm. De depositie is op een groot aantal hexagonen te verwachten. De meeste (zoekgebieden voor) leefgebieden en habitattypen komen op meer dan 10 van deze hexagonen voor. Alleen LG08 is beperkt tot twee van de hexagonen waar een toename van depositie is te verwachten.

Weergave van de resultaten van de AERIUS-stikstofberekening tijdens de aanlegfase 2022 (bron: Aerius calculator).

Weergave van de resultaten van de AERIUS-stikstofberekening tijdens de aanleg- en gebruiksfase 2024 (bron: Aerius calculator).

4.2

Instandhoudingsdoelstellingen In deze voortoets dient onderzocht te worden of de toename van de depositie op Natura 2000-gebied Rijntakken kan leiden tot een significant gevolg voor de instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000-gebied. De ontwikkeling leidt tot deposities op verschillende leefgebieden en op zoekgebieden voor leefgebieden. De instandhou-

14

dingsdoelstellingen van de vegetaties waar depositie plaatsvindt zijn samengevat in onderstaande tabel. Al deze instandhoudingsdoelstellingen zijn inmiddels vastgesteld. Zoals te zien is in de tabel, geldt voor de habitattypen dat gestreefd wordt naar behoud of uitbreiding van het oppervlakte van de habitattypen en dat gestreefd wordt naar behoud of verbetering van de kwaliteit. Onderzocht dient dus te worden of de ontwikkeling kan leiden tot significante gevolgen voor het halen van deze doelstellingen. Voor leefgebieden gelden zelf geen instandhoudingsdoelstellingen. Wel vormen de vegetaties leefgebieden voor soorten waar wel instandhoudingsdoelen voor gelden. Er dient onderzocht te worden of deze instandhoudingsdoelen in het geding komen. Daarnaast dienen voor de zoekgebieden dezelfde instandhoudingsdoelen aangehouden te worden als voor de respectievelijke leefgebieden. Samenvatting van de instandhoudingsdoelstellingen en de status van de instandhoudingsdoelstellingen Vegetatie

4.3

Instandhoudingsdoel

Status doel

Lg02

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor Bittervoorn en uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor kamsalamander.

Vastgesteld

ZGLg02

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor Bittervoorn en uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor kamsalamander.

Vastgesteld

Lg08

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor kievit, tureluur, kemphaan, grutto, scholekster en watersnip en uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor kwartelkoning.

Vastgesteld

ZGLg08

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor kievit, tureluur, kemphaan, grutto, scholekster en watersnip en uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor kwartelkoning.

Vastgesteld

LG11

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor kievit, tureluur, kemphaan, grutto en scholekster en uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor kwartelkoning.

Vastgesteld

ZGLg11

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor kievit, tureluur, kemphaan, grutto en scholekster en uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor kwartelkoning.

Vastgesteld

H3150

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

Vastgesteld

H6510A

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit

Vastgesteld

Overschrijding Kritische Depositiewaarde Zoals beschreven in paragraaf 2.5, vormt de Kritische Depositiewaarde (KDW) de grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. De toenames van stikstofdeposities zijn zowel op de oostelijke en westelijke oever van de IJssel te verwachten. De achtergronddepositie ligt op de

15

meeste hexagonen tussen de 1.100 en 1.400 mol/ha/j. De hexagonen in de buurt van de A1 en direct langs de dijk lopen echter soms op tot een depositie van circa 2.000 mol/ha/j. De KDW voor LG11, ZGLg11 en H6510A is 1.429 mol/ha/j. Lg11 en ZGLg11 komt op een groot aantal hexagonen voor, zowel op de oostelijke en westelijke oever van de IJssel. De KDW wordt op slechts enkele van de hexagonen waar een toename van stikstofdepositie te verwachten is overschreden. H6510A komt alleen verder ten zuiden van de A1 voor, waardoor hier de KDW nooit wordt overschreden door de achtergronddepositie. Negatieve effecten op habitattype H6510A door de minimale toename van stikstofdepositie is daarom op voorhand uitgesloten. De KDW voor Lg08 en ZGLg08 is 1.571 mol/ha/j. Lg08 komt op slechts 2 hexagonen voor op ten noorden van de A1. De achtergronddepositie op deze hexagonen is lager dan de KDW. Negatieve effecten op Leefgebied Lg08 door de minimale toename van stikstofdepositie is daarom op voorhand uitgesloten. ZGLg08 komt op meer plekken voor. Op enkele van de hexagonen wordt de KDW wel overschreden door de achtergronddepositie. De KDW voor Lg02, ZGLg02 en H3150 is 2.143. Deze KDW wordt op geen van de hexagonen overschreden door de achtergronddepositie. Negatieve effecten op deze vegetaties door de minimale toename van stikstofdepositie is daarom op voorhand uitgesloten.

