Bijlage 11 - Ecologische quick scan (2022-29589)
Tekst van het document
Ecol ogi s ch e q u i ck s ca n
Enkweg 10 te Wilp I n het k ad er van een b estemmingspl a nw i jz i gi n g, sloop en her inr ic ht ingswer ken
Uitvoering
Ruimte voor Advies BV Deventerstraat 179, 8171 NS Vaassen
Opdr.gvr.
Nikkels projecten bv
Locatie
Enkweg 10 7384 CP te Wilp
Datum
23 november 2018 (update: 23 november 2020)
Status
Versie 1.2
I N H OU D 1
Inleiding 3
1.1 Aanleiding en doel 1.2 Beschrijving locatie en ingreep 1.3 Opzet onderzoek
2
Resultaten 6
2.1 Vaatplanten 2.2 Broedvogels 2.3 Vleermuizen 2.4 Grondgebonden zoogdieren 2.5 Overige soorten 3
Effecten en aanbevelingen 11
3.1 Vaatplanten 3.2 Broedvogels 3.3 Vleermuizen 3.4 Grondgebonden zoogdieren 3.5 Overige soorten 3.6 Algemeen 4
Gebiedsbescherming 14
4.1 Natuurnetwerk Nederland 4.2 Natura 2000 5
Conclusies 17
5.1 Overzicht van de bevindingen 5.2 Conclusies en aanbevelingen 6
[2]
Wettelijk kader 19
1
I n l eiding 1.1 Aanleiding en doel Voorliggend rapport beschrijft de bevindingen van een ecologische quickscan uitgevoerd op het perceel aan de Enkweg 10 te Wilp en een naastgelegen weiland. De initiatiefnemer heeft een omgevingsvergunning aagevraagd omdat er op het terrein een erftransformatie plaatsvindt. Op het terrein worden de twee aanwezige schuren gesloopt en daarvoor komen een aantal woningen in de plaats. Daarnaast wordt het weiland ten noorden van het erf omgevormd en bebouwd. Het woonhuis op de locatie blijft behouden. De ingreep is getoetst aan de Wet natuurbescherming. Voor het onderzoek voldoet in eerste instantie een ‘quickscan’: een kort onderzoek op basis van een beknopt bronnenonderzoek en een veldbezoek, waarbij een deskundige een inschatting maakt van de mogelijke aanwezigheid van beschermde flora en fauna. De quickscan betreft een momentopname, er kan dus geen rekening worden houden met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderd terreingebruik en –beheer na afloop van het onderzoek. De quickscan kan leiden tot uitvoeriger onderzoek of tot een advies voor mitigerende/compenserende maatregelen. De geldigheidsduur van resultaten bedraagt voor zwaarder beschermde soorten maximaal 3 jaar.
1.2 Beschrijving locatie en ingreep De onderzoekslocatie betreft een erf met een oppervlakte van circa 5.000 m2 aan de Enkweg 10 te Wilp in de gemeente Voorst (zie afb. 1.1 en 1.2) en een agrarisch grasland van circa 8.700 m2 grenzend aan de noordelijke perceelgrens van het erf. De bebouwing bestaat uit een woning en een tweetal schuren die dienen als opslagruimte/werkplaats. Het terrein rondom de opslagruimte/ werkplaats kent een stenig en industrieel karakter. De werkplaats is volledig afgesloten, aan de achterzijde is een opslagruimte aangebouwd. De locatie is grotendeels verhard en rondom de perceelscheiding is een houtsingel aanwezig. De te slopen bebouwingen beschikken beide over een golfplaten dak. Het grasland bestaat geheel uit intensief beheerd agrarisch grasland, aan de westzijde deels begrensd door een meidoornhaag met daarnaast een onverharde weg. Aan de noord- en oostzijde grenst het grasland aan de achtertuinen van woningen. Het zuidwestelijk deel grenst aan een kerstbomenkwekerij, het zuidoostelijk deel aan de houtsingel rond het erf van Enkweg 10. Na de sloopwerkzaamheden en bouwrijp maken vindt woningbouw plaats. De ingreep bestaat daardoor uit: 1 sloop- en opruimwerkzaamheden; 2. bouwrijp maken; 3. woningbouw en herinrichting. De hagen en houtsingels op de locatie worden gedund maar blijven wel behouden.
Alle ingrepen vallen onder de noemer “ruimtelijke ontwikkeling en inrichting”. 1.3 Opzet onderzoek De ecologische quickscan bestaat uit een beknopt literatuuronderzoek (verspreidingsatlassen, websites etc.), een veldbezoek en rapportage met bevindingen en advies. De locatie is op 21 november 2018 bezocht door L. Grote Gansey, natuur- en landschapsdeskundige van bureau Ruimte voor Advies. Tijdens dit onderzoek is het terrein verkend op de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Daarbij is in het bijzonder gelet op (mogelijke) verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten zoals Huismus, vleermuizen en marters. Het locatiebezoek is onder regenachtige omstandigheden bij een temperatuur van 4 0C en zwakke tot matige wind uit oosterlijke richting. Op 20 november 2020 is in het kader van de update het weiland bezocht en is het bronnenonderzoek geactualiseerd door middel van het raadplegen van de NDFF. Tijdens het veldbezoek van 20 november 2020 was het zonnig, 7 0C bij een zwakke zuidwestenwind.
