CConstaterende datvoorschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Terugkoppeling toezegging raadsvoorstel Riool- en waterzorgheffing (incl. bijlagen - 3 modellen).pdf

Gemeenteraad Voorschoten 8 december 2022, gemeente voorschotenBij agendapunt: Riool- en waterzorgheffing (n.a.v. motie 216)5.946 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Terugkoppeling toezegging raadsvoorstel Riool- en waterzorgheffing (n.a.v. motie 216) Naar aanleiding van de behandeling van het raadsvoorstel riool- en waterzorgheffing (n.a.v. motie 216) in de commissie Burger & Bestuur van 1 december heeft wethouder Van der Elst de toezegging gedaan schriftelijk toe te lichten in hoeverre het voorstel overeenkomt met het VNGmodel. De VNG heeft modellen van drie varianten. Model 1 betreft de voorgestelde variant (bijlage). Toelichting op de verschillen: Het nieuwe VNG-model samen met de geldende verordening zijn de uitgangspunten voor de opzet voor een verordening op riool en waterzorgheffing. Hierbij is de gedachte dat eenieder profijt heeft van de brede zorgtaken en het vereiste van een directe of indirecte aansluiting losgelaten is. Artikelsgewijs: Artikel 1 Definities Betreft definities zoals ook opgenomen zijn in de geldende verordening. Artikel 2 Aard van de belasting De gemeente heeft de vrijheid om te heffen van eigenaren, gebruikers of eigenaren en gebruikers. Het VNG-model geeft deze mogelijkheden. Om in lijn te blijven met de geldende verordening is gekozen voor een gebruikersheffing. Het daarop van toepassing zijnde is overgenomen uit het VNG-model en komt overeen met de huidige verordening.

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht Gelijk aan de tekst VNG model en de geldende verordening Artikel 4 Voorwerp van belasting Gelijk aan de tekst VNG model en de geldende verordening Artikel 5 Maatstaf van heffing Het VNG model geeft een tweetal varianten. Gekozen is voor variant 2 (bijlage). Variant 2 geeft de mogelijkheid tot differentiatie van tarief voor percelen met en zonder een drinkwateraansluiting. Artikel 6 Belastingtarieven In lijn met de keuzen onder artikel 5 is bij dit artikel ook gekozen voor variant 2. De tariefstelling komt overeen met de huidige regeling. Percelen die nu afvalwater lozen op het rioolstelsel vallen onder het hoge tarief en percelen die nu ander water dan afvalwater (hemelwater) afvoeren vallen onder het lage tarief. De percelen die over een drinkwateraansluiting beschikken, vallen in het voorstel onder het hoge tarief. Dit zijn ook de percelen die afvalwater afvoeren. Veelal zijn percelen waar geen drinkwateraansluiting is ook de percelen waarvan uitsluitend hemelwater afgevoerd wordt. De voorgestelde tariefstelling komt hiermee grotendeels overeen met de huidige tariefstelling.

Artikel 7 Belastingjaar Gelijk aan de tekst VNG model en de geldende verordening Artikel 8 Wijze van heffing Gelijk aan de tekst VNG model en de geldende verordening Artikel 9 Ontstaan van belastingschuld en heffing naar tijdsgelang Gelijk aan de tekst VNG model en de geldende verordening Artikel 10 Termijnen van betaling Hierbij dient de gemeente keuzes te maken. Aangesloten is bij de gemaakte keuzes zoals geldend. Artikel 11, 12 en 13 betreffen standaard artikel in verband met overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel.

