CConstaterende datVoorst
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan - bijlage 9 toelichting (2021-32190)

gemeenteraad 12 juli 2021, gemeente VoorstBij agendapunt: Bestemmingsplan De Vier Erven, Twello22.122 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

bron: Voty.geojson - 24-01-2020 09:50:23

Boorbeschrijving incl. lithologisch profiel van drie plangebieden in Twello; Troelstralaan, Abraham Kuyperstraat en Frans Halsstraat - Twello, gemeente Voorst (VOTY)

Boring: VOTY_17 Kop algemeen: Projectcode: VOTY, Boornummer: 17, Beschrijver(s): LT/EW, Datum: 13-12-2019, Doel boring: archeologie - verkenning, Einddiepte boring in cm: 160 Coördinaten: X-coördinaat in meters: 204022, Y-coördinaat in meters: 471721, Precisie coördinaat: 1 m, Coördinaatsysteem / epsg: Rijksdriehoeksmeting (NL), Hoogte maaiveld in meters: 5.364, Precisie hoogte: 1 dm, Referentievlak hoogte: Normaal Amsterdams Peil, Bepalingsmethode maaiveldhoogte: AHN bestand Plaats: Provincie: Overijssel, Gemeente: Voorst, Opdrachtgever: Gemeente Voorst, Uitvoerder: RAAP Oost 0 / 5.36 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 0, Ondergrens laag in cm: 55, Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: bruin-grijs Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: matig siltig, Bijmengsel humus: zwak humeus, Mediaanklasse: matig fijn Bodem: Bodemkundige interpretatie: bouwvoor 55 / 4.81 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 55, Ondergrens laag in cm: 80, Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: bruin-grijs Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: matig siltig, Bijmengsel grind: zwak grindig, Bijmengsel humus: zwak humeus, Mediaanklasse: matig fijn Bodem: Brokken en vlekken: zandbrokken, Bodemkundige interpretatie: verstoord Archeologie: Puin onbepaald: fragmenten Laag opmerking: Opmerking: Gevlekt 80 / 4.56 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 80, Ondergrens laag in cm: 90, Boortype en

diameter: Edelman-7 cm, Kleur: grijs Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: matig siltig, Mediaanklasse: matig fijn Bodem: Ijzer/mangaan: enkele Fe-vlekken Laag opmerking: Opmerking: Viezig 90 / 4.46 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 90, Ondergrens laag in cm: 100, Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: donker-grijs Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: matig siltig, Bijmengsel humus: matig humeus, Mediaanklasse: matig fijn Bodem: Ijzer/mangaan: enkele Fe-vlekken, Brokken en vlekken: kleibrokken 100 / 4.36 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 100, Ondergrens laag in cm: 120, Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: donker-bruin-grijs Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: sterk zandig, Bijmengsel humus: matig humeus Bodem: Bodemhorizont: laklaag/vegetatie-horizont, Ijzer/mangaan: enkele Fe-vlekken Archeologie: Puin onbepaald: enkel fragment Laag opmerking: Opmerking: Top van niveau 120 / 4.16 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 120, Ondergrens laag in cm: 135, Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: zwart-grijs Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: uiterst siltig, Bijmengsel humus: sterk humeus, Consistentie: stevig Bodem: Ijzer/mangaan: enkele Fe-vlekken 135 / 4.01 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 135, Ondergrens laag in cm: 160, Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: licht-grijs Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: matig siltig,

Mediaanklasse: matig fijn Bodem: Bodemhorizont: C-horizont, Ijzer/mangaan: enkele Fe-vlekken Einde boring 160 / 3.76

bron: Voty.geojson - 24-01-2020 09:50:23

RAAP-RAPPORT 4804

Drie plangebieden te Twello Gemeente Voorst Archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Colofon Titel: Drie Plangebieden te Twello, gemeente Voorst, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek Versie: 20-11-2020 Auteur: F.P. Westra Projectcode: VOTY2 Bestandsnaam: RAAPrap_4804_VOTY2_20201120 Autorisatie: N.W. Willemse

ISSN: 0925-6229

RAAP Leeuwenveldseweg 5b

Telefoon: 0294-491 500

1382 LV Weesp

E-mail: raap@raap.nl

Postbus 5069

Website: www.raap.nl

1380 GB Weesp © RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2020 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen. Het bevoegd gezag heeft het rapport goedgekeurd.

Drie Plangebieden, gemeente Voorst, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Samenvatting In opdracht van de gemeente Voorst heeft RAAP op 20 en 21 juli 2020 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het kader van het project µ'H9LHU(UYHQ¶te Twello in de gemeente Voorst. Het doel van het proefsleuvenonderzoek was het vaststellen van de archeologische waarde van de terreinen. Hiertoe was het noodzakelijk inzicht te krijgen in de precieze aard en omvang van de vindplaats. In het verlengde daarvan is in kaart gebracht wat de consequenties zijn van de onderzoeksresultaten voor de verdere planvorming in het plangebied. Is de archeologische vindplaats behoudenswaardig, en, zo ja, kan deze behouden blijven of dient deze te worden opgegraven? Tijdens het onderzoek zijn verspreid over de plangebieden 12 proefsleuven aangelegd met een totaal oppervlak van 800 m 2 . Voor Plangebied Frans Halsstraat komt dit neer op een dekkingsgraad van 10% van het totale plangebied. Voor de plangebieden Abraham Kuyperstraat en Troelstralaan komt dit neer op een dekkingsgraad van 6% van het totale plangebied. Aan de Troelstralaan en aan de Abraham Kuyperstraat zijn geen archeologische vindplaatsen aangetroffen. Binnen het plangebied Abraham KuypersWUDDWLVHLQGMDUHQ¶ˇ UXLPHHQPHWHUSX opgebracht. Daaronder bevindt zich het oorspronkelijke maaiveld, dat bestond uit nat grasland. De omstandigheden waren in het verleden te ongunstig voor bewoning.