[3]
Ecologische quickscan Enk weg 10 te Wilp
23
november
2018
1 2
3
Afb. 1.1: Luchtfoto onderzoekslocatie. Globale begrenzing onderzoekslocatie (rood kader). 1 = bestaande woning (blijft behouden), 2 = te slopen schuur , 3 = te slopen schuur. Bron ondergrond: PDOK luchfoto 2017.
Twello
Wilp
Afb. 1.2: Globale ligging plangebied aan de Enkweg 10 te Wilp (rode cirkel). Bron ondergrond: PDOK luchfoto 2017.
[4]
Ecologische quickscan Enk weg 10 te Wilp
23
november
2018
Afb. 1.3: Inrichtingsschets Posterenk toekomstige situatie Bron: Nikkels Projecten bv 2020.
[5]
Ecologische quickscan Enk weg 10 te Wilp
23
november
2018
2
Re s u ltate n Bes chermde F LO R A EN FAUNA 2.1 Vaatplanten Op de onderzoekslocatie zijn geen beschermde of bijzondere plantensoorten aangetroffen. Geschikte omstandigheden voor bijzondere vegetatie ontbreken. Een groot deel van het erf is verhard. Tussen de klinkers groeien enkele zeer algemene soorten grassen, mossen en kruiden (zie afb 2.1). Op de westelijke en noordelijke perceelsgrens staat een houtsingel met algemene boomsoorten, waaronder Amerikaanse eik, tamme kastanje, enkele coniferen, ruwe berk en hulst (zie afb 2.2 en 2.3). Het aangrenzende weiland wordt gekenmerkt door ruderale grassoorten met enkele kruidachtige planten (zie afb. 2.5). In combinatie met de voedselrijke omstandigheden in de omgeving en het ontbreken van zeer specifieke biotopen waar beschermde planten worden aangetroffen, is aanwezigheid van beschermde vaatplanten daarmee uit te sluiten. 2.2 Broedvogels Vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats Van een aantal vogelsoorten is het nest jaarrond beschermd, dus ook buiten het broedseizoen. Het gaat om soorten die niet zelf hun nest bouwen maar voor een belangrijk deel afhankelijk zijn van menselijke bebouwing, soorten die jarenlang dezelfde locatie gebruiken of soorten waarvan het nest ook buiten de broedperiode gebruikt wordt. De aanbouw van opslagruimte/werkplaats op de onderzoekslocatie lijken in potentie geschikt.
Door het ontbreken van beschermde nesten nestmaterialen, holten en kieren in de muren en de grote toegankelijkheid van predatoren, maken het dat de aanwezige gebouwen niet geschikt zijn als nestlocatie voor de gierzwaluw en huismus. Sporen van deze soorten of van nestbouw ontbreken. Het gebied is wel geschikt als foerageergebied voor uilen door het ruige grasland en houtsingel. Echter zijn er geen sporen in de vorm van braakballen en krijtsporen in zowel de gebouwen als in de bomen/coniferen (roestplek) van de steenuil of kerkuil aangetroffen. Er zijn geen vaste nestplaatsen of territoria van steenuil en kerkuil uit de directe omgeving van het plangebied bekend. Het open, agrarisch grasland is voor met name steenuil nauwelijks geschikt als jachtgebied en voor kerkuil op voorhand zeker geen essentieel onderdeel van een territorium gezien de matige geschiktheid en beperkt oppervlak in verhouding tot de beschikbare jachtgebieden in de omgeving. Overige jaarrond beschermde nesten van roofvogels (horsten), ontbreken binnen invloedssfeer van de onderzoekslocatie. Overige broedvogels Tijdens de inventarisatie zijn geen nesten, nestactiviteiten en/of nestrestanten aangetroffen. Het westelijke deel van de schuur (het kapgedeelte) is wel geschikt voor typische gebouwbewondende soorten als boerenzwaluw of huiszwaluw. Echter ontbreken oude nestsporen hiervan.