Model 1. - Verordening Riool- en Waterzorgheffing – vast bedrag (Laatst gewijzigd: 01-01-2022) (Geconsolideerde versie, geldig vanaf: 01-01-2022) Leeswijzer modelbepalingen - […] of [iets] = door gemeente in te vullen. Zie bijvoorbeeld artikel 6 (belastingtarieven). - [iets] = facultatief. Zie bijvoorbeeld artikel 10, tweede lid. - [(iets)] = een voorbeeld ter illustratie of uitleg voor gemeente. Zie bijvoorbeeld artikel 12, eerste lid. - [iets OF iets] = door gemeente te kiezen. Zie bijvoorbeeld artikel 10, tweede lid. - Ook wordt gewerkt met varianten waaruit gekozen kan worden. Zie bijvoorbeeld artikel 5. - Combinaties zijn ook mogelijk. Zie bijvoorbeeld de verschillende varianten in artikel 6, waarbij het tarief door de gemeente moet worden ingevuld.

Model voor een heffing naar een vast bedrag Besluit van de raad van de gemeente [gemeentenaam] tot vaststelling van de Verordening op de heffing en de invordering van Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal] (Verordening Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal]); De raad van de gemeente [gemeentenaam] gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van [datum en eventueel nummer]; gelet op artikel 228a van de Gemeentewet; gezien het advies van […]; besluit vast te stellen de volgende verordening:

Verordening op de heffing en de invordering van Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal] (Verordening Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal]) Artikel 1. Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 2. Belastbaar feit en belastingplicht 1. De belasting wordt geheven van: a. de persoon die bij het begin van het belastingjaar van een perceel het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarendeel; en

b. de persoon die een perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersdeel. 2. Voor het eigenarendeel wordt, als het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt de persoon die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat deze persoon op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. 3. Voor het gebruikersdeel wordt: a. gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden; b. gebruik door een persoon aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door de persoon die dat deel in gebruik heeft gegeven; c. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door de persoon die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.

Artikel 3. Voorwerp van de belasting 1. Voorwerp van de belasting is een perceel. 2. Als perceel wordt aangemerkt: a. de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken; b. de roerende zaak, die duurzaam aan een plaats is gebonden; c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; d. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; e. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.

Artikel 4. Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven van een perceel dat uitsluitend bestaat uit: a. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; b. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen; c. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen; d. […].

Artikel 5. Maatstaf van heffing Variant 1 De belasting wordt geheven naar een vast bedrag per perceel voor het eigenarendeel en het gebruikersdeel. Variant 2 De belasting wordt geheven naar een vast bedrag per perceel en het hebben van een drinkwateraansluiting

Artikel 6. Belastingtarieven Variant 1 (hoort bij artikel 5, variant 1)

1. Het tarief van het eigenarendeel bedraagt: 2. Het tarief van het gebruikersdeel bedraagt:

€ […]. € […].

Variant 2 (hoort bij artikel 5, variant 2) 1. Het tarief van het eigenarendeel bedraagt voor: a. een perceel zonder drinkwateraansluiting: b. een perceel met drinkwateraansluiting: 2. Het tarief van het gebruikersdeel bedraagt voor: a. een perceel zonder drinkwateraansluiting: b. een perceel met drinkwateraansluiting:

€ […]; € […]. € […]; € […].

Artikel 7. Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8. Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 9. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of voor het gebruikersdeel, als dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht voor het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht voor het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € [...]. 4. Belastingbedragen van minder dan € [...] worden niet geheven. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen rioolheffing of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.

Artikel 10. Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald [… (bijvoorbeeld in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later)]. [2. In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, [in geval het totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar een aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan [… (bijvoorbeeld € 100,-)], doch minder is dan [… (bijvoorbeeld € 1.500,-)], en] zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in [… (bijvoorbeeld tien)] gelijke termijnen OF zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het [belastingjaar OF kalenderjaar] waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, maar het aantal termijnen bedraagt ten minste [… (bijvoorbeeld drie)] en ten hoogste [… (bijvoorbeeld tien)]]. De eerste termijn vervalt [… (bijvoorbeeld op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld)] en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.] [3].

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in [het eerste lid OF voorgaande leden] gestelde termijnen.

Artikel 11. Overgangsrecht De [citeertitel oude verordening] van [datum], voor het laatst gewijzigd bij raadsbesluit van [datum], wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 12, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, maar zij blijft van toepassing op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 12. Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de [… (bijvoorbeeld achtste)] dag na die van de bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari [jaartal].

