Raadsvoorstel Collectief warmtesysteem en aansluiting op WarmtelinQ (get.)
Tekst van het document
Raadsvoorstel Zaaknummer:
Z/23/081881/396035
Datum collegebesluit:
dinsdag 14 mei 2024
Datum commissievergadering:
donderdag 30 mei 2024
Datum raadsvergadering:
donderdag 4 juli 2024
Soort Voorstel:
Raadsvoorstel
Onderwerp:
De transitievisie warmte 1.1, warmte uit WarmtelinQ als voorkeursbron en het reserveren van gronden voor een warmteoverdrachtstation.
Portefeuillehouder:
Wethouder Schokker
Programma:
7.4 Milieubeheer
Kernboodschap:
Om de warmtetransitie verder te helpen wordt aan de gemeenteraad van Voorschoten voorgesteld om: 1. De transitievisie Warmte 1.1 vast te stellen met daarin het verdelen van Voorschoten in warmteclusters, het bepalen van een voorkeursalternatief voor aardgas per cluster, de uitwerking van een combinatie van één collectief warmtesysteem en individuele oplossingen, het bepalen van de schaalgrootte en het richting geven aan de fasering van een warmtesysteem; 2. Warmte uit WarmtelinQ aan te wijzen als voorkeursbron voor een collectief warmtesysteem zodat de warmtetransitie sneller van start kan gaan en tot 80% van Voorschoten aardgasvrij kan worden gemaakt, en; 3. Medewerking te verlenen aan het mogelijk maken van een aansluiting op WarmtelinQ, door gronden te reserveren voor een warmteoverdrachtsstation (WOS) rondom het aansluitpunt. De beslispunten in dit raadsvoorstel leggen een nieuwe basis voor de warmtetransitie in Voorschoten. Tot nu toe kende deze transitie een aantal losstaande processen. Dit
raadsvoorstel brengt deze bij elkaar. Zo wordt een belangrijke stap gezet richting een duurzaam en aardgasvrij Voorschoten. Bijlagen
Beslispunten:
1.
Transitievisie warmte 1.1
2.
Technisch-economische analyse transitievisie warmte 1.1
3.
Participatieverslag besluitvorming WarmtelinQ en WOS
4.
Ruimtelijke verkenning WOS
5.
Kadastrale kaart percelen WOS
1.
De transitievisie warmte 1.1 vaststellen.
2.
Warmte uit WarmtelinQ aanwijzen als een voorkeursbron voor het collectieve warmtesysteem.
3.
Medewerking verlenen aan de realisatie van een warmteoverdrachtsstation (WOS), en het kadastrale perceel met kenmerk VSTOO-A-5272 in zijn geheel en de gronden die nu worden gebruikt als gemeentewerf van de kadastrale percelen met kenmerk VSTOO-A-5918 en VSTOO-A-5915 hiervoor reserveren.
Relatie met:
Pagina 2 van 29
Planning LTA en Z/21/052099/272694
Inleiding en samenvatting Nederland heeft in het landelijke Klimaatakkoord afgesproken dat in 2050 geen aardgas meer wordt gebruikt om woningen en gebouwen te verwarmen. Ook op regionaal en gemeentelijk niveau zijn er afspraken gemaakt om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. De overstap van aardgas naar duurzame warmte is daarbij een belangrijke stap. De veranderingen in hoe we warmte gebruiken en opwekken noemen we de warmtetransitie. Lokale en regionale warmtetransitie De warmtetransitie wordt op dit moment vanaf twee kanten aangepakt. Eind 2021 is lokaal de transitievisie warmte 1.0 vastgesteld, met daarin per buurt een voorkeursalternatief voor aardgas. Parallel werken we regionaal als één van de zes gemeenten samen in Warmte Leidse Regio (hierna: WLR). Daarmee onderzoeken we de haalbaarheid van een regionaal collectief warmtesysteem (met de naam Open Regionaal Energiesysteem, hierna: ORES). Beide routes zijn ook afhankelijk van elkaar. Een besluit om wel of niet deel te nemen aan een regionaal warmtesysteem heeft namelijk grote invloed op het resultaat van de warmtetransitie in Voorschoten. Andersom heeft het uitwerken van de transitievisie warmte (hierna: TVW) ook veel invloed op de keuze om wel of niet mee te doen met een regionaal warmtesysteem.
