1. bestemmingsplan Attero 2023 (toelichting) - Bijlage 2 Milieueffectrapport (MER)
Tekst van het document
Beoordelings- en onderzoeksmethodiek
De effecten van het voornemen op de ontsluiting van Attero en de effecten op de bereikbaarheid wordt niet vanuit de alternatieven beschouwd, omdat op voorhand vastgesteld kan worden dat de uiteindelijke vorm van de stortplaats geen onderscheidend verschil maakt in de eindbeoordeling van de verkeerseffecten. Het effect van de ontwikkeling op de bereikbaarheid wordt op basis van het verkeersmodel Stedendriehoek bepaald. Bovendien wordt gebruik gemaakt van verschillende gegevens over de verkeersintensiteiten vanuit de provincie, de gemeente en vanuit de beschikbare transportgegevens van Attero. Voor het thema verkeer en vervoer worden de beoordelingscriteria beoordeeld zoals opgenomen in de tabel. Tabel 6-3. Overzicht onderzoeksaspecten en beoordelingscriteria
Aspect
Criteria
Werkwijze
Verkeersafwikkeling
Doorstroming op hoofdverkeersaders en afwikkeling op kruispunten
Kwalitatief en kwantitatief op basis van kwantitatieve gegevens m.b.t functioneren kruispunten en wegvakken (reistijden/IC) *
Verkeersveiligheid
Verkeersveiligheid en oversteekbaarheid van de infrastructuur
Kwalitatief op basis van samenstelling verkeer
* Op basis van het geactualiseerd verkeersmodel Stedendriehoek. Daarmee zijn modelruns gedraaid voor de ontwikkeling van verkeer tot 2030.
15 mei 2023
CLICK TO ENTER "CDC2"
BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001
35
Projectgerelateerd
Verkeersafwikkeling Bij het onderwerp verkeersafwikkeling wordt beschouwd hoe het verkeer over de wegen rondom het plangebied wordt afgewikkeld. Daarbij wordt gekeken naar de verkeersdrukte tijdens spitsperioden, op basis van de verhouding tussen de capaciteit van een wegvak en de te verwachten intensiteit (I/C-verhouding). Elk wegvak heeft een bepaalde maximale capaciteit, dit is het aantal eenheden voertuigen dat maximaal over een wegvak kan rijden in een bepaalde periode. De intensiteit is het aantal eenheden voertuigen dat op een bepaald punt in een bepaalde periode passeert. Simpel gezegd geeft de verhouding aan hoe congestiegevoelig het bedoelde gedeelte is. Het getal geeft dus aan hoe congestie- of filegevoelig het gedeelte is. Daarvoor wordt gebruikelijk de I/C-verhouding in het drukste spitsuur of tijdens alle uren van een spitsperiode bepaald. Bij I/C-verhoudingen is een score tot 0,8 acceptabel voor de verkeersafwikkeling en is in de spitsmomenten sprake van incidentele filevorming. Alles boven een I/C van 0,9 en daarboven betekent dat een weg het verkeer niet of nauwelijks kan verwerken en dat maatregelen moeten worden overwogen. Dit zegt dus iets over de bereikbaarheid van voorzieningen en de mate waarin verkeer kan doorstromen. Het effect van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling wordt op basis van het verkeersmodel Stedendriehoek bepaald.
Bovendien wordt gebruik gemaakt van verschillende gegevens over de verkeersintensiteiten vanuit de provincie, de gemeente en vanuit de beschikbare transportgegevens van Attero. De effecten worden kwantitatief in beeld gebracht door op de wegvakken intensiteiten en I/Cverhoudingen te presenteren voor de ochtend- en avondspits in de prognosejaren. Tabel 6-4 Operationalisering effectscores
Effectscore
Beoordeling
++
Zeer positief effect
+
Positief effect
0 -
Geen/ neutraal effect Negatief effect
--
Zeer negatief effect
Operationalisering voor verkeersafwikkeling, doorstroming op wegvakken/kruispunten Sterke verbetering verkeersafwikkeling op de hoofdwegen en kruispunten Lichte verbetering verkeersafwikkeling op de hoofdwegen en kruispunten Geen verbetering of verslechtering van verkeersafwikkeling Verslechtering van de verkeersafwikkeling op de hoofdwegen en kruispunten Sterke verslechtering van de verkeersafwikkeling op de hoofdwegen en kruispunten
Verkeersveiligheid Verkeersveiligheid of verkeersonveiligheid is de mate van veiligheid in het wegverkeer. De verkeersveiligheid wordt mede bepaald aan de hand van de weginrichting, mate van afleiding in het verkeer, wettelijke en gereden snelheid en de samenstelling van het verkeer. Aan de hand van het beschikbare ontwerp van de alternatieven en de bijbehorende intensiteiten en verkeersafwikkeling wordt op expert judgement kwalitatief ingeschat wat de effecten zijn op verkeersveiligheid (past de intensiteit bij de weginrichting) en oversteekbaarheid (conflicten auto versus fiets/voetgangers). Tabel 6-5 Operationalisering effectscores
Effectscore ++ + 0 --
15 mei 2023
Beoordeling Zeer positief effect Positief effect Geen/ neutraal effect Negatief effect Zeer negatief effect
CLICK TO ENTER "CDC2"
Operationalisering voor verkeersveiligheid Zeer sterke verbetering verkeersveiligheid Enige verbetering verkeersveiligheid Geen verbetering of verslechtering van verkeersveiligheid Enige verslechtering verkeersveiligheid Zeer sterke verslechtering verkeersveiligheid
BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001
36
Projectgerelateerd
6.2.4
Referentiesituatie
Verkeer in de huidige situatie Attero wordt omringd door de Rijksweg A1, de Sluinerweg en de Ardeweg. Het terrein wordt ontsloten via een eigen weg die aansluit op de Sluinerweg. De hoofdontsluiting van het verkeer vanuit Attero loopt of via de Sluinerweg richting de Zutphenseweg (N345) die vervolgens aansluit op de Rijksweg A1 óf via de Sluinerweg richting het oosten om via een oversteek van de Rijksweg A1 richting Twello te rijden. Aan de zuidoostkant is de Withagenweg een ontsluitende weg richting N345. Ook is er aan de Aerdenbroek ter hoogte van de A1 een toegang voor calamiteitenvoertuigen en eigen gebruik aan de noordwestzijde van het terrein. Binnen het plangebied is het parkeren opgelost op het eigen terrein van Attero. In het gehele plangebied is daarmee voldoende parkeergelegenheid.
Figuur 6-1 Overzicht ontsluitingswegen plangebied (bron: ESRI - bewerking Royal HaskoningDHV)
De A1 (1) is een autosnelweg in beheer bij het Rijk, die als hoofdverkeersader langs- en deels door- het plangebied voert. De snelweg heeft een maximumsnelheid van 100km /u en is uitgevoerd met 2x3 rijstroken. De stortplaats van Attero is vanaf deze weg goed zichtbaar. Via afrit 21 Voorst, is de A1 aangesloten op de N345 richting Voorst en Zutphen. Over de A1 in dit stuk liggen de viaducten Ardeweg en Sluinerweg, als lokale noord-zuid verbindingen. De N345 Zutphenseweg (2) is een provinciale weg tussen Apeldoorn en Zutphen. De weg bestaat op het wegvak tussen Sluinerweg uit twee éénrichtingstroken, met uitvoegers naar onder andere de Sluinerweg. Richting de aansluiting op de A1 heeft de weg twee rijstroken per richting, met in de huidige situatie in- en uitvoegstroken naar de op- en afritten van de A1. De maximumsnelheid op deze weg bedraagt overwegend 80 km/u. De Sluinerweg (3) is de verbinding tussen Attero en het ontsluitende wegennet in de omgeving. De Sluinerweg is een ontsluitingsweg, met een maximumsnelheid van 80km/u op het stuk tussen de N345 en de afslag richting Attero. Verder richting het oosten loopt de weg via een viaduct over de A1 naar het noorden, in de richting van Twello. Langs de Sluinerweg ligt deels een vrij liggend tweerichtingen fietspad en liggen deels parallelle fietspaden in één richting aan beide kanten van de weg.
