Bestemmingsplan toelichting (2022-34798)
Tekst van het document
Bestemmingsplan Gravenstraat 7, Voorst Planfase concept
Gravenstraat 7, Voorst Deze standaard is gebaseerd op de SVBP 2012 (18 april 2012)
Gravenstraat 7, Voorst
Inhoudsopgave
Toelichting
3
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Doel 1.3 Het plangebied
3 3 4 4
Hoofdstuk 2 Beschrijving van het plangebied 2.1 Landschap en omgeving 2.2 Erf 2.3 Uitgangspunten functieverandering
6 6 7 8
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Inleiding 3.2 Rijksbeleid 3.3 Provinciaal beleid 3.4 Regionaal beleid 3.5 Gemeentelijk beleid
10 10 10 12 13 14
Hoofdstuk 4 Planopzet 4.1 Inleiding 4.2 Bestaande situatie 4.3 Nieuwe ontwikkelingen
16 16 17 18
Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Inleiding 5.2 Milieu-onderzoeken 5.3 Flora en Fauna 5.4 Archeologie 5.5 Water 5.6 Economische uitvoerbaarheid
24 24 24 28 31 32 32
Hoofdstuk 6 Juridische planopzet 6.1 Inleiding 6.2 Planregels 6.3 Bestemmingen 6.4 Flexibiliteit in het bestemmingsplan
33 33 33 34 36
Hoofdstuk 7 Overleg en inspraak 7.1 Uitkomsten overleg 7.2 Zienswijzen
38 38 38
2
Gravenstraat 7, Voorst
T oelichting Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Op het perceel aan de Gravenstraat 7 zijn een woning, enkele voormalige agrarische bedrijfsgebouwen, paardenbakken, een paardenstal en een mestvaalt aanwezig. Onderdeel van deze bebouwing is een vervallen karakteristieke schuur. De bestaande bebouwing verkeert voor een groot deel in slechte staat. Met uitzondering van de karakteristieke stal heeft de bebouwing op het perceel geen cultuurhistorische waarde. Door de hoeveelheid voormalige agrarische bebouwing op het perceel en de oppervlakte aan bijbehorende gronden, komt het perceel in aanmerking voor toepassing van het beleid functieverandering. De initiatiefnemer wil hier gebruik van maken. In ruil voor de renovatie van de karakteristieke schuur, de sloop van de overige bebouwing, het verwijderen van de paardenbakken en mestvaalt, de aanplant van een hectare bos en diverse andere landschapselementen, kan een extra woning aan het perceel worden toegevoegd. Hoewel het gaat om de toevoeging van (planologisch) 1 woning, wordt deze ingericht en geschikt gemaakt door bewoning door maximaal 2 verschillende huishoudens. De huidige woning wordt vervangen door een nieuwe woning. Het bebouwde perceel en het naastgelegen perceel zijn beide in bezit van de initiatiefnemer. Beide percelen maken onderdeel uit van het plangebied en hebben een totaal oppervlakte van meer dan 2,3 hectare.
Afbeelding 1 - Plangebied in directe omgeving
3
Gravenstraat 7, Voorst
Afbeelding 2 - Luchtfoto plangebied Het onderhavig plan maakt een vanuit ruimtelijke kwaliteit gewenste ontwikkeling. Het plan is tot stand gekomen volgens de uitgangspunten van functieveranderingsbeleid. Onder meer de 1-erfgedachte wordt aangehouden, waarbij de karakteristieke schuur de drager van het erf wordt. Het erf, met daarop gelegen de vervangende en de extra woning, wordt verankerd met het omliggende landschap door de aanplant van een flink bos, hagen, singels en een boomgaard. Het plan heeft als gevolg dat de algehele situatie op het perceel verbeterd waarbij stedenbouwkundig, architectonisch en landschappelijk grote winst wordt behaald. Daarnaast wordt met de renovatie en bescherming van de karakteristieke schuur bijgedragen aan de versterking van de cultuurhistorie in de gemeente.
1.2
Doel
Dit bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologisch kader te scheppen waarbinnen de voorgenomen ontwikkelingen kunnen worden uitgevoerd. Ter plaatse van de karakteristieke schuur en de nieuwe bebouwing wordt de woonbestemming vergroot. De toe te voegen landschapselementen krijgen een groen- en bosbestemming.
1.3
Het plangebied
De locatie van het plangebied is weergegeven in afbeelding 3. Het plangebied ligt ten westen van het dorp Voorst in het buitengebied aan de Gravenstraat. Het volledige plangebied beslaat een oppervlakte van 2,3 hectare. In afbeelding 4 is een luchtfoto van het plangebied opgenomen. De verschillende percelen waaruit het plangebied bestaat, staan kadastraal bekend als VOO00, sectie H, perceelnummers 396, 397 en 300.
4
Gravenstraat 7, Voorst
Afbeelding 3: Ligging van het plangebied in de gemeente Voorst
Afbeelding 4: Het plangebied
5
Gravenstraat 7, Voorst
Hoofdstuk 2
Beschrijving van het plangebied
2.1
Landschap en omgeving
2.1.1
Landschap
Het plangebied is gelegen in het kampenontginningenlandschap. Dit type landschap wordt gekenmerkt door afwisselend patroon van hoge zandopduikingen en de ertussen gelegen lage delen. Een kamp is in dit landschap een kleine individuele akker, waarbij voorheen het gezin zijn eigen bouwland bewerkte. Deze akkers werden afgeschermd tegen vee en wild door houtwallen en singels aan te brengen op de akkergrenzen. Boerderijen waren hierbij gelegen aan de rand van de akkers. Vanaf de bewoonde kampgronden werden de lager gelegen broekgronden tussen de verschillende kampen in gebruik genomen. In het verleden waren de percelen kleiner en besloten door houtwallen, houtsingels en hagen. Het landschap is nu erg open, veel wegbeplanting en kavelgrensbeplanting is verdwenen. Historie
Afbeelding 5 - ontwikkeling plangebied Op oude kaarten is de eerste bebouwing op de locatie van het plangebied al zichtbaar rond het jaar 1850. Het gaat hier om de karakteristieke stal die als onderdeel van het plan van worden gerenoveerd. Op de kaart van 1850 wordt de locatie 'de Pothof' genoemd. Tot die tijd was in de omgeving van het plangebied een afwisseling van akkers, graslanden en bospercelen aanwezig. Zoals in afbeelding 5 wordt getoond, zijn vooral deze bospercelen de afgelopen anderhalve eeuw afgenomen in de directe omgeving van het plangebied. Niet alleen het gebruik en de inrichting van gronden is de afgelopen 150 jaar veranderd. Ook de perceelsstructuur is onderhevig geweest aan verandering. De kleinschalige onregelmatige verkavelingsstructuur is kenmerkend voor de omgeving. Rond 1900 zien we dat hier schaalvergroting plaatsvindt, waardoor door samenvoeging grotere percelen ontstaan. Een zelfde ontwikkeling heeft op grotere schaal plaatsgevonden in de periode van 1950 tot 2000. We zien dat in deze periode de huidige verkavelingsstructuur ontstaat. 6
Gravenstraat 7, Voorst
Kenmerkend is daarnaast de onveranderde wegenstructuur. Tussen de percelen zijn enkele rechte wegen gelegen (waaronder de Gravenstraat). De ligging hiervan is tot de dag van vandaag onveranderd gebleven. In 1965 is de huidige woning aan het erf toegevoegd. Tegenwoordig is deze middels een schuur en tussenlid direct verbonden met de karakteristieke stal. 2.1.2
Omgeving
Typerend voor de directe omgeving van het plangebied is de afwisseling tussen agrarische- en kleine bospercelen. Langs de rechte wegen zijn daarnaast veelal bomenrijen te vinden. Zoals in 2.1.1 is toegelicht, is de mate van kleinschalige blokverkaveling en bebossing de afgelopen eeuw echter afgenomen. Centraal onderdeel van onderhavig plan is daarom de aanplant van 1 hectare bos. Hiermee wordt bijgedragen aan het terugbrengen van deze voormalige kleinschalige bospercelen in de directe omgeving van het plangebied.
