CConstaterende datVoorst
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 12 - Binnenweg Wilp quick scan natuur (2021-5819)

gemeenteraad 7 maart 2022, gemeente VoorstBij agendapunt: Bestemmingsplan Woningbouw Binnenweg-Rijksstraatweg, Wilp (2021-71443)12.093 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Verder geldt dat een plan, dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, door een bestuursorgaan pas vastgesteld kan worden indien een passende beoordeling is gemaakt (artikel 2.7 lid 1). Voor een plan of een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, dient een passende beoordeling gemaakt te worden, van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen. Blijkt uit de

passende beoordeling dat er geen aantasting plaatsvindt van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of kan voor de projecten door Gedeputeerde Staten een vergunning worden verleend. In bepaalde gevallen kan, ondanks dat uit de passende beoordeling blijkt dat aantasting van de natuurlijke kenmerken mogelijk is, een plan toch worden vastgesteld of kan een vergunning toch worden verleend. Er dient dan te worden voldaan aan de zogeheten ADC criteria. De ADC criteria houden in: i) dat er geen alternatieve oplossingen zijn, ii) dat er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en iii) dat de nodige compenserende maatregelen worden getroffen. Bijzondere nationale natuurgebieden In uitzonderlijke gevallen kan de Minister, op grond van artikel 2.11, bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. De Minister kan dit doen voor een gebied dat is of wordt aangemeld als Habitatrichtlijngebied, maar nog niet definitief is aangewezen. Ook kan het voor een gebied dat nog geen onderdeel is van het Natura 2000-netwerk, maar waar compenserende maatregelen worden getroffen voor de realisatie van een project met significante gevolgen. Tot slot kan een gebied worden aangewezen in het geval dat dat noodzakelijk is in het kader van de Vogel- of Habitatrichtlijn, om een gunstige staat van instandhouding te realiseren.

Ter bescherming van de bijzondere nationale natuurgebieden kan de Minister verschillende maatregelen nemen, waaronder toegangsbeperkingen tot het gebied, het gebruik maken van zijn of haar aanschrijvingsbevoegdheid en het treffen van behoud- en herstelmaatregelen in het gebied. Natuurnetwerk Nederland Ter bescherming van vogelsoorten, van soorten van de Habitatrichtlijn en van rode lijstsoorten dienen provincies, op basis van artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming, zorg te dragen voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur, EHS). De bescherming van dit netwerk gebeurt bij provinciale verordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, zoals weidevogelgebieden of ganzenfoerageergebied. Voor Natuurnetwerk Nederland geldt, op basis van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, dat ontwikkelingen niet mogen leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. Daarnaast mogen de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden niet significant worden beperkt. De precieze invulling van de bescherming vervult van provincie tot provincie.

In paragraaf 2.1 staat de bescherming beschreven die in dit geval van toepassing is.

Soortenbescherming Verboden en zorgplicht Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen in de Wet natuurbescherming. Er is een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (artikelen 3.1-3.4), voor Habitatrichtlijnsoorten (artikelen 3.5-3.9) en voor andere soorten (artikelen 3.10 en 3.11). Naast de beschermde plant- en diersoorten geldt op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Vogelrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant: het is verboden om van nature in Nederland in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen, het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van deze soorten te beschadigen of te vernielen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden deze soorten opzettelijk te storen wanneer dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort. De verboden in de wet zorgen voor een goede bescherming van nesten van alle in het wild levende vogelsoorten tijdens het broedseizoen.

Globaal loopt het broedseizoen van half maart tot half augustus, maar ook de nesten van broedende vogels buiten deze periode zijn beschermd. Daarnaast zijn van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd, dus ook als ze niet als broedlocatie worden gebruikt. Het betreft dan over het algemeen soorten die hun nest het gehele jaar als verblijfplaats gebruiken of soorten die niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen. Habitatrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant: het is verboden om soorten van de Habitatrichtlijn en van de verdragen van Bonn en Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eieren opzettelijk te vernielen, om voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om planten van de Habitatrichtlijn en van het verdrag van Bern opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten Naast de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten worden in de wet een aantal diersoorten en plantensoorten beschermd. Voor deze soorten zijn bij ruimtelijke ingrepen de volgende verboden relevant: het is verboden de beschermde diersoorten opzettelijk te doden of te vangen en om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en het is verboden om de beschermde plantensoorten opzettelijk te plukken, ontwortelen of te vernielen.