De komst van WarmtelinQ als kans De aanleiding voor de samenwerking met de buurgemeenten binnen WLR was de komst van WarmtelinQ. WarmtelinQ is een transportleiding die restwarmte uit de haven van Rotterdam naar onze regio brengt. In de TVW 1.1 is de rol van WarmtelinQ als warmtebron voor een toekomst warmtesysteem beter meegenomen. Ondertussen gaan de voorbereidingen voor de aanleg van WarmtelinQ verder. Gasunie is daarbij verantwoordelijk voor de realisatie, ondersteund door de provincie Zuid-Holland. De leiding gaat door het grondgebied van Voorschoten lopen. Daarmee ontstaat de mogelijkheid voor de gemeente Voorschoten om ook aan te sluiten op WarmtelinQ. Een aansluiting voor de gemeente Voorschoten is alleen mogelijk als er voldoende warmtevraag is en er ook een warmteoverdrachtssysteem (hierna: WOS) wordt gerealiseerd. De periode waarbinnen hierover een besluit kan worden genomen is beperkt. Bewust besluit Gasunie wil voor de zomer weten of ze een aansluitstuk voor WarmtelinQ kunnen gaan inkopen of niet. Als de gemeente zich positief uitspreekt over een eventueel collectief warmtesysteem in de toekomst wil Gasunie de koop in gang zetten. Als de gemeenteraad geen duidelijk besluit
Pagina 3 van 29
neemt zal aansluiten op een ander moment duurder of misschien zelfs onmogelijk worden. Dit is de reden om de gemeenteraad nu om een bewust besluit te vragen over WarmtelinQ. NB. We spreken over een collectief warmtesysteem. Daaronder verstaan we het geheel van een warmtecentrale (WOS), de installatie om de duurzame warmte op te wekken, en het warmtenet, het distributienet die de warmte vanaf de warmtecentrale naar de woningen brengt. Dit warmtesysteem wordt door mensen ook wel warmtenet genoemd. Dat zullen we in dit raadsvoorstel ook af en toe doen. Voortgang in de warmtetransitie De TVW 1.1, die op veel punten voortbouwt op de TVW 1.0, past met haar aanpassingen bij de komende periode. Door de TVW 1.1 vast te stellen kan de gemeente Voorschoten aan de warmtetransitie werken met de kennis die er nu is. De beslispunten geven een duidelijke richting voor de gemeente Voorschoten. Hierdoor kan de warmtetransitie sneller van start, blijft het mogelijk om in de eerste wijken rond 2030 geen aardgas meer te gebruiken en komt de energietransitie niet stil te liggen. Een volgende stap is het vaststellen van een warmteprogramma (TVW 2.0). Besluiten die nu genomen worden zijn niet helemaal definitief en kunnen met het warmteprogramma opnieuw vastgesteld of waar nodig aangepast worden.
Beoogd effect Het doel van dit raadsvoorstel is om een nieuwe basis te leggen voor de warmtetransitie en verschillende bestaande processen bij elkaar te brengen. Met de TWV 1.1 geeft de gemeente meer richting aan de warmtetransitie. Het aanwijzen van WarmtelinQ als voorkeursbron voor een collectief warmtesysteem en het reserveren van gronden voor een WOS bieden de mogelijkheid om gebruik te maken van de kansen en ontwikkelingen in de regio. Opzet van het document Omdat dit raadsvoorstel per beslispunt een grote hoeveelheid argumenten, kanttekeningen, en vervolgpunten bespreekt hebben we ervoor gekozen iets af te wijken van de standaard opzet van een raadsvoorstel. We bespreken de onderdelen allemaal, maar dan pér beslispunt. Dit maakt het makkelijker om de beslispunten los van elkaar, en in verhouding tot elkaar, te toetsen en er een besluit over te nemen.
Pagina 4 van 29
Beslispunt 1 De transitievisie warmte 1.1 vaststellen. Inleiding In het Klimaatakkoord wordt de leiding over de uitvoering van de energietransitie bij gemeenten neergelegd. Hierin is ook de opdracht tot het vaststellen van een transitievisie warmte (hierna: TVW) beschreven. De TVW is één van de eerste formele stappen van de warmtetransitie. Het helpt de gemeente Voorschoten op weg naar het doel van een CO2-neutrale gemeente in 2050. In de TVW staat op welke manier de warmtetransitie in Voorschoten wordt georganiseerd. Met het vaststellen van een TWV voldoet de gemeente Voorschoten dus aan haar wettelijke taak. Door nieuwe ontwikkelingen en kansen heeft de huidige TVW aanpassingen nodig. Hieronder volgen argumenten, kanttekeningen, vervolgstappen en een terugblik op de inwonersparticipatie en communicatie die dit beslispunt verduidelijken en/of ondersteunen. Argumenten 1.1. De transitievisie warmte 1.0 is toe aan een update. De TVW 1.0 is per buurt opgesteld, volgens de indeling van het CBS, in lijn met de toenmalige aanbevelingen vanuit het Rijk. Bij de uitvoering is gebleken dat de TVW 1.0 tekortschiet op:
de geografisch gekozen indeling van buurten, die niet de meest effectieve clustering is;
de adviezen voor alternatieven voor aardgas, die verbeterd kunnen worden;
de haalbaarheid van de mogelijke warmtebronnen, waarover inmiddels meer informatie beschikbaar is, die niet in TVW 1.0 is verwerkt;
de aandacht voor de praktische realisatie van de verschillende warmtetechnieken;
de sturing op de schaalgrootte en fasering van een collectief warmtesysteem;
het richting geven aan hoe de warmtetransitie uitgevoerd kan worden door de ambtelijke organisatie, en
het handelingsperspectief dat het biedt aan inwoners van Voorschoten.