2.2
Erf
Op de kaart van voor 1850 is niet goed af te lezen of het erf bebouwd is geweest. De eerste bebouwing is dus op de kaart van 1850 waarneembaar. De locatie van het huidige erf wordt hier 'de Pothof' genoemd. Het gaat hier om een enkel bebouwingsvolume wat lijkt de horen bij boerderij 'Stapelvoort'. Dit is een concentratie van bebouwing welke is gelegen op de huidige locatie van het agrarische bedrijf aan de Gravenstraat 14. De Pothof is naar alle waarschijnlijkheid een veeschuur welke bij het boerenerf aan de andere kant van de Gravenstraat heeft gehoord. Op de kaart van 1913 wordt nieuwe bebouwing zichtbaar in de vorm van een 2e bebouwingsvolume. Ook wordt de locatie hier 'Klein Pothof' genoemd. Vanaf de jaren '30 van de vorige eeuw verandert de erfindeling. Zo maakt het grasland ten zuiden van de schuur plaats voor een klein bosje. Vanaf de jaren '60 raakt het erf meer bebouwd. De solitaire schuur wordt uitgebreid en er ontstaan verschillende bouwwerken, waaronder een woning en een losse schuur. In de jaren '70 wordt deze woning via een tussenlid verbonden aan de aan de Gravenstraat gelegen schuur. Er ontstaat zo een lang, parallel aan de Gravenstraat gelegen bebouwingsvolume. De toegang tot het erf vindt plaats via een westelijke ontsluiting op het toegangspad.
Eveneens wordt in de jaren '70 het erf uitgebreid in zuidelijke richting door middel van meerdere bouwwerken, waaronder een schuur. Deze schuur wordt momenteel gebruikt als paardenstal. Opvallend is dat rond 1997 het oostelijk deel van het erf bebost raakt. Deze bebossing werd tot 2008 uitgebreid in oostelijke richting. Na 2008 verdwijnt deze bebossing echter en zijn de gronden ontwikkeld ten behoeve van een hobbymatige paardenhouderij. In afbeelding 6 is een luchtfoto van het huidige erf weergeven.
7
Gravenstraat 7, Voorst
Afbeelding 6 - Luchtfoto erf
2.3
Uitgangspunten functieverandering
Voor de planontwikkeling is aangesloten op het functieveranderingsbeleid van de gemeente Voorst zoals onder meer is aangegeven in de notitie Ruimtelijke Kwaliteit Veranderende Erven. Deze notitie geeft aanknopingspunten voor het creëren van een nieuw woonerf met de landschappelijke kenmerken van een agrarisch erf. Dit beleid is er tevens op gericht om in ruil voor een extra woning het (omliggende) landschap te versterken. Hierbij dienen te ontwikkelen erven zo te worden ingericht dat deze cultuurhistorisch passend zijn in het agrarische landschap. Hiermee dragen omgevormde erven bij aan het behoud en herstel van de landelijke en agrarische uitstraling. 2.3.1
Conclusies huidige situatie
Op basis van de huidige situatie kan een aantal conclusies worden getrokken ten aanzien van het landschap en het erf. De zichtbare aanwezigheid van de bospercelen is in de loop van de jaren in het landschap verminderd. De schuur is een karakteristiek en waardevol kenmerk van het perceel en de omgeving. Het is van belang dat deze schuur behouden blijft. Het erf vormt een onsamenhangend geheel met een aantal verwaarloosde schuren en paardenweides. Het erf met bijbehorend perceel kan landschappelijk sterk worden verbeterd. 2.3.2
Uitgangspunten
Uitgangspunten voor de landschappelijke inrichting: Aanplant hectare bos; accentueren perceelsgrens door de aanbreng van bomenrijen in het landschap; aanplant boomgaard voor benadrukken cultuurhistorische landschapsinrichting. Uitgangspunten voor de inrichting van de erven: Het nieuwe erf moet zijn verknoopt met het omliggende landschap; gebouwen en beplanting vormen een ensemble; creëer privacy door het gebruik van schuren, beplanting en gevelopeningen; 8
Gravenstraat 7, Voorst
gebruik streekeigen beplanting.
9
Gravenstraat 7, Voorst
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Inleiding
In dit hoofdstuk komt het relevante beleidskader van het Rijk, provincie en gemeente aan de orde.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. De SVIR heeft diverse nota's vervangen, zoals de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit. Ook zijn met het SVIR de ruimtelijke doelen en uitspraken vervallen die zijn benoemd in de Agenda Landschap, Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. In de SVIR is de visie van de rijksoverheid op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 aangegeven. Dit betreft een nieuw integraal kader dat de basis vormt voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR is gekozen voor een meer selectieve inzet van het rijksbeleid dan voorheen. Voor de periode tot 2028 zijn de ambities van het Rijk in drie rijksdoelen uitgewerkt: vergroten van de concurrentiekracht door versterking van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; verbeteren van de bereikbaarheid; zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Met bovengenoemde rijksdoelen zijn 13 nationale belangen aan de orde die in het SVIR verder gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio's. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden meer beleidsvrijheid op het terrein van ruimtelijke ordening gekregen.
Het kabinet is van mening dat provincies en gemeenten beter op de hoogte zijn van de actuele situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties en daardoor beter kunnen afwegen welke (ruimtelijke) ingrepen in een gebied nodig zijn. Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan heeft relatie met het tiende nationale belang, namelijk; 'ruimte voor behoud en versterking van nationale cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteiten'. Onderhavig plan draagt bij aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Voorst door het herstel van een traditioneel erf en het terugbrenging van bebossing in een landschap waar in de loop der tijd bebossing is verdwenen ten behoeve van agrarische bedrijfsvoering. Ladder voor duurzame verstedelijk ing In de SVIR wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. De ladder kent drie treden die achter elkaar worden doorlopen.
10
Gravenstraat 7, Voorst
Afbeelding 7 - Schema Ladder voor duurzame verstedelijking Gezien de omvang van de ontwikkeling, is de ladder voor duurzame verstedelijking op onderliggend plan niet van toepassing. Nadere toetsing aan de ladder is om die reden niet noodzakelijk. 3.2.2
Nationale Omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio´s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.
Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen; het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Onderhavig plan draagt bij aan het versterken van de identiteit van het landelijk gebied. Centraal onderdeel van het plan is de aanleg van het nieuwe bos. Dit draagt bij aan de ontwikkeling en het herstel 11
Gravenstraat 7, Voorst
van de van biodiversiteit en de landschappelijke kwaliteit. Het plan is daarmee in lijn met de langetermijnvisie van de Nationale Omgevingsvisie waarin natuurinclusieve ontwikkeling een belangrijke rol speelt. 3.2.3
Nationaal Landschap Veluwe
In Nederland zijn 20 'Nationale Landschappen' die elk een unieke combinatie van cultuurhistorische en natuurlijke elementen hebben. De landschappen kenmerken zich door de specifieke samenhang tussen de verschillende onderdelen van het landschap, zoals natuur, reliëf, grondgebruik en bebouwing. Binnen een Nationaal Landschap is ruimte voor sociaal-economische ontwikkelingen, mits de bijzondere kwaliteiten van het gebied behouden blijven of -beter nog- worden versterkt. Plannen voor grootschalige nieuwbouwwijken, bedrijventerreinen en infrastructurele projecten passen hier dan ook niet binnen. De bouw van woningen om de eigen bevolkingsgroei op te vangen is in principe wel mogelijk. Voor specifieke gebieden in een Nationaal Landschap gelden extra, al bestaande, beschermende maatregelen. Te denken valt aan de Natuurbeschermingswet voor natuurgebieden, de Natuurschoonwet voor landgoederen en de Monumentenwet voor historische gebouwen of dorpsgezichten. Het plangebied aan de Gravenstraat 7 in Voorst valt binnen het Nationaal Landschap Veluwe. Dit Nationaal Landschap heeft de volgende kernkwaliteiten: schaalcontrast van zeer open naar besloten actieve stuifzanden; de grootte en aaneengeslotenheid van het bos. De provincies zijn verantwoordelijk voor het beleid voor de Nationale Landschappen.
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
De provincie heeft haar ruimtelijk beleid vastgelegd in de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' die op 19 december 2019 vastgesteld door Provinciale Staten van Gelderland. De Gelderse Omgevingsvisie is een integrale visie, niet alleen op het gebied van de ruimtelijke ordening, maar ook voor waterkwaliteit en veiligheid, bereikbaarheid, economische ontwikkeling, natuur en milieu, inclusief de sociale gevolgen daarvan. De Omgevingsvisie is de vervanger van het streekplan en enkele andere structuurvisies. De titel van de Gelderse Omgevingsvisie is Gaaf Gelderland. Gaaf kent twee betekenissen. Enerzijds gaat gaaf in op de schoonheid van het landschap en de historie. Anderzijds heeft gaaf betrekking op de vernieuwing binnen Gelderland. De ambitie van Gelderland is het in stand houden van het landschap en de cultuurhistorische waarde. In de Omgevingsvisie staat een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. - Gezond en veilig. Dat is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. - Schoon en welvarend.
Dat is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En, dat is het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Onderliggend plan past binnen de omgevingsvisie Gaaf Gelderland. De bestaande cultuurhistorische waarde van het landschap wordt door de nieuwe ontwikkeling van het plangebied versterkt. Zo wordt er 1 hectare bos aangeplant en op en rondom het erf wordt inheemse vegetatie toegevoegd.
12
Gravenstraat 7, Voorst
3.3.2
Omgevingsverordening Gelderland
De Omgevingsverordening is op 24 september 2014 door Provinciale Staten vastgesteld. In 2021 is deze geactualiseerd en vastgesteld door de Provinciale Staten. De verordening vormt het juridische kader waarbinnen de hoofddoelstellingen van de Omgevingsvisie zijn vastgelegd. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De verordening kent de volgende kaartlagen waaraan regels zijn verbonden: Windenergie, Landbouw, Glastuinbouw, Natuur, Landschap, Water en milieu, Erfgoed, Veilige Leefomgeving en Natura2000-gebieden. Op het plangebied zijn vooral de kaarten Landschap (Nationaal landschap), en Water (intrekgebied) van toepassing. Artikel 2.56 van de Omgevingsverordening Gelderland geeft aan dat een bestemmingsplan voor gronden binnen een Nationaal landschap en buiten de Groene Ontwikkelingszone, het Groene Natuurnetwerk en de Nieuwe Hollandse Waterlinie, alleen bestemmingen mogelijk maakt die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap niet aantasten. Het plangebied valt onder het nationale landschap De Veluwe, deelgebied Zuidelijke IJsselvallei.
De kernkwaliteiten van dit gebied worden als volgt omschreven: Overgang van stuwwal met besloten boslandschap via halfopen dekzandlandschap naar open rivierenlandschap IJssel; Kleinschalig mozaïeklandschap met grote afwisseling van relatief open tot besloten landschap en hiermee samenhangend een grote afwisseling van talrijke landgoederen, grondgebonden landbouw (met name weidebouw), bos, en beken die van de flank afstromen; Blokverkaveling maar ook grote afwisseling in perseelsvormen; Bebouwingspatroon in de vorm van dorpen langs de rand van het Veluwemassief en op de oeverwal en vele verspreide buurtschappen. De gewenste ontwikkelingen hebben een positief effect op de hierboven benoemde kernkwaliteiten. Het perceel wordt op een juiste manier landschappelijk ingepast. Met gebruik van passende beplanting wordt de overgang van besloten boslandschap naar het halfopen dekzandlandschap geaccentueerd. De nieuwe ontwikkeling zorgt daarmee voor een versterking van de kernkwaliteiten van de Zuidelijke IJsselvallei. Daarnaast is het plangebied aangeduid als intrekgebied. Deze gebieden mogen geen bestemming krijgen die de winning van fossiele energie zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas mogelijk maakt. Dit is niet van toepassing op voorliggend bestemmingsplan. Zoals uit bovenstaande blijkt, bestaan geen strijdigheden met de Omgevingsverordening Gelderland.
3.4
Regionaal beleid
3.4.1
Regionale Structuurvisie Stedendriehoek 2030
De Regionale Structuurvisie Stedendriehoek 2030 (RSV) (vastgesteld 2007) geeft de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling op langere termijn, tot 2030. De RSV gaat over het zogenaamde bundelingsgebied van de drie steden Apeldoorn, Deventer en Zutphen en het daarbinnen gelegen middengebied (grote delen van het grondgebied van de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Deventer, Lochem, Voorst en Zutphen). De Regionale Structuurvisie De Voorlanden van de regio Stedendriehoek (vastgesteld 2009) maakt samen met Regionale Structuurvisie Stedendriehoek 2030 (voor het bundelingsgebied) het ruimtelijk beleid voor de regio ‘compleet’. Beide documenten vormen samen de visie op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van dit gebied. De doelstelling voor de RSV is door de regio uitgewerkt in vijf strategische keuzen: Duurzaam waterbeheer als basis voor ruimtelijke ontwikkeling; Natuur, landschap en landbouw ontwikkelen in functiecombinaties; 13
Gravenstraat 7, Voorst
Regionale bereikbaarheid verbeteren door hoogwaardig openbaar vervoer; Stedelijke herstructurering gaat boven nieuwe stadsuitbreidingen; Toevoegen van centrumstedelijke en landelijke woonmilieus. Gelet op de aard en omvang van het plan, is in de Regionale Structuurvisie Stedendriehoek 2030 geen beleid opgenomen dat hierop specifiek van toepassing is. Wel past het herontwikkelen van een locatie en het in stand houden van de voorzieningenstructuur in dorpen en kleine kernen binnen de uitgangspunten van de regionale visie. 3.4.2
Waar de stallen verdwijnen: Oude erven, nieuwe functies
In het eerdere Provinciale Streekplan 2005 kregen de regio's de mogelijkheid een eigen invulling te geven aan het beleidskader voor functieverandering van agrarische gebouwen. De gemeente Voorst heeft toen samen met de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Lochem en Zutphen het regionaal beleidskader 'Waar de stallen verdwijnen: Oude erven, nieuwe functies' opgesteld. Inmiddels legt de provincie de verantwoordelijkheid volledig bij de regio en gemeenten en vraagt geen apart beleidskader meer om door de provincie vast te stellen. De notitie 'Waar de stallen verdwijnen: Oude erven, nieuwe functies' vormt nog steeds het regionaal beleidskader. Dit beleidskader is in 2014 is op het onderdeel maximaal toegestane maatvoering aangepast. Wel is het zo dat iedere gemeente in de regio haar eigen invulling geeft aan het regionale beleidskader. Diverse gemeenten, zo ook de gemeente Voorst, hebben aanvullend eigen beleid vastgesteld. Het beleidskader stelt primair als doel bij functieverandering een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. De regeling voor functieverandering geldt niet alleen voor vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen (met een agrarische bestemming) maar ook voor eerder vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen waarvan de bestemming reeds is omgezet (bijvoorbeeld Wonen).