Door de aanwezigheid van de begroeiing rondom het terrein en door de inrichting van het perceel is het terrein wel geschikt als broedlocatie voor de standaard zangvogelsoorten zoals merel, zanglijster, roodborst en winterkoning. En kunnen deze tijdens het broedseizoen wel aanwezig zijn. Van de meeste broedvogels is het nest alleen beschermd in de periode dat het voor de voortplanting gebruikt wordt. Het om te vormen weiland heeft een relatief intensief agrarisch karakter en
[6]
Ecologische quickscan Enk weg 10 te Wilp
23
november
2018
maakt geen onderdeel uit van aangewezen weidevogelgebieden. De kans op broedgevallen van weidevogels en andere grondbroeders in het grasland lijkt daarom op voorhand klein, maar kan niet geheel worden uitgesloten. 2.3 Vleermuizen Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn zwaar beschermd vanuit de Europese Habitatrichtlijn. Geschikte verblijfplaatsen zijn vaak beperkt beschikbaar. Door sloop en renovatie zijn de laatste decennia veel potentiele verblijfplaatsen verdwenen. Niet alleen verblijfplaatsen maar ook lineaire doorlopende landschapselementen waarlangs vleermuizen zich verplaatsen (zogenaamde vliegroutes) en belangrijk foerageergebieden zijn beschermd. De werkplaats is opgebouwd uit betonelementen en golfplaten. De boeiplanken zijn van glad kunststof en sluiten, met uitzondering van één hoek volledig aan op de muren. Deze ene opening lijkt in eerste instantie geschikt. Doordat de boeiplanken van een dusdanig glad materiaal is opgebouwd, hebben de vleermuizen geen houvast om deze opening te kunnen gebruiken als verblijfplaats. De kantine en aanbouw van werkplaats zijn evenals niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen.
De omstandigheden maken dat in de kantine en aanbouw/werkplaats een onstabiel microklimaat ontstaat, dat wordt veroorzaakt door verschillende temperaturen binnen één object (gradiënten), snel opwarmen en afkoelen, vochtigheid, tocht en het ontbreken aan een vorstvrije ruimte. Hierdoor zijn de beide gebouwen niet geschikt als verblijfplaats. Daarnaast kennen beide gebouwen een grote toegankelijk voor predatoren. Binnen het plangebied zijn geen sporen, zoals uitwerpselen, verblijfssporen of vraatsporen aangetroffen. In de houtsingel staan een tweetal bomen met op het oog geschikte holtes voor vleermuizen (zie afbeelding 2.2 en 2.3). Deze holtes kunnen dienen als zomer-, kraam- en paar-/baltsverblijf. De stamdiameter is te gering om in de winter een vorstvrij, stabiel microklimaat te bieden en daarmee dienst te doen als massawinterverblijf. In enkele bomen daaromheen zijn lichte beschadigingen te zien, maar van voor vleermuizen geschikte holten is geen sprake bij deze overige bomen. Foerageergebied en vlieg- en mitigatieroutes Het is aannemelijk dat de houtsingel onderdeel is van foerageergebied en vliegroutes van diverse vleermuissoorten. De donkere, relatief dichte houtsingel kan door vleermuizen gebruikt worden om zich tussen verblijfplaatsen in de bebouwde kom en de foerageergebieden elders te verplaatsen.
Dit kan voor zowel boombewonende als gebouwbewonende soorten het geval zijn. 2.4 Grondgebonden zoogdieren Onder “grondgebonden zoogdieren” worden hier bedoeld alle zoogdieren met uitzondering van vleermuizen. Dit zijn knaagdieren, insecteneters en marterachtige. Om en in het plangebied zijn geen sporen die duiden op aanwezigheid (latrines, prooiresten, krabsporen, eierschalen) aangetroffen. Ook boommarter komt met zekerheid niet voor. Van das zijn geen sporen aangetroffen in het erf of de houtwal. Mogelijk gebruikt de steenmarter het onderzoeksgebied als foerageergebied en is mogelijk als passant te verwachten. Van een nestplaats of anderszins belangrijke functie van de soort is geen spoor aangetroffen. Van hermelijn en bunzing zijn enkele waarnemingen bekend op meer dan 500 meter afstand van het plangebied, waarvan de meest recente uit 2013. Het betreft waarnemingen langs de A1 en dus hoogstwaarschijnlijk verkeersslachtoffers. Het plangebied
[7]
Ecologische quickscan Enk weg 10 te Wilp
23
november
2018
biedt weinig mogelijkheden voor kleine marterachtigen en ligt geïsoleerd ten opzichte van meer geschikte leefgebieden in de wijdere omgeving zoals bosschages en struwelen ten noorden van de A1 en rond recreatieplas Bussloo. Voor eekhoorn is de locatie slechts zeer matig geschikt en dan hooguit als foerageergebied. Algemene kleine zoogdiersoorten zoals veldmuis, bosmuis, bruine rat en huisspitsmuis komen vrijwel zeker voor in het onderzoeksgebied. Het terrein is ook erg geschikt voor de egel, haas en konijn. Voor deze soorten geldt in de Provincie Gelderland een vrijstelling bij ruimtelijke inrichting en ontwikkeling. Overige beschermde of bijzondere grondgebonden zoogdiersoorten zijn uit te sluiten wegens het ontbreken van potentieel leefgebied. 2.5 Overige soorten (vissen, amfibieën, reptielen, ongewervelden) Door het ontbreken van oppervlaktewater op het terrein is het vóórkomen van vissen uitgesloten. Door dit ontbreken is aantasting van voortplantingshabitat van amfibieën ook uitgesloten. Het begroeide deel van het projectgebied is echter wel geschikt als landhabitat voor enkele veelvoorkomende amfibieën (bruine kikker of gewone pad), maar in zeer beperkte mate. Voor deze soorten geldt ook een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke inrichting en ontwikkeling. Waarnemingen van beschermde amfibieën uit de omgeving van het plangebied ontbreken bovendien.