De noodzaak om de TVW 1.0 te verbeteren én de kansen als gevolg van de komst van WarmtelinQ vragen om een herijking. De aangepaste delen zijn duidelijk aangegeven. De basis van de TVW 1.1 is gelijk gebleven, zoals deze op 16 december 2021 door de gemeenteraad zijn
Pagina 5 van 29
vastgesteld. Eventuele grote veranderingen zullen pas in de volgende stap, met het warmteprogramma (TVW 2.0, zie Figuur 1), worden vastgesteld. 1.2. Nieuwe inzichten en ontwikkelingen (wet- en regelgeving) vragen ook om een aanpassing van transitievisie warmte 1.0. Landelijk zijn er twee nieuwe wetten voor de warmtetransitie in ontwikkeling: de Wet collectieve warmte (Wcw) en de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw). De Wcw presenteert een nieuwe marktordening, waarbij warmtebedrijven in publiek eigendom het uitgangspunt zijn. De Wgiw biedt gemeenten de handvatten om goede sturing te kunnen geven aan de warmtetransitie. Daarnaast is er een relatie tussen de warmtetransitie en de Omgevingswet. Uit deze wetgeving volgen nog meerdere vervolgstappen. Een overzicht van de verschillende stappen is weergegeven in Figuur 1.
(Krimwijk)
Figuur 1 – Gemeentelijke besluitvorming voor de warmtetransitie Voor de invulling van de (groene en gele) vervolgstappen werkt de gemeente regionaal samen binnen Warmte Leidse Regio (WLR). De gemeenteraad is recentelijk op de hoogte gebracht over de activiteiten van WLR met een informatiebrief (Z/23/082010/392686). Het vaststellen van TVW 1.1 bereidt Voorschoten voor op het vervolg, zonder besluiten te nemen die niet kunnen worden teruggedraaid. De richting van de warmtetransitie kan steeds worden bijgesteld, omdat bij iedere stap de balans opnieuw wordt opgemaakt.
Pagina 6 van 29
1.3. Transitievisie warmte 1.1 geeft op basis van nader onderzoek een haalbare en effectieve onderverdeling van Voorschoten in warmteclusters en het voorkeursalternatief voor aardgas per warmtecluster. Voor de TVW 1.1 is de gebouwde omgeving van Voorschoten onderzocht (zie de technischeeconomische analyse in bijlage 2) en verdeeld in 43 warmtegebieden. Dat is gebeurd op basis van bouwjaar, bouwdichtheid, bouwtype, functie, energiegebruik en eigendomssituatie. Voor deze 43 warmtegebieden zijn aan de hand van een afwegingskader met kwantitatieve (betaalbaarheid) en kwalitatieve (duurzaamheid, haalbaarheid, betrouwbaarheid en beperken overlast) publieke waarden drie warmtestrategieën beoordeeld: (1) individuele elektrische warmtepomp (S1), (2) collectief warmtesysteem met midden- of hoogtemperatuurwarmtebron (MT/HT) (S2), en (3) collectief warmtesysteem met lagetemperatuurwarmtebron (LT) (S3). De 43 warmtegebieden zijn er te veel om de warmtetransitie effectief aan te sturen. De 43 warmtegebieden zijn daarom samengevoegd tot 10 warmteclusters, zie
Figuur 2. Dat zijn warmtegebieden die op elkaar lijken.
Pagina 7 van 29
Figuur 2 - Warmteclusters Voorschoten Vervolgens is voor deze 10 warmteclusters ook vastgesteld wat het voorkeursalternatief voor
aardgas is, zie Tabel 1. Tabel 1 - Voorkeursalternatief en warmtevraag per warmtecluster Nr.