Artikel 13. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal]. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van [datum]. De voorzitter, De griffier,

Model 2. - Verordening Riool- en Waterzorgheffing – waarde (Laatst gewijzigd: 01-01-2022) (Geconsolideerde versie, geldig vanaf: 01-01-2022) Leeswijzer modelbepalingen - […] of [iets] = door gemeente in te vullen. Zie bijvoorbeeld artikel 6 (belastingtarieven). - [iets] = facultatief. Zie bijvoorbeeld artikel 10, tweede lid. - [(iets)] = een voorbeeld ter illustratie of uitleg voor gemeente. Zie bijvoorbeeld artikel 12, eerste lid. - [iets OF iets] = door gemeente te kiezen. Zie bijvoorbeeld artikel 10, tweede lid. - Ook wordt gewerkt met varianten waaruit gekozen kan worden. Zie bijvoorbeeld artikel 6. - Combinaties zijn ook mogelijk. Zie bijvoorbeeld de verschillende varianten in artikel 6, waarbij het tarief door de gemeente moet worden ingevuld.

Model voor een heffing naar de waarde in het economisch verkeer Besluit van de raad van de gemeente [gemeentenaam] tot vaststelling van de Verordening op de heffing en de invordering van Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal] (Verordening Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal]); De raad van de gemeente [gemeentenaam] gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van [datum en eventueel nummer]; gelet op artikel 228a van de Gemeentewet; gezien het advies van […]; besluit vast te stellen de volgende verordening:

Verordening op de heffing en de invordering van Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal] (Verordening Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal]) Artikel 1. Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 2. Belastbaar feit en belastingplicht 1. De belasting wordt geheven van:

a. de persoon die bij het begin van het belastingjaar van een perceel het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarendeel; en b. de persoon die een perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersdeel. 2. Voor het eigenarendeel wordt, als het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt de persoon die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat deze persoon op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. 3. Voor het gebruikersdeel wordt: a. gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden; b. gebruik door een persoon aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door de persoon die dat deel in gebruik heeft gegeven; c. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door de persoon die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.

Artikel 3. Voorwerp van de belasting 1. Voorwerp van de belasting is een perceel. 2. Als perceel wordt aangemerkt: a. de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken; b. de roerende zaak, die duurzaam aan een plaats is gebonden; c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; d. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; e. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.

Artikel 4. Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven van een perceel dat uitsluitend bestaat uit: a. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; b. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen; c. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen; d. […].

Artikel 5. Maatstaf van heffing 1. De belasting wordt geheven naar de waarde in het economische verkeer van het perceel. 2. Als het perceel een onroerende zaak is, is de waarde in het economische verkeer de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde zoals deze voor het in artikel 7 bedoelde belastingjaar geldt. 3. Als voor het perceel geen waarde op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld, wordt de heffingsmaatstaf van dat perceel bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.

4. In afwijking van de voorgaande leden wordt de belasting geheven naar een vast bedrag als de waarde van het perceel geheel buiten aanmerking is gelaten op grond van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken.

Artikel 6. Belastingtarieven Variant 1 waarde in het economische verkeer en vast bedrag voor ‘geen waarde’-percelen 1. Voor de toepassing van dit artikel dient een perceel in hoofdzaak tot woning als de heffingsmaatstaf voor dat perceel in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. 2. Het tarief van het eigenarendeel voor een perceel bedoeld in artikel 5, eerste lid, bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. een perceel dat in hoofdzaak tot woning dient: b. een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient: maar per perceel bedraagt het eigenarendeel niet meer dan: 3 Het tarief van het eigenarendeel voor een perceel bedoeld in artikel 5, vierde lid, bedraagt 4. Het tarief van het gebruikersdeel voor een perceel bedoeld in artikel 5, eerste lid, bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. een perceel dat in hoofdzaak tot woning dient: b. een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient: maar per perceel bedraagt het gebruikersdeel niet meer dan: 5. Het tarief van het gebruikersdeel voor een perceel bedoeld in artikel 5, vierde lid, bedraagt: Variant 2 Waardeklassen met % van de waarde 1.