Zoals beschreven in paragraaf 2.5 houdt overschrijding van de KDW van ZGLg08, Lg11 en ZGLg11 in, dat het risico bestaat dat stikstofdepositie de kwaliteit van deze vegetaties significant aantast. Voor deze vegetaties dient dus nader onderzocht te worden of de extra depositie kan leiden tot significante gevolgen. Overzicht van overschrijding KDW door de achtergronddepositie Type KDW KDW overschreden? Lg02 2.143 Nee ZGLg02 2.143 Nee Lg08 1.571 Nee ZGLg08 1.571 Ja LG11 1.429 Ja ZGLg11 1.429 Ja H3150 2.143 Nee H6510A 1.429 Nee

4.4

Gevoeligheid voor stikstof Zoals in de paragraaf hierboven beschreven staat, overschrijdt voor het leefgebieden Lg11 en de zoekgebieden ZGLg08 en ZGLg11 de achtergronddepositie de KDW. Hieronder beschrijven we de gevoeligheid van deze vegetaties voor extra stikstofdepositie. De informatie in deze paragraaf is gebaseerd op het Natura 2000-beheerplan voor Rijntakken (Provincie Gelderland, 2018). Zoals hierboven beschreven vormen de vegetaties Lg08 en Lg11 het leefgebied van verschillende vogelsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden. Uit de gebiedsanalyse (KWR 2017) en de herstelstrategieën van deze leefgebieden (Nijssen

16

et al. 2016a en b, Bouwman et al. 2016) blijkt dat voor een aantal soorten het belang en de functie van deze vegetaties maar heel beperkt is, bijvoorbeeld doordat er veel alternatief leefgebied is of doordat ze het leefgebied maar een heel beperkt deel van de tijd benutten. Voor de kwartelkoning en de watersnip geldt dit niet. Voor deze soorten is het belang van deze leefgebieden groot, mede doordat het voortplantingsgebied vormt voor deze soorten (KWR 2017). Lg08 vormt onder andere leefgebied voor de watersnip en Lg08 en Lg11 vormen beiden onder andere leefgebied voor de kwartelkoning. De kwartelkoning is een soort die het beste gedijd in pioniervegetatie. De grootste knelpunten voor de soort zijn te intensieve begrazing, te grote verstoring door recreatie, of een broedvogelonvriendelijk maaibeleid. Verzuring en vermesting door een toename van stikstofdepositie kan de successie van vegetatie versnellen, wat negatief is voor het broedsucces van de kwartelkoning, echter het blijkt dat dit nergens in de Rijntakken de beperkende factor is (KWR, 2017). Het leefgebied van de kwartelkoning is daarom niet gevoelig voor een toename van stikstofdepositie. De watersnip is sterk afhankelijk van moerasachtige gebieden met de bijbehorende vegetatie. In sommige gebieden is de verdroging van de uiterwaarden de beperkende factor voor het broedsucces.

In andere gebieden zorgt een te hoge stikstofdepositie echter voor verruiging van het moerasachtige biotoop, wat slecht is voor het bodemleven en dus voor het voedselaanbod van de watersnip. Het leefgebied van de watersnip is daarom wel gevoelig voor en toename van stikstofdepositie. Aangezien Lg08 leefgebied voor de watersnip is, is dit leefgebied ook gevoelig voor een toename van stikstofdepositie. In het verlengde is daarom ZGLg08 ook gevoelig voor een toename van stikstofdepositie. Overzicht van kwaliteit van de habitattypen en gevoeligheid voor stikstofdepositie Type Kwaliteit Gevoelig voor extra stikstofdepositie ZGLg08 Matig Ja LG11 Matig Nee ZGLg11 Matig Nee

4.5

Gevolgen significant?