Functieverandering zorgt per saldo voor minder steen in het buitengebied door het slopen van overbodige stallen en schuren, en voor een aantrekkelijke vormgeving door (groene) inpassing van nieuwe functies op de plaats van die stallen en schuren. Dit is ook het doel aan de Gravenstraat 7 in Voorst. Hier wordt alle bestaande bebouwing, met uitzondering van de karakteristieke schuur, afgebroken. Op het gehele perceel vindt landschappelijke (groene) inpassing plaats.
3.5
Gemeentelijk beleid
3.5.1
Ruimtelijke Toekomstvisie Voorst
Op 18 december 2017 is door de gemeenteraad de Ruimtelijke Toekomstvisie Voorst "Kwaliteit, Verbinding en Duurzaamheid" vastgesteld. In deze visie wordt het gemeentelijke beleid voor de komende jaren uitgewerkt, met een doorkijk naar de verdere toekomst. De visie is tot stand gekomen met een grote mate van participatie van inwoners, bedrijven en instellingen. De visie geeft aan dat onze identiteit leidend is in onze fysieke leefomgeving. Deze identiteit bestaat uit vijf bouwstenen, namelijk de kwaliteit van het landschap, de bijzondere cultuurhistorie, de dorpse schaal van de kernen, de krachtige sociale samenhang en duurzaamheid. De visie geeft voor verschillende inhoudelijke thema's (Wonen, leefbaarheid & sociale cohesie / Werken, innovatie & recreatie / Omgeving & landschap / Energie & klimaat) strategische beleidskeuzes aan. Vanuit deze identiteit en de inhoudelijke thema's is het toevoegen van een woning, in ruil voor de sloop van schuren, de renovatie van een karakteristieke schuur en het aanbrengen van nieuwe inheemse beplanting, te rechtvaardigen. Het bestemmingsplan past daarmee binnen de kaders van de Ruimtelijke Toekomstvisie. 3.5.2
Beleid functieverandering
Het regionale beleidskader voor functieverandering (zie paragraaf 3.4.2) biedt in hoofdlijnen het gemeentelijk toetsingskader bij aanvragen om functieverandering. Verevening moet bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van het perceel of de omgeving daarvan. Per plan wordt bekeken op welke manier en in welke mate verevening plaatsvindt. Hierbij is de maatschappelijke meerwaarde steeds leidend. 14
Gravenstraat 7, Voorst
Het regionale beleidskader is verder uitgewerkt in de notitie Ruimtelijke kwaliteit veranderende erven. Deze notitie geeft een houvast voor de kwalitatieve inrichting van het nieuwe erf.
15
Gravenstraat 7, Voorst
Hoofdstuk 4 4.1
Planopzet
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de plannen die ten grondslag liggen aan de beoogde ontwikkelingen. De plannen zijn getoetst aan het geldende beleid. De plannen moeten duidelijk een (maatschappelijke) meerwaarde van de nieuwe ontwikkelingen aantonen op het gebied van cultuurhistorie, landschap, natuur, recreatief medegebruik, water, landbouw en milieu. Volgens de betreffende beleidsdocumenten kan die maatschappelijke meerwaarde gevonden worden in het behoud, herstel en de ontwikkeling van cultuurhistorische waarden, versterking van de kwaliteit van het landschap, duurzame versterking van de natuurwaarden, aanleg recreatieve wandel- en fietspaden of openstelling van bestaande paden voor publiek, realisering van waterberging en oplossen van eventuele milieuproblemen. 4.1.1
Kader functieverandering
Op het perceel wordt meer dan 780 m2 aan bebouwing gesloopt. Zo worden de jaren '60 woning, 3 schuren en verschillende tussenleden afgebroken om plaats te maken voor nieuwe bebouwing. De noordwestelijk gelegen karakteristieke schuur blijft als enige behouden. Medewerking verlenen aan het plan volgens de principes van het functieveranderingsbeleid betekent kwaliteitswinst op verschillende terreinen: Landschappelijke verbetering erf en omgeving Met het toepassen van functieverandering worden het erf en de omliggende gronden landschappelijk verbeterd. Het eerste uitgangspunt is het ontwikkelen van het plan volgende de principes van het traditionele erfensemble. Hierbij wordt toepassing gegeven aan de erfgedachte waarbij het erfensemble refereert aan het traditionele boerenerf. Het erf in zijn huidige samenstelling is in de loop der tijd zo ontwikkeld, dat er geen sprake meer is van een traditioneel erfensemble. Zo zijn de verschillende erfelementen niet meer gecentreerd in en aan een gemeenschappelijke ruimte. Na realisatie van het plan zal een beter erfensemble zijn gerealiseerd waarmee een impuls wordt geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied. Het tweede uitgangspunt is het terugbrengen en benadrukken van karakteristieke landschappelijke elementen in het Voorster landschap.
Om dit te bereiken worden bomenrijen en hagen aangeplant (inheemse soorten) en wordt een boomgaard gerealiseerd. Hiernaast wordt op het zuidelijk deel van het plangebied een bos ter grootte van 1 hectare aangeplant. Met de aanplant van dit bos wordt een voor de omgeving kenmerkend landschapselement teruggebracht. De nieuwe woningen worden pas gebouwd wanneer de belangrijkste landschappelijke ingrepen zijn gerealiseerd. Behoud en herstel oude schuur als karakteristiek element in het Voorster buitengebied De in het noordwesten van het plangebied gelegen schuur is vanuit cultuurhistorisch oogpunt waardevol en wordt dan ook aangewezen als karakteristiek. De schuur verkeert momenteel in vervallen staat en wordt als onderdeel van de plannen gerestaureerd. Hiermee blijft het bouwwerk behouden als karakteristiek element in het Voorster buitengebied.