Het terrein voldoet met haar ligging in een overwegend agrarische of bebouwde omgeving op grote afstand van geschikte leefgebieden niet aan de voorwaarden waaraan leefgebied van reptielen moet voldoen. In 2020 is in de omgeving van de Enkweg een Teunisbloempijlstaart waargenomen (bron: NDFF). Deze in Nederland zeldzame nachtvlinder is beschermd (Wnb - andere soorten) en komt vooral in Limburg voor maar lijkt zijn verspreidingsgebied in noordelijke richting uit te breiden onder invloed van klimaatverandering. Het is aan de hand van een enkele waarneming niet te zeggen of de soort zich in de omgeving van het plangebied voortplant. De habitat bestaat meestal uit open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen waar waardplanten als teunisbloem, wilgenroosje, basterdwederik en kattenstaart voorkomen (bron: Vlinderstichting). Dergelijk leefgebied ontbreekt binnen het plangebied. In de omgeving zijn verder twee beschermde dagvlindersoorten gezien: kleine ijsvogelvlinder en grote weerschijnvlinder. Beide soorten zijn qua voortplanting voornamelijk gebonden aan vochtige loofbossen en worden hooguit als toevallige passant in het plangebied verwacht. Andere beschermde ongewervelden worden evenmin verwacht en kunnen aan de hand van de quickscan worden uitgesloten.
[8]
Ecologische quickscan Enk weg 10 te Wilp
23
november
2018
Afb. 2.1: De te slopen schuur. De schuur is ongeschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen. Ook is de schuur ontoegankelijk voor vogels en zal daarom niet dienen als verblijfplaats van bijvoorbeeld Huismus.
[9]
Afb. 2.2: Beeld van de houtsingel op de perceelsgrens van het terrein.
Afb. 2.3: Eén van de aanwezige holtes in de houtsingel die mogelijk dient kan doen als vaste rust- of verblijfplaats van vleermuizen.
Afb. 2.4: De kap van de te slopen schuur is vanwege het materiaalgebruik ongeschikt voor vogels of vleermuizen. Sporen van verblijfplaatsen ontbreken zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde.
Afb. 2.5: Beeld van de bij/aanbouwen met o.a. de kantine.
Afb. 2.6: Het om te vormen weiland tussen Enkweg en Strönkseweg. Het betreft een open grasland met relatief intensief agrarisch karakter. De kans op broedgevallen van weidevogels of andere grondbroeders lijkt klein maar kan niet worden uitgesloten.
Afb. 2.7: Strönkseweg langs de westgrens van het weiland in zuidelijke richting gezien.
[10]
Ecologische quickscan Enk weg 10 te Wilp
Afb. 2.8: Meidoornhaag tussen Strönkseweg (links) en om te vormen weiland (rechts). Op de achtergrond de achtertuin van een woning aan de Grotenhuisweg.
23
november
2018
3
Effe cten e n a a n b e velingen 3.1 Vaatplanten Op het perceel zijn geen beschermde of bijzondere plantensoorten aangetroffen. Geschikte omstandigheden voor bijzondere vegetatie ontbreken. Nader onderzoek naar vaatplanten is niet nodig. 3.2 Broedvogels De voorgenomen ontwikkeling zal niet leiden tot verstoring, aantasting of vernieling van jaarrond beschermde rust- of voortplantingsplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen of sporen van jaarrond beschermde nesten. Vervolgonderzoek naar jaarrond beschermde nesten is derhalve niet nodig. Tijdens het broedseizoen zijn broedgevallen van algemene broedvogels zoals merel, zanglijster, roodborst en houtduif in de houtige begroeiing rondom het terrein mogelijk. De werkzaamheden en het verwijderen van opgaande beplanting (bomen, struiken) kunnen leiden tot het verstoren van broedgevallen van algemene broedvogels. Door geluid en trillingen kunnen vogels hun nest verlaten. De kans op broedgevallen in het grasland lijkt op voorhand zeer klein maar niet met zekerheid uitgesloten. Het is van belang om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten. Houd tijdens het broedseizoen bij voorkeur een verstoringsvrije zone van enkele meters rond de begroeiing of snoei de begroeiing sterk terug voorafgaand aan het broedseizoen om broedgevallen te voorkomen.