Opzetvereiste Bij veel van de hierboven genoemde verboden is er sprake van een opzetvereiste. Zo is het verboden om vogelnesten opzettelijk te beschadigen. In de wet wordt bij deze opzet uitgegaan van ‘voorwaardelijke opzet’. Bij voorwaardelijke opzet is men zich bij het handelen bewust van de mogelijke negatieve consequenties, terwijl men de handeling toch uitvoert. Een voorbeeld van voorwaardelijke opzet is iemand die in het voorjaar een boom omzaagt en daarbij ‘per ongeluk’ een vogelnest beschadigt. De persoon had niet de opzet dit nest te beschadigen. Maar in de broedtijd van vogels is er wel een aanzienlijke kans dat er in een boom een vogel nestelt. Er kan daarom toch sprake zijn van opzettelijke beschadiging van het nest; voorwaardelijke opzet. Vrijstelling, gedragscodes en ontheffing Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de bovenstaande verboden. Zie paragraaf 2.2 voor de vrijstelling die in deze provincie van toepassing is. Daarnaast zijn de verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode. Gedragscodes kunnen daarbij zowel gebruikt worden voor de omgang met de Vogelrichtlijnsoorten, de Habitatrichtlijnsoorten als de andere beschermde soorten.

Wel geldt voor de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten de aanvullende eis dat de handelingen die men uitvoert een wettelijk belang dienen uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het gaat dan onder meer om handelingen in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden. Ook hierbij geldt voor Vogelrichtlijnsoorten en Habitatrichtlijnsoorten dat aan de handelingen die men verricht een wettelijk belang van de Vogelrichtlijn respectievelijk de Habitatrichtlijn ten grondslag dient te liggen.

Bescherming houtopstanden De bescherming van houtopstanden is geregeld in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen, op fruitbomen, op windschermen om boomgaarden, op naaldbomen bedoeld om te dienen als kerstbomen, op kweekgoed, op bepaalde beplantingen van wilgen of populieren, op bepaalde beplantingen bedoeld voor de productie van houtige biomassa en op houtopstanden binnen de, bij

besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet. De provincie kan regels stellen ten aanzien van de meldingsplicht en de plicht tot herbeplanting. Ook kan de provincie een ontheffing verlenen ten behoeve van herbeplanting op andere grond. Verder kan de provincie ontheffing verlenen en kan de provincie bij verordening vrijstelling verlenen van zowel de meldingsplicht als de plicht tot herbeplanting.

Bijlage 2: AERIUS berekening Verzuring leidt tot een directe of indirecte afname van de buffercapaciteit (het neutralisatievermogen) van bodem of water. Op termijn resulteert dit proces in een daling van de zuurgraad. Hierdoor zullen voor verzuring gevoelige soorten verdwijnen. Vermesting is in dit geval de 'verrijking' van ecosystemen door stikstofdepositie. De groei in veel natuurlijke landecosystemen zoals bossen, vennen en heidevelden worden gelimiteerd door de beschikbaarheid van stikstof. Het gevolg van stikstofdepositie is dat deze extra stikstof extra groei geeft, waardoor bepaalde soorten verdwijnen. Beoordeling: In de huidige situatie staat er één vrijstaande woning op het terrein. Het project ziet toe op de ontwikkeling van 19 koopwoningen. Dit zullen 6 tussenwoningen, 4 hoekwoningen, 8 twee-onder-één-kapwoningen en één vrijstaande woning zijn. Gemotoriseerd verkeer stoot stikstof uit en ook bij de verwarming van woningen komt stikstof vrij. Stikstof kan tot meerdere kilometers van de bron neerslaan en zo stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden verstoren, door de verzurende en vermestende werking die dit heeft. Binnen het nabij gelegen Natura 2000-gebied Rijntakken zijn habitattypen gevoelig voor een toename in stikstofdepositie (zie paragraaf 4.1.1.).