16
Gravenstraat 7, Voorst
4.2
Bestaande situatie
Afbeelding 8 - Huidige bestemmingplan In het plangebied zijn volgens het huidige bestemmingsplan 2 enkelbestemmingen aanwezig. Het westelijk deel, het deel waar de huidige bebouwing in het plangebied is gelegen, heeft een woonbestemming. De rest van het plangebied heeft een agrarische bestemming. Naast de enkelbestemmingen zijn er ook verschillende dubbelbestemmingen aanwezig in het huidige bestemmingsplan. Het gaat hier om de volgende dubbelbestemmingen: 'Waarde - Archeologie 2, 3, 4 en 5' en 'Waarde - Landschap'. Ten slotte heeft het plangebied de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied'.
Afbeelding 9 - Vooraanzicht woning vanaf de Gravenstraat Zoals hierboven benoemd is de huidige bebouwing gelegen in het westelijk deel van het plangebied. Het gaat hier om een enkele woning met meerdere bijgebouwen, gelegen aan verspreide verharding. Onder deze bijgebouwen bevindt zich onder andere de karakteristieke schuur welke al op kaarten van 1850 zichtbaar is. De schuur verkeert in vervallen staat (zie afbeelding 10).
17
Gravenstraat 7, Voorst
Afbeelding 10 - Vooraanzicht karakteristieke schuur vanaf de Gravenstraat In de 20e en 21e eeuw is het erf ontwikkeld tot zijn huidige staat. Begin 20ste eeuw is de karakteristieke schuur gekoppeld aan een nieuwere schuur. In de jaren '60 kreeg het erf dan ook een woonfunctie erbij door de realisatie van een woning ten oosten van de schuren. Deze is later via tussenleden verbonden geraakt aan de schuren. Een uitgebreide beschrijving van de ontstaansgeschiedenis van het erf is te lezen in paragraaf 2.2. Het agrarisch deel van het plangebied is grotendeels ingericht ten behoeve van het houden van paarden. Dit resulteert in de aanwezigheid van 3 paardenbakken met een totaal oppervlakte van 2400m2. Het overige deel van de gronden met een agrarische bestemming zijn ingericht als grasland voor deze paarden. Dit is zichtbaar aan het houten hekwerk wat dienst doet als afrastering. Het groen in het plangebied is vooral aanwezig in het zuidwestelijk deel van het plangebied. In tegenstelling tot het overig deel van het plangebied (grasland) bevindt zich hier een concentratie van verschillende bomen en struiken. Op de westelijke perceelsgrens zijn verschillende hoge struiken aangeplant welke de perceelsgrens accentueren. Ten slotte wordt het erf ontsloten door 2 formele ontsluitingen waarvan een is gelegen aan de Gravenstraat.
De tweede ontsluiting ontsluit het erf op het zandpad ten westen van het plangebied. Via deze ontsluiting worden de bijgebouwen bereikt. Het parkeren van voertuigen vindt in de huidige situatie plaats op een onverharde parkeerplaats langs de Gravenstraat.
4.3
Nieuwe ontwikkelingen
Voor de ontwikkeling van het plangebied is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. In deze paragraaf is een aantal tekeningen daaruit opgenomen. Het beeldkwaliteitsplan wordt gelijktijdig met dit bestemmingsplan door de raad vastgesteld.
18
Gravenstraat 7, Voorst
4.3.1
Bebouwing
Afbeelding 11 - Te slopen bebouwing Centraal onderdeel van het plan is de sloop van alle bestaande bebouwing met uitzondering van de karakteristieke oude schuur. In totaal gaat het hier om een sloopopgave van ongeveer 785m2. Onderdeel van deze sloopopgave zijn 3 schuren, de woning en alle tussenleden. Naast bebouwing wordt ook de terreininrichting ten behoeve van de paardenhouderij verwijderd. Het gaat hier onder andere om de paardenbakken en de mestvaalt. Door de sloop van de verschillende bouwwerken en het verwijderen van de terreininrichting ontstaat er ruimte voor de herontwikkeling van het plangebied. In deze sub-paragraaf worden de bouwplannen toegelicht, waar in de volgende sub-paragraaf de herinrichting van het erf en het landschap worden toegelicht. Na de sloop van de aangewezen gebouwen en het verwijderen van de huidige terreininrichting ontstaat ruimte voor de realisatie van 2 nieuwe woningen met elk een bijgebouw. Het gaat hier om 1 vervangende woning en 1 extra woning welke gereed zal worden gemaakt voor dubbele bewoning. In totaal worden 4 nieuwe bouwvolumes gerealiseerd. De karakteristieke schuur wordt gerenoveerd en zal dienst gaan doen als praktijkruimte (afbeelding 12).
19
Gravenstraat 7, Voorst
Afbeelding 12 - Impressie voor-, zij- en achteraanzicht karakteristieke schuur De verschillende volumes zijn na realisatie van de plannen zo gesitueerd dat het de impressie geeft een traditioneel boerenerf te zijn. De gerenoveerde karakteristieke schuur zal functioneren als hoofdgebouw. Dit bereikt de verschillende bijgebouwen hier visueel ondergeschikt aan te maken. Er ontstaat binnen het erfensemble zo een duidelijke hiërarchie. De nieuwe woningen worden gerealiseerd volgens de typologie 'schuurwoning' (afbeeldingen 13 & 14).
Afbeelding 13 - Impressie voor-, zij- en achteraanzicht woning 1 (ten oosten van karakteristieke schuur) 20
Gravenstraat 7, Voorst
Afbeelding 14 - Impressie voor-, zij- en achteraanzicht woning 2 (ten zuiden van karak teristieke schuur) Zowel de schuurwoningen als de bijgebouwen worden vormgeven met sobere en donkere kleurstellingen welke met elkaar overeenkomen, waardoor een visuele eenheid ontstaat. Het totale ensemble van bebouwing krijgt zo de uitstraling van een enkel boerenerf waarbij de karakteristieke schuur visueel het hoofdgebouw vormt.
Afbeelding 15 - Impressie erfensemble De woningen worden vormgegeven met asymmetrische zadeldaken welke refereren aan de traditionele kapschuren zoals deze te vinden waren aan het boerenerf. De hogere goot refereert hier aan de hogere inrijhoogte welke nodig was om wagens in te rijden. Richting het erf krijgen de woninggevels daarnaast een lichtere kleurstelling. Deze lichtere kleurstelling van de gevel in combinatie met de hogere 21
Gravenstraat 7, Voorst
goothoogte versterkt de illusie dat het open kapschuren betreft. De naar het erf gekeerde gevels hebben daarnaast kleine raamopeningen. De geopende zijde met grote raampartijen is juist ontwikkeld aan de 'achterzijde' van de schuurwoningen. Op deze wijze ontstaat er meer privacy voor bewoners. In tegenstelling tot de woningen krijgen de 2 nieuwe bijgebouwen symmetrische zadeldaken. Kleurstelling en materiaalgebruik komen daarentegen wel overeen met de woningen. Hierdoor ontstaat en duidelijk en ingetogen samenhang tussen de gebouwen aan het erf. De karakteristieke schuur wijkt in kleurstelling, vormgeving en materiaalgebruik wel af van de andere gebouwen op het erf. Het gebouw is lichter en heeft stenen gevels, waar de woningen en andere bijgebouwen juist donkere houten gevels hebben. Hierdoor ontstaat in de eenheid van gebouwen wel een duidelijke gebouwenhiërarchie waarbij de karakteristieke schuur het ''hoofdgebouw'' is. Van de buitenzijde lijkt het daarnaast net of er 1 gemeenschappelijk erf bestaat. Hier is echter geen sprake van. In praktijk wordt het erf opgedeeld in 2 delen door de realisatie van het bijgebouw tussen de woningen in. Desondanks is dit vanaf de Gravenstraat niet waarneembaar en heeft het gebouwenensemble wel de uitstraling van 1 gemeenschappelijk erf. 4.3.2
Erf en landschap
Naast de realisatie van de vrijstaande woningen met bijgebouwen en de renovatie van de karakteristieke schuur wordt het plangebied landschappelijk ingepast. Het leveren van landschappelijke kwaliteit vervult, naast de nieuwbouw en renovatie, een centrale rol in onderhavig plan. In afbeelding 16 is het plangebied weergeven, met daarin een overzicht van de landschappelijke inpassingen. Het landschapsplan is te vinden in Bijlage 3 Landschappelijk inrichtingsplan bij de regels van dit bestemmingsplan.
