2024 04 04 Beantwoording technische vragen Gemeente Belangen
Tekst van het document
Beantwoording technische vragen Gemeente Belangen
4 april 2024
De fractie van Gemeente Belangen heeft de rekenkamer Voorst naar aanleiding van het rapport ‘Samenwerking vraagt duidelijkheid’ een aantal vragen gesteld. Hieronder leest u de beantwoording van de rekenkamer. Opmerking naar aanleiding van de inleiding Volgens de informatie van de Rekenkamer is de definitieve ontwerpregeling nog niet door het college vastgesteld en is er ook nog geen toestemming daarvoor aan de raad gevraagd (d.d. 3 april 2024). De definitieve ontwerpregeling is wel ter kennisneming aan de raad gestuurd op 11 januari j.l. samen met een zienswijzenota. De nieuwe regeling moet vastgesteld zijn op 1 juli 2024. De raad heeft 13 weken de tijd ná de vraag van het college voor toestemming. De ontwerpregeling gaat uit van een GR die ingesteld wordt door de colleges van burgemeester en wethouders. (Art. 13.6 Wgr). Dit verschilt ten opzichte van de huidige (oude) regeling waarin burgemeester en raad een rol hebben (hadden). 1. Kunt u de gevolgtrekking tussen ‘onheldere doelstellingen en aan veranderingen onderhevig’ en ‘moeilijk voor de raad om inzicht in bevoegdheden te krijgen’ nader duiden? 1.1 Wat heeft het één met het ander te maken (doelstellingen/verandering met bevoegdheden)? De bevoegdheden van de Regio zijn beperkt tot de doelstellingen van de GR.
De bevoegdheden die aan de regio toekomen zijn die welke staan in artikel 4.2 en behoren bij de belangen en taken van artikel 4.1. In de huidige regeling betreft dit het behartigen van gezamenlijke belangen. In de voorgestelde regeling betreft dit ook het realiseren van de regionale ambities en opgaven. Wat daaronder valt kan aan verandering onderhevig zijn. Daar valt inderdaad de Uitvoeringsagenda onder. Die is eerder opgesteld dan dat de ontwerpregeling aan de raden is voorgelegd. Ondertussen is ook het regio-arrangement aan de regionale ambitie/agenda toegevoegd. 2. Wat zou de gemeenteraad, volgens de Rekenkamer, aanvullend op het bovenstaande kunnen doen als het gaat om periodiek evalueren van de doelstelling van de Regio? 2.1 Ligt het hele bestaansrecht van de Regio niet in het feit dat ze gemeente overstijgende belangen binnen de regio moet behartigen? 2.1.1 Op welke wijze is dat dan niet goed verwoord in Hoofdstuk II van de regeling? 2.1.2 Zijn documenten als het ‘uitvoeringsprogramma’ van de Regio niet juist bedoeld om nadere invulling te geven aan deze abstracte doelstelling? Zie vraag 1. 3. Wat zijn de opgaves (medebewindstaken) van het Rijk en wat zijn de opgaves van de gemeente (open huishouding) 3.1 Op welke opgaves kan de gemeenteraad invloed uitoefenen? De opgaves vanuit het rijk zijn onvoorspelbaar. In het verleden b.v. de RES en Woondeal.
De gemeenteraad kan - indien zij dat wil - invloed uitoefenen op de regionale ambities middels de Uitvoeringsagenda en de herzieningen daarvan, en meer in het algemeen door het indienen van zienswijzen en door de vertegenwoordiger van de gemeente in het AB opvattingen of opinies te geven. 4. Deelt de Rekenkamer de bovenstaande mening van Gemeente Belangen? De rekenkamer gaat ervan uit dat artikel 9 lid 2 in de ontwerpregeling staat om zoveel als mogelijk te waarborgen dat er met alle belangen rekening wordt gehouden. Zie ook vraag 6.1.
5. Hoe kan de gemeenteraad waarborgen dat besluiten daadwerkelijk in het algemeen bestuur worden genomen? 5.1 Zijn in dat kader besluiten ook beter herleidbaar (aangezien vergaderingen van het algemeen bestuur openbaar zijn)? De Rekenkamer denkt dat de raad dat niet kan borgen. De raad kan wel de vertegenwoordiger in het AB hierop aanspreken. Naar de mening van de rekenkamer is openbaarheid in het openbaar bestuur over het algemeen gewenst. Over de verhouding tussen DB en AB en de raden zie Hoofdstuk VIII van de ontwerpregeling (bijlage 3 van het rekenkamerrapport). 6. Onderschrijft de Rekenkamer het bovenstaande? 6.1 Onderschrijft de Rekenkamer dat in de nieuwe situatie het algemeen bestuur meer sprake is van een vertegenwoordigend orgaan? 6.2 Hoe kan de gemeenteraad waarborgen dan besluiten nu wél genomen worden in het algemeen bestuur (zie vraag 5)? Artikel 12 van de Wgr stelt: Het algemeen bestuur staat aan het hoofd van het openbaar lichaam. Zie vraag 5. 7.