Er zijn ook geen archeologische resten aangetroffen. De bodem in het plangebied bestond uit een humeus, zandig kleipakket van gemiddeld 40 cm dik, op het pleistocene zand. Het gaat hier om holocene beekafzettingen. Kleiafzettingen van de IJssel ontbreken hier. Op basis van de resultaten kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat er sprake is van pre-IJsselafzettingen, maar op basis van het vondstmateriaal uit de nieuwe tijd dat in de kleilagen is aangetroffen lijkt een pre -IJssel ouderdom niet heel waarschijnlijk. De lage archeologische verwachting voor het plangebied kan worden gehandhaafd. In Plangebied Troelstralaan heeft tot voor kort een schoolgebouw gestaan. Uit het proefsleuvenonderzoek is gebleken dat bij de sloop van de school de bodem al tot in de natuurlijke ondergrond is verstoord. Rondom het gebouw was het bovenste deel van de het bodemprofiel verstoord, maar was het protentiële archeologische niveau nog wel intact. Hier zijn enkel gedempte sloten en paalkuilen aangetroffen die dateren uit de periode direct voorafgaand aan de o ntwikkeling van de wijk en de bouw van de school. Oudere archeologische resten zijn bij het onderzoek niet aangetroffen.

Aan de Frans Halsstraat zijn in proefsleuf 3 sporen van bebouwing uit de late 19 e eeuw aangetroffen. Het gaat mogelijk om de plattegrond van een loods of werkschuur die door spoorwegarbeiders is gebruikt ten tijde van de aanleg van het spoor tussen Deventer en Apeldoorn in 1887 -1888. Aard van de vindplaats

:

loods/werkschuur voor de spoorwegarbeiders

Diepteligging

:

direct onder de bouwvoor

Datering

:

laatste kwart 19 e eeuw

RAAP-rapport 4804 / versie 20-11-2020

[3]

Drie Plangebieden, gemeente Voorst, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Op basis van de waardering van de aangetroffen resten, waarbij is gekeken naar zowel de fysieke als de inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats, wordt geconcludeerd dat het gaat om een behoudenswaardige vindplaats. Aangezien de resten van de bebouwing zich al vrijwel direct onder de bouwvoor bevinden is het lastig deze resten in situ te behouden . Het is de vraag of archeologisch vervolgonderzoek veel meer informatie gaat opleveren dan alleen de exacte omvang van de voormalige bebouwing. Een reconstructie van de bouwwijze en het uiterlijk van de schuur kunnen in dit geval beter aan de hand van verder archiefonderzoek worden gemaakt. Het advies is dan ook om het plangebied vrij te geven. Dit advies is door het bevoegd gezag, de heer H.G. Pape-Luijten (Regio-archeoloog Stedendriehoek), overgenomen.

RAAP-rapport 4804 / versie 20-11-2020

[4]

Drie Plangebieden, gemeente Voorst, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................................... 3 Inhoud................................................................................................................................................. 5 1 Inleiding ........................................................................................................................................... 6 1.1 Administratieve gegevens ..................................................................................................................... 8 1.2 Voorgaand onderzoek .......................................................................................................................... 8 1.3 Doelstellingen en onderzoeksvragen ..................................................................................................... 9

2 Methoden ....................................................................................................................................... 10 2.1 Algemeen ...........................................................................................................................................10 2.2 Werkputten .........................................................................................................................................10 2.3 Documentatie en registratie .................................................................................................................15 2.4 Behandeling van sporen ......................................................................................................................15 2.5 Behandeling van vondsten ...................................................................................................................15 2.6 Behandeling van profielen ...................................................................................................................16 2.7 Bemonstering .....................................................................................................................................16 2.8 Uitwerking ..........................................................................................................................................16 2.9 Afwijking en aanpassing van de

onderzo eksstrategie ............................................................................16

3 Resultaten ...................................................................................................................................... 18 3.1 Landschap en stratigrafie ....................................................................................................................18 3.2 Sporen en structuren ...........................................................................................................................25 3.3 Vondsten ............................................................................................................................................32 3.4 Interpretatie van de vindplaats .............................................................................................................34 3.5 Waardestelling ....................................................................................................................................36 3.6 Beantwoording van de onderzoeksvragen ............................................................................................37

4 Conclusie ....................................................................................................................................... 42 5 Selectieadvies ................................................................................................................................ 43 Literatuur .......................................................................................................................................... 44 Overzicht van figuren, tabellen, bijlagen en appendices ..................................................................... 45

RAAP-rapport 4804 / versie 20-11-2020

[5]

Drie Plangebieden, gemeente Voorst, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

1 Inleiding In opdracht van de gemeente Voorst heeft RAAP van 20 juli 2020 tot en met 21 juli 2020 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het kader van het project µ'HYLHU(UYHQ¶ te Twello in de gemeente Voorst (figuur 1). Dit onderzoek is noodzakelijk in verband met de voorgenomen werkzaamheden die een bedreiging kunnen vormen voor eventueel in de ondergrond aanwezige archeologische resten.