Naam
Voorkeursalternatief
Aantal
Warmtevraag
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
Noord-Hofland Boschbloem Vlietdorp Nassaucentrum Groot Adegeest Oud Starrenburg Dobbewijk All-electric Buiten- en tussengebied Aardgasvrij
Collectief MT-warmtesysteem Collectief MT-warmtesysteem Collectief MT-warmtesysteem Collectief MT-warmtesysteem Collectief MT-warmtesysteem Nader onderzoek Nader onderzoek Individuele warmtepomp Individuele warmtepomp Niet van toepassing Totaal
2.690 1.610 2.720 1.040 1.530 540 120 1.520 150 500 12.410
35 25 32 14 21 8 2 18 3 158
Collectief warmtesysteem
10.243
136
(GWh)
22% 16% 20% 9% 13% 5% 1% 11% 2% 0%
In sommige warmteclusters is het voorkeursalternatief duidelijker dan in andere clusters. Ook kunnen de voorkeursalternatieven en clusterindelingen in de toekomst wijzigen, bijvoorbeeld op
Pagina 8 van 29
basis van meer nieuwe inzichten en (technologische) ontwikkelingen. De voorkeursalternatieven zullen steeds opnieuw worden geëvalueerd. 1.4. Transitievisie warmte 1.1 geeft richting aan de fasering van de realisatie van het collectieve warmtesysteem, door Noord-Hofland als nieuw startcluster aan te wijzen. Er is onderzocht welke kansen er in de clusters zijn om voor 2030 te starten met de warmtetransitie. In TWV 1.0 is de Krimwijk, onderdeel van het All-electric cluster, aangewezen als startwijk. Daar is al begonnen met het maken van een uitvoeringsplan. Voor de TWV 1.1 is opnieuw onderzocht welke kansen er in de warmteclusters zijn om voor 2030 aan de slag te gaan met de warmtetransitie. Hieruit komen de clusters Noord-Hofland en All-electric naar voren als startclusters. In de TWV 1.1 wordt Noord-Hofland voorgesteld als cluster om te starten met het collectief warmtesysteem, zie bijlagen 1 en 2. 1.5. De conclusies uit de transitievisie warmte 1.1 sluiten aan bij de samenwerking Warmte Leidse Regio en dit beleid bereidt de gemeente Voorschoten voor om in de toekomst aan te sluiten op een Open Regionaal Energiesysteem (ORES) De samenwerking Warmte Leidse Regio (WLR) is kortgeleden met akkoord van de gemeenteraad voortgezet voor de periode 2024 - 2027.
In de nieuwe samenwerkingsperiode wordt gestart met een onderzoek naar de oprichting van een regionaal warmtebedrijf in de Leidse regio. De inzet van grote regionale bronnen, zoals geothermie of restwarmte, vraagt om het samenvoegen van voldoende warmtevraag. Ook heeft het voordelen om de realisatie en exploitatie van warmte-infrastructuur regionaal op te pakken, in plaats van per gemeente. Daarom werkt WLR toe naar een regionaal collectief warmtesysteem. Er is nog geen besluit genomen voor het wel of niet aansluiten bij een groter regionaal warmtesysteem. De voorkeursschaalgrootte van één collectief warmtesysteem (zie ook Beslispunt 2, argument 1) in Voorschoten sluit hier echter wel goed op aan. Het vaststellen van nieuw beleid in de TVW 1.1, om in te zetten op één gemeentebreed warmtesysteem, maakt het eenvoudiger om in de toekomst aan te sluiten bij een regionaal systeem. De conclusies in de TVW 1.1 en de activiteiten binnen WLR sluiten beter bij elkaar aan. Kanttekeningen 1.1. Het collectieve warmtesysteem is afhankelijk van nieuwe, nog niet vastgestelde, wetgeving. De eerdergenoemde wetten, Wcw en Wgiw, zijn nog niet vastgesteld. Dit raadsvoorstel bouwt voort op de concept wetteksten. Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer en Eerste Kamer kunnen er nog wijzigingen volgen, die ook gevolgen kunnen hebben voor dit raadsvoorstel. Pagina 9 van 29
Wetgeving voor de warmtetransitie is niet controversieel verklaard (er zijn geen grote meningsverschillen over), en kan dus ook tijdens het vormen van een nieuwe regering worden behandeld. Op het moment van schrijven is de verwachting dat de wetten in 2024 worden aangenomen en in 2025 in werking treden. 1.2. Recente publiciteit rond warmtenetten is niet altijd positief. Kortgeleden zijn er artikelen over warmtenetten in verschillende media verschenen. Deze zijn niet altijd positief. Kritische geluiden gaan meestal over twee zorgen: (1) voorgenomen projecten vinden geen voortgang en (2) de tarieven voor vastrecht zijn hoger dan verwacht. De genoemde zorgen zijn een belangrijke reden om de nieuwe wetgeving te ontwikkelen en in te voeren. Met de nieuwe wetgeving wordt ingezet op een publieke marktordening en wordt de tariefberekening van projecten aangepast. De verwachte publieke marktordening maakt het ingewikkelder om gestarte projecten met private partijen af te maken. Het is dus uit te leggen waarom deze in aanloop naar nieuwe wetgeving geen voortgang vinden (punt 1). Daarnaast is de verwachting dat publieke warmtebedrijven andere winsteisen hebben als private partijen. Ook is er een spoedwet in voorbereiding om de tarieven voor gebruikers van een warmtenet omlaag te brengen.