Met behulp van het rekeninstrument AERIUS, dat hiervoor speciaal ontwikkeld is door de rijksoverheid, kan een inschatting worden gemaakt van mogelijke effecten van extra stikstofdepositie op beschermde natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Om een inschatting te maken van de gevolgen van het project op stikstofdepositie in nabijgelegen Natura 2000-gebieden, is een verkennende berekening met AERIUS calculator uitgevoerd. Bij deze berekening werd van de volgende uitgangspunten uitgegaan: Automatische rekenpunten Om inzicht te krijgen in de mogelijke stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden is met AERIUS-Calculator een berekening uitgevoerd. Als uitgangspunt bij de berekening is de ‘instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator (TAUW 2016) gebruikt. Om ook inzicht te krijgen in stikstofdeposities lager dan 0,05 mol per hectare per jaar, is gekozen voor de instelling ‘automatisch rekenpunten plaatsen’, waarbij AERIUS-Calculator op de dichtstbijzijnde punten van stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Bebouwing  De aanwezigheid van 1 vrijstaande woning in de huidige situatie en de realisatie van 6 tussenwoningen, 4 hoekwoningen, 8 twee-onder-éénkapwoningen en één vrijstaande woning in de nieuwe situatie.  Voor de emissie van de bebouwing is uitgegaan van de maximaal toelaatbare emissie zoals deze wordt voorgeschreven in het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Conform dit besluit geldt voor aardgas een emissiegrenswaarde van 70 mg NOx per normaal kubieke meter. Om de totale emissie te berekenen, is deze waarde vermenigvuldigd met het gestandaardiseerd debiet van droog rookgas, conform de aanwijzingen uit de Infomil publicatie ‘L40, Handleiding Meten van Luchtemissie’. Een nadere toelichting bij deze berekening staat in bijlage 3. Het droog rookgasdebiet is berekend op basis van het verwachte aardgasverbruik van de

woningen. Het aardgasverbruik werd gebaseerd op CBS-gegevens over het gemiddelde aardgasverbruik van de afgelopen jaren van verschillende woningtypen. Voor de toekomstige situatie is dit een worst-case benadering, aangezien de woningen die in het project worden gebouwd aan strengere energieprestatienormen moeten voldoen dan de huidige, reeds gebouwde woningen in Nederland. Met deze emissie- en verbruiksgegevens is vervolgens de maximaal te verwachten emissie van NOx berekend. In de tabel hieronder zijn het berekende aardgasverbruik, het berekende droog stookgasdebiet en de berekende stikstofemissies voor de huidige en toekomstige situatie weergegeven. Het berekende aardgasverbruik, droog rookgasdebiet en de berekende stikstofemissie, voor de verschillende woningtypen. Toekomstige situatie

Aantal een-

Aardgasverbruik

Droog rook-

Emissie NOx

heden

(m3/jaar)

gasdebiet

(kg per jaar)

(m3/jaar) Tussenwoning

6

7716

68461,11

4,79

Hoekwoning

4

6168

54726,30

3,83

Twee-onder-één-

8

14512

128759,41

9,01

Vrijstaande woning

1

2392

Totaal

19

kapwoning 21223,12

1,49

273170,30

19,12

Verkeer  Voor de berekening van de depositie als gevolg van verkeer is gekozen voor de sector ‘wegverkeer’ en is vervolgens gekozen voor de verwachte depositie van normaal stadsverkeer met licht wegverkeer met NOx in NO2-equivalenten van 0,30 g/km en een NH3 van 0,0230 g/km. Normaals stadsverkeer wordt gedefinieerd als typisch stadsverkeer met een redelijke mate van congestie, een gemiddelde snelheid tussen de 15 en 30 km/uur, gemiddeld ongeveer 2 stops per afgelegde kilometer.  Aantallen verkeersbewegingen. Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Gelet op het feit dat het plangebied in het midden van een woonwijk van de kern Wilp ligt, wordt gesteld dat de kencijfers voor ‘rest bebouwde kom’ aangehouden kunnen worden. De gemeente Voorst waar Wilp toe behoort wordt conform CBSgegevens ten aanzien van de mate van stedelijkheid gezien als een ‘weinig stedelijk gebied’. Onderhavige ontwikkeling richt zich op het bouwen van 18 woningen in de koopsector.