Figuur 1. De ligging van het plangebied. Inzet: ligging in Nederland (ster).

Het proefsleuvenonderzoek is een vervolg op het waarderend booronderzoek, waaruit is gebleken dat de kans groot is dat in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn ( Porreij-Lyklema, 2020 ).

RAAP-rapport 4804 / versie 20-11-2020

[6]

Drie Plangebieden, gemeente Voorst, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

De werkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat BRL4000, conform artikel 5.4 van de erfgoedwet. Onderzoeksdocumentatie en vondstmateriaal zullen worden overgedragen aan het depot van de provincieprovincieprovincie Gelderland. Voorafgaand aan het onderzoek is, conform de KNA een Programma van Eisen (PvE) opgesteld (Westra, 2020). Dit PvE diende als uitgangspunt voor het onderzoek.

Het onderzoek is uitgevoerd volgens de normen van de archeologische beroepsgroep. De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1), beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; www.sikb.nl), geldt in de praktijk als norm. RAAP is gecertificeerd voor de protocollen 4001 Programma van eisen, 4002 Bureauonderzoek, 4003 Inventariserend veldonderzoek (landbodems), onderdelen proefsleuven en overig, alsmede 4004 Opgraven (landbodems). Zie bijlage 1 voor de dateringen van de in dit rapport genoemde archeologische perioden.

RAAP-rapport 4804 / versie 20-11-2020

[7]

Drie Plangebieden, gemeente Voorst, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

1.1 Administratieve gegevens Plangebied

Drie plangebieden

Opdrachtgever

Gemeente Voorst

Contactpersoon opdrachtgever

Dhr. S. Braakman Hietheide 20 7391 XX Twello E: s.braakman@voorst.nl

Bevoegde overheid

Gemeente Voorst

Contactpersoon bevoegde overheid

Dhr. H.G. Pape-Luijten (Regio-archeoloog Stedendriehoek Postbus 9033 7300 ES Apeldoorn E: h.pape@apeldoorn.nl T: 06-11707200

Plaats

Twello

Gemeente

Voorst

Provincie

Gelderland

Coördinaten

- Troelstralaan: 204.212 / 471.658 - Abraham Kuyperstraat: 204.008 / 471.761 - Frans Halsstraat: 203.214 / 472.262

Toponiem

Troelstralaan 3, Abraham Kuyperstraat 3 en Frans Halsstraat 7/7a

Periode veldwerk

20 juli en 21 juli 2020

Projectleider

F.P. Westra (KNA archeoloog MA)

Projectmedewerkers

D. te Kiefte (senior KNA archeoloog), E.H.L.D. Norde (senior KNA archeoloog)

Onderzoeksmeldingsnummer

4876252100

Bewaarplaats documentatie en eventuele vondsten

RAAP Oost en op termijn ARCHIS, E-Depot en het provinciaal Depot (in geval van vondsten)

Tabel 1. Administratieve gegevens.

1.2 Voorgaand onderzoek Soort onderzoek

Uitvoerder

Uitvoeringsperiode

Rapportage

Bureau- en inventariserend veldonderzoek(verkennende fase)

RAAP

December 2019 en januari 2020

Porreij-Lyklema, 2020

Tabel 2. Overzicht van voorgaande voor het plangebied relevante onderzoeken .

Op basis van het voorgaande onderzoek kon de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen binnen de verschillende plangebieden niet worden uitgesloten. Uit het booronderzoek bleek de bodemopbouw in de verschillende plangebieden nog grotendeels intact te zijn. Eventuele archeologische vondst - en spoorniveaus zouden daarmee ook nog intact aanwezig kunnen zijn. Daadwerkelijke vindplaatsen zijn echter nog niet aangetoond.

RAAP-rapport 4804 / versie 20-11-2020

[8]

Drie Plangebieden, gemeente Voorst, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

1.3 Doelstellingen en onderzoeksvragen Een proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd om vast te stellen of zich binnen de begrenzing van de plangebieden (figuur 1) behoudenswaardige archeologische resten bevinden. Het doel is inzicht te verkrijgen in de precieze aard, omvang, diepteligging en datering van de archeologische resten, en te bepalen of het gaat om behoudenswaardige vindplaatsen. In het Programma van Eisen (PvE, Westra, 2020) zijn hiervoor onderzoeksvragen geformuleerd (zie § 3.6). Bovendien dient duidelijk gemaakt te worden wat de consequenties zijn van de onderzoeksresultaten voor de verdere planvorming in de plangebieden.

RAAP-rapport 4804 / versie 20-11-2020

[9]

Drie Plangebieden, gemeente Voorst, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

2 Methoden 2.1 Algemeen Zoals uit het vooronderzoek is gebleken, bleek de bodem in de verschillende plangebieden nog grotendeels intact te zijn. Eventuele archeologische niveaus zouden daarmee nog aanwezig kunnen zijn. Het booronderzoek kon geen zekerheid verschaffen op de aan - of afwezigheid van eventuele archeologische vindplaatsen. Om vast te stellen of er daadwerkelijk vindplaatsen binnen de plangebieden aanwezig zijn en om inzicht te krijgen in de aard van de eventuele vindplaatsen, is een proefsleuvenonderzoek aanbevolen als de meest geschikte methode.