Bezette nesten mogen nooit verstoord worden, hiervoor kan geen ontheffing verkregen worden. Het broedseizoen is geen vastgestelde periode maar kan per soort en per jaar verschillen; Leidend is de aanwezigheid van een bezet nest ongeacht de periode. 3.3 Vleermuizen Vaste rust- en verblijfplaats Binnen het onderzoeksgebied zijn een tweetal potentiele vleermuisverblijfplaatsen in de houtsingel aangetroffen in de vorm van stamholten. De houtsingel aan de noordzijde wordt gedund. Deze dunning kan door de aanwezige (specht)gaten mogelijk leiden tot het verstoren/vernielen van beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. De verstoring/vernieling kan verkomen worden door bomen met holtes te sparen. Indien deze wel worden gekapt, is nader onderzoek nodig om vast te stellen of deze holtes in de bomen daadwerkelijk als verblijfplaats voor vleermuizen dient. Nader onderzoek dient te worden uitgevoerd conform de richtlijnen van het Vleermuisprotocol (opgesteld door o.a. Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging) in de vorm van 4 gerichte nachtelijke veldbezoeken in de periode mei - september. Hiermee kunnen de functies zomer-, kraam- en paar-/baltsverblijf onderzocht worden. Ook wordt verstoring voorkomen worden door de dunning uit te voeren buiten de actieve periode van vleermuizen. De actieve periode loopt grof weg van april tot november.
In deze periode zijn vleermuizen in winterslaap. Doordat de holtes niet geschikt zijn als winterverblijf voor vleermuizen zullen deze buiten de actieve periode niet aanwezig zijn in het gebied. Echter dienen hierbij nog
[11]
Ecologische quickscan Enk weg 10 te Wilp
23
november
2018
steeds de bomen met holtes gespaard te blijven omdat dit een mogelijk beschermde verblijfplaats kan betreffen. Vaste vliegroute en essentieel foerageergebied De houtsingel is hoogstwaarschijnlijk onderdeel van een vaste vliegroute en essentieel foerageergebied van diverse vleermuissoorten (o.a. gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis). De dunning van de houtsingel kan leiden tot het verstoren/ vernietigen van een vaste vliegroute en essentieel foerageergebied van vleermuizen. De houtsingel dient na de dunning nog te kunnen dienen als foerageergebied en vliegroute om verstoring/vernieling te voorkomen. De houtsingel dient dus van wezelijke volume te blijven om deze functie te blijven behouden. Is dit niet het geval, dan is nader onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk. Lichtverstoring Wanneer de houtsingel behouden blijft kan er bij de nieuwe inrichting nog wel een toename van lichtverstoring optreden waardoor de functionaliteit van de vliegroute en foerageergebied kan worden aangetast. Dit is te voorkomen door spaarzaam te zijn met verlichting en het aangepast toepassen van verlichting op een zodanige manier dat er geen sprake is van tijdelijke of permanente toename van lichtintensiteit.
Beperk de verlichtingshoogte tot maximaal 3 meter, voorkom uitstraling richting de houtsingel met behulp van aangepaste armaturen of pas amberkleurige verlichting (zogenaamde ‘batlampen’) toe. Ook dient de verlichting te allen tijde naar beneden gericht te zijn om verstoring te voorkomen. Ook kan tijdens de werkzaamheden lichtverstoring optreden. Door uitstraling van eventuele bouwlampen en andere verlichting richting de boomkronen te voorkomen wordt verstoring op het leefgebied van de vleermuizen voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door toepassen van afschermende armaturen en beperken van verlichtingshoogte. Van mogelijke lichtverstoring van vleermuizen is uitsluitend sprake in de actieve periode van vleermuizen, grofweg tussen zonsondergang en zonsopkomst in de periode april - november. Nader onderzoek naar vliegroute en foerageergebied is niet nodig indien de functionaliteit gegarandeerd blijft door het behouden van voldoende volume van de houtsingel en het toepassen van aangepaste verlichting. 3.4 Grondgebonden zoogdieren Op de projectlocatie worden voornamelijk kleine, zeer algemene zoogdiersoorten verwacht. De werkzaamheden kunnen tot negatieve effecten op deze soorten leiden, bijvoorbeeld door de aantasting van holen en gangenstelsels.
Omdat een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting geldt moet alleen rekening gehouden worden met de algemene zorgplicht die voor alle dieren en planten geldt. Vaste rust- en voortplantingsplaatsen of ander belangrijk leefgebied van Marterachtigen en Eekhoorn ontbreken. De bestemmingsplanwijziging en voorgenomen ingrepen hebben geen effect op beschermde zoogdieren of hun leefgebied. Nader onderzoek naar beschermde zoogdiersoorten is derhalve niet aan de orde.