Voor de toepassing van dit artikel dient een perceel in hoofdzaak tot woning als de heffingsmaatstaf voor dat perceel in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. 2. Het tarief van het eigenarendeel voor een perceel bedoeld in artikel 5, eerste lid, bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. een perceel dat in hoofdzaak tot woning dient met een waarde tot € […]: b. een perceel dat in hoofdzaak tot woning dient met een waarde van € […] of meer: c. een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient met een waarde tot € […]: d. een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient met een waarde van € […] of meer: maar per perceel bedraagt het eigenarendeel niet meer dan: 3. Het tarief van het eigenarendeel voor een perceel bedoeld in artikel 5, vierde lid, bedraagt: 4. Het tarief van het gebruikersdeel voor een perceel bedoeld in artikel 5, eerste lid, bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. een perceel dat in hoofdzaak tot woning dient met een waarde tot € […]: b. een perceel dat in hoofdzaak tot woning dient met een waarde van € […] of meer: c. een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient met een waarde tot € […]: d.

een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient met een waarde van € […] of meer: maar per perceel bedraagt het gebruikersdeel niet meer dan: 5. Het tarief van het gebruikersdeel voor een perceel bedoeld in artikel 5, vierde lid, bedraagt: Variant 3 Waardeklassen met vaste bedragen 1. Voor de toepassing van dit artikel dient een perceel in hoofdzaak tot woning als de heffingsmaatstaf voor dat perceel in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

[…]%; […]%, € […]. € […].

[…]%; […]%, € […]. € […].

[…]%; […]%, […]%; […]%, € […]. € […].

[…]%; […]%, […]%; […]%, € […]. € […].

2.

Het tarief van het eigenarendeel voor een perceel bedoeld in artikel 5, eerste lid, bedraagt voor: a. een perceel dat in hoofdzaak tot woning dient met een waarde tot € […]: b. een perceel dat in hoofdzaak tot woning dient met een waarde van € […] tot € […]: c. een perceel dat in hoofdzaak tot woning dient met een waarde van € […] of meer: d. een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient met een waarde tot € […]: e. een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient met een waarde van € […] tot € […]: f. een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient met een waarde van € […] of meer: 3. Het tarief van het eigenarendeel voor een perceel bedoeld in artikel 5, vierde lid, bedraagt: 4. Het tarief van het gebruikersdeel voor een perceel bedoeld in artikel 5, eerste lid, bedraagt voor: a. een perceel dat in hoofdzaak tot woning dient met een waarde tot € […]: b. een perceel dat in hoofdzaak tot woning dient met een waarde van € […] tot € […]: c. een perceel dat in hoofdzaak tot woning dient met een waarde van € […] of meer: d. een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient met een waarde tot €[ …]: e. een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient met een waarde van € […] tot € […]: f. een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient met een waarde van €[ …] of meer: 5. Het tarief van het gebruikersdeel voor een perceel bedoeld in artikel 5, vierde lid, bedraagt:

Artikel 7. Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8. Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 9. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of voor het gebruikersdeel, als dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht voor het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht voor het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € [...]. 4. Belastingbedragen van minder dan € [...] worden niet geheven. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen rioolheffing of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.

Artikel 10. Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald [… (bijvoorbeeld in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later)]. [2. In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, [in geval het totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar een aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan [… (bijvoorbeeld € 100,-)], doch minder is dan [… (bijvoorbeeld € 1.500,-)], en] zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden

€ […]; € […]; € […]; € […]; € […]; € […]. € […].