4.5.1

Toelichting Zoals hierboven beschreven zal de ontwikkeling in de gebruiksfase leiden tot een toename van de stikstofdepositie. Van de leefgebieden Lg08 en Lg11 en het zoekgebied ZGLg11 overschrijdt de achtergronddepositie momenteel de KDW en in het leefgebied Lg08 blijkt extra stikstofdepositie ook voor verstoring van de vegetatie te kunnen zorgen. Is van deze verstoringen ook een significant negatief gevolg op de instandhoudingsdoelstellingen te verwachten? Deze vraag wordt in onderstaande paragraaf beantwoord. Aangenomen kan worden dat verstoringen die niet leiden een merkbare aantasting van de instandhoudingsdoelstelling niet significant zijn (ECLI:EU:C:2012:743, r.o. 48, zie ook paragraaf 2.4). Om te onderzoeken, of de maximale deposities die plaats kunnen vinden zo hoog zijn, dat dit tot een merkbaar gevolg voor de instandhoudings-

17

doelstelling zou kunnen leiden, is als eerste op een rij gezet hoe de berekende deposities zich verhouden tot de hoeveelheid stikstof die dagelijks en jaarlijks in de betreffende vegetaties omgaat. In het tweede deel van de paragraaf onderzoeken we of de deposities dusdanig hoog zijn, dat de gevolgen meetbaar zouden kunnen zijn. 4.5.2

Stikstof in het systeem Eén mol NOx bevat 0,014 kg N (Van Dobben et al. 2012). De maximaal berekende depositie van 0,02 mol NOx/ha/j op het leefgebied Lg11 en de zoekgebieen ZGLg08 en ZGLg11 komt overeen met een depositie van 0,28 gram stikstof per hectare per jaar. Zijn van deze depositie merkbare gevolgen te verwachten? Om deze vraag te beantwoorden is als eerste op een rij gezet wat andere bronnen aan stikstofdepositie veroorzaken (zie onderstaande tabel). Informatie over stikstofconcentraties Omschrijving

Hoeveelheid stikstof

Max. depositie door ontwikkeling Op ZGLg08, Lg11 en ZGLg11

0,28 gram per hectare per jaar

Hoeveelheid stikstof in ontlasting van een hond 1

14 gram per dag

1

bron: Molenaar en Jonkers 1993

In de betreffende gebieden van de Rijntakken worden dagelijks honden uitgelaten. Ook komen in de uiterwaarden vossen voor (ndff.nl). Uit onderzoek blijkt dat een vos gemiddeld zo’n 2 gram stikstof per dag uitplast (zie ook onderstaande tabel). Hoeveel stikstof vossen dagelijks uitpoepen is niet gevonden, maar wel is duidelijk dat in de vaste ontlasting van vossen minder stikstof aanwezig is dan in de urine (Hawk 1910). Uit onderzoek blijkt verder dat de hoeveelheid stikstof die één hond dagelijks uitpoept en uitplast totaal circa 14 gram bedraagt (Molenaar en Jonkers 1993, Hawk 1910, van de Haterd 2014). De hoeveelheid stikstofdepositie die de ontwikkeling per jaar veroorzaakt is daarmee kleiner dan de hoeveelheid stikstof die één vos of hond in één dag uitscheidt. Vossen en honden zijn dagelijks in het gebied aanwezig en het is daardoor onmogelijk dat de depositie door de ontwikkeling voor een merkbaar effect zal kunnen zorgen. Daarvoor is de depositie te laag. De vegetaties waar depositie wordt verwacht bestaan daarnaast uit grasland. Om de graslanden in stand te houden worden deze jaarlijks eenmaal of meerdere malen gemaaid (KWR 2017). Door het maaien van gras, worden jaarlijks enorme hoeveelheden stikstof afgevoerd; van enkele duizenden tot tienduizend mol per hectare per jaar (Schaffers et al. 1998, Cardinaals et al. 2019).