Kan de Rekenkamer uiteenzetten hoe dit efficiëntere bestuur zich verhoudt tot macht en tegenmacht in het DB en AB? 7.1 Kan de Rekenkamer advies geven over hoe deze macht en tegenmacht gewaarborgd kan worden tussen het dagelijks bestuur en algemeen bestuur? 7.2 Kan de Rekenkamer advies geven over hoe gewaarborgd wordt dat besluiten in het AB genomen worden in plaats van DB (zie vraag 5 en 6.2)? De rekenkamer denkt niet dat een kleiner bestuur per definitie efficiënter is en zeker niet dat dit altijd gewenst is vanuit het oogpunt van democratie. Hoofdstuk VIII van de ontwerpregeling geeft de raad mogelijkheden om op de hoogte te zijn van de besluitvorming in de GR. 8. Hoe kunnen gemeenteraden op deze manier congruentie aanbrengen in de aanbevelingen van de Rekenkamers en opdrachtformulering aan het algemeen bestuur van de regio? Elke rekenkamer is onafhankelijk en kan zijn eigen advies/voorstel voor de raad formuleren. Het is niet onlogisch dat dit per gemeente verschilt. De rekenkamer Voorst heeft zijn advies vooral gericht aan de raad, en niet/minder op het AB van de regio. 9. Kunt u uitleggen hoe de triple helix nu wordt ondergebracht in de nieuwe GR en wat er dan nog aan taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden overblijft voor de Strategische Board? De rekenkamer kan dit niet uitleggen omdat dit niet onderzocht is.
De raad kan het College vragen over de toekomstige inrichting van de functie van de strategic board geïnformeerd te worden. Zie artikel 22.2 van de definitieve ontwerpregeling. 10. Waarom zal de stap naar een ‘nieuwe Strategische Board’ meer grote ondernemers de behoefte hebben om aan te sluiten? Het rapport van TwynstraGudde is vooral gebaseerd op interviews. In interviews kunnen verschillende opvattingen tot uiting komen. 11. Uit bijlage 1 blijkt dat er drie ondernemers en 5 mensen uit het onderwijs zijn geïnterviewd. Hoe kan de Rekenkamer beoordelen dat dit een wens is van het onderwijs en ondernemers? Zie vraag 10.
12. Kan de Rekenkamer reflecteren op het bovenstaande in combinatie met het meegestuurde ‘wensenkader’? De verschillende aannames komen voort uit de opinies in verschillende interviews. Zie vraag 10. De Raadsadviescommissie wordt ingesteld door het AB en ook de werkwijze wordt bepaald door het AB. De raden kunnen hier wel een zienswijze op indienen (Art. 24a Wgr). Het wensenkader zou een rol kunnen spelen bij het formuleren van een dergelijke zienswijze. Dit is aan de raad. De rekenkamer wijst erop dat de Wgr op verschillende manieren mogelijk maakt dat de democratische functie wordt versterkt: 1. door het instellen van een Raadsadviescommissie, 2. door de actieve informatieplicht van zowel het college als het bestuur van het openbaar lichaam 3. door de uitbreiding van de mogelijkheid tot indienen van zienswijzen (in de regeling te regelen). Zie artikel 11, 36.2 en 42a van de definitieve ontwerpregeling en art. 10 en 24a van de Wgr. De rekenkamer heeft niet onderzocht of deze opsomming compleet is. 13. Is het ‘wensenkader’ geschikt om in te dienen als initiatiefvoorstel (i.k.v. artikel 24a Wgr)? Zie vraag 12 14. Is het bijvoorbeeld mogelijk om als individueel raadslid een ‘schriftelijke vraag’ te stellen aan het algemeen bestuur als geheel? De rekenkamer heeft dit niet onderzocht. Zie artikel 27 lid 1 van de ontwerpregeling.
Namens de rekenkamer Voorst, Nehemia Aipassa, voorzitter Marieke Titsing, secretaris