Vanwege deze redenen en de nieuwe tariefberekening is het dus te verwachten dat ook de problemen met hoog vastrecht minder worden (punt 2).
Pagina 10 van 29
1.3. Bewoners hebben zorgen over de gevolgen van een collectief warmtesysteem voor hen. Als onderdeel van dit raadsvoorstel is er geparticipeerd met bewoners. Hierbij hebben bewoners over verschillende onderwerpen zorgen geuit. Voorbeelden hiervan zijn de betaalbaarheid, de beperkte keuzevrijheid voor een warmtebedrijf, en de mogelijkheid om niet te hoeven aansluiten als dit niet gewenst is. Een samenvatting van deze zorgen is opgenomen in het participatieverslag (bijlage 3). Deze zorgen zijn te begrijpen. Hoewel uit de analyse in bijlage 2 blijkt dat een collectief warmtesysteem voor de meeste bewoners een goede keuze is, kan dit over de tijd veranderen. Als nieuwe inzichten in de toekomst andere besluiten verlangen, dan worden deze andere besluiten voorgelegd aan de gemeenteraad. 1.4. Ook transitievisie warmte 1.1 is een momentopname en conclusies kunnen veranderen. Net als TVW 1.0 is TVW 1.1 een momentopname. Op dit moment toont de analyse dat een collectief warmtesysteem voor de meeste bewoners in Voorschoten het beste alternatief is voor aardgas. De benodigde besluitvorming is ingewikkeld en moet plaatsvinden in een context die sterk in beweging is. Daarom is het belangrijk dat de analyses meebewegen en ook bij vervolgstappen opnieuw worden bekeken. Nieuwe ontwikkelingen kunnen tot andere conclusies leiden.
Op dit moment is te verwachten dat de voorgestelde besluitvorming in het voordeel is van de meeste inwoners van de gemeente Voorschoten. 1.5. De gebruikte data en aannames voor de analyse hebben beperkingen. De analyses in de bijlagen zijn uitgevoerd met grote zorgvuldigheid. Het is in lijn met ‘best practices’ en op basis van gegevens van gerenommeerde partijen, zoals PBL, TNO, CE Delft, Greenvis en Fakton. Toch kent elke analyse ook beperkingen. Een voorbeeld daarvan is dat PBL eind 2024 met nieuwe gegevens komt. Hierdoor kan het zijn dat sommige conclusies wijzigen. Gezien het belang van tijdige besluitvorming is ervoor gekozen om deze nu toch voor te leggen aan de gemeenteraad. Op het moment dat nieuwe data en methodes bekend worden, zullen analyses worden bijgewerkt. Als dit tot afwijkende conclusies leidt en dit nieuwe besluitvorming vereist, dan zal deze opnieuw worden voorbereid en voorgelegd. Vervolg Na het vaststellen van TVW 1.1 zal het college en de ambtelijke organisatie een uitvoeringsplan voor het warmtecluster Noord-Hofland opstellen. Hiermee zal in 2024 begonnen worden. Tegelijk worden de conclusies uit de TVW 1.1 vertaald naar een handelingsperspectief waar individuele inwoners mee aan de slag kunnen. De gevolgen van de warmtetransitie moeten goed richting bewoners worden gecommuniceerd.
Hiervoor is communicatie in ontwikkeling en zal dit jaar nog verder worden uitgewerkt.
Pagina 11 van 29
Een andere vervolgactiviteit is het opstellen van het warmteprogramma van de gemeente Voorschoten. Dit is de volgende stap in het wettelijke proces uit Figuur 1. De gemeente zal aan de slag gaan met de voorbereidingen van het warmteprogramma. De vaststelling zal pas plaatsvinden nadat de benodigde nieuwe wetgeving is aangenomen. De ambitie is om dit in de huidige collegeperiode nog vast te stellen en liefst voor 1 januari 2026. Op die datum gaat de wetgeving voor verplichte hybride warmtepompen in. Het warmteprogramma geeft inwoners duidelijkheid of de verplichting ook voor hen geldt. Binnen de samenwerking WLR wordt gewerkt aan de voorbereidingen voor een regionaal publiek warmtebedrijf. Deze activiteiten worden voortgezet en volgens planning worden de eerste resultaten eind 2024 gepresenteerd en aan de gemeenteraad voorgelegd voor vervolg. Inwonersparticipatie en communicatie Voor de TWV 1.0 is in 2021 een uitvoerig participatietraject doorlopen. De TVW 1.1 is een herijking van TVW 1.0. Omdat het enkel om herijking gaat, is er voor TVW 1.1 geen nieuw participatietraject uitgevoerd. De uitkomsten van dit participatietraject zijn helemaal onderdeel van TVW 1.1. De conclusies van het participatietraject zijn te vinden in bijlage 1.