[12]
Ecologische quickscan Enk weg 10 te Wilp
23
november
2018
3.5 Overige soorten Het vóórkomen van beschermde soorten uit overige soortgroepen (amfibieën, reptielen, vissen, ongewervelden) is op voorhand uitgesloten wegens het ontbreken van geschikt leefgebied of doordat de locatie buiten het bekende verspreidingsgebied valt. Negatieve effecten op beschermde soorten uit overige soortgroepen zijn derhalve op voorhand uit te sluiten. Voor enkele zeer algemene soorten heeft de provincie Gelderland een algemene vrijstelling bij ruimtelijke inrichting en ontwikkeling verleend.
3.6 Algemeen • Ten aanzien van alle dieren en planten (beschermd of niet beschermd) geldt dat men zich dient te houden aan de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. In dit specifieke geval zijn naar verwachting geen speciale maatregelen nodig. • Wanneer tijdens werkzaamheden toch beschermde soorten worden aangetroffen dienen werkzaamheden tijdelijk te worden stilgelegd en wordt contact opgenomen met een deskundige (volgens omschrijving van het Ministerie van EZ) op het gebied van flora en fauna. Overleg met de deskundige moet duidelijk maken hoe met de ontstane situatie kan worden omgegaan. • Extra: Ruimte voor Advies promoot natuur in stad & land. Zo is het op erven in het buitengebied vaak met relatief weinig moeite mogelijk om huismussen, vleermuizen, zwaluwen en andere dieren een plek te geven. Breng bijvoorbeeld nestvoorzieningen en andere verblijfplaatsen aan, pas inheemse beplanting toe, wees terughoudend met verlichting en bestrating en royaal met groen. De nieuwe woning worden voorzien van een pannendak. Dit biedt kansen wat betreft nestgelegenheid, zolang de vogels toegang hebben tot de ruimte onder de onderste pannenrijen. Plaats eventueel vogelschroot op de tweede panlat of hoger.
Mogelijk biedt de nieuwbouw ook kansen voor vleermuizen, bijvoorbeeld door het toegankelijk maken van de spouw d.m.v. open stootvoegen op minimaal 3 meter hoogte. Een mogelijk alternatief is het ophangen van kasten. Voor zowel mussen als vleermuizen zijn speciale nestkasten verkrijgbaar. Hang vleermuiskasten bij voorkeur in de zon en vogelkasten juist op het noorden of oosten (uit de zon en regen). Op internet zijn veel tips te vinden over het ophangen van kasten en aantrekkelijk maken van de omgeving voor deze en andere dieren. Uiteraard kunt u ook vrijblijvend met Ruimte voor Advies contact opnemen als u vragen heeft over dit onderwerp.
[13]
Ecologische quickscan Enk weg 10 te Wilp
23
november
2018
4
G ebied s be s cher m ing
4.1 Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO) Het Gelders Natuurnetwerk (GNN) ligt op circa 800 meter afstand van het onderzoeksgebied en Groene ontwikkelingszone (GO) ligt op 400 meter afstand (zie afb. 4.1). Gezien de aard en de schaal van de ingreep in relatie met de afstand ten opzichte van de GO en het GNN zal er geen extern negatief of positief effect optreden op de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen. 4.2 Natura 2000 De onderzoekslocatie ligt op ongeveer 3000 meter afstand van Natura 2000-gebied ‘Rijntakken deelgebied Uiterwaarden IJssel’ (zie afb. 4.2). Gezien de aard, de afstand en beperkte schaal van de ingreep en het ontbreken van landschappelijke binding tussen plangebied en Natura 2000-gebied zijn effecten (positief of negatief ) op doelstellingen van Natura 2000-gebieden op voorhand uit te sluiten, met mogelijke uitzondering van externe effecten door stikstofemissie en -depositie. Nader onderzoek naar effecten op doelstellingen van Natura 2000-gebieden is niet nodig. De locatie ligt op 3500 meter afstand ten opzichte van stikstofgevoelige habitattypen. Wanneer de grenswaarde (momenteel 0,005 mol/hectare/jaar) wordt overschreden is een vergunning vereist om de werkzaamheden uit te mogen voeren.
Veranderingen in stikstofuitstoot kunnen zich voordoen tijdens de aanlegfase en gebruiksfase door een tijdelijke effecten tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden en permanente effecten van de nieuwe inrichting en gebruik. Daarentegen neemt de huidige bedrijfsactiviteiten af, hetgeen een vermindering van stikstofuitstoot betekent. Naar verwachting leidt dit tot een licht positief effect en zal het project niet leiden tot een negatief effecten op de gevoelige habitattypen. Middels een berekening in online rekenprogramma AERIUS Calculator is dit inzichtelijk te maken. Het is mogelijk dat bevoegd gezag een dergelijke berekening vraagt.
[14]
Ecologische quickscan Enk weg 10 te Wilp
23
november
2018
Afb. 4.2 : Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (lichtgroen). De locatie ligt op circa 800 meter van de GNN en 400 meter van de GO. Bron ondergrond: Atlas van Gelderland, provincie Gelderland (http://kaarten.gelderland.nl/viewer/app/AtlasGelderland).