Figuur 2: Het plangebied aan de Troelstralaan was sinds de sloop van de bebouwing overwoek erd geraakt met onkruid.

2.2 Werkputten Een overzicht van de ligging van de werkputten is afgebeeld in figuur 3,figuur 4 en figuur 5. In tabel 3 zijn de afmetingen van de verschillende werkputten samengevat. De werkputten zijn conform het PvE aangelegd. De werkputten zijn volgens een doorlopende reeks genummerd en worden aangeduid met de afkorting WP (bijv. WP 3).

RAAP-rapport 4804 / versie 20-11-2020

[10]

Drie Plangebieden, gemeente Voorst, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Werkput

Afmetingen (l x b in m)

Aantal vlakken

Totaal oppervlakte

1

12,5 x 4

1

50

2

12,5 x 4

1

50

3

12,5 x 4

1

50

4

12,5 x 4

1

50

5

12,5 x 4

1

50

6

12,5 x 4

1

50

7

25 x 2

1

50

8

25 x 4

1

100

9

25 x 2

1

50

10

25 x 4

1

100

11

25 x 4

1

100

12

25 x 4

1

100

Totaal

800 m2

Tabel 3. Overzicht van werkputten en vlakken.

RAAP-rapport 4804 / versie 20-11-2020

[11]

Drie Plangebieden, gemeente Voorst, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 3. Overzicht van de proefsleuven en de locatie van de gedocumenteerde profielen aan de Frans Halsstraat.

RAAP-rapport 4804 / versie 20-11-2020

[12]

Drie Plangebieden, gemeente Voorst, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 4. Overzicht van de proefsleuven en de locatie van de gedocumenteerde profielen aan de Abraham Kuyperstraat.

RAAP-rapport 4804 / versie 20-11-2020

[13]

Drie Plangebieden, gemeente Voorst, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 5. Overzicht van de proefsleuven en de locatie van d e gedocumenteerde profielen aan de Troelstralaan.

RAAP-rapport 4804 / versie 20-11-2020

[14]

Drie Plangebieden, gemeente Voorst, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

2.3 Documentatie en registratie In alle werkputten is één vlak aangelegd. Aan de Frans Halsstraat is het vlak aangelegd in de top van de C-horizont, onder de bouwvoor, op een diepte van 50 tot 60 cm ± mv. In plangebied Abraham Kuyperstraat werd op basis van het vooronderzoek een humeus pre-IJsselklei pakket verwacht op Pleistoceen rivierzand. In de top van de pre -IJsselafzettingen zou een vegetatiehorizont zijn ontwikkeld. In de eerste drie aangelegde putten is het vlak aangelegd onder deze vegetatiehorizont, op 1 m tot 1.20 m -mv. Op basis van voortschrijdend inzicht is in de laatste twee putten besloten het vlak aan te leggen in de top van het Pleistocene zan d, onder het humeuze kleipakket, op een diepte van gemiddeld 140 cm ±mv. In de drie aangelegde proefsleuven aan de Troelstralaan is het vlak aangelegd in de C -horizont, op een diepte van gemiddeld 80 tot 100 cm ±mv. De sporen zijn digitaal ingemeten met een RTK-GPS met een conform KNA-eis OS02 maximale afwijking van 3 cm in zowel het horizontale als verticale vlak. Ook de hoogte van de aangelegde vlakken ten opzichte van NAP is bepaald met een GPS. De ruwe GPS -bestanden zijn dagelijks uitgelezen, gecontroleerd en gecorrigeerd. De sporen zijn in een doorlopende reeks over de hele opgraving genummerd en worden aangeduid met een S (bijv. S12). Spoor- en vondstgegevens zijn in het veld ingevoerd in de Odile database.

In het algemeen geldt dat sporen en vondsten zijn gedocumenteerd conform specificaties OS04 en OS05 van de BRL4000.

2.4 Behandeling van sporen Om sporen te traceren en sporenclusters zo goed mogelijk te kunnen begrenzen, is het vlak waar nodig tijdens de aanleg handmatig opgeschaafd. Met het oog op het doel van het onderzoek (zoveel mogelijk gegevens verzamelen, maar zo min mogelijk archeologische resten beschadigen), zijn sporen slechts spaarzaam gecoupeerd. Bij het couperen is ervoor gekozen om die sporen te onderzoeken waarbij twijfel bestond over de antropogene aard van het spoor. Indien mog elijk viel de coupelijn hierbij samen met de profielwand, zodat de stratigrafische positie van het spoor kon worden vastgelegd. Tijdens het verdiepen is zoveel mogelijk geprobeerd om het stratigrafische ingravingsniveau van de sporen vast te leggen. Hiervoor is gebruik gemaakt van de laagbeschrijvingen in de verschillende werkputten. Van sporen met een diepte van meer dan 9 cm is een coupetekening (schaal 1:20) en veelal tevens een foto gemaakt; van minder diepe sporen is alleen de diepte en vorm in doorsne de vastgelegd in de database. De sporen zijn in een doorlopende reeks genummerd en worden in dit rapport aangeduid met een één- of twee cijferig nummer, voorafgegaan door een S (bijv. S2).