Pagina 12 van 29
Beslispunt 2 Warmte uit WarmtelinQ aanwijzen als een voorkeursbron voor het collectieve warmtesysteem. Inleiding Er zijn in Voorschoten en de regio verschillende warmtebronnen aanwezig voor de warmtetransitie. De mogelijke warmtebronnen van hogere temperatuur zijn WarmtelinQ en geothermie. Daarnaast biedt aquathermie mogelijkheden in de toekomst voor Voorschoten. WarmtelinQ is de leiding die restwarmte uit de haven van Rotterdam naar de Leidse regio brengt. Restwarmte is warmte die vrijkomt bij een proces in de industrie en daar niet meer voor iets anders gebruikt kan worden. Door gebruik te maken van restwarmte, wordt uitstoot van CO2 door individuele cv-ketels voorkomen. Daarom wordt restwarmte in het Klimaatakkoord gezien als duurzaam. Geothermie wordt gewonnen uit heet water dat zich in aardlagen bevindt. De geothermie-installatie pompt dit water omhoog en brengt de warmte via een warmtenet naar de gebouwen. Aquathermie gebruikt warmte uit oppervlaktewater, afvalwater of drinkwater, waarvan de temperatuur met een warmtepomp verder wordt opgewerkt. De voorbereidingen voor de aanleg van WarmtelinQ zijn inmiddels in volle gang. De leiding gaat ook door het grondgebied van Voorschoten lopen. Daarmee ontstaat de mogelijkheid voor de gemeente Voorschoten om aan te sluiten op WarmtelinQ.
Volgens planning zal de eerste levering van warmte door WarmtelinQ voor 2030 kunnen plaatsvinden. Hieronder wordt beargumenteerd dat nu kiezen voor WarmtelinQ voordelig is voor Voorschotenaren, welke rol het kan hebben in een collectief warmtesysteem, en aan welke kwantitatieve en kwalitatieve publieke waarden het voldoet. Daarnaast worden de kanttekeningen toegelicht en wordt er teruggeblikt op de inwonersparticipatie en communicatie rondom WarmtelinQ. Argumenten 2.1 Een gemeentebreed collectief warmtesysteem is voor de meerderheid van de inwoners het beste alternatief voor aardgas. De TVW 1.1 (bijlage 1) en de achterliggende technisch-economische analyse (bijlage 2) laten zien dat voor 65% tot 80% van Voorschoten een collectief warmtesysteem het voorkeursalternatief is. Dit kan op verschillende schaalgroottes worden gerealiseerd. Een keuze voor de grootte is belangrijk om een oordeel te kunnen vormen over het beste alternatief voor
Pagina 13 van 29
aardgas. In de praktijk kan gekozen worden voor meerdere collectieve buurtsystemen of juist voor één gemeentebreed warmtesysteem. Zowel de kostenramingen als de kwalitatieve overwegingen tonen een voorkeur voor een gemeentebreed warmtenet. Buurtwarmtenetten scoren op geen van de punten beter. Als er een warmtenet komt in Voorschoten, dan heeft het dus de voorkeur om dit als één systeem voor de hele gemeente aan te leggen. Deze overweging is meegenomen bij de keuze voor het voorkeursalternatief voor aardgas. Als er wordt gekozen voor een gemeentebreed warmtesysteem, dan zal er naar verwachting een mix van warmtebronnen worden ingezet. Dit kunnen MT-warmtebronnen zijn, zoals WarmtelinQ of geothermie. Maar ook LT-warmtebronnen zijn, zoals aquathermie of lage temperatuur restwarmte. De keuze voor een gemeentebreed warmtesysteem sluit andere opties niet uit. Met het uitwerken van deze richting en door nieuwe wetgeving behouden bewoners de mogelijkheid om voor een individuele oplossing te kiezen, zelfs als hun buurt is aangewezen voor een collectief warmtesysteem (d.m.v. een ‘opt-out’). Ditzelfde geldt voor kleinschalige buurtinitiatieven. Als buurtbewoners hun eigen collectieve warmtesysteem willen beginnen, kan de gemeente hier een ontheffing voor geven. Dergelijke initiatieven kunnen dus doorgang vinden bij het nemen van de voorgestelde besluiten.