Voor afslaand verkeer vanaf de N345 – Sluinerweg richting Attero, is een uitvoegstrook aangebracht. Dit zorgt ervoor dat afslaand verkeer op een veilige manier kan bewegen richting Attero en is er een kleinere kans op kop-staart ongevallen, Tegelijkertijd zorgt dit voor behoud van de doorstroming op de Sluinerweg. De Ardeweg (4) is een ontsluitingsweg, met een maximumsnelheid van 80km/u op het stuk tussen de Sluinerweg – over de A1 – richting het Wilp-Achterhoek. Langs de Ardeweg liggen parallelle fietspaden in één richting aan beide kanten van de weg. Deze verbinding is geen hoofdontsluiting voor het plangebied. 15 mei 2023
CLICK TO ENTER "CDC2"
BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001
37
Projectgerelateerd
Wel voorziet deze weg in een lokale ontsluiting tussen dorpen ten noorden en ten zuiden van de A1, via het viaduct. In oostelijke richting ligt het viaduct, waarbij de Sluinerweg over de A1 gaat. De Withagenweg (5) is een lokale ontsluitingsweg, met een maximumsnelheid van 60km/u. Langs de Withagenweg ligt een fietspaden in twee richtingen, Deze verbinding is geen hoofdontsluiting voor het plangebied. Wel voorziet deze weg in een lokale ontsluiting tussen dorpen ten noorden en ten zuiden van de A1, en is het een hoofdroute richting recreatiegebied Bussloo.
Figuur 6-2 Kruispunt N345 - Sluinerweg richting Attero. In de referentiesituatie wordt dit kruispunt aangepast tot rotonde, waarbij parallelwegen de aanliggende percelen ontsluiten en fietsers veilig oversteken – in het 3D ontwerp bezien vanuit het weiland, met Sluinerweg aan de overkant (bron: provincie Gelderland)
In de referentiesituatie zijn een aantal infrastructurele maatregelen genomen door de provincie. De inrichting van de Zutphenseweg (N345) tussen carpoolplaats de Kar en de Sluinerweg wordt veranderd. Met het huidige verkeersaanbod is het op sommige momenten al gevaarlijk om de weg op en af te rijden. De provincie verwacht dat in 2030 meer verkeersdeelnemers gebruik maken van deze weg. Bij het kruispunt van de N345 met de Sluinerweg (punten 2 en 3 en figuur 6.2) wordt daarom een rotonde gerealiseerd. Daarbij wordt rekening gehouden met de huidige en toekomstige bereikbaarheid van de bedrijven, waaronder Attero, carpoolplaats de Kar en de parallelwegen. Fietsers kunnen bij de rotonde en de verkeerslichten de weg veilig oversteken. De oversteek bij de Oude Apeldoornseweg wordt opgeheven. 15 mei 2023
CLICK TO ENTER "CDC2"
BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001
38
Projectgerelateerd
Aanliggende percelen worden op dit deel van het traject via een parallelstructuur op de hoofdweg N345 aangesloten. Fietsvoorzieningen op dit wegvak bestaan deels uit aanliggende parallelle fietspaden in één richting aan beide kanten van de weg en zijn deels opgenomen in de parallelstructuur. Volgens provinciale data, fietsen er gemiddeld tussen de 130 en 190 fietsers per etmaal langs de N345. Dat aantal is erg laag voor een gemiddelde provinciale weg, maar is goed te verklaren door de aard en mate van aanwezigheid van de functies in het gebied. Openbaar Vervoer De verbinding N345-Sluinerweg-Ardeweg/Withagenweg is onderdeel van het traject van buslijnen 506 Twello-Ecofactorij–Omnisport en 508 Twello-Klarenbeek-Omnisport, uitgevoerd door vervoersmaatschappij Keolis. Deze lijnen rijden op werkdagen als buurtbus. De buurtbussen maken gebruik van de omliggende wegen in het plangebied. De buslijnen hebben geen vaste haltes op de ontsluitingswegen, behalve op de Withagenweg ter hoogte van recreatiepark Bussloo. Fietsverkeer - Recreatief verkeer De wegkenmerken laten zien dat er voor fietsers relatief goede infrastructuur is gerealiseerd. Met name in de zomermaanden worden deze voorzieningen gebruikt door fietsers richting recreatieterrein Bussloo, in de nabije omgeving van Attero. Dit terrein bestaat uit een grote zwemvijver, met daaromheen grasvelden en ligweiden.
In de directe nabijheid is een golfbaan en een minigolfbaan en er is een ruiterroute. Buiten het hoogseizoen wordt Bussloo ook vaak bezocht door dagrecreanten, om te fietsen, wandelen en de hond uit te laten. De belangrijkste routes richting Bussloo zijn de Sluinerweg vanuit het Noorden, de Withagenstraat vanuit het zuiden en het westen en de N790 vanuit het oosten en het zuiden. Verkeer in de referentiesituatie Om te bepalen wat het effect van het voornemen op de wegen rondom het plangebied is, wordt gekeken naar de huidige en toekomstige verkeersafwikkeling. Dat betekent dat onderzocht wordt of de wegen voldoende afwikkelingscapaciteit hebben om het verkeersaanbod te verwerken. Voor het bepalen van de verkeersafwikkeling op de wegen rondom het plangebied is gebruik gemaakt van gegevens uit: • Verkeersmodel regio Stedendriehoek versie 1.3 • Verkeerscijfers provincie Gelderland De modelgegevens in tabel 6.6 laten de hoeveelheid motorvoertuigen per etmaal (hierna: mvt/etm) zien. De nummers van de locaties corresponderen met de nummers in kaart 3.7. Tabel 6-6 Verkeerscijfers ontsluitingswegen plangebied huidig (bron: Verkeersmodel Stedendriehoek versie 1.3)
Verkeerscijfers huidig model Stedendriehoek
Mvt etmaal
Mvt OS
Mvt AS
Vracht etmaal
Vracht OS
Vracht AS
1
A1
91000
15000
15000
26000
3100
3100
2
N345
20.000
2600
2700
2700
300
230
3
Sluinerweg
6500
800
650
1000
150
100
4
Ardeweg
800
55
50
30
5
4
5
Withagenweg
2300
400
550
250
35
40
Mvt: motorvoertuigen; OS: ochtendspits; AS: avondspits
Bij deze verkeersintensiteiten staat de bereikbaarheid van aanliggende percelen en zijwegen langs het traject niet onder druk. Wachttijden vanuit zijwegen zijn doorgaans acceptabel. In de ochtend- en avondspits bereikt de N345 wel zijn maximale afwikkelingscapaciteit. De doorstroming is er vooralsnog voldoende. Dat komt mede door de aanwezigheid van in- en uitvoegstroken op de Sluinerweg en N345, waardoor de 15 mei 2023
CLICK TO ENTER "CDC2"
BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001
39
Projectgerelateerd
doorstromingscapaciteit van de wegen hoger is. Wel is het tijdens de spitsperioden moeilijker invoegen vanuit de Sluinerweg en van de Withagenstraat in beide richtingen naar de N345. verkeersafwikkeling Referentiesituatie Het voornemen is getoetst aan de situatie in 2030 als referentiekader voor het toekomstscenario. De verwachting is dat het verkeer zowel in het projectgebied als het brede netwerk de komende jaren toeneemt op basis van autonome groei. Deze groei kan niet worden toegeschreven aan het voornemen, omdat het aantal verkeersbewegingen van Attero gelijk blijft. In tabel 6-6 worden de intensiteiten (beide richtingen) op de maatgevende omliggende wegen in de referentiesituatie in 2030 gegeven. De nummers in de tabel komen overeen met de nummers in het kaartbeeld van figuur 6.1. Tabel 6-7 Verkeerscijfers ontsluitingswegen plangebied 2030 (bron Verkeersmodel Stedendriehoek versie 1.3)
Verkeerscijfers huidig model Stedendriehoek
Mvt etmaal
Mvt OS
Mvt AS
Vracht etmaal
Vracht OS
Vracht AS
1
A1
126000
20000
21000
31000
3500
3800
2
N345
22000
3000
3000
3100
450
250
3
Sluinerweg
7100
800
650
1200
200
140
4
Ardeweg
850
55
40
35
5
4
5
Withagenweg
3100
600
700
300
40
45
Mvt: motorvoertuigen; OS: ochtendspits; AS: avondspits
De cijfers laten een stijging lichte voertuigen in 2030 zien op het projectgebied. Dit aantal overstijgt de maximale capaciteit van de wegvakken niet. De verhouding tussen de intensiteit en de capaciteit van de wegen blijft op acceptabel niveau. Ook het verkeer op de omliggende trajecten in het netwerk neemt licht toe. De capaciteit van de N345 richting de A1 loopt daarbij tegen het maximum aan. Spitspieken N345 Berekeningen met het verkeersmodel laten zien dat de N345 in de huidige situatie en in de toekomst een hoge verkeersdruk kent in de spitsperioden. Tijdens de spitsperioden is het moeilijk invoegen vanuit de Sluinerweg en van de Withagenstraat in beide richtingen naar de N345. Dit wegvak bereikt zijn maximale draagkracht tijdens piekmomenten. De Sluinerweg en Ardeweg hebben dit probleem niet, zowel in de huidige als toekomstige situatie. Er is daarom gekeken naar de capaciteit van het wegvak N345 tijdens spitsperioden op basis van de verhouding tussen de capaciteit van een wegvak en de te verwachten intensiteit (I/C-verhouding). Bij I/Cverhoudingen is een score tot 0,8 acceptabel en is sprake van incidentele filevorming. Alles boven een I/C van 0,9 en daarboven betekent dat een weg het verkeer niet of nauwelijks kan verwerken en dat maatregelen moeten worden overwogen.