2.5 Behandeling van vondsten Bij de vlakaanleg en bij het couperen van sporen zijn vondsten per spoorvulling verzameld. Vondsten die niet aan antropogene sporen konden worden gekoppeld, zijn per laag in vakken van 5 x 5 m verzameld. Bijzondere vondsten, zoals metaalvondsten en vondst concentraties, zijn als puntvondst ingemeten. Voor het verzamelen van metaalvondsten is tijdens het aanleggen van de vlakken intensief

RAAP-rapport 4804 / versie 20-11-2020

[15]

Drie Plangebieden, gemeente Voorst, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

gebruik gemaakt van een metaaldetector. De vondsten zijn in een doorlopende reeks genummerd; ze worden in dit rapport aangeduid met een V (bijv. V14).

2.6 Behandeling van profielen De natuurlijke gelaagdheid en de verschillende archeologische niveaus zijn in kaart gebracht door middel van profielkolommen (zie figuur 3, figuur 4 en figuur 5 voor de locaties van de profielkolommen). In vrijwel elke proefsleuf zijn twee circa 1 m brede profielkolom opgeschaafd, gefotografeerd, getekend en beschreven vanaf het maaiveld. De locatie ervan is ingemeten met de RTK -GPS (met X-, Y- en Zcoördinaten). In enkele proefsleuven bleek de bodemopbouw dusdanig verstoord tot in het archeologisch vlak dat het documenteren van het profiel hier niet zinvol was. In deze gevallen is slechts één profielkolom per proefsleuf gedocumenteerd. In plangebied Abraham Kuyperstraat zijn de profielen gedocumenteerd tot in het P leistocene zand. In werkputten 5, 6 en 7 is het vlak aangelegd in het bovenliggende kleipakket. In deze proefsleuven is de profielopbouw in kaart gebracht door middel van kijkgaten die tot op het Pleistocene zand zijn gegraven. Om de landschappelijke ontwikkeling en de bodemopbouw goed te begrijpen, is er naar gestreefd om tijdens het veldwerk de stratigrafische eenheden (lagen) in de verschillende putten direct aan elkaar te koppelen. De lagen zijn hierbij in een stratigrafische reeks per plangebied genummerd, waarbij het eerste deel van het viercijferige nummer verwijst naar en het tweede deel een laagnummer is (bijv. 1020 = laag 20).

2.7 Bemonstering Tijdens het onderzoek zijn geen sporen aangetroffen die zich leenden voor monstername.

2.8 Uitwerking Documentatie van het onderzoek is na afloop van het onderzoekna afloop van het onderzoek na afloop van het onderzoek gecontroleerd. Na afloop van het veldwerk is een laatste controle uitgevoerd en zijn de analoge profiel- en coupetekeningen gedigitaliseerd en de vondsten gewassen en gesplitst per materiaalcategorie. Conform het PvE was het niet noodzakelijk om een evaluatierapport op te stellen. Na afloop van de basisuitwerking van de veldgegevens is gestart met het opstellen van de rapportage. Gedetailleerde spoor- en vondstinformatie is te raadplegen in het e-depot.

2.9 Afwijking en aanpassing van de onderzoeksstrategie Tijdens het veldonderzoek is op de onderstaande punten afgeweken van de onderzoeksstrategie zoals die in het PvE is omschreven. In overleg met het bevoegd gezag is tijdens het veldwerk besloten twee proefsleuven te laten vervallen. Eén proefsleuf aan de Abraham Kuyperstraat (figuur 4) is niet aangelegd, omdat op basis van de overige sleuven al een duidelijk beeld van de locatie was verkregen. het algemene beeld van het

RAAP-rapport 4804 / versie 20-11-2020

[16]

Drie Plangebieden, gemeente Voorst, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

plangebied was zowel ten noorden als ten zuiden van de vervallen proefsleuf gelijk, waardoor het aanleggen van deze sleuf geen extra informatie zou opleveren. Aan de Troelstralaan (figuur 5) is één proefsleuf vervallen die voor een groot deel binnen de contour van de voormalige bebouwing gepland was. Deze sleuf was met name bedoeld om na te gaan of onder de voormalige bebouwing nog archeologie verwacht kon wo rden. Op basis van de andere proefsleuven kon al vastgesteld worden dat bij de sloop van de bebouwing de bodem al tot in de C -horizont had verstoord.

RAAP-rapport 4804 / versie 20-11-2020

[17]

Drie Plangebieden, gemeente Voorst, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

3 Resultaten 3.1 Landschap en stratigrafie Een vindplaats kan niet los worden gezien van het landschap waarin hij is gelegen. Voor een correcte interpretatie is het dan ook van belang om de landschappelijke context inzichtelijk te maken. In het onderstaande wordt kort ingegaan op de geologische, geomorfologische en bodemkundige aspecten van het plangebied en directe omgeving.