2.2 Tijdige realisatie van een collectief warmtesysteem biedt bewoners meer keuzevrijheid en verplicht bewoners niet tot het doen van grote initiële investeringen Uit de analyse in bijlage 2 blijkt dat een collectief systeem voor veel bewoners een geschikt alternatief voor aardgas is. Juist de collectiviteit, het samen doen, speelt daarbij een belangrijke rol. Als meer mensen voor de individuele optie kiezen wordt het warmtesysteem duurder en de voordelen van het collectieve systeem kleiner. Als er langer wordt gewacht met het realiseren van een collectief systeem, zullen meer mensen de overstap naar een individuele oplossing al hebben gemaakt. Het gevolg is dan dat het collectieve systeem geen reële optie meer is. Met alleen de individuele optie is er dus minder keuzevrijheid voor bewoners. 2.3 Tijdige realisatie van een collectief warmtesysteem verplicht bewoners niet tot het doen van grote initiële investeringen Overstappen op een individuele warmtepomp betekent voor veel bewoners van Voorschoten dat het huis flink geïsoleerd moet worden. Hoewel het isoleren van woningen wordt aangemoedigd voor de warmtetransitie, is dit niet voor iedereen betaalbaar. De startinvestering van een individuele oplossing is in onze regio naar verwachting vijf keer zo groot als de aansluiting op
Pagina 14 van 29
een collectief warmtesysteem. Zelfs als blijkt dat de gemiddelde kosten per jaar over de hele levensduur lager zijn voor individuele oplossingen, dan kan deze investering de reden zijn voor bewoners om toch voor het collectieve systeem te kiezen. Deze oplossing moet dan wel beschikbaar zijn voor inwoners. 2.4 Met warmte uit WarmtelinQ kan een aardgasvrije gebouwde omgeving sneller gerealiseerd worden. Voor een collectief warmtesysteem zijn warmtebronnen nodig. WarmtelinQ en aquathermie zijn warmtebronnen die op korte termijn beschikbaar zijn. WarmtelinQ is de enige warmtebron die nu al in ontwikkeling is. Aquathermie is dat nog niet. Daarmee is WarmtelinQ de meest zekere bron en kan deze naar verwachting tussen 2027 en 2030 ingezet worden. Voor geothermie, een ander type warmtebron, moet eerst gewacht worden op een rechterlijke uitspraak over de beïnvloeding tussen geothermie en drinkwaterwinning. Naar verwachting zal geothermie pas na 2030 beschikbaar kunnen komen. Aansluiten op WarmtelinQ biedt dus de kortste route naar een geschikte warmtebron voor een collectief warmtesysteem. 2.5 Warmte uit WarmtelinQ maakt het collectieve warmtesysteem betaalbaar. Een aansluiting van een collectieve warmtesysteem op WarmtelinQ is voor bewoners naar verwachting het meest betaalbaar.
Voor de TVW 1.1 is op basis van data van TNO ook een analyse uitgevoerd die de kosten van het collectieve warmtesysteem terug heeft gerekend naar een prijs per kWh. Warmte uit WarmtelinQ komt hier voor elk van de warmtenetclusters in Voorschoten als goedkoopste warmtebron uit. In een groter systeem zijn meevallers, tegenvallers en risico’s beter te verdelen, waardoor de gemiddelde kosten lager blijven. Een groter systeem heeft ook lagere organisatiekosten, omdat slechts één warmtebedrijf opgericht hoeft te worden, in plaats van meerdere kleine. Daarnaast maakt het de socialisering van kosten en tarieven mogelijk, net zoals dit nu het geval is bij andere netten (elektriciteit, water, telecom). Socialisering betekent dat een gebruiker niet precies betaald wat een aansluiting op het warmtenet voor hem of haar kost, maar dat de kosten met een grotere groep gebruikers worden gedeeld. Buurtbronnen zijn naar verwachting twee tot vier keer duurder als gemeentebrede (collectieve) bronnen.