Vele malen groter dus dan de depositie die de ontwikkeling zal genereren. Ook door dit beheer zal het gevolg van de deposities op deze vegetaties niet merkbaar of meetbaar zijn, waardoor ze niet significant zijn. Verder is ook de achtergronddepositie aan stikstof vele malen hoger dan de depositie die de ontwikkeling veroorzaakt. Zoals aangegeven bedraagt de achtergronddepositie in het Natura 2000-gebied ter plaatse van de depositie circa 1.100-2.000 mol/ha/j. De depositie die de ontwikkeling veroorzaakt is daarmee overal veel kleiner dan de bestaande achtergronddepositie. In de aanlegfase in 2022, wanneer de depositie door

18

de ontwikkeling het grootst is, bedraagt deze hooguit circa 0,0018% van de achtergronddepositie (zie onderstaande tabel). Verhouding van de depositie in de gebruiksfase ten opzichte van de achtergronddepositie. Vegetatietype Maximale deAchtergrondDepositie als percentage positie depositie van de achtergrondde(mol/ha/j) (mol/ha/j) positie (%) 0,02 1.100 0,0018 ZGLg08, Lg11 en ZGLg11

Bovendien fluctueert de achtergronddepositie van jaar tot jaar, door onder meer verschillen in temperatuur, neerslag en windrichting. Hierdoor kunnen van jaar tot jaar variaties in de achtergrondconcentratie optreden in de orde van grootte van 10% (Kleijberg 2020). Voor deze locatie houdt dit dus in dat de achtergrondconcentratie van jaar tot jaar met circa 110 mol varieert. De berekende deposities vallen in het niet bij deze jaarlijkse variatie die er is in de achtergronddepositie. De depositie is daarmee zo gering, dat deze wegvalt bij de grote hoeveelheid stikstof die jaarlijks uit de lucht neerdaalt. Het is daarmee onmogelijk dat deze depositie leidt tot een merkbare verandering in de groei, de samenstelling of het functioneren van de vegetatie. Delen die kwalificeren als habitattype zullen ook in de toekomst, met de extra depositie nog kwalificeren als habitattype, doordat van een merkbaar effect door de depositie geen sprake is. De vegetaties kunnen daardoor nog steeds dezelfde functies vervullen als zonder deze ontwikkeling. Van een merkbaar, meetbaar en dus significant gevolg voor de instandhoudingsdoelstelling is daarmee geen sprake. 4.5.3

Meetbaarheid van de gevolgen Zoals beschreven in het wettelijk kader van paragraaf 2.4, kan de aantasting van een instandhoudingsdoelstelling alleen significant zijn als de aantasting ook merkbaar of meetbaar is (zie ook de ‘Leidraad bepaling significantie’ van de overheid (Steunpunt Natura 2000 2010)). Stikstofdepositie kan gevolgen hebben voor de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden. Maar hoe groot moet een stikstofdepositie zijn wil dit tot een merkbare of meetbare verandering van de kwaliteit van een vegetatie kunnen leiden? Een belangrijke aanwijzing hiervoor komt van onderzoeken en veldexperimenten die worden uitgevoerd om de Kritische Depositiewaarden (KDW’s) van vegetaties te bepalen. Bij dergelijke onderzoeken wordt aan vegetaties gedurende kortere of langere tijd extra stikstof toegevoegd waarna wordt onderzocht hoe de vegetaties en de bodemeigenschappen op deze extra stikstofgift reageren. Vaak bestaan deze experimenten uit zogeheten ‘trappenproeven’, waarbij aan de vegetatie oplopende hoeveelheden stikstof wordt aangeboden, bijvoorbeeld 10, 20, of 50 kg/ha/j (Van Dobben 2020). Op basis van dergelijke experimenten, maar ook op basis van modeluitkomsten, worden vervolgens de Kritische Depositiewaarden bepaald. Deze KDW’s worden veelal beschreven in de vorm van ranges (bandbreedtes).