Afbeelding 16 - Overzicht landschappelijke inrichting Het woonerf blijft gelegen in het noordwestelijk deel van het plangebied. Dit geldt eveneens voor de ontsluitingen van het perceel. Het perceel wordt in de nieuwe situatie ontsloten door 2 informele ontsluitingen aan de noord- en westzijde van het erf. De oostelijke woning zal in de nieuwe situatie ruimte bieden voor dubbele bewoning. Om het aansluitende erf en bijgebouw te bereiken wordt de westelijke ontsluiting vertakt. De visuele impact van deze vertakking zal worden beperkt door een landschappelijke haag op de westerlijke perceelsgrens. Het nieuwe erf wordt aan het omliggende landschap geknoopt door diverse hagen en bomen aan te planten. Naast het landschappelijk aansluiten op omliggende gronden draagt deze erfbeplanting (o.a. landschappelijke hagen, heesters en solitaire bomen) ook bij aan het vergroten van de privacy voor bewoners. Niet alleen op en rond het erf vindt landschappelijke inpassing plaats. Ook de rest van het plangebied wordt landschappelijk versterkt. Allereerst wordt op de zuidelijke helft van het plangebied een hectare 22
Gravenstraat 7, Voorst
groot gemengd bos aangeplant (o.a. wintereik, hulst, leisterbes en beuk). Ook wordt het bos voorzien van zoomvegetatie voor insecten en vogels. Door inheemse soorten aan te planten ontstaat een grotere biodiversiteit.
Afbeelding 17 - Sfeerimpressie erf Door het toevoegen van dit bos wordt het gebied ook ingericht zoals de omgeving van het plangebied eruit heeft gezien. De afwisseling van open gronden en houtpercelen wordt daarmee hersteld. Erfbeplanting en het bos zijn echter niet de enige aan te brengen landschapselementen. Zo wordt ten noorden van het gemeenschappelijk erf een hoogstammige boomgaard aangeplant, en wordt langs de noordelijke en oostelijke perceelsgrens een rij bomen aangeplant. De hoogstamboomgaard zal bestaan uit een mix van historische soorten. Dit type boomgaarden komt vaker voor bij traditionele boerenerven in deze streek. Op het agrarisch perceel worden tot slot enkele solitaire bomen aangeplant.
23
Gravenstraat 7, Voorst
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan de randvoorwaarden vanuit diverse omgevingsaspecten (onder andere milieu, flora en fauna, archeologie en water). Hierbij wordt ook ingegaan op de resultaten van uitgevoerd onderzoek ten behoeve van genoemde aspecten.
5.2
Milieu-onderzoeken
5.2.1
Bodem
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan onderzoek te worden verricht naar de geschiktheid van de gronden voor het beoogde doel. In het geval van een verontreiniging moet de omvang ervan worden vastgesteld, zodat beoordeeld kan worden of, en zo ja welke, kosten zijn gemoeid met het verwijderen of verminderen van die verontreiniging, zodat voldaan wordt aan de eisen van de milieuwetgeving. In oktober 2021 heeft Lycens B.V. in opdracht van de initiatiefnemer een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in het plangebied aan de Gravenstraat. Het doel van het onderzoek is het bepalen van de bodemkwaliteit en het in kaart brengen van eventuele verontreinigingen in grond en grondwater. Het onderzoek is uitgevoerd door middel van het analyseren van gedane boringen en grond- en grondwatermonsters. De onderzoeksresultaten zijn te vinden in Bijlage 2 van deze toelichting. Resultaten Uit de chemische analyse van de bovengrond blijkt dat in het westelijk deel van het plangebied licht verhoogde gehalten van PAK, PCB en minerale olie waarneembaar zijn. Deze lichte verontreiniging is te relateren aan het voormalig gebruik van de locatie. De verhoogde gehalten zijn in de bovengrond van het oostelijk deel van het plangebied en de ondergrond van het gehele plangebied niet aangetroffen.
Uit de analyse blijkt dat er geen asbest aanwezig is in de bovengrond en binnen de puinverhardingen en grind- en puinhoudende bodem van de inrit. Ter plaatse van de druppelzones bij de kleine kapschuur, zuidzijde grote schuur en oostzijde paardenstal zijn echter wel verhoogde waarden asbestverontreiniging aangetroffen. Op basis van bekende literatuur en doordat de bron van de bodemverontreiniging bekend is wordt nader onderzoek niet zinvol geacht. Uit de resultaten van de chemische analyse blijkt dat in het grondwater een licht verhoogd gehalte barium aanwezig is. Doordat er geen antropogene bron bekend is, wordt er vanuit gegaan dat dit licht verhoogde gehalte barium van nature aanwezig is in het grondwater. Daarnaast blijkt dat er nog N-acetyl-amfetamine aanwezig is in het grondwater. Dit valt te relateren aan het drugslaboratorium dat in 2018 werd aangetroffen in het plangebied. Conclusie Op basis van het de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat de chemische kwaliteit van de bodem geen belemmering vormt voor het onderhavig plan. Desondanks zal voor aangetoonde asbestverontreinigingen bij de druppelzones sanering moeten plaatsvinden. Daarnaast wordt ondanks de geringe hoeveelheden asbest bij de druppelzones ten oosten van de paardenstal en ten noorden van de kleine kapschuur geadviseerd hier gelijktijdig de bodemtoplaag te saneren.