De huidige cijfers laten zien dat de ochtendspits de N345 richting de A1 druk is en dat in de avondspits de N345 richting het zuiden erg druk is op het wegvak. In 2030 lopen alle richtingen, in beide spitsmomenten tegen hun capaciteit aan. Dat betekent dat op basis van autonome ontwikkelingen, los van het voornemen van Attero, de vraag is of er maatregelen noodzakelijk zijn om de doorstroming en oversteekbaarheid van de N345 te verbeteren. Tabel 6-8 Intensiteits-/capaciteitsverhouding N345 huidig en 2030 (bron: Verkeersmodel Stedendriehoek versie 1.3)
I/C verhouding N345 – A1 Huidig 15 mei 2023
Richting A1 CLICK TO ENTER "CDC2"
Ochtendspits
Avondspits
0,87
0,66 BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001
40
Projectgerelateerd
2030
6.2.5
Richting Zuid
0,73
1,02
Richting A1
1,06
0,87
Richting Zuid
0,85
1,16
Effectbeoordeling
Verkeersbewegingen Attero Het verkeer van en naar Attero kan gebruik maken van de omliggende wegen waaronder de Sluinerweg, naar de Zutphenseweg (N345) en de Ardeweg. Naast de verkeersbewegingen voor de aan- en afvoer van afval-, grond- en hulpstoffen zijn er verkeersbewegingen van het personeel dat werkzaam is bij Attero. Het aantal verkeersbewegingen dat Attero maximaal genereert is opgenomen in de milieuvergunning van het bedrijf. Er is een maximum gesteld aan het aantal toegestane voertuigbewegingen van het bedrijf, in het kader van omgevingseffecten. Met betrekking tot de bijdrage van het aantrekkend verkeer, is in de vergunde situatie is sprake van gemiddeld 502 vrachtwagens en 450 personenwagens per etmaal. Het is het bedrijf toegestaan om maximaal 608 vrachtbewegingen per etmaal te genereren. In totaal is het aantal motorvoertuigen dat Attero maximaal mag genereren per etmaal bepaald op 1904 (revisievergunning 2008). In het voornemen is bepaald dat de verkeersgeneratie van Attero niet wijzigt. Er is geen toename van (vracht)verkeer per etmaal als gevolg van het plan voor zowel het ophogen van de stortplaats als het opereren van de tunnelcompostering. Anders dan de verkeerstoename door autonome ontwikkelingen, is er geen merkbaar toename in verkeersintensiteit aan te wijzen als gevolg van het voornemen van Attero.
Recreatieve invulling plangebied Het voornemen van Attero, behoudt het plan om mogelijk een recreatieve invulling te geven aan het terrein, na voltooiing van het voornemen. Dat doet het bedrijf door de stortplaats te voorzien van een wandel- en/of fietsroute. Deze kunnen geïntegreerd worden in bestaande wandel- en fietsnetwerken in de omgeving van het terrein en vormen een zuidelijke verbinding van de bestaande fietsroutes over de A1 over de viaducten Ardeweg en Sluinerweg. Ook is het denkbaar dat er een nieuw viaduct wordt aangelegd voor fietsers. Het realiseren van deze recreatieve invulling van het plangebied, is een verrijking van het recreatieve netwerk in de omgeving. De routes lopen via relatief rustige wegen en daar waar de verkeersdruk hoger is, zijn gescheiden voorzieningen gerealiseerd. Bovendien is geen grote toename van gemotoriseerd te verwachten, omdat de route een aanvulling is op het bestaande fietsnetwerk in de omgeving. In het uiteindelijk voorstel is wél aandacht vereist voor wat betreft comfort en de sociale veiligheid rondom de nieuw aan te leggen verbinding. Dat betekent onder andere dat de juiste hellingspercentages worden toegepast en dat er aandacht is voor de verlichting van de infrastructuur.
Verkeersafwikkeling Aangezien er geen absolute toename van het aantal verkeersbewegingen wordt veroorzaakt door het voornemen, anders dan autonome groei, zullen er geen wijzigingen optreden ten aanzien van de bereikbaarheid op de ontsluitende infrastructuur rondom de inrichting. De afwikkeling van dit verkeer is ten opzichte van de referentiesituatie vooral afhankelijk van de voorgenomen infrastructurele maatregelen aan de N345, niet van het voornemen van Attero. Er is geen sprake van een toename van de verkeersintensiteit in de referentiesituatie als gevolg van het voornemen van Attero. De inrichting blijft ook voor de nieuwe activiteiten in zijn geheel gebonden aan de 15 mei 2023
CLICK TO ENTER "CDC2"
BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001
41
Projectgerelateerd
maximale verkeersbewegingen zoals die zijn vastgelegd in de huidige milieuvergunning. Het toegestane aantal verkeersbewegingen mag niet worden overschreden. Het plan is dan ook uitvoerbaar bevonden in het kader van bereikbaarheid en verkeer. Dit onderdeel wordt daarom neutraal beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Effectscore 0
Beoordeling Geen/ neutraal effect
Verkeersafwikkeling Geen verbetering of verslechtering van verkeersafwikkeling
Verkeersveiligheid Aangezien er geen absolute toename van het aantal verkeersbewegingen wordt veroorzaakt door het voornemen, zullen er als gevolg van het voornemen geen wijzigingen optreden ten aanzien van de verkeersveiligheid. Het toegestane aantal verkeersbewegingen mag niet worden overschreden. Omdat geen sprake is van toename van de verkeersbewegingen wordt ook de verkeersveiligheid ter plaatse niet nadelig beïnvloed door Attero. De situatie met betrekking tot verkeersveiligheid is ten opzichte van de referentiesituatie vooral afhankelijk van de voorgenomen infrastructurele maatregelen aan de N345, niet van het voornemen van Attero. Het plan is dan ook uitvoerbaar bevonden in het kader van verkeersveiligheid. Effectscore 0
6.2.6
Beoordeling Geen/ neutraal effect
Verkeersveiligheid Geen verbetering of verslechtering van verkeersveiligheid
Mitigerende maatregelen en aanbevelingen
Er zijn geen onderscheidende effecten te verwachten in de referentiesituatie ten opzichte van de huidige situatie, als gevolg van het voornemen om de stortplaats te verhogen. De knelpunten die kunnen ontstaan, zijn een gevolg van autonome ontwikkelingen. In eerste instantie zijn dan ook geen mitigerende maatregelen voor de verkeerseffecten van het voornemen nodig, voortvloeiend uit de activiteit van Attero. Wél kan het raadzaam zijn om een aantal mogelijke maatregelen aanvullend te onderzoeken, om de verkeerssituatie in de toekomst te verbeteren. Monitoring verkeersafwikkeling Het is van belang om de verkeersafwikkeling op het kruispunt van de Sluinerweg met de N345 te monitoren. Dat is primair een taak van de wegbeheerders, waarin zij mogelijk extra maatregelen moeten nemen voor de bereikbaarheid en verkeersveiligheid. Recreatief medegebruik Omdat het voornemen is om mogelijk ook recreatief medegebruik van de locatie toe te staan, is het advies om te onderzoeken of- en hoe verkeersveilige routes voor dit medegebruik kunnen worden ingepast. Recreatieve gebruikers van de stortplaats en vrachtverkeer voor de exploitatie van het bedrijf, maken mogelijk tegelijkertijd gebruik van de locatie. Het is van belang om deze stromen goed te scheiden en bijvoorbeeld ook te voorzien van de juiste verlichting.