Deze ranges beschrijven enerzijds de variatie in kritische depositiewaarden als gevolg van verschillen in gevoeligheid binnen een ecosysteem en anderzijds de betrouwbaarheidsmarges als gevolg van methodische onzekerheden. Deze ranges worden weergegeven in kilogrammen stikstof per hectare per jaar (Bobbink en Hettelingh 2011, Van Dobben et al. 2012, Caporn et al. 2016). Voor Nederland zijn vervolgens ook nauwkeuriger KDW’s vastgesteld, op basis van literatuur en modeluitkomsten. De KDW’s van de Nederlandse ha-

19

bitattypen en leefgebieden zijn vastgesteld in kilogram stikstof per hectare per jaar De KDW’s van de habitattypen en leefgebieden zijn dus bepaald tot op één kilogram nauwkeurig. Maar niet nauwkeuriger. Vervolgens werden de KDW’s omgerekend naar KDW’s in mol per hectare, door te vermenigvuldigen met 71,43 (zie de afbeelding hieronder).

Een uitsnede uit de tekst van het achtergronddocument. Kritische depositiewaarden werden eerst bepaald in kilogrammen stikstof per hectare per jaar en werden vervolgens omgerekend naar mol/ha/j. Bron: Van Dobben et al. 2012.

Er bestaan dus bijvoorbeeld KDW’s voor habitattypen en leefgebieden die overeenkomen met een depositie van 15 kg/ha/j, zoals de KDW’s van de habitattypen H2150 en H2130. Ook bestaan er KDW’s die overeenkomen met een depositie van 14 kg/ha/j, zoals voor het habitattype H2190A. Maar tussenliggende KDW’s, die bijvoorbeeld overeenkomen met een depositie van 14,3 kg/ha/j of 14,32 kg/ha, bestaan niet. Met een dergelijke nauwkeurigheid kunnen de KDW’s niet worden vastgesteld. De methoden zijn daarvoor te grof. Uit de veldstudies en experimenten, waarbij aan vegetaties kunstmatig extra stikstof wordt toegediend, blijkt dus dat dat de gevolgen van één kilogram aan stikstofdepositie in een vegetatie meetbaar of waarneembaar kunnen zijn. Eén kilogram stikstof per hectare per jaar komt overeenkomt met circa 71,4 mol per hectare per jaar. Dit impliceert dat de gevolgen van een extra depositie die enige tientallen mol per hectare per jaar groot is, waarneembaar of meetbaar zou kunnen zijn. Maar het feit dat bij dergelijke studies de KDW’s niet kunnen worden bepaald tot op de milligram, gram of honderd gram stikstofdepositie nauwkeurig, geeft ook aan dat de gevolgen van een extra stikstofdepositie die veel kleiner is dan een toevoeging van één kilogram stikstof per hectare per jaar niet zijn waar te nemen.

De ontwikkeling die hier wordt onderzocht leidt tot een extra stikstofdepositie die maximaal 0,28 gram per hectare per jaar groot is. Aangezien deze 0,28 gram per hectare per jaar veel kleiner is dan één kilogram stikstof per hectare per jaar, zal het gevolg hiervan niet meetbaar of waarneembaar kunnen zijn. Van een merkbaar of meetbaar gevolg op de instandhoudingsdoelstelling kan bij een dergelijke depositie geen sprake zijn.