Deze werkzaamheden moeten worden uitgevoerd onder milieukundige begeleiding. Gesaneerde dient afgevoerd te worden naar een erkende verwerker. Hiervoor moet een BUS-melding worden opgesteld. Deze moet ter goedkeuring aan het bevoegd gezag voorgelegd worden (WBB, Provincie Gelderland) . Het onderzoek heeft getoetst aan meerdere hypothesen. De hypothese dat het grondwater als "verdacht" beschouwd kan worden is juist gebleken op basis van de aanwezigheid van N-acetyl-amfetamine in het grondwater. Op basis van het in 2018 uitgevoerde onderzoek is de verwachting dat drugsresten op natuurlijk wijze (verder) zullen afbreken. Gezien er geen toename van 24
Gravenstraat 7, Voorst
verontreiniging heeft plaatsgevonden worden geen aanvullende maatregelen noodzakelijk geacht. Doordat er licht verhoogde gehalte PAK, PCB en minerale olie zijn aangetroffen in de grond van het plangebied wordt de gestelde hypothese dat de bodem "onverdacht" is. De gemeten gehalten in grond en concentraties barium in het grondwater vormen echter geen belemmering voor onderhavige plannen. De gemeente Voorst onderschrijft de onderzoeksresultaten en sluit aan bij de adviezen. Asbestinventarisatie Naast het bodemonderzoek heeft er ook een asbestinventarisatie onderzoek plaatsgevonden. Het onderzoek is uitgevoerd op september 2021 door AL asbestinventarisatie Lieren. Het doel van het inventariseren van asbest bij de gebouwen in het plangebied die in aanmerking komen voor renovatie en sloop. Met uitzondering van de te renoveren karakteristieke boerderij, worden alle bouwwerken in het plangebied gesloopt te behoeve van de geplande ontwikkelingen in onderhavig plan. Het asbestrapport is te vinden in Bijlage 3 van deze toelichting. Uit het asbestinventarisatierapport wordt duidelijk dat er binnen het plangebied asbestmaterialen aanwezig zijn binnen meerdere gebouwen. Uit de resultaten blijkt dat er geen spoedeisende asbestsanering moet plaatsvinden.
Wel wordt geadviseerd om asbesthoudende toepassingen ter plaatse van de losse container, het maaiveld naast en achter de grote schuur en het maaiveld achter de kleine kapschuur op korte termijn te saneren. Het rapport sluit af met enkele richtlijnen en adviezen voor het saneringsbedrijf. 5.2.2
Geluid
Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden moet worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Door Artikel 76 Wgh is het bij de vaststelling van een bestemmingsplan verplicht, om bij de gronden die behoren tot een geluidszone, de grenswaarden in acht te nemen wat betreft de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen zoals woningen. Bij het voorbereiden van de vaststelling van zo'n bestemmingsplan moet akoestisch onderzoek worden gedaan naar die geluidsbelasting.
Afbeelding 18 - Geluidsbelasting gevels van woning aan de Gravenstraat (in dB) Het plangebied is gesitueerd buiten de bebouwde kom, ten westen van het dorp Voorst. 25
Gravenstraat 7, Voorst
In bovenstaande afbeelding is de geluidsbelasting van de gevels in de huidige situatie weergeven. Het geluidsgevoelige object (de woning) is in de huidige situatie op grote afstand gelegen van de Gravenstraat waardoor het wegverkeerslawaai de voorkeursgrenswaarde van 48dB niet overschrijdt. In de nieuwe situatie worden de geluidsgevoelige objecten (beide woningen) op grotere afstand van de Gravenstraat gerealiseerd dan de huidige woning. De gevelbelasting neemt daardoor alleen maar af. In de nieuwe situatie blijft de gevelgeluidsbelasting dan ook onder de kritieke grenswaarde. De waargenomen geluidsbelasting zal lager zijn dan bij de huidige woning. Voor de vaststelling van het bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek dan ook niet nodig. Dit betekent dat het realiseren van een nieuwe woonbestemming op deze locatie mogelijk is. 5.2.3
Luchtkwaliteit
De eisen voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn sinds november 2007 vastgelegd in de Wet milieubeheer, in titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen (ook wel bekend als de Wet luchtkwaliteit). De wet heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging, onder meer als gevolg van het verkeer. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de Wet luchtkwaliteit bestaat uit in Europees verband vastgestelde normen voor maximumconcentraties voor een aantal luchtvervuilende stoffen. In Nederland kunnen met name fijn stof (PM10) en stikstofoxiden (NO2) problemen opleveren met betrekking tot overschrijding van de grenswaarden. Fijn stof wordt grotendeels veroorzaakt door grote industriële bronnen en het wegverkeer, NO2 wordt voornamelijk veroorzaakt door het wegverkeer. Indien het uitoefenen van bevoegdheden, zoals het vaststellen van een bestemmingsplan en afwijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen bestuursorganen die bevoegdheden uitoefenen wanneer aannemelijk is gemaakt dat: Het bestemmingsplan c.q. de afwijking niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden; de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan c.q.
de afwijking per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft; het bestemmingsplan c.q. de afwijking niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen. Sinds 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht. Volgens het NSL draagt een project 'niet in betekenende mate' (Nibm) bij zo lang de concentratie fijn stof of stikstofdioxide niet meer dan 3% bedraagt. Volgens de NSL wordt die grens pas overschreden bij bijvoorbeeld woningbouwprojecten van meer dan 1.500 woningen of kantoorlocaties met meer dan 10.000 m2 brutovloeroppervlak. Voor ontwikkelingen die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden. De in het NSL genoemde grenswaarden worden als gevolg van onderliggend plan niet overschreden. Het plan leidt niet tot een ontwikkeling die in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Om deze reden wordt niet verder op het aspect 'luchtkwaliteit' ingegaan. 5.2.4
Externe veiligheid
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport van deze stoffen. Op basis van criteria die onder andere worden gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een (mogelijk) risico op zware ongevallen met zich mee brengen. Het gaat dan met name om de grote chemische bedrijven. Maar ook kleinere bedrijven zoals LPG-tankstations en opslag van bestrijdingsmiddelen. De (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen zoals buisleidingen, spoor-, auto- en waterwegen worden ook als een potentiële gevarenbron aangemerkt. Het aspect externe veiligheid draait om het beheersen van de risico's bij transport, opslag en gebruik van gevaarlijke stoffen. Doel van het externe veiligheidsbeleid is om zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. 26
Gravenstraat 7, Voorst
Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen het groepsrisico (GR) en het plaatsgebonden risico (PR). Het GR legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Het PR biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Als een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Het plangebied ligt in een gebied dat volgens de Gelderse Risicokaart een klein risico loopt op overstromingen. Deze middelgrote kans houdt in dat er eens in de 1000 jaar overstromingen kunnen plaatsvinden. Bovendien ligt het plangebied in een beschermd gebied. Dit houdt in dat het gebied wordt beschermd door een primaire waterkering tegen buitenwater (zee, grote rivieren etc.) en regionale wateren (kleine rivieren, kanalen etc). Voor het aspect externe veiligheid luidt de conclusie dat het zojuist genoemde risico op overstromingen geen belemmering vormt voor het onderliggende wijzigingsplan.
Afbeelding 19 - Maximale waterdiepte bij overstroming volgens risicokaart.nl In de nabijheid van het plangebied vinden verder geen risicovolle activiteiten plaats. Voor het aspect externe veiligheid luidt de conclusie dan ook dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het onderliggende bestemmingsplan. 5.2.5
Milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Hieronder wordt verstaan het aanbrengen van voldoende ruimte tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. In de directe nabijheid van het plangebied bevindt zich een melkveehouderij. Deze is gelegen aan de Gravenstraat 14. Conform de ''Regeling geurhinder en veehouderij'' heeft dit type agrarische inrichting een richtafstand van 50 meter, buiten de bebouwde kom. Ondanks dat de nieuwe woning zich bevindt binnen de 50 meter richtlijn tot het dichtstbijzijnde agrarisch bouwvlak, zal er op deze plek binnen het bouwvlak in de toekomst niet worden uitgebreid. Dit deel van het bouwvlak betreft namelijk de voortuin van de karakteristieke boerderij aan Gravenstraat 14. Van de richtlijn 50 meter tot agrarisch bouwvlak kan worden afgeweken wanneer kan worden gegarandeerd dat een goed woon- en leefklimaat mogelijk is. De afstand van het geurgevoelige object tot het agrarisch bouwvlak is weliswaar minder dan 50 meter, maar de afstand tot de dichtstbijzijnde mogelijkheid tot bedrijfsuitbreiding is groter dan 60 meter.