€ […]; € […]; € […]; € […]; € […]; € […]. € […].

afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in [… (bijvoorbeeld tien)] gelijke termijnen OF zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het [belastingjaar OF kalenderjaar] waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, maar het aantal termijnen bedraagt ten minste [… (bijvoorbeeld drie)] en ten hoogste [… (bijvoorbeeld tien)]]. De eerste termijn vervalt [… (bijvoorbeeld op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld)] en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.] [3]. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in [het eerste lid OF voorgaande leden] gestelde termijnen.

Artikel 11. Overgangsrecht De [citeertitel oude verordening] van [datum], voor het laatst gewijzigd bij raadsbesluit van [datum], wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 12, tweede, lid genoemde datum van ingang van de heffing, maar zij blijft van toepassing op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 12. Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de [… (bijvoorbeeld achtste)] dag na die van de bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari [jaartal].

Artikel 13. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal]. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van [datum]. De voorzitter, De griffier,

Model 3. - Verordening Riool- en Waterzorgheffing – vast bedrag en waterverbruik (Laatst gewijzigd: 01-01-2022) (Geconsolideerde versie, geldig vanaf: 01-01-2022) Leeswijzer modelbepalingen - […] of [iets] = door gemeente in te vullen. Zie bijvoorbeeld artikel 6 (belastingtarieven). - [iets] = facultatief. Zie bijvoorbeeld artikel 10, tweede lid. - [(iets)] = een voorbeeld ter illustratie of uitleg voor gemeente. Zie bijvoorbeeld artikel 12, eerste lid. - [iets OF iets] = door gemeente te kiezen. Zie bijvoorbeeld artikel 5, vijfde lid, of artikel 10, tweede lid. - Ook wordt gewerkt met varianten waaruit gekozen kan worden. Zie bijvoorbeeld artikel 5. - Combinaties zijn ook mogelijk. Zie bijvoorbeeld de verschillende varianten in artikel 6, waarbij het tarief door de gemeente moet worden ingevuld.

Model voor een rioolheffing naar vast bedrag en naar waterverbruik Besluit van de raad van de gemeente [gemeentenaam] tot vaststelling van de Verordening op de heffing en de invordering van Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal] (Verordening Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal]); De raad van de gemeente [gemeentenaam] gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van [datum en eventueel nummer]; gelet op artikel 228a van de Gemeentewet; gezien het advies van […]; besluit vast te stellen de volgende verordening:

Verordening op de heffing en de invordering van Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal] (Verordening Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal]) Artikel 1. Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 2. Belastbaar feit en belastingplicht 1. De belasting wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven van:

a. de persoon die bij het begin van het belastingjaar van een perceel het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarendeel; en b. de persoon die een perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt en van waaruit water, niet zijnde hemelwater, direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd, verder te noemen: gebruikersdeel. 2. Voor het eigenarendeel wordt, als het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt de persoon die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat deze persoon op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. 3. Voor het gebruikersdeel wordt: a. gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden; b. gebruik door een persoon aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door de persoon die dat deel in gebruik heeft gegeven; c. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door de persoon die dat perceel ter beschikking heeft gesteld; d.

onder gemeentelijke riolering verstaan: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van water, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente.

Artikel 3. Voorwerp van de belasting 1. Voorwerp van de belasting is een perceel. 2. Als perceel wordt aangemerkt: a. de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken; b. de roerende zaak, die duurzaam aan een plaats is gebonden; c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; d. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; e. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.

Artikel 4. Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven van een perceel dat uitsluitend bestaat uit: a. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; b. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen; c. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen; d. […].

Artikel 5. Maatstaf van heffing Variant 1 (eigenarendeel naar vast bedrag per perceel en gebruikersdeel naar het aantal kubieke meters water) 1. In dit artikel wordt verstaan onder verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft.

2. De belasting voor het eigenarendeel wordt geheven naar een vast bedrag per perceel en de belasting voor het gebruikersdeel wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat wordt afgevoerd. 3. Het aantal kubieke meters water dat wordt afgevoerd wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater, grondwater en oppervlaktewater dat in de aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of opgepompt. Als de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend. 4. Als gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: a. watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of b. bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enig andere wettelijke bepaling. 5.