20

4.6

Cumulatietoets Werkwijze Zoals in paragraaf 2.6 beschreven, dient beoordeeld te worden of de ontwikkeling afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben. Om te bepalen of de ontwikkeling, in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is een cumulatietoets uitgevoerd. Bij de cumulatietoets is alleen aandacht besteed aan mogelijke gevolgen op vermesting en verzuring door stikstofdepositie, op Natura 2000-gebied Rijntakken. Natura 2000-gebieden waarop geen gevolgen op kunnen treden werden buiten beschouwing gelaten. Het geheel ontbreken van gevolgen ten gevolge van dit plan zal immers ook in cumulatie niet kunnen leiden tot het ontstaan van gevolgen ten gevolge van het plan. Uit jurisprudentie blijkt dat onzekere toekomstige gebeurtenissen en reeds voltooide plannen en projecten niet meegenomen hoeven te worden bij de beoordeling van cumulatieve gevolgen (ECLI:NL:RVS:2009:BK5864, ECLI:NLRVS:2010:BN1891). Beoordeeld werden daarom de gevolgen van vaststaand, maar nog niet gerealiseerd beleid. Hiertoe werd onderzocht hoe de stikstofdepositie zich komende jaren ontwikkelt ten gevolge van de verwachte economische groei en vaststaand beleid.

Hiervoor werden de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten (GCN en GDN-kaarten) van de Rijksoverheid voor de rapportage van 2020 beoordeeld (RIVM.nl). De GCN- en GDN-kaarten zijn gebaseerd op een combinatie van modelberekeningen en metingen en geven een grootschalig beeld van de stikstofdepositie in Nederland in de huidige situatie en in de toekomst. Voor de toekomstige situatie werd door het RIVM uitgegaan van een scenario met de verwachte economische groei en daarbij de gevolgen van vastgesteld beleid. Voorbeelden van vastgesteld beleid dat betrokken wordt in de analyses zijn Europese afspraken over de uitstoot van personenauto’s en vrachtauto’s, het Energieakkoord voor duurzame groei, de gevolgen van de meststoffenwet en het besluit huisvesting over emissiearme stallen in de landbouw (RIVM 2019, 2020). De gegevens van de GCN en GDN kaarten lenen zich hiermee goed voor toepassing in deze cumulatietoets, omdat het vaststaand beleid betreft en omdat onzeker gebeurtenissen hierin niet zijn opgenomen. Ontwikkeling stikstofdepositie Uit informatie over de ontwikkeling van de stikstofdepositie ten gevolge van vaststaand beleid (RIVM.nl), blijkt dat op de locatie waar tijdens de gebruiksfase en de aanlegfase door de ontwikkeling stikstofdepositie wordt verwacht, de stikstofdepositie de komende tien jaar aanzienlijk daalt.

De totale depositie op de locaties waar ten gevolge van de ontwikkeling depositie wordt berekend, daalt met circa 120-140 mol/ha over de periode 2020 tot 2030, zo blijkt uit de gegevens. Conclusie Uit de verzamelde informatie blijkt dat ten gevolge van vaststaand beleid de stikstofdepositie in de toekomst aanzienlijk daalt op die locaties waar ten gevolge van de ontwikkeling stikstofdepositie mogelijk is. Significant negatieve gevolgen zijn van een dergelijke daling niet te verwachten. Een dergelijke daling is juist positief voor de instandhouding van de habitattypen. Significant negatieve gevolgen van de ontwikkeling

21

door stikstofdepositie zijn daardoor in cumulatie met andere plannen en projecten uitgesloten.

22

5

Conclusie; significant gevolg? Nikkels is voornemens om in het dorp Wilp, gemeente Voorst, 44 grondgebonden woningen te ontwikkelen op een inbreidingslocatie tussen de Binnenweg en de Rijksstraatweg. Om de gevolgen van het plan op stikstofdepositie binnen Natura 2000gebied te onderzoeken, werd eerder een stikstofberekening opgesteld waaruit blijkt dat de stikstofdepositie tijdens de aanlegfase van 2022 en de aanleg- en gebruiksfase van 2024 stijgt ten gevolge van de ontwikkeling. Om te onderzoeken of de stikstofdepositie van de ontwikkeling significant negatieve gevolgen kan hebben op het Natura 2000-gebied werd deze ecologische voortoets opgesteld. In de voortoets werd op basis van objectieve gegevens beoordeeld of van de stikstofdeposities significant negatieve gevolgen mogelijk zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Bij deze beoordeling werden ook de gevolgen van andere plannen en projecten betrokken. Onderstaande tabel vat de resultaten van het onderzoek samen. Samenvatting van de resultaten van de ecologische voortoets Vegetatie Max. Significant Toelichting depositie gevolg? Aanlegfase rekenjaar 2022 ZGLg11 0,02 Nee Niet gevoelig voor stikstofdepositie ZGLg08