Afb. 4.1: Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van het Natura2000-gebied ‘Rijntakken’. De minimale afstand tot beschermde natuurgebieden bedraagt ongeveer 3000 meter. Bron ondergrond: Atlas van Gelderland, provincie Gelderland (http://kaarten.gelderland.nl/viewer/app/AtlasGelderland).
[15]
Ecologische quickscan Enk weg 10 te Wilp
23
november
2018
Afb. 4.3 : De ligging van stikstofgevoelige habitattypen ten opzichte van de plangebied (rode cirkel). Het projectgebied ligt circa 3500 m van stikstofgevoelige habitattypen. Bron: AERIUS calculator (https://calculator.aerius.nl/ calculator/?locale=nl#)
[16]
Ecologische quickscan Enk weg 10 te Wilp
23
november
2018
5
Conc lu s ie s en aanbeve l ingen 5.1. Overzicht van de bevindingen Soortgroep Aanwezig Effect Aanbevelingen Flora - beschermde soorten niet geen geen Vleermuizen - verblijfplaatsen mogelijk geen geen,mits..1 Vleermuizen - vliegroutes mogelijk geen geen,mits..1 Vleermuizen - essentieel foerageergebied mogelijk geen geen,mits..1 Zoogdieren - gebouwbewonend niet geen geen Zoogdieren - grond-/boombewonend niet geen geen Zoogdieren - vrijgestelde soorten zeker negatief zorgplicht Vogels - jaarrond beschermde nesten niet geen geen Vogels - algemene broedvogels mogelijk mogelijk zie bij 5.2 Amfibiëen - vrijgestelde soorten beperkt mogelijk mogelijk zorgplicht Overige beschermde soorten niet geen geen
Soortgroep Aanwezig Effect Aanbevelingen Natura2000 - zuurgevoeligheid niet geen geen2 Overige onderdelen NNN niet niet geen 1
= mits de houtsingel in stand blijften zorgvuldig met licht wordt omgegaan, zie 5.2 = van het aspect van zuurgevoeligheid is een aanname gedaan en geen stikstofberekening uitgevoerd.
2
5.2 Conclusies T.a.v. algemene broedvogels: • Voer mogelijk verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit of begin buiten het broedseizoen. Het broedseizoen is geen vaste periode maar voor de meeste soorten is de periode half maart - half augustus een goede indicatie. • Houdt tijdens het broedseizoen bij voorkeur een verstoringsvrije zone van enkele meters rond de begroeiing of snoei de begroeiing sterk terug voorafgaand aan het broedseizoen om broedgevallen te voorkomen. Laat bij start van de werkzaamheden in de periode half maart - half augustus een broedvogelcheck uitvoeren door een erkend broedvogeldeskundige hooguit enkele dagen voorafgaand aan de start van de werkzaamheden. Bezette nesten mogen nooit verstoord, vernield of verplaatst worden. Indien broedgevallen aanwezig dienen werkzaamheden binnen de verstoringsgevoelige zone rond de nestplaats(en) tijdelijk te worden uitgesteld. T.a.v. jaarrond beschermde nesten: • De werkzaamheden leiden niet tot het verstoren of vernietigen van vaste verblijfplaatsen van jaarrond beschermde vogels. T.a.v. vleermuizen: • De houtsingel langs het onderzoeksgebied wordt uitgedund. Deze dunning dient te worden uitgevoerd buiten de actieve periode van vleermuizen (actieve periode is grof weg van april tot november.
[17]
• Bij de dunning van de houtwal dienen de bomen met holtes te worden vermeden. Deze worden mogelijk gebruikt als vaste rust- en verblijfplaats door vleermuizen. • Na de dunning dient de houtsingel van voldoende volume te zijn dat deze nog steeds kan dienen als vliegroute en foerageergebied voor vleermuizen. • Tijdens werkzaamheden dient lichtverstoring voorkomen te worden. Voorkom uitstraling van eventuele bouwlampen en andere verlichting richting de boomkronen in de nachtelijke uren. • Bij de nieuwe inrichting moet lichtverstoring bij vleermuizen voorkomen worden. Dit betekent dat de plaatsing, de intensiviteit en de stralingsrichting van buitenlampen zodanig moet zijn dat er geen verstoring van strooilicht plaatsvindt. T.a.v. beschermde gebieden: • De ontwikkelingen voortvloeiend uit de bestemmingsplanwijziging, sloop en daaromvolgende herinichting leiden niet tot tijdelijke of permanente effecten op doelstellingen of kernkwaliteiten van beschermde natuurgebieden (Natura2000 en Gelders Natuurnatuurnetwerk) met de mogelijke uitzondering van het aspect stikstof.