3.1.1 Geologie en geomorfologie Het landschap van Twello is in grote mate gevormd gedurende het Saalien en het Weichselien. Het IJsseldal maakte gedurende het Saalien (238-128.000 BP) deel uit van een 125 m diep glaciaal bekkend dat werd gevormd door het landijs. Door datzelfde landijs werden de stuwwallen van de Veluwe en Salland aan weerszijden van het bekken bevormd. Het dal is nog in het Saalien voor het grootste deel opgevuld geraakt met smeltwater -afzettingen, behorend tot de Drenthe-formatie. De top KLHUYDQEHYLQGW]LFKWHJHQZRRUGLJRS]R¶Q ±MV.˘P Tijdens de laatste ijstijd; het Weichselien (116 11.700 BP) zijn door de Rijn enkele meters grofzandige en grindhoudende rivierafzettingen afgezet. Deze horen tot de Formatie van K reftenheye. Kreftenheye ±rivieren worden gekenmerkt door zowel meanderende geulsystemen (warme periodes) als vlechtende geulsystemen (koude perioden). Deze afwisseling in riviersystemen heeft geleid tot lichte terrasvorming. In het gebied ter hoogte van plangebieden Abraham Kuyperstraat en Troelstralaan wordt het reliëf gedomineerd door een globaal noord -zuid georiënteerd stelsel van laagten en met tussenliggende ruggen. Dit patroon kan verband te houden met een vlechtend rivierenpatroon uit de vroegere fase van het Weichselien.

In de koudere perioden in het Weichselien is op het rivierterrassenlandschap dekzand (behorend tot de Formatie van Boxtel) afgezet. Deze dekzanden zijn afgezet op de ongestuwde rivierterrasafzettingen van de formatie van Kreftenheye. Hierdoor is het oorspronkelijke terrasreliëf versterkt als gevolg van uitwaaiing van de lagere delen en opstuiving van de hogere delen. In het Laat-Weichselien trad er gedurende koude periodes (Oude/Jonge Dryas) op grote schaal verstuiving op waarbij grote dekzandrugcomplexen gevormd werden in de vorm van lengteduinen en SDUDERROGXLQHQ 2RNORNDDO ZHUGHQGHN]DQGNRSSHQRSJHVWRYHQ kenmerken zich door een zuidwest-noordoostelijke oriëntatie, samenhangend met een veranderende overheersende windrichting. Ten zuiden van Twello ligt een omvangrijk dekzandcomplex uit deze periode dat het Kreftenheye oerstroomdal van de IJssel heeft geblokkeerd. Dit dekzandcomplexvormde een waterscheiding tussen de beekdalen van de Achterhoek en de zuid elijke Veluwe en de beekdalen van Salland en de noordelijke Veluwe. Deze situatie zou voortduren tot de vroege middeleeuwen. Ten oosten van de plangebieden Abraham Kuyperstraat en Troelstralaan bevindt zich een noord -zuid geörienteerde dekzandrug. Naar het oosten loopt de dekzandrug af naar een brede laagte. In deze laagte bevindt zich bet stroomdal van de beek de Fliert. Het maaiveld ligt in deze laagte rond 4,5 m +NAP.

het maaiveld van de dekzandrug bevindt zich rond de 5,5 ± ˇ P 1$3 ORNDDOWRW]R¶Q 6,5 ± 7,0 m +NAP. Het laat-neolithische grafveld van plangebied de Schaker (Meurkens, 2014) bevond zich op de genoemde dekzandrug.

RAAP-rapport 4804 / versie 20-11-2020

[18]

Drie Plangebieden, gemeente Voorst, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Tot in de laat-Romeinse tijd maakt het stroomdal van de IJssel nog deel uit van lokale afwateringsstelsels. Vanaf de laat-Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen komt hier resoluut verandering in. Als gevolg van opslibbing werd het water van de Rijn ter hoogte van Arnhem vanaf de late ijzertijd steeds meer in noordelijke richting geduwd. Dit resulteerde uiteindelijk in een doorbraak van een dekzandbarrière bij Deventer in de zesde eeuw, waardoor de IJssel als nieuwe tak van de Rijn ontstond. Rond 700 na Chr. lijkt de IJssel zich ontwikkeld te hebben tot volwaardige Rijntak waarbij ook opbouw van een kleipakket plaatsvond in de omliggende overstromingsvlakten. 1 Tijdens de proefsleuvenfase van plangebied te Schaker zijn in de laagte ten oosten van de dekzandrug twee kleipakketten vastgesteld, gescheiden door een laklaag. De onderste kleilaag (tussen 4.10 en 4.00 m +NAP) lijkt overeen te komen met de vroeg- tot midden-holocene beekdalafzettingen. De bovenste kleilaag (tussen 4.40 en 4.20 m +NAP) lijkt samen te hangen met het ontstaan van de IJssel en zal zijn afgezet in de periode vanaf de 7 e eeuw tot aan de bedijking in de late middeleeuwen 2.

Figuur 6. De plangebieden geprojecteerd op de gemeentelijke landschappelijke bodemkaart 3

3.1.2 Bodemopbouw van de plangebieden Aan de hand van de profielen in de proefsleuven kan de bodemopbouw als volgt worden beschreven .

1 2 3

Cohen e.a. 2009; Groothedde 2010 Meurkens, 2014, 21 W illemse, 2008, kaartbijage 1

RAAP-rapport 4804 / versie 20-11-2020

[19]

Drie Plangebieden, gemeente Voorst, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Frans Halsstraat Vanaf het maaiveld is een bouwvoor aanwezig van 22 tot 34 cm dik. De bouwvoor bevat brokjes modern baksteenpuin, onder in de bouwvoor komt meer modern baksteenpuin voor. De bouwvoor gaat scherp over in een ophogingslaag die bestaat uit een donker grijs, zwak humeus, zwak siltig zand. De ophogingslaag reikt tot gemiddeld 50 cm ±mv. Aan de onderkant van deze ophogingslaag, die scherp overgaat naar de Cg-horizont zijn ploeg- of spitsporen aanwezig. De Cg-horizont in het plangebied bestaat uit lichtbruingeel zwak siltig zacht en redelijk goed gesorteerd matig fijn zand, wat is geïnterpreteerd als dekzand. Daarnaast zijn in de Cg-horizont graafgangen, roestvlekken en humeuze inspoelingsvlekken aanwezig.