0,02

Nee

Gevolgen niet merkbaar of meetbaar

Lg11

0,02

Niet gevoelig voor stikstofdepositie

Lg02

0,01

Nee Nee

Lg08

0,01

Nee

KDW wordt niet overschreden

H6510A

0,01

Nee

KDW wordt niet overschreden

H3150

0,01

Nee

KDW wordt niet overschreden

ZGLg02

0,01

Nee

KDW wordt niet overschreden

KDW wordt niet overschreden

Gebruiksfase rekenjaar 2023 N.v.t. 0,00 Nee

Geen toename van stikstofdepositie

Aanleg- en gebruiksfase rekenjaar 2024 ZGLg11 0,01 Nee

Niet gevoelig voor stikstofdepositie

ZGLg08

0,01

Nee

Gevolgen niet merkbaar of meetbaar

Lg11

0,01

Nee

Niet gevoelig voor stikstofdepositie

Lg02

0,01

Nee

KDW wordt niet overschreden

Lg08

0,01

Nee

KDW wordt niet overschreden

H6510A

0,01

Nee

KDW wordt niet overschreden

H3150

0,01

Nee

KDW wordt niet overschreden

Gebruiksfase rekenjaar 2025 N.v.t. 0,00 Nee

Geen toename van stikstofdepositie

Uit de voortoets blijkt, dat bij het leefgebied Lg11 en de zoekgebied ZGLg08 en ZGLg11 de achtergronddepositie momenteel de KDW overschrijdt. Uit het onderzoek blijkt verder dat de vegetatie ZGLg08 gevoelig is voor verzuring en vermesting door stikstofdepositie. LG11 en ZGLg11 zijn niet gevoelig voor een toename van stikstofdepositie (paragraaf 4.4). In de voortoets werd vervolgens op basis van objectieve gegevens onderzocht of de deposities die de ontwikkeling veroorzaakt in deze vegetaties voor merkbare of meetbare gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen

23

kunnen zorgen. Uit het onderzoek blijkt dat de deposities die de ontwikkeling veroorzaakt zo gering zijn, dat meetbare of merkbare, dus significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen daarvan zijn uitgesloten (paragraaf 4.5). Tot slot werd een cumulatietoets uitgevoerd, om te onderzoeken of de ontwikkeling samen met andere plannen of projecten tot een significant gevolg zou kunnen leiden. Uit deze toets (paragraaf 4.6) blijkt dat door vaststaand beleid de stikstofdepositie in dit deel van het Natura 2000-gebied aanzienlijk zal dalen. Ook in cumulatie met andere ontwikkelingen zijn significant negatieve gevolgen daarom uitgesloten. Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden en ook geldt voor de stikstofdepositie geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming.

24

Geraadpleegde bronnen Literatuur Balboa –Murias et al. 2006. Carbon and nutrient stocks in mature Quercus robur L. stands in NW Spain. Annals of Forest Science: 63: 557-565 Bobbink, R. Hettelingh J. P. (eds). 2011. Review and revision of critical loads and dose-response relationships. Proceedings of an expert workshop. RIVM-report 680359002. Dobben, H. van. 2020. Effecten van stikstofdepositie op de natuur en de rol van de kritische depositiewaarde. Tijdschrift Natuurbeschermingsrecht 2, jaargang 4: 44-51. Caporn, S. Field, C. Payne, R. Dise, N. Britton, A. Emmett, B, Jones, L. Phoenix, G. S. Power, S. Sheppard, L. Stevens, C. 2016. Assessing the effects of small increments of atmospheric nitrogen deposition (above the critical load) on semi-natural habitats of conservation importance. Natural England Commissioned Reports. Number 210. Cardinaals et al. 2019. Woningbouw en Natura 2000. Vuistregels bij het beoordelen van stikstofdepositie. Bureau Waardenburg. Rapport nr. 19-246. Collington, A. Orobio de Castro, D. C. Berkouwer, E. C. Muis, D. 2019. Stikstofproblematiek: consequenties en oplossingsrichtingen voor de bouwpraktijk vanuit bestuursrechtelijk en civielrechtelijk perspectief. BR2019/88. Aflevering 12, december 2019. De Vries, W. Hol, A. Tjalma, S. Voogd, S. C. H. 1990. Literatuurstudie naar voorraden en verblijftijden van elementen in bosecosystemen.