De kans op overschrijding van de grenswaarde van 0,005 mol/ha/j lijkt nihil gezien de afstand tot N2000gebieden en de schaal en aard van het voornemen, maar mogelijk vraagt bevoegd gezag om een stikstofberekening voor de aanleg- en gebruiksfase ter bewijs dat externe negatieve effecten door veranderde stikstofuitstoot uitgesloten zijn.
[18]
Ecologische quickscan Enk weg 10 te Wilp
23
november
2018
6
Wettelijk kader 6.1 Inleiding In Nederland is de wetgeving omtrent de bescherming van natuurwaarden gesplitst in soortbescherming en gebiedsbescherming. De bescherming was voorheen geregeld in respectievelijk de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Voor houtopstanden gold de Boswet. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden die de bovenstaande wetten vervangt. Wat betreft gebiedsbescherming is er weinig veranderd. Op het gebied van soortenbescherming hebben zich diverse wijzigingen voorgedaan. Zo zijn veel planten en vissen onder de nieuwe wet niet meer beschermd, terwijl een aantal zeldzame dagvlinders en libellen juist zijn toegevoegd. Verder is het bevoegd gezag in de meeste gevallen GS van de provincie, waar dat eerder de RVO was. De provincies hebben meer zeggenschap over het beleid, wat zich vooral uit in het feit dat er verschillen zijn in de vrijstellingslijsten van soorten waarvoor bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting of bestendig beheer en onderhoud vrijstelling geld. Meer informatie over de Wet natuurbescherming is onder andere terug te vinden op de websites van de Rijksoverheid en de verschillende provincies.
6.2 Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming was voorheen opgenomen in de Natuurbeschermingswet 1998 en heeft de bescherming en instandhouding van natuurgebieden in Nederland als doel. Daartoe zijn gebieden aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn (VR-gebieden), Habitatrichtlijn (HR-gebieden) en het Verdrag van Ramsar (Wetlands). Beschermde Natuurmonumenten vervallen onder de Wet natuurbescherming omdat deze vrijwel geheel samenvallen met Natura 2000-gebieden. De VR- en HR-gebieden worden samengevat onder de noemer Natura 2000. Voor de Natura 2000-gebieden worden/zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd voor specifieke vogelsoorten of habitats. Deze kunnen van gebied tot gebied verschillen. De hierboven genoemde gebieden kunnen overlappen. Activiteiten die een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden zijn verboden. Dat geldt ook voor activiteiten buiten de gebieden die een negatief effect hebben binnen het gebied. Voor activiteiten is een vergunning mogelijk. Een vergunning wordt pas afgegeven wanneer een zogenaamde ‘habitattoets’ is doorlopen. Hieruit moet blijken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast en de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van de soorten niet verslechtert en geen verstoring van soorten optreedt. Een vergunning wordt afgegeven door de betreffende provincie.
Het Gelders Natuurnetwerk (hierna GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (hierna GO) komen voort uit het herdefiniëren van de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS) door de provincie Gelderland. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. In het GNN is uitsluitend sprake van een natuurbestemming. Binnen het GNN zijn ruimtelijke ontwikkelingen slechts mogelijk wanneer deze van groot algemeen of provinciaal belang zijn én er geen reële alternatieven zijn. Er geldt dan wel een compensatieverplichting om negatieve effecten teniet te doen. De GO bestaat uit ‘nietnatuurlijke’ elementen van de voormalige EHS zoals infrastructuur en bebouwing. In de GO liggen meer ontwikkelingsmogelijkheden voor bijvoorbeeld bedrijven. De begrenzing en doelstellingen van GNN en GO worden door de provincie vastgesteld en is in verwerkt in de omgevingsvisie en -verordening.
[19]
Ecologische quickscan Enk weg 10 te Wilp
23
november
2018
6.3 Soortenbescherming Onder de Wet Natuurbescherming zijn verschillende beschermingsregimes te onderscheiden: soorten van de Vogelrichtlijn (VR), soorten van de Habitatrichtlijn (HR) en overige beschermde soorten genoemd in bijlage A behorend bij artikel 3.10 van de WNb. Daarnaast hebben provincies de vrijheid om voor bepaalde soorten uit de laatste categorie vrijstelling te verlenen bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer en onderhoud. Gedetailleerde informatie over het onderdeel soortenbescherming, inclusief lijsten van beschermde soorten, is onder meer te vinden op de website van de Rijksoverheid.
6.4 Rode lijsten Rode lijsten geven een overzicht van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of duidelijk achteruit zijn gegaan. Rode lijsten hebben een signaleringsfunctie en geen juridische status. Plaatsing op de lijst betekent daarom niet automatisch dat de soort beschermd is. Daarvoor is opname van de soort onder de Wet natuurbescherming nodig. De Rode lijsten zijn richtinggevend voor toekomstig beleid. Van overheden en terreinbeherende organisaties wordt verwacht dat zij bij beleid en beheer rekening houden met de Rode lijsten.
[20]
Ecologische quickscan Enk weg 10 te Wilp
23
november
2018