Figuur 7. Profiel in plangebied Frans Halsstraat in werkput 1. Het vlak ligt op 5,50 m +NAP.

Abraham Kuyperstraat

RAAP-rapport 4804 / versie 20-11-2020

[20]

Drie Plangebieden, gemeente Voorst, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

De bodem is in het gehele plangebied met gemiddeld een meter opgehoogd met puinhoudende lagen waarin ook nog regelmatig plastic werd aangetroffen. De grond LVRSJHEUDFKWLQGHMDUHQ¶ˇ vorige eeuw, toen de wijk De Vijfhoek werd ontwikkeld. Onder de opgebrachte grond was het oorspronkelijke maaiveld nog aanwezig. Op een aantal plekken was het gras van het voormalige weiland nog zichtbaar. Het oorspronNHOLMNHPDDLYHOGEHYRQG]LFKRS]R¶Q ˘P 1$ met het maaiveld aan de oostzijde van de dekzandrug. De bouwvoor is over het algemeen grijsbruin tot bruin van kleur en bestaat uit matig tot zeer humeuze, zandige klei (laag 2020). De dikte van de bouwvoor ligt gemiddeld tussen de 10 en 30 cm. Daaronder gaat het vanaf circa 4,30 tot 4,10 m +NAP geleidelijk over in een donker grijze, matig tot zeer humeuze zandige kleilaag (laag 2030). De dikte van deze laag varieert sterk, van ca. 10 tot 40 cm. In werkput 6 ontbreekt deze laag volledig. Kenmerkend was dat de humeuze kleilagen zwavelhoudend waren en een zeer typerende verrottingslucht hadden. De oorspronkelijke bodem lijkt door het dikke ophogingspakket te zijn verblauwd, het is daarmee goed mogelijk dat de donkere kleur van deze lagen is ontstaan door verstikking van de bodem. Onder de kleilaag bevindt zich licht grijs, matig grof Pleistoceen zand, waarin af en toe grindsnoertjes voorkomen.

Op de bodemkundige landschappenkaart 4 (zie ook figuur 6) bevinden zowel het plangebied Abraham Kuyperstraat als het plangebied Troelstralaan zich in een zone met relatief hooggelegen lage dekzandwelvingen en dekzandlaagten. De IJsselafzettingen reiken niet verder dan ten oosten van de oostelijk gelegen dekzandrug.. Het humeuze kleipakket in de Abraham Kuyperstraat is hoogstwaarschijnlijk ontstaan in een beekoverstromingsvlakte. Het is mogelijk dat hier sprake is geweest van pre-IJsselafzettingen, zoals die ook in de laagte ten oosten van de dekzandrug zijn aangetroffen. Op basis van het aangetroffen vondstmateriaal lijkt een meer recente datering meer voor de hand te liggen. In kleilagen S2020, en S2030 is onder meer industrieel wit aardewerk en slibversierd roodbakkend aardewerk, daterend tussen de 18 e en de 19 e eeuw aangetroffen, evenals een fragment van een laat 19 e of 20 e eeuwse dakpan. Volgens Meurkens zijn er geen duidelijke aanwijzingen voor de aanwezigheid van volwaardige beeksystemen in de laagten rondom de terrasrug van Twello. De aanwezige Twellosche beek direct ten westen van de Abraham Kuyperstraat lijken in historische tijden gegraven te zijn ten behoeve van een betere ontwatering van de laaggelegen zones 5. Het pakket humeuze beekklei zou kunnen zijn afgezet wanneer bij hoog water in de IJssel de omliggende beken hun water niet meer kwijt konden.

De laaggelegen gebieden liepen dan onde r waarbij sediment werd afgezet.

4 5

W illemse, 2008, Kaartbijlage 1 Meurknes, 2015, p 19-20

RAAP-rapport 4804 / versie 20-11-2020

[21]

Drie Plangebieden, gemeente Voorst, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 8. Bodemopbouw in plangebied Abraham Kuyperstraat in profiel 801 van werkput 8. Onder een meter opgebrachte grond zijn de humeuze kleilagen van de oorspronkelijke bodemopbouw nog aanwezig. Het vlak ligt op circa 4 m +NAP.

RAAP-rapport 4804 / versie 20-11-2020

[22]

Drie Plangebieden, gemeente Voorst, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Troelstralaan De eerste 40 tot 90 cm van het plangebied bestaan uit een pakket verstoorde/opgebrachte grond. Dit SDNNHWLV ZDDUVFKLMQOLMNELMGHDDQOHJYDQGHVFKRROLQGHMD op sommige plekken verder vergraven. Onder dit pakket bevindt zich op de meeste plekken nog de oude bouwvoor (laag 3020). Deze 10 tot 30 cm dikke laag was grijsbruin van kleur en bestond uit een uiterst zandige klei. In een aantal gevallen bevond zich onder de oude bouwvoor nog een BC-horizont aanwezig, die bestond uit een geelgrijs, oranje gevlekt, zwak siltig zand. De C -horizont bevindt zich vanaf 70 tot 100 cm ± mv en bestaat net als de BC-horizont uit zwak siltig zand. Dit zand was matig grof en slecht gesorteerd. De top van de C-horizont loopt geleidelijk in westelijke richting af. Deze bevindt zich aan de oostzijde van het plangebied op 4,77 m +NAP en aan de westzijde op 4,40 m +NAP.