Daarnaast bedraagt de afstand tot het dichtstbijzijnde in gebruik genomen agrarisch deel van de karakteristieke boerderij meer dan 50 meter. Er kan worden geconcludeerd dat het voorliggende plan geen belemmering oplevert voor de nabijgelegen agrarische bestemming.
27
Gravenstraat 7, Voorst
5.2.6
Stikstof
Afbeelding 20 - Afstand plangebied tot dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden Op bovenstaande afbeelding is de afstand van het plangebied tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden weergeven. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Landgoederen Brummen' ligt op 2,3 km afstand. Ten oosten van het plangebied is Natura 2000-gebied 'Rijntakken' gelegen op 3,5 kilometer afstand. Ten slotte is Natura 2000-gebied 'Veluwe' ten westen van het plangebied op 6,4 km afstand gelegen. Het plan betreft de sloop van alle gebouwen in het plangebied met uitzondering van de karakteristieke schuur. De nieuwe gebouwen worden volgens de nieuwste isolatie standaard gebouwd waardoor tijdens de gebruiksfase stikstofuitstoot wordt beperkt. Daarnaast wordt in de huidige situatie het perceel al primair voor woondoeleinden gebruikt. Er wordt 1 woning toegevoegd in vergelijking met het bestaande aantal en er worden geen grote vervuilende objecten gerealiseerd. Geconcludeerd kan worden dat de Wet natuurbescherming, vanuit stikstof gezien, geen belemmering vormt voor onderhavig plan.
5.3
Flora en Fauna
5.3.1
Inleiding
Gemeenten hebben de verplichting om de natuurwaarden te beschermen. Ze moeten bij nieuwe ontwikkelingen rekening houden met beschermde soorten en beschermde gebieden. Het gaat om soorten die beschermd zijn onder de Flora- en faunawet en gebieden die beschermd zijn volgens de Natuurbeschermingswet en de planhiërarchie van de Wet ruimtelijke ordening (beschermde natuurmonumenten, gebieden van de Ecologische Hoofdstructuur). Nieuwe ontwikkelingen mogen de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in principe niet verslechteren of verstoren, tenzij een vergunning kan worden verkregen.
28
Gravenstraat 7, Voorst
5.3.2
Natuurbeschermingswet
De Natuurbeschermingswet regelt de bescherming van gebieden die in het kader van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn beschermd moeten worden. Natura 2000 is het samenhangende Europees ecologisch netwerk bestaande uit de gebieden aangewezen onder de Habitatrichtlijn en onder de Vogelrichtlijn. Dit netwerk moet de betrokken natuurlijke habitattypen, habitats van soorten en de leefgebieden van vogels in een gunstige staat van instandhouding behouden of, in voorkomend geval, herstellen. Voor beschermde Natura 2000-gebieden geldt dat er door de projecten en handelingen geen verslechtering van de kwaliteit van de habitats of een verstorend effect op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen mag optreden. Als er wel mogelijke negatieve gevolgen zijn, is de activiteit niet toegestaan, tenzij er na de habitattoets een vergunning wordt verleend. Het plangebied ligt niet in een Natura 2000 gebied. 3 verschillende Natura 2000 gebieden liggen op enige afstand van deze locatie. Natura 2000 gebied Landgoederen Brummen is de dichtstbijzijnde en ligt op 2,3 kilometer afstand van de planlocatie (zie afbeelding 20). Gelet op deze afstand en de aard van de ontwikkelingen die op grond van voorliggend bestemmingsplan worden uitgevoerd, wordt geconcludeerd dat er geen significante effecten zijn op het betreffende Natura 2000-gebied. 5.3.3
Natuurnetwerk
Het Natuurnetwerk is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De verschillende provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In de provincie Gelderland wordt dit natuurnetwerk opgesplitst in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Zoals zichtbaar is in afbeelding 21 ligt de planlocatie buiten het GNN en GO gebied. De kernkwaliteiten zijn dan ook niet van toepassing op het plangebied.
Afbeelding 21 - Ligging van het plangebied ten opzicht de van GNN en GO gebieden. Donkergroen het GNN, lichtgroen de GO. 5.3.4
Flora- en faunawet
De Flora- en faunawet regelt de bescherming van verschillende soorten dieren en planten. Op grond van deze wet is het zonder ontheffing verboden om beschermde inheemse planten op welke wijze dan ook van hun groeiplaats te verwijderen, een beschermde inheemse diersoort opzettelijk te verontrusten en/of nesten, holen of andere rust- en verblijfplaatsen van deze dieren te verstoren. 29
Gravenstraat 7, Voorst
Om de plannen te realiseren dient, met uitzondering van de karakteristieke schuur, alle aanwezige bebouwing te worden gesloopt. De karakteristieke schuur wordt gerenoveerd. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat bij dit project overtredingen van de wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden plaatsvinden. Met deze reden is Natuurbank Overijssel gevraagd om een quickscan flora en fauna uit te voeren binnen het plangebied. Gebiedsbescherming Zoals in vorige paragrafen ook al is uitgelicht is het plangebied niet gelegen in het Gelders natuurnetwerk, de Groene Ontwikkelingszone of een Natura 2000-gebied. Doordat het plangebied buiten deze gebieden is gelegen, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. De bescherming van het Gelders natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone kennen immers geen externe werking. Gezien de aard, omvang en duur van uit te voeren activiteiten en de afstand tot Natura-2000 gebieden, is het niet aannemelijk dat de uitvoering van het plan negatieve effecten zal hebben op Natura-2000 gebieden. Vervolgonderzoek is niet nodig. Soortenbescherming Natuurbank Overijssel heeft september 2021 het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Het onderzoek is te vinden in Bijlage 4 van deze toelichting.
Door de inrichting en het recente gebruik en beheer kan het plangebied niet worden gerekend tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten. Het plangebied is daarentegen wel een geschikt leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt vooral gebruikt door beschermde diersoorten als foerageergebied. Nestplaatsen zijn echter niet waargenomen. Desondanks bestaat altijd de kans dat er vogels nestelen. Dit geldt eveneens voor de aanwezigheid van beschermde grondgebonden zoogdieren. Het plangebied kan worden uitgesloten als rust- of voortplantingsplaats. Aangezien bezette vogelnesten beschermd zijn wordt geadviseerd de sloopwerkzaamheden buiten de broedperiode uit te voeren. Mocht dit niet mogelijk zijn, dan is een broedvogelscan nodig om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Bijdrage biodiversiteit Door uitvoering van de plannen raakt het plangebied minder geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Om toch juist een bijdrage te leveren aan de biodiversiteit wordt binnen het plangebied aandacht gegeven aan het vergroten van de biodiversiteit. Met deze reden wordt het nieuwe hectare bos samengesteld uit vele verschillende inheemse soorten bomen. Door het aanbrengen van een grotere diversiteit in onder en bovenbegroeiing kan worden bijgedragen aan het vergroten van het aantal soorten insecten, vogels en zoogdieren.