Pagina 15 van 29
2.6 Warmte uit WarmtelinQ maakt het collectieve warmtesysteem haalbaar, betrouwbaar, en beperkt de overlast die inwoners en organisaties ervaren van de warmtetransitie Haalbaar WarmtelinQ heeft naar verhouding de minste ruimte nodig, waardoor de ruimtelijke inpassing het eenvoudigste en de bijbehorende overlast het kleinste is. Ook het organiseren en realiseren van slechts één groter warmteoverdrachtsstation, in plaats van meerdere kleinere, is veel minder ingewikkeld. Betrouwbaar De betrouwbaarheid van het collectieve warmtesysteem hangt vooral af van hoe robuust (stevigheid) het systeem is en of er misschien netcongestie (file op het elektriciteitsnetwerk) kan optreden. In Tabel 1 wordt zichtbaar dat de invloed van netcongestie direct verband houdt met het elektriciteitsgebruik door de warmtebron. WarmtelinQ gebruikt relatief weinig elektriciteit, omdat er geen of weinig warmtepompen nodig zijn. Tabel 2 - Efficiëntie en uitstoot van verschillende warmtebronnen
Efficiëntie / COP (kWth/kWe) Uitstoot (kg CO2/GJ) Factor
WLQ
Geo
Aqua (TEA)
Aqua (TEO)
LW-WP
10
8
4
3
2
Individuele warmtepomp 3
3,3
4,2
8,3
11,1
16,7
11,1
1
1,25
2,5
3,3
5
3,3
Gemeentebreed
Buurtoplossing
Individueel
De robuustheid van het systeem hangt af van de andere warmtebronnen en systemen waarop kan worden teruggevallen bij piekvraag of uitval. Binnen Warmte Leidse Regio en regio Holland Rijnland wordt onderzocht hoe het warmtesysteem met WarmtelinQ, geothermie en andere regionale warmtebronnen zo robuust mogelijk gemaakt kan worden. Op gemeentelijk niveau is dit soort robuustheid ook te realiseren, maar dat is lastiger en duurder. Inzetten op WarmtelinQ, als onderdeel van een regionaal systeem, heeft daarom de voorkeur. Overlast De warmtetransitie vereist één van de grootste verbouwingen van de publieke ruimte ooit. Dit geldt voor zowel het in de praktijk brengen van individuele oplossingen, als voor een collectief warmtesysteem. De overlast kan binnenshuis, buitenshuis of bij andere ontwikkelingen voorkomen. Bij individuele oplossingen is de overlast vooral binnenshuis, bij een collectief systeem vooral buitenshuis. Pagina 16 van 29
Door netcongestie is de overlast op andere ontwikkelingen het grootst bij grootschalige inzet van individuele warmtepompen. Er kan dan overlast ondervonden worden bij het bouwen van woningen, het stimuleren van bedrijvigheid en economische ontwikkeling, de opwek van duurzame elektriciteit, de transitie naar elektrische mobiliteit, en de verduurzaming van verschillende andere sectoren. Uit de conclusies uit bijlage 2 kan worden opgemaakt dat een gemeentebreed collectief warmtesysteem naar verwachting in totaal minder overlast zal geven dan individuele of buurtoplossingen. Een kanttekening daarbij is dat ervaren overlast grotendeels persoonlijk en subjectief is en daardoor lastig te vergelijken. 2.7 Nu aansluiten op WarmtelinQ is goedkoper, zekerder en van tevoren te plannen. Gasunie, de partij die WarmtelinQ realiseert, biedt de gemeente Voorschoten aan om nu aan te sluiten op WarmtelinQ. Gasunie is momenteel druk met aanbestedingen voor de inkoop van materialen en de uitvoerende werkzaamheden. Als de gemeente Voorschoten nu besluit aan te willen sluiten, dan kan deze nog mee worden genomen bij deze aanbestedingen. Een collectief warmtesysteem kan ook later op WarmtelinQ worden aangesloten. In dat geval wordt de aansluiting niet gelijk met de aanleg van de transportleiding gerealiseerd, maar moet de aansluiting later aangeboord worden. Dit heeft nadelen.
(1) De aansluitmethode door middel van aanboren is duurder dan het direct meenemen bij de aanleg. De maatschappelijke kosten voor de aansluiting worden daarmee ongeveer dubbel zo hoog. Deze extra kosten moeten worden gedekt met hogere tarieven en/of extra subsidies vanuit hogere overheden. (2) De zekerheid dat er later voldoende capaciteit beschikbaar zal zijn neemt af. De Leidse regio heeft geen overschot aan warmte, waardoor de warmte uit WarmtelinQ ook in andere gemeenten goed gebruikt kan worden. Als Voorschoten ervoor kiest om deze mogelijkheid aan zich voorbij te laten gaan, dan is de kans groot dat de huidige beschikbare capaciteit op een later moment niet meer volledig of helemaal niet meer beschikbaar zal zijn (op = op). (3) De realisatie van WarmtelinQ is nu in voorbereiding en de gemeente Voorschoten heeft grip op de planning. Later aansluiten geeft minder grip, omdat dit apart wordt aangelegd. Bij voorkeur gebeurt dit tegelijkertijd met gepland onderhoud. Daarnaast is de aansluiting nu al meegenomen bij alle juridische en technische procedures, zoals het planMER, vergunningsaanvragen en het ontwerp van het tracé. Later aansluiten betekent dat deze processen opnieuw doorlopen moet worden. Dit duurt langer en is slechter van tevoren te plannen.
Pagina 17 van 29
Kanttekeningen 2.1 