Er is gekeken naar de kencijfers voor 'koop vrijstaand, twee-onder-een-kap en tussen/hoek. Uitgaande van een maximale verkeersgeneratie zijn 152,2 (1 x 8,6 + 8 x 8,2 + 10 x 7,8) mvt/etmaal te verwachten.

Rijroutes. Conform de ‘instructie gegevensinvoer’ geldt als algemeen criterium voor verkeer van en naar inrichtingen, dat de gevolgen niet meer aan de inrichting wordt toegerekend wanneer het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het verkeer zich door zijn snelheid en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer op de betrokken weg. Daarbij weegt ook de verhouding mee tussen de hoeveelheid verkeer dat reeds op de weg aanwezig is en dat wordt aangetrokken door de ontwikkeling (TAUW, 2016). Het plangebied wordt ontsloten via Binnenweg. Er wordt vanuit gegaan dat op de Binnenweg het verkeer in het normale verkeersbeeld is opgenomen.

Bijlage 3: Toelichting berekening stikstofemissie op basis aardgasverbruik en maximaal toelaatbare emissie Conform het Activiteitenbesluit milieubeheer geldt voor aardgas een emissiegrenswaarde van 70 mg NOx per normaal kubieke meter. Om de totale stikstofemissie te berekenen die bij verbranding van aardgas zou kunnen vrijkomen is deze maximale emissiewaarde vermenigvuldigd met het gestandaardiseerd debiet dat bij de verbranding van het aardgas vrijkomt, conform de aanwijzingen in de Infomil publicatie ‘L40, Handleiding Meten van Luchtemissie’. Het gestandaardiseerd debiet (Fs) is als volgt berekend: 21 𝐹𝑠 = 𝐹𝑏𝑟 𝑥 𝑉𝑠𝑡 𝑥 21−𝑂𝑠

De gebruikte afkortingen hebben de volgende betekenis:  Fs , het gestandaardiseerd debiet van droog rookgas bij een standaard zuurstofconcentratie  Fbr het brandstofverbruik  Os , de zuurstofconcentratie betrokken op droog rookgas. Voor het stoken van aardgas moet worden uitgegaan van 3 volume procent  21, de zuurstofconcentratie in droge lucht  Vst , het stoichiometrisch droog rookgasvolume Het brandstofverbruik, Fbr, is geschat op basis van de aantallen te realiseren woningen en het gemiddeld aardgasverbruik per woningtype. Dit gemiddelde verbruik is gebaseerd op CBS-gegevens over het aardgasverbruik van de afgelopen jaren (zie onderstaande tabel). Het gemiddeld aardgasverbruik over de jaren 2012-2016 van verschillende woningtypen (bron: CBS-Statline). Woningtype

Gemiddeld aardgasverbruik (in m3 per jaar)

Gemiddelde van alle typen

1370

Appartement

912

Tussenwoning

1286

Hoekwoning

1542

Twee onder één kap

1814

Vrijstaand

2392

Eigen woning

1602

Huurwoning

1148

Het stoichiometrische droog rookgasvolume is als volgt berekend 𝑉𝑠𝑡 = 0,199 + 0,234 𝑥 𝐻 H staat hierbij voor de stookwaarde. In Nederland bedraagt deze waarde voor aardgas 31.65 MJ/m3 (www.energieleveranciers.nl). De emissie van NOx (in kg/jaar) wordt nu berekend door het droog rookgasdebiet (F s) 3 te vermenigvuldigen met de stikstofconcentratie bij standaardcondities (70 mg/m ).

Bijlage 4: Resultaat AERIUS

Dit document bevat resultaten van een stikstofdepositieberekening met AERIUS Calculator. U kan dit document gebruiken voor de onderbouwing van depositie onder de drempelwaarde (0.05 mol/ha/j) in het kader van de Wet natuurbescherming, afhankelijk van de door u gekozen rekeninstellingen. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en stikstofoxide (NOx), of één van beide. Hiermee is de depositie van de activiteit berekend en uitgewerkt. Op basis van de gekozen rekeninstellingen zijn de resultaten op Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt. Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in de Calculator. Voor meer toelichting verwijzen we u naar de websites pas.bij12.nl, www.aerius.nl en pas.natura2000.nl.

Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositiekaart Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens

Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: www.aerius.nl en pas.natura2000.nl.

Ra25bLE8iSpX (12 juni 2018) pagina 1/8

Berekening voor eigen gebruik

Contact

Activiteit

Rechtspersoon

Inrichtingslocatie

-

-

Omschrijving

AERIUS kenmerk

-

Ra25bLE8iSpX

Datum berekening

Rekenjaar

Rekeninstellingen

12 juni 2018, 14:45

2018

Berekend voor Wnb.

Totale emissie

Situatie 1

Situatie 2

Verschil

NOx

1,52 kg/j

22,18 kg/j

20,67 kg/j

NH3

-

-

-

Resultaten

Natuurgebied

Bijdrage

Hectare met hoogste verschil (mol/ha/j)

-

-

Toelichting

Berekening voor eigen gebruik

Situatie 1 Situatie 2

Ra25bLE8iSpX (12 juni 2018) pagina 2/8

Berekening voor eigen gebruik Locatie Situatie 1

Emissie Situatie 1

Berekening voor eigen gebruik

Bron Sector

Situatie 1 Situatie 2

Emissie NH3

Emissie NOx

Huidig Wonen en Werken | Woningen

-

1,50 kg/j

verkeer Wegverkeer | Buitenwegen

-

< 1 kg/j

Ra25bLE8iSpX (12 juni 2018) pagina 3/8

Berekening voor eigen gebruik Locatie Situatie 2

Emissie Situatie 2

Berekening voor eigen gebruik

Bron Sector

Situatie 1 Situatie 2

Emissie NH3

Emissie NOx

Huidig Wonen en Werken | Woningen

-

19,10 kg/j

verkeer Wegverkeer | Buitenwegen

-

3,08 kg/j

Ra25bLE8iSpX (12 juni 2018) pagina 4/8

Berekening voor eigen gebruik Depositie natuurgebieden

Hoogste projectverschil

Hoogste projectverschil per natuurgebied

Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn

Berekening voor eigen gebruik

Situatie 1 Situatie 2

Ra25bLE8iSpX (12 juni 2018) pagina 5/8

Berekening voor eigen gebruik Emissie (per bron)

Naam Locatie (X,Y)

Situatie 1

Uitstoothoogte Oppervlakte Spreiding Warmteinhoud Temporele variatie NOx

1,50 kg/j

Naam

verkeer 207035, 470074 < 1 kg/j

Locatie (X,Y) NOx

Berekening voor eigen gebruik

Huidig 206995, 470053 1,0 m 0,6 ha 0,5 m 0,000 MW Continue emissie

Soort

Voertuig

Aantal voertuigen (/dag) Stof

Emissie

Eigen spec.

verkeer

8,6 NOx

< 1 kg/j

Situatie 1 Situatie 2

Ra25bLE8iSpX (12 juni 2018) pagina 6/8

Berekening voor eigen gebruik Emissie (per bron)

Naam Locatie (X,Y)

Situatie 2

Uitstoothoogte Oppervlakte Spreiding Warmteinhoud Temporele variatie NOx

19,10 kg/j

Naam

verkeer 206976, 470061 3,08 kg/j

Locatie (X,Y) NOx

Berekening voor eigen gebruik

Huidig 206995, 470053 1,0 m 0,6 ha 0,5 m 0,000 MW Continue emissie

Soort

Voertuig

Aantal voertuigen (/dag) Stof

Emissie

Eigen spec.

verkeer

152,2 NOx

3,08 kg/j

Situatie 1 Situatie 2

Ra25bLE8iSpX (12 juni 2018) pagina 7/8

Berekening voor eigen gebruik Disclaimer

Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden verleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.

Rekenbasis

Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2016L_20171215_64190d2d2b Database versie 2016L_20170828_c3f058f00f Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/uitleg

Berekening voor eigen gebruik

Situatie 1 Situatie 2

Ra25bLE8iSpX (12 juni 2018) pagina 8/8

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10973348/2