6.2.7
Conclusies
Voor het voornemen geldt dat er geen gevolgen zijn voor de verkeerssituatie. Er is geen sprake van een toename van de verkeersintensiteit ten opzichte van de referentiesituatie als gevolg van de ophoging van de stortplaats en het toepassen van tunnelcompostering. De inrichting blijft ook voor de nieuwe activiteiten in zijn geheel gebonden aan de maximale verkeersbewegingen zoals die zijn vastgelegd in de huidige milieuvergunning. 15 mei 2023
CLICK TO ENTER "CDC2"
BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001
42
Projectgerelateerd
Het plan is dan ook uitvoerbaar bevonden in het kader van bereikbaarheid en verkeer. Dit onderdeel wordt daarom neutraal beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Omdat geen sprake is van toename van de verkeersbewegingen wordt ook de verkeersveiligheid ter plaatse niet nadelig beïnvloed. Het plan is dan ook uitvoerbaar bevonden in het kader van verkeersveiligheid. De beoordeling in onderstaande tabel gaat op voor alle alternatieven ten opzichte van de referentiesituatie. Er is daarin geen onderscheid. Tabel 6-9 Totaalbeoordeling effectscores
Alternatieven Verkeer en vervoer
Referentiesituatie Alternatief 1: Pannenkoek
Alternatief 2: Gezicht 1
Alternatief 3: Gezicht 2
Verkeersafwikkeling
0
0
0
0
Verkeersveiligheid
0
0
0
0
15 mei 2023
CLICK TO ENTER "CDC2"
BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001
43
Projectgerelateerd
6.3
Natuur en ecologie
6.3.1
Inleiding
Het voornemen van Attero om de stortplaats op te hogen en een tunnelcompostering te realiseren gaat samen met het plan om natuurontwikkeling op en om het plangebied mogelijk te maken (zie ook paragraaf 5.3). Het gaat voornamelijk om de aanplant aan beide kanten van het bos aan de noordkant van de snelweg als mitigerende maatregel (ca. 18 hectare) en de mogelijkheden om nieuwe natuur te creëren op de stortplaats zelf (ca. 45 hectare). De mogelijke maatregelen bestaan uit; • het aanleggen van twee grondwallen tot maximaal 10 meter hoog; • het realiseren van maximaal 17 poelen • het planten van maximaal 16.500 bomen. De ophoging van de stortplaats heeft mogelijk effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie. Daarnaast dient onderzocht te worden of er sprake is van aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland en/of er beschermde soorten en houtopstanden in het gebied aanwezig zijn die mogelijk kunnen worden verstoord of vernietigd.
6.3.2
Beleidskader
Wet Natuurbescherming In Nederland is de bescherming van inheemse soorten planten en dieren geregeld in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). Deze wet bevat regels voor de bescherming van natuurgebieden, in het wild levende dier- en plantensoorten en houtopstanden in Nederland. Het uitgangspunt van de wet is de natuur te beschermen, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van biologische diversiteit zonder de lasten te verhogen. De Wet natuurbescherming schrijft voor dat nadelige gevolgen voor planten en dieren zoveel als redelijkerwijs mogelijk is voorkomen moet worden, ongeacht of deze beschermd zijn of niet. Op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn moeten Natura 2000−gebieden aangewezen worden om habitats en soorten van Europees belang te beschermen. Deze gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. Het is verboden om zonder vergunning een project te realiseren dat significante gevolgen kan hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van (de aangewezen habitattypen en -soorten van) een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2 Wnb) Op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn moeten Natura 2000−gebieden aangewezen worden om habitats en soorten van Europees belang te beschermen.
Deze gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. In totaal zijn er ruim 160 Natura 200-gebieden aangewezen. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor soorten en/of habitattypen. Per soort en/of habitattype is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is of dat uitbreiding dan wel verbetering nodig is. Het is verboden om zonder vergunning een project te realiseren dat significante gevolgen kan hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van (de aangewezen habitattypen en -soorten van) een Natura 2000-gebied. Soorten (hoofdstuk 3 Wnb) De Wnb-soortenbescherming kent drie beschermingsregimes: • Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb). Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. 15 mei 2023
CLICK TO ENTER "CDC2"
BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001
44
Projectgerelateerd
•
•
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (paragraaf 3.2 van de Wnb). Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, Bijlage I of II bij het Verdrag van Bern en Bijlage II bij het Verdrag van Bonn. Beschermingsregime andere soorten (paragraaf 3.3 van de Wnb). Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A en B van de Wnb.
Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen. Zo is het verboden om nesten van vogels te vernielen, of te beschadigen en is het verboden om soorten die vallen onder de Habitatrichtlijn te verstoren. De bepalingen in paragraaf 3.3 van de Wnb zien toe op de ‘nationale’ andere soorten die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Hiervoor geldt een kleiner aantal verbodsbepalingen. In beginsel moet met voorzorgsmaatregelen ervoor worden gezorgd dat de functionaliteit van het leefgebied niet wordt aangetast. Lukt dat niet en worden verbodsbepalingen overtreden, dan is een ontheffing nodig. Voor de ‘andere soorten’ van artikel 3.10 kunnen provincies en het ministerie van LNV een algemene vrijstelling van de ontheffingsplicht vaststellen middels een verordening. Houtopstanden (hoofdstuk 4 Wnb) Het is verboden om een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen zonder een melding te doen bij gedeputeerde staten. Indien een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld moet er herplanting plaatsvinden van de gevelde houtopstand. De provincie hebben regels opgesteld over de herplanting. Onder een houtopstand wordt verstaan: een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte grond beslaat van 10 are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen.
Er zijn een aantal uitzonderingen, zoals houtopstanden binnen de bebouwde kom, kweekbomen en populieren en wilgen als wegbeplanting. Natuurnetwerk Nederland Het ruimtelijk beleid voor het Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN), is gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied en het effectief functioneren van de ecologische verbindingszones. De bescherming van deze waarden vindt plaats conform de Provinciale Omgevingsverordeningen door toepassing van een specifiek afwegingskader: het “nee, tenzij”-regime. Nieuwe plannen en/of projecten niet zijn toegestaan als deze een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden. Hiervoor is goedkeuring (of een verklaring van geen bezwaar) van Gedeputeerde Staten (bevoegd gezag voor Natuurnetwerk Nederland) vereist. De wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland zijn gekoppeld aan de natuurdoelen voor een gebied. Deze inhoudelijke doelen zijn per provincie uitgewerkt in het Natuurbeheerplan (natuurtypen) en aanvullende provinciale documenten.
In Gelderland is het Natuurnetwerk Nederland opgebouwd uit het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszones.
6.3.3
Beoordelings- en onderzoeksmethodiek
Onderzocht wordt wat de effecten van de alternatieven zijn op onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland (NNN) en biodiversiteit.
15 mei 2023
CLICK TO ENTER "CDC2"
BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001
45
Projectgerelateerd
Natura 2000 Het plangebied is gelegen nabij drie Natura 2000-gebieden: de Rijntakken (deelgebied Uiterwaarden IJssel), Landgoederen Brummen en de Veluwe. De afstand tot deze gebieden bedraagt respectievelijk 4.700, 6.100 en 6.200 meter. Om inzichtelijk te maken welke gevolgen de beoogde wijziging heeft voor de emissie en depositie van stikstofverbindingen (NOx en NH3) hebben is met de meest recente AERIUS calculator een vergelijking gemaakt tussen de vergunde situatie en de beoogde situatie.
De berekening is uitgevoerd met de AERIUS Calculator door Oosterbaan Consultancy (april 2023). De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof. Deze Aerius berekeningen en een toelichting op de berekeningen zijn als bijlage beschikbaar bij dit rapport. Voor de beoordeling van stikstof is middels de meest recente AERIUS calculator een berekening uitgevoerd voor de vergunde, autonome situatie. Omdat voor de te beoordelen emissiebronnen stortgasmotoren, biogasmotoren, biofilters, verkeer en materieel geen wezenlijk verschil is tussen de 3 alternatieven is er slechts één berekening uitgevoerd. Door het uitvoeren van een Aerius berekening wordt aangetoond dat voor deze activiteiten geen nieuwe vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming hoeft te worden aangevraagd. Als gevolg van de nieuwe activiteiten neemt de depositie op de relevante natuurgebieden niet toe. In bijlage is een uitgebreid overzicht opgenomen van de gegevens die in de Aerius calculator zijn ingevoerd voor de berekening.
Gelders Natuurnetwerk GNN Uit het vooronderzoek uitgevoerd voor de NRD blijkt dat de afstand van Attero tot het Gelders Natuurnetwerk (hierna: GNN) dusdanig groot (ca. 825 meter) is dat negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden zijn uitgesloten. Daarom wordt in het MER dit niet nader onderzocht. Figuur 6-3 Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van de nabijgelegen NNN-gebieden (groen). (Bron: provincie Gelderland)
15 mei 2023
CLICK TO ENTER "CDC2"
BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001
46
Projectgerelateerd
Beschermde soorten De effecten van de alternatieven op beschermde soorten worden beoordeeld en waar nodig worden mitigerende maatregelen voorgesteld. Als basis voor de effectbeoordeling dient een bureauonderzoek met veldbezoek naar beschermde soorten in het plangebied. Op 30 mei 2022 is een veldbezoek uitgevoerd. Doel van het veldbezoek is om een indruk te krijgen van de aanwezige habitats en deze te beoordelen op hun geschiktheid voor beschermde dier- en plantensoorten. Ook is er gekeken naar (tekenen van aanwezigheid van) beschermde planten en dieren. Met betrekking tot zoogdieren is speciaal gelet op pootafdrukken, krabsporen, wissels, uitwerpselen, haren, graafsporen, holen, prooiresten en potentieel geschikte verblijfplaatsen. Vanwege het eenmalige karakter geeft het veldbezoek slechts een globaal beeld van de aanwezige soorten en habitats op basis van een momentopname. Het veldbezoek heeft daarmee nadrukkelijk niet de status van een volledige veldinventarisatie. Zowel het tijdstip (buiten het actieve dagdeel van diverse diergroepen als vleermuizen en uilen) als het eenmalige karakter is hiervoor niet toereikend. In het MER worden daarnaast de mogelijkheden voor versterking van de groene verbindingen en soortbescherming in beeld gebracht. Houtopstanden De houtopstanden worden in beeld gebracht op basis van luchtfoto’s en een veldbezoek.
Vervolgens vindt toetsing plaats die uitwijst of de vernietiging van houtopstanden als gevolg van het project aan de orde is en of hiervoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. De criteria waaraan het plan getoetst en beoordeeld gaat worden zijn: Tabel 6-10 Overzicht onderzoeksaspecten en beoordelingscriteria
Aspect
Criteria
Werkwijze
Natura 2000 gebieden
Effect op Natura 2000 gebieden inclusief stikstofdepositie
Kwantitatief
Beschermde soorten
Kwantitatief
Houtopstanden
Kwantitatief
Flora en Fauna
15 mei 2023
CLICK TO ENTER "CDC2"
BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001
47
Projectgerelateerd
6.3.4
Referentiesituatie
6.3.4.1 Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt nabij drie Natura 2000-gebieden, te weten: Rijntakken (deelgebied uiterwaarden IJssel), Landgoederen Brummen en de Veluwe. De afstand tot deze gebieden bedraagt respectievelijk 4.700, 6.100 en 6.200 meter. In navolgende figuur is de ligging van deze gebieden ten opzichte van het plangebied weergegeven.
Figuur 6-4 Figuur 6-4 Ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden (groen). (Bron: provincie Gelderland)
Rijntakken Het Natura 2000-gebied Rijntakken is op 23 april 2014 definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. Op 30 maart 2017 is een wijzigingsbesluit gepubliceerd waarin de begrenzing van het Natura 2000-gebied zijn aangepast. Het gebied omvat vier deelgebieden, waarvan het deelgebied Uiterwaarden IJssel de dichtstbijzijnde is. Het deelgebied Uiterwaarden IJssel om het systeem van de rivier de IJssel, de aanliggende oeverwallen en de uiterwaarden. De IJssel is een zijtak van de Rijn en loopt van Arnhem tot aan het IJsselmeer. Het landschap is ontstaan in een periode dat de rivier een veel groter deel van de waterafvoer verzorgde en de monding nog een echte delta was. De IJssel neemt in perioden van hoge afvoer 1/6 deel van de Rijnafvoer voor haar rekening. In perioden met lage afvoer wordt het water op peil gehouden door de stuw in de NederRijn. Gedurende het winterhalfjaar zijn grote delen van de uiterwaarden geïnundeerd. De overstromingsduur en -frequentie variëren sterk van jaar tot jaar. Er zijn grote verschillen in het buitendijkse gebied, verschillen in hoogteligging, afwisseling tussen smalle en brede delen en tussen dichte kleinschalige en grote open delen. 15 mei 2023
CLICK TO ENTER "CDC2"
BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001
48
Projectgerelateerd
Plaatselijk treedt grondwater uit en monden beken uit in het IJsseldal. Zandige kalkrijke oeverwallen en rivierduinen worden afgewisseld met kleiige, vlakke stroomdalen. Bij Arnhem en Dieren snijdt de rivier de stuwwal van de Veluwe aan. Tot aan Olst zijn in het verleden brede meanders (kronkelwaarden) gevormd. In het middendeel stroomt de rivier tussen relatief smalle, hoog gelegen uiterwaarden. Bij Zalk, in het benedendeel, krijgt de rivier een breder bed dat bij Kampen overgaat in een kleine delta. Dit jong gebied is gevormd na de Romeinse tijd en voor de afsluiting van het IJsselmeer. Tussen Dieren en Wijhe liggen veel landgoederen met daarbij behorende oude verkavelingspatronen, heggen en bossen. Het landschap van het noordelijkste deel is open en wordt gekenmerkt door grasland. Een aantal vrijwel onvergraven en reliëfrijke uiterwaarden zoals Cortenoever, Rammelwaard, Ravenswaard en Scherenwelle, vormt een kleinschalig oud cultuurlandschap met daarin stroomdalgraslanden, kievitsbloemhooilanden en glanshaverhooilanden. In reliëfrijke delen komt plaatselijk hardhoutooibos voor.
De IJssel verbindt een aantal natuurgebieden met elkaar: • de natuurgebieden langs de rivieren, in de Gelderse Poort en bovenstrooms langs de Rijn in het zuiden; • de laagveenmoerassen van Noordwest Overijssel in het noorden; • de Randmeren en het Ketelmeer met aansluiting op het IJsselmeer in het westen. Autonome ontwikkeling In het Natura 2000-beheerplan (Gelderland, 2018c) is het huidige faunabeheer voor niet-broedvogels, broedvogels en bever en vermesting benoemd als het belangrijkste knelpunt voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor het deelgebied Uiterwaarden IJssel. Er zijn in het beheerplan voorwaarden en maatregelen opgenomen die deze knelpunten moeten oplossen. De inschatting is dat op termijn de doelen hiermee gehaald worden. Landgoederen Brummen Het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen is op 23 mei 2013 definitief aangewezen en bestaat uit de deelgebieden Leusveld, Landgoed Voorstonden en de Empesche en Tondensche Heide. Deze terreinen op de overgang van de Veluwe naar het IJsseldal danken hun bijzondere ecologische kwaliteit aan kwelen bronwater. In het verleden is hier op uitgebreide schaal blauwgrasland aanwezig geweest.
Hoewel de grondwaterinvloed sterk is verminderd, heeft de bijzondere geologische gesteldheid, in combinatie met het gevoerde beheer, ervoor gezorgd dat schraalland- en veenrestanten nog steeds een refugium vormen voor elders verdwenen planten en dieren. Deze kunnen bij de geplande regionale herstelmaatregelen een uitbreiding van hun geschikte leefgebied tegemoet zien. Eén van de belangrijkste soorten hier is de kamsalamander, die op de hele reeks van landgoederen in de flanken van het IJsseldal een geschikt leefgebied vindt. Autonome ontwikkeling Het Natura 2000-beheerplan van Landgoederen Brummen is in januari 2016 definitief vastgesteld. De belangrijkste knelpunten in het Natura 2000-gebied zijn de waterhuishouding en de hoge stikstofdepositie. Door het treffen van maatregelen is de verwacht dat de waterhuishouding van het gebied op orde gebracht kan worden. Naar verwachting zal de verbetering van de waterhuishouding tevens het effect van de stikstofdepositie op gebied, belangrijk kunnen terugdringen. Veluwe Het Natura 2000-gebied Veluwe is op 11 juni 2014 definitief aangewezen en bestaat uit zowel Vogel- als Habitatrichtlijngebieden. De Veluwe bestaat overwegend uit droge bossen, droge en natte heide, vennen en stuifzanden.
In de voorlaatste ijstijd, zo'n 150.000 jaar geleden, duwden de ijslobben van het landijs enorme hoeveelheden door de rivieren aangevoerd zand en grond voor zich uit en opzij en vormden zo de stuwwallen. Hoewel de hoogteverschillen sindsdien door wind en water zijn afgevlakt, reiken de hoogste delen van de Veluwe tot ruim 100 m boven NAP. Tot 1900 was de Noord-Veluwe één uitgestrekt stuifzandgebied. Tegenwoordig is er in totaal nog 1.400 hectare stuifzand op de Veluwe. Plaatselijk komen in de heiden natte of droge heischrale graslanden, jeneverbesstruwelen, vennen, natte heide en 15 mei 2023
CLICK TO ENTER "CDC2"
BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001
49
Projectgerelateerd
hoogveenkernen voor. In het beekdal van de Hierdense en Staverdense Beek worden schraallanden aangetroffen. Langs de randen van de Veluwe ontspringen de (sprengen)beken, waar beekvegetaties en zeer plaatselijk bronbossen voorkomen. Autonome ontwikkeling Het Natura 2000-beheerplan van de Veluwe is in januari 2018 definitief vastgesteld. De PASgebiedsanalyse en de hierin opgenomen maatregelen zijn hier een belangrijk onderdeel van. De belangrijkste knelpunten in het Natura 2000-gebied zijn onzorgvuldig beheer, stikstofdepositie, verstoring, verdroging, vervuiling en ruimtelijke samenhang. Door het treffen van de beheer-, herstel- en inrichtingsmaatregelen wordt gewerkt aan het behalen van de instandhoudingsdoelen.
6.3.4.2 Beschermde soorten Op 30 mei 2022 is een veldbezoek uitgevoerd binnen het plangebied waarin zoveel mogelijk concrete informatie is verzameld met betrekking tot de aan- en afwezigheid van beschermde soorten. Op basis van terreinkenmerken en expert judgement is beoordeeld of het terrein geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. Aanvullend op het veldbezoek heeft bronnenonderzoek plaatsgevonden. Voor een actueel overzicht van beschermde soorten die in de regio voorkomen zijn online beschikbare bronnen geraadpleegd, waaronder de NDFF (geraadpleegd op 23 juni 2022, over een periode van 10 jaar). Op basis van bovenstaande gegevens, aangevuld met recente informatie uit het NDFF, blijkt dat binnen het plangebied waarnemingen bekend zijn van algemene broedvogelsoorten, foeragerende vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (ooievaar, roek, buizerd, torenvalk en rode wouw), bunzing, steenmarter en gewone dwergvleermuis. De aanwezigheid van diverse andere vleermuissoorten als laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis binnen het plangebied kan niet worden uitgesloten. In de omgeving van de locatie zijn daarnaast waarnemingen bekend (NDFF) van diverse beschermde soorten, zie ook onderstaande tabel. Deze zijn hieronder, samen met de waargenomen soorten binnen het plangebied, beschreven. Tabel 6-11 Overzicht mogelijk voorkomende beschermde soorten
Soortgroep
Mogelijk voorkomende beschermde soorten
Vleermuizen
Gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laagvlieger en rosse vleermuis
Grondgebonden zoogdieren
Boommarter, bunzing, das, eekhoorn, steenmarter, wolf
Reptielen
Levendbarende hagedis
Amfibieën
Poelkikker
Dagvlinders
Grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder
Vleermuizen Het plangebied is van belang voor foeragerende vleermuizen (gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis). De verschillen in terreinhoogte zorgen voor luwe delen terwijl de kruidenrijke vegetatie op de afgewerkte delen van de stortplaats insecten aantrekt. Deze combinatie van factoren zorgt ervoor dat er vrijwel altijd windluwe delen binnen het plangebied aanwezig zijn waar vleermuizen kunnen foerageren. Daarnaast kunnen de bomen en watergangen rondom het plangebied fungeren als vaste vliegroute voor vleermuizen. Het is ten slotte mogelijk dat gebouw
15 mei 2023
CLICK TO ENTER "CDC2"
BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001
50
Projectgerelateerd
bewonende vleermuissoorten (zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis) een verblijfplaats hebben in de bedrijfsgebouwen. Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn waarnemingen bekend van de bunzing (NDFF). Daarnaast zijn tijdens een eerder flora- en faunaonderzoek uitwerpselen van een steenmarter aangetroffen nabij een vroegere boerderij in de omgeving van het plangebied (pers. comm. M. de Boer). Beide soorten kunnen van het plangebied gebruik maken als foerageergebied. De steenmarter kan daarnaast een verblijfplaats hebben in één van de bedrijfsgebouwen. In de omgeving zijn daarnaast waarnemingen gedaan van boommarter, das, eekhoorn en wolf. Voor deze laatste soorten geldt dat aanwezigheid binnen het plangebied wordt uitgesloten. Er zijn geen voor boommarters of eekhoorn geschikte bomen op het terrein aanwezig. Ook zijn er geen (graaf)sporen van de das waargenomen. Voor de wolf geldt dat binnen het plangebied geen geschikt leefgebied aanwezig is; het ontbreekt aan dekking, rust en voldoende prooidieren. Bovendien is het terrein voorzien van een degelijk hek, waardoor de wolf moeilijk tot geen toegang tot het gebied heeft. Voor de genoemde soorten zal in de toekomst ook niet snel geschikt leefgebied ontstaan.
De ontwikkelingstijd van geschikte nest- en foerageerbomen is groot, waardoor het plangebied niet snel geschikt zal zijn voor eekhoorn en boommarter. De leeflaag kent een dikte van ca. 100 cm en is daarmee ongeschikt voor de das om zijn burcht in uit te graven. Vogels Binnen het plangebied zijn meerdere algemene broedvogelsoorten aanwezig. Het afgewerkte deel van de stortplaats kent een verruigd karakter. Er is een groot aantal distels en andere ruigtekruiden aanwezig. Dit vormt geschikt foerageergebied voor soorten als putter en kneu. Het plangebied biedt voor deze soorten ook geschikte broedmogelijkheden, bijvoorbeeld in de vorm van het bosje in het noordwestelijk deel van het plangebied. Naast deze struweelbroedende soorten komen er ook meerdere grondbroeders voor op het terrein, zoals kleine plevier, scholekster, kievit en witte kwikstaart. De kale en begraasde delen vormen voor deze soorten geschikt foerageer- en broedbiotoop. Naast de algemene broedvogelsoorten komen er ook meerdere soorten met jaarrond beschermde nesten voor. Voor deze soorten (ooievaar, roek, buizerd, torenvalk, rode wouw) biedt de stortplaats zonder uitzondering geschikt foerageerbiotoop. Als broedbiotoop lijkt de stortplaats ongeschikt vanwege het ontbreken van geschikte nestgelegenheid (grote bomen) en/of rust.
Het gebied blijft in de toekomst geschikt als foerageergebied vanwege de aanwezigheid van insecten, kleine grondgebonden zoogdieren en wellicht diverse algemene amfibiesoorten als bruine kikker en gewone pad. Reptielen In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van de levendbarende hagedis (NDFF). De soort leeft bij voorkeur op vochtige heide, heide met vennen, in structuurrijke weg- en spoorbermen en ruigten. Het is een soort die kan voorkomen in gebieden met een relatief hoge verstoringsgraad (www.ravon.nl). Het is niet uit te sluiten dat de levendbarende hagedis in de toekomst het plangebied koloniseert, wanneer er grote oppervlakten aan ruigten ontstaan na het afdekken van de stortplaats met een leeflaag. Mogelijk komt de soort ook nu al voor, aan de randen van de stortplaats. Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van de poelkikker bekend (NDFF). De poelkikker is een zon- en warmte minnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde wateren. De oeverzone moet bij voorkeur goed begroeid zijn. Het water is vaak vrij omvangrijk of maakt deel uit van een groter complex van wateren. Het is een kritische soort, die houdt van voedselarm, schoon water. De poelkikker heeft een 15 mei 2023
CLICK TO ENTER "CDC2"
BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001
51
Projectgerelateerd
voorkeur voor zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. De soort komt voor in vennen, poelen en watergangen in hoogveengebieden, en in uiterwaarden. Poelkikkers overwinteren meestal op het land en niet in het water (www.ravon.nl). Binnen het plangebied is een waterplas aanwezig. De plas heeft een kaal en open karakter. Water- en oevervegetatie ontbreekt. De plas wordt gevoed door regenwater, dat blijft staan vanwege de aangebrachte (waterdichte) folie over de stortplaats alvorens deze wordt afgewerkt met een leeflaag. Hierdoor is lokaal een waterdichte laagte ontstaan waar regenwater in bleef staan. Vanwege het ontbreken van water- en oevervegetatie wordt het voorkomen van de poelkikker uitgesloten. Gezien de geïsoleerde ligging van de plas (op hoogte) en de aard van het plangebied zal de plas ook niet snel gekoloniseerd worden door de poelkikker. Dagvlinders In de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van de grote weerschijnvlinder en de kleine ijsvogelvlinder. De grote weerschijnvlinder wordt aangetroffen in oudere, vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of groepen samenhangende bosjes in beekdalen. De soort heeft als waardplant vooral boswilg en soms grauwe wilg. Binnen hun habitat worden ze vooral waargenomen op open plaatsen, bij bosranden, bospaden of daar waar beekjes het bos doorsnijden.
Op vliegplaatsen groeien wilgen op beschutte plaatsen in de halfschaduw en staan enkele grotere, markante bomen (www.vlinderstichting.nl). Binnen het plangebied is dergelijk habitat niet aanwezig, waardoor de aanwezigheid van de grote weerschijnvlinder is uitgesloten. De kleine ijsvogelvlinder wordt gevonden in gevarieerde, vochtige gemengde loofbossen zoals elzenbroekbossen. De soort heeft als waardplant de wilde kamperfoelie. Deze plant groeit doorgaans in de halfschaduw. De vlinder vliegt in de halfschaduw op open plekken, bredere bospaden en langs bosranden (www.vlinderstichting.nl). Binnen het plangebied is geen geschikt habitat aanwezig. De aanwezigheid van de kleine ijsvogelvlinder wordt uitgesloten. Gezien de aard van het plangebied zullen beide soorten ook niet in de nabije toekomst in het plangebied voorkomen. Het vereiste habitat zal niet snel ontstaan binnen het plangebied.
6.3.4.3 Houtopstanden Op 30 mei 2022 is een veldbezoek uitgevoerd binnen het plangebied. Uit het veldbezoek is gebleken dat er geen bomen aanwezig zijn binnen het plangebied. Wel is in de noordwestelijke hoek van de stortplaats een groep heesters aanwezig van ca. drie tot vier meter hoog. Dit betreft de enige houtige opgaande beplanting op de stortplaats. De Wnb verstaat onder houtopstanden een ‘zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend’ op een grondgebied van minimaal 10 are (1.000 m 2), of van minimaal 20 bomen wanneer het een rijbeplanting betreft. De op het terrein aanwezige groep heesters bevindt zich buiten de bebouwde kom en kent een oppervlakte van ca. 2.000 m2 en valt daarmee onder de definitie van houtopstanden zoals bedoeld in de Wnb.
15 mei 2023
CLICK TO ENTER "CDC2"
BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001
52
Projectgerelateerd
6.3.5
Effectbeoordeling
6.3.5.1 Natura 2000-gebieden Effectbeoordeling alternatief 1: pannenkoekmodel Gezien de grote afstand (> 4 km) van het plangebied tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden is geen sprake van ruimtebeslag, barrièrewerking of versnippering. Verzoeting, verzilting of veranderingen in het grondwaterpeil kunnen ook worden uitgesloten. Verontreiniging kan worden uitgesloten doordat de inrichting moet voldoen aan de Richtlijn Industriële Emissies (RIE). Daarnaast worden vrijkomende (afval)waterstromen gescheiden opgeslagen en via een verzamelleiding afgevoerd naar de afvalwatersilo voor afvoer naar de RWZI Terwolde en voor een deel per as naar een derde die het zuivert. Het vergroten van het stortvolume heeft geen effecten op de grondwaterstanden of nabijgelegen rivieren en beken, waardoor negatieve effecten als gevolg van verdroging, vernatting, verandering van de stroomsnelheid, verandering van de overstromingsfrequenties en verandering van de dynamiek van het substraat kunnen worden uitgesloten. Negatieve effecten als gevolg van storende factoren kunnen vanwege de afstand van de inrichting tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, de aanwezigheid van tussenliggende storende elementen zoals de bebouwde kom van Wilp en Apeldoorn en diverse snel- en provinciale wegen, worden uitgesloten. Ook worden geen soorten geïntroduceerd.
Enkel negatieve effecten als gevolg van vermesting en verzuring (als gevolg van stikstofdepositie) kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Stikstof In 2015 (nog voor de inwerkingtreding van de PAS) is een Natuurbeschermingswetvergunning aangevraagd en verkregen voor een lagere uitstoot dan de vergunde rechten ten tijde van de aanwijzing van de Vogelen Habitatrichtlijngebieden. Voor de uitgebreide toelichting op de invoer van de stikstofberekeningen door Oosterbaan Consultancy (2023) en bijlagen van het AERIUS model wordt verwezen naar de bijlagen. Voor de exploitatie van de stortplaats (de realisatie van de) de tunnelcompostering en aanleg van mitigerende maatregelen zijn machines en transport noodzakelijk. Deze vormen de bronnen op basis waarvan de stikstofberekeningen zijn gemaakt. Voor de invoer van het model is voor de vergunde en beoogde situaties gekeken naar: • •
•
Stortgasmotoren, biogasmotoren en biofilters Verkeer en materieel o Vrachtverkeer intern o Vrachtverkeer openbare weg o Licht verkeer openbare weg Mobiele werktuigen
Daarnaast is voor de beoogde situatie rekening gehouden met: • Vrachtverkeer openbare weg ten behoeve van tunnelcompostering • Aanleg tunnelcompostering • Mitigerende maatregelen o Aanleggen twee grondwallen langs de A1 o Poelen graven o Bomen planten
Resultaat 15 mei 2023
CLICK TO ENTER "CDC2"
BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001
53
Projectgerelateerd
Op basis van berekeningen met de AERIUS calculator van 16 april 2023 (kenmerk RhExZximnymh), met bijbehorende bijlage met betrekking tot de mogelijk randeffecten, blijkt dat de depositie als gevolg van het voornemen toeneemt op een klein aantal hexagonen, wanneer de hexagonen met een mogelijk randeffect worden meegenomen. Deze toename wordt berekend binnen Natura 2000-gebieden Boetelerveld en Veluwe. Wanneer de hexagonen met een mogelijk randeffect buiten beschouwing worden gelaten is er geen toenamen van depositie. Er is een afname van depositie op bijna alle hexagonen, die te verklaren is door een forse jaarlijkse reductie van 11,5 ton/j NOx emissie. Daar staat een geringe toename van ammoniak emissie tegenover van 51,3 kg. Aan de hand van de berekening met de AERIUS calculator kan dan ook de conclusie worden getrokken dat er op geen van de hexagonen een toename is van depositie. Om te toetsen of er daadwerkelijk sprake is van een randeffect zijn aanvullende berekeningen uitgevoerd, waarbij onder andere is gekeken wat er gebeurt wanneer het betreffende hexagon met toename wordt uitgeschakeld. Uit die berekening blijkt dat de activiteiten van aanleg (landschapsverbetering) en bouw (tunnelcompostering) naast de reguliere vergunde activiteiten op geen enkel jaar tot een depositie die groter is dan de onherroepelijk vergunde stikstof depositie.
De continuering van de werkzaamheden leidt volgens het onderzoek dan ook niet tot (significant) negatieve effecten op aangewezen instandhoudingsdoelstellingen van omringende Natura 2000-gebieden. In twee uitspraken (ECLI:NL: RVS: 2021:71 en ECLI:NL: RVS: 2021:175) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigd dat er geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (“Wnb”) nodig is als met succes het principe van intern salderen wordt toegepast. Bij intern salderen wordt, bij een wijziging of uitbreiding van een bestaande activiteit, verzekerd dat de wijziging of uitbreiding inclusief de bestaande activiteit geen grotere of andere effecten op Natura 2000-gebieden veroorzaakt dan is toegestaan op grond van een vergunning voor een bestaande activiteit. Verondersteld wordt dat daarmee voldoende onderbouwd is dat het aanvragen van een nieuwe vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet nodig is gezien de beoogde activiteiten van Attero Wilp.
Effectbeoordeling alternatief 2: Gezicht vorm 1 Voor alternatief 2 geldt dat deze zich niet wezenlijk onderscheid van de referentiesituatie en alternatief 1. De effecten zijn gelijk doordat dit alternatief dezelfde maximale stortcapaciteit en bijbehorende effecten kent. Enkel de uiteindelijke afwerking van de stortplaats, en daarmee het uiteindelijke uiterlijk van de stortplaats, verschilt. Het verschil in afwerking leidt echter niet tot effecten op omringende Natura 2000-gebieden. Effectbeoordeling alternatief 3: Gezicht vorm 2 Voor alternatief 3 geldt dat deze zich, vanwege dezelfde redenen als alternatief 2, niet wezenlijk onderscheid van de referentiesituatie en alternatief 1. Tabel 6-12 Beoordeling criterium Natura 2000
Beoordeling Natura 2000 en stikstofdepositie
Alternatief Alternatief 1 Pannenkoekmodel
0
Alternatief 2 Gezicht vorm 1
0
Alternatief 3: Gezicht vorm 2
0
6.3.5.2 Beschermde soorten Onderstaande effectbeschrijving is gebaseerd op de bureaustudie en het uitgevoerde veldbezoek. 15 mei 2023
CLICK TO ENTER "CDC2"
BH5225-RHD-XX-XX-RP-X-0001
54
Projectgerelateerd
Effectbeoordeling alternatief 1: Pannenkoekmodel Vleermuizen Op de stortinrichting bevinden zich gebouwen waarin zich verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuissoorten kunnen bevinden. Het betreft dan met name de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Het vergroten van het stortvolume heeft geen effect op de aanwezige bebouwing. Deze blijven in de toekomstige situatie behouden. Hierdoor zijn negatieve effecten op verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuissoorten op voorhand uit te sluiten. Het terrein fungeert daarnaast ook als foerageergebied voor diverse vleermuissoorten. Het vergroten van het stortvolume heeft echter geen effecten op de geschiktheid van het terrein als foerageergebied. Ook in de toekomstige situatie kan het terrein blijven fungeren als foerageergebied. Ten slotte zijn er rondom de stortplaats mogelijk vaste vliegroutes aanwezig in de vorm van de watergangen en bomenrijen. Vleermuizen maken gebruik van dergelijke lijnvormige elementen als geleiding. Het vergroten van het stortvolume leidt niet tot het verlies van één of meerdere van deze lijnvormige elementen. In de toekomstige situatie komen er mogelijk juist meer lijnvormige elementen bij doordat de mogelijkheden worden onderzocht om bomen aan te planten ten behoeve van het terugdringen van het fijnstofgehalte afkomstig vanaf de A1.
Doordat deze aanplant echter nog geen definitief onderdeel uitmaakt van het MER, wordt dit aspect niet meegenomen in de beoordeling. Samengevat leidt de voorgenomen vergroting van het stortvolume niet tot negatieve effecten op vleermuizen. Aantasting van de staat van instandhouding van de diverse vleermuissoorten wordt uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Op het terrein komen de bunzing en steenmarter voor. Beide soorten kunnen van het plangebied gebruik maken als foerageergebied. De steenmarter kan daarnaast een verblijfplaats hebben in één van de bedrijfsgebouwen. Het vergroten van het stortvolume heeft geen effecten op de geschiktheid van het gebied als foerageergebied. Ook in de toekomst blijft het terrein kleine zoogdieren als muizen en spitsmuizen aantrekken. Het vergroten van het stortvolume heeft daarnaast geen effecten op de aanwezige bedrijfsgebouwen, deze blijven behouden. Hierdoor gaat een eventueel aanwezige verblijfplaats van de steenmarter niet verloren. Het vergroten van het stortvolume leidt dan ook niet tot negatieve effecten op de bunzing en de steenmarter. Aantasting van de staat van instandhouding van beide soorten wordt uitgesloten. Vogels Op de stortplaats kunnen diverse algemene vogelsoorten tot broeden komen. Ook vormt de stortplaats foerageerbiotoop voor algemene broedvogelsoorten en vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten.
Met een vergroting van het stortvolume wordt mogelijk een deel van de stortplaats die nu reeds is afgedekt, weer in gebruik genomen. Dit leidt tot een tijdelijke vermindering van oppervlakte aan geschikt broed- en foerageerbiotoop. Na het bereiken van het maximale stortvolume wordt de stortplaats voorzien van folie en een leeflaag van circa 1 meter dikte. Hierop ontwikkelt zich op korte termijn weer een kruidige vegetatie, waardoor het gebied daarna weer volledig kan fungeren als broed- en foerageerbiotoop. In de tussenliggende periode is in de directe omgeving voldoen het alternatief broed- en foerageerbiotoop aanwezig, waardoor de continuering van de stortwerkzaamheden niet leidt tot negatieve effecten op algemene broedvogelsoorten of vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. Aantasting van de staat van instandhouding van de diverse aanwezige vogelsoorten wordt uitgesloten. Reptielen