[De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd OF Als de belastingplichtige aantoont dat meer dan [30]% van de berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water niet is afgevoerd, wordt de niet afgevoerde hoeveelheid op de berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water in mindering gebracht]. 6. Als de gegevens bedoeld in het derde lid voor een perceel niet bekend zijn, wordt het aantal kubieke meters water voor dat perceel door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar vastgesteld op basis van het watergebruik van vergelijkbare percelen. Variant 2 (eigenarendeel naar vast bedrag per perceel met differentiatie naar het al dan niet hebben van een drinkwateraansluiting en gebruikersdeel naar het aantal kubieke meters water) 1. In dit artikel wordt verstaan onder verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft. 2. De belasting voor het eigenarendeel wordt geheven naar een vast bedrag per perceel en het hebben van een drinkwateraansluiting en de belasting voor het gebruikersdeel wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat wordt afgevoerd. 3.

Het aantal kubieke meters water dat wordt afgevoerd wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater, grondwater en oppervlaktewater dat in de aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of opgepompt. Als de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend. 4. Als gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: a. watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of b. bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enig andere wettelijke bepaling. 5. [De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd OF Als de belastingplichtige aantoont dat meer dan [30]% van de berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water niet is afgevoerd, wordt de niet afgevoerde hoeveelheid op de berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water in mindering gebracht].

6. Als de gegevens als bedoeld in het derde lid voor een perceel niet bekend zijn, wordt het aantal kubieke meters water voor dat perceel door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar vastgesteld op basis van het watergebruik van vergelijkbare percelen.

Artikel 6. Belastingtarieven Variant 1 1. Het tarief van het eigenarendeel bedraagt: 2. Het tarief van het gebruikersdeel bedraagt: a. voor de eerste volle eenheid van […] kubieke meters water: b. voor elke volgende volle eenheid van […] kubieke meters water: [maar per perceel bedraagt het gebruikersdeel niet meer dan € […]]. Variant 2 1. Het tarief van het eigenarendeel bedraagt: a. voor een perceel zonder drinkwateraansluiting: b. voor een perceel met drinkwateraansluiting: 2. Het tarief van het gebruikersdeel bedraagt: a. voor de eerste volle eenheid van […] kubieke meters water: b. voor elke volgende volle eenheid van […] kubieke meters water: [maar per perceel bedraagt het gebruikersdeel niet meer dan € […]].

€ […]. € […]; € […]

€ […]; € […]. € […]; € […]

Artikel 7. Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8. Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 9. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of voor het gebruikersdeel, als dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht voor het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht voor het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € [...]. 4. Belastingbedragen van minder dan € [...] worden niet geheven. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen rioolheffing of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.

Artikel 10. Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald [… (bijvoorbeeld in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later)].

[2. In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, [in geval het totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar een aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan [… (bijvoorbeeld € 100,-)], doch minder is dan [… (bijvoorbeeld € 1.500,-)], en] zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in [… (bijvoorbeeld tien)] gelijke termijnen OF zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het [belastingjaar OF kalenderjaar] waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, maar het aantal termijnen bedraagt ten minste [… (bijvoorbeeld drie)] en ten hoogste [… (bijvoorbeeld tien)]]. De eerste termijn vervalt [… (bijvoorbeeld op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld)] en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.] [3]. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in [het eerste lid OF voorgaande leden] gestelde termijnen.

Artikel 11. Overgangsrecht De [citeertitel oude verordening] van [datum], voor het laatst gewijzigd bij raadsbesluit van [datum], wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 12, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, maar zij blijft van toepassing op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 12. Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de [… (bijvoorbeeld achtste)] dag na die van de bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari [jaartal].

Artikel 13. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal]. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van [datum]. De voorzitter, De griffier,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=6923c7b0-f6db-4cf6-9a27-7f0fa0a95f39