Staring Centrum rapport 94. Europese Commissie 2019. Beheer van “Natura 2000”-gebieden: de bepalingen van artikel 6 van de habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG) , Luxemburg: Bureau voor Officiele Publicaties der Europese Gemeenschappen 2019. Kleijberg, R. 2020. Natura 2000-gebieden rond de Amsterdamse haven. Documentatie over de gevoeligheid van natuurgebieden voor stikstofdepositie. Rapport Arcadis, 4 februari 2020. Ministerie EZLI. 2012. Memorie van toelichting bij Wet natuurbescherming. Kamerstuk. Ministerie EZ. 2015. Memorie van antwoord bij Wet natuurbescherming. Kamerstuk Eerste Kamer der Staten-Generaal. Ministerie EZ. 2015. Handreiking Passende Beoordeling Stikstofaspecten Bestemmingsplannen. 17 juni 2015. Ministerie LNV. 2018. Ontwerp-wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden

25

Molenaar en Jonkers. 1993. De invloed van stikstof in de ontlasting van honden op de vegetatie in voedselarme bos- en natuurterreinen. IBN-rapport 038. Provincie Gelderland 2011. Stappenplan vergunningaanvraag. Op grond van de natuurbeschermingswet 1998. Provincie Gelderland 2017. 038 Rijntakken PAS-gebiedsanalyse. Definitief rapport 206-2017. Provincie Gelderland. 2018. Natura 2000 beheerplan Rijntakken (038). RIVM. 2019. Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland. Rapportage 2019. RIVM Rapport 2019-0091. RIVM. 2020. Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland. Rapportage 2020. RIVM Rapport 2020-0091. SAB. 2021. Stikstofonderzoek Wilp, Woningbouwlocatie Binnenweg. Projectnummer 170353.02 Steunpunt Natura 2000. 2010. Leidraad bepaling significantie. Nadere uitleg van het begrip ‘significante gevolgen’ uit de Natuurbeschermingsweg. Versie 27 mei 2010 Van de Haterd, R. J. W. Hoefsloot, G. Krijgsveld, K. L. 2014. Effect van honden op natuur. Een literatuurstudie naar effecten van honden in groengebieden op flora en fauna en gezondheidsrisico’s voor mens en dier. Bureau Waardenburg, rapport nr. 14112. Van Dobben, H. F. Bobbink, R. Bal, D. van Hinsberg, A. 2012. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000. Wageningen, Alterra, Alterra-rapport 2397. Van Dobben, H. 2020.

Effecten van stikstofdepositie op de natuur en de rol van de kritische depositiewaarde. Tijdschrift Natuurbeschermingsrecht 2: 44-51. Websites Calculator.aerius.nl natura2000.eea.europa.eu/# pdokviewer.pdok.nl www.natura2000.nl www.ndff.nl www.wetten.nl www.rijksoverheid.nl www.rivm.nl Jurisprudentie HvJ EG 7 september 2004, ECLI:EU:C:2004:482 HvJ EU 16 februari 2012, ECLI:EU:C:2012:743, HvJ EU 11 april 2013, ECLI:EU:C:2013:220

26

HvJ EU 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:622 HvJ EU 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882 ABRvS 9 december 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK5864 ABRvS 21 juli 2010, ECLI:NLRVS:2010:BN1891 ABRvS 7 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6898 ABRS 27 december 2012, ECLI:NLRVS2012:BY7360 ABRvS 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1312 ABRvS 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3206 ABRvS 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:866 ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259 ABRvS 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:212 ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS2020:1110 ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1125

27

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10973349/2