RAAP-rapport 4804 / versie 20-11-2020

[23]

Drie Plangebieden, gemeente Voorst, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 9. Bodemopbouw aan de Troelstralaan in werkput 12. Het vlak ligt op circa 4,70 m +NAP.

RAAP-rapport 4804 / versie 20-11-2020

[24]

Drie Plangebieden, gemeente Voorst, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

3.2 Sporen en structuren 3.2.1 Inleiding Tijdens het onderzoek zijn in de opgravingsvlakken en profielen 113 archeologische grondsporen gedocumenteerd. Een samenvattend overzicht van de aantallen aangetroffen sporen is weergegeven in tabel 4. De complete sporencatalogus is opgenomen in appendix 1. De sporen worden hieronder per locatie beschreven. Spoorcategorie

Aantal

sloot

1

Kuil

19

Laag

20

Paalspoor

26

Spoor

5

Recente verstoring

42

Tabel 4. Aantal sporen per spoorcategorie.

3.2.2 Frans Halsstraat

Figuur 10. Allesporenkaart locatie Frans Halstraat.

RAAP-rapport 4804 / versie 20-11-2020

[25]

Drie Plangebieden, gemeente Voorst, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Aan de Frans Halsstraat zijn de meeste sporen aangetroffen. Deze bestaan onder meer uit paalkuilen, verschillende grondverbeteringssporen en recente verstoringen. In werkputten 1, 2 en 4 zijn grondverbeteringssporen aangetroffen die bestaan uit kuilen en spitsporen. In werkput 2 waren enkele losse paalsporen aanwezig, die uit de nieuwe tijd stammen en waarschijnlijk hebben gediend voor weidepalen, als onderdeel van een afrastering. In werkput 3 is een structuur aangetroffen. deze bestaat uit in ieder geval 19 paalkuilen. De paalkuilen waren scherp begrensd, overwegend vierkant tot hoekig van vorm, en waren onderverdeeld in drie parallelle rijen. De middelste rij bevatte de grootste sporen. De sporen bevatten allen veel grind . Het ingravingsniveau van de sporen ligt net onder de bouwvoor (zie figuur 12). Om deze reden werd een relatief recente datering van de bebouwing vermoed. Op historische kaarten is op deze plek geen bebouwing bekend. Een omwonende wist te vertellen dat op deze plek een loods zou hebben gestaan die gebruikt werd door spoorwegarbeiders ten tijde van de aanleg van het spoor tussen Apeldoorn en Deventer. Deze spoorlijn werd tussen 1887 en 1888 aangelegd. Op basis van de sporen lijkt het om een houten gebouw te gaan. Op kadastrale hulpkaarten en topografische kaarten is het gebouw niet weergegeven.

Als het gaat om een gebouw dat gebruikt is geweest ten tijde van de aanleg van het

RAAP-rapport 4804 / versie 20-11-2020

[26]

Drie Plangebieden, gemeente Voorst, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

spoor, dan is het goed mogelijk dat het gebouw maar zeer kort heeft bestaan. Anderzijds is het goed mogelijk dat een tijdelijk houten gebouw bewust niet is ingetekend.

Figuur 11. De structuur in het vlak in werkput 3.

RAAP-rapport 4804 / versie 20-11-2020

[27]

Drie Plangebieden, gemeente Voorst, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 12. Coupe van één van de sporen van de structuur. Hier is goed te zien dat het ingravingsniveau net onder de bouwvoor zit.

RAAP-rapport 4804 / versie 20-11-2020

[28]

Drie Plangebieden, gemeente Voorst, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 13. Allesporenkaart locatie Abraham Kuyperstraat.

3.2.3 Abraham Kuyperstraat Kenmerkend voor het plangebied is dat de bodem in het gehele plangebied met gemiddeld een meter is opgehoogd. Op basis van he booronderzoek werden daaronder humeuze kleiige beekafzettingen verwacht, mogelijk pre-IJsselafzettingen. In de top van deze afzettingen zou een laklaag/vegetatiehorizont zijn gevormd. In eerste instantie werd daarom verwacht dat sporen zich onder deze vegetatiehorizont konden bevinden. In werkputten 5,6 en 7 is het vlak dan ook onder deze laag aangelegd. In deze laag zijn echter geen archeologische sporen aangetroffen en enkel recente verstoringen. In werkputten 8 en 9 is het vlak aangelegd onder het kleipakket, in de top van het Pleistocene zand, nadat bleek dat de vegetatiehorizont het oorspronkelijke maaiveld van voor de RSKRJLQJ XLW GH MDUHQ ¶ˇ ZDV Pleistocene ,Q KHW zand waren geen archeologische sporen aanwezig. Alleen in werkput 9 werden enkele recente sloten aangetroffen, waarvan in één nog resten prikkeldraad aanwezig waren. Deze sloten waren op historische kaarten nog aanwezig tot halverwege de jaren ¶ˇ en zijn waarschijnlijk pas bij de ontwikkeling van de wijk gedempt. Beide sloten zijn als recente verstoring gedocumenteerd.

RAAP-rapport 4804 / versie 20-11-2020

[29]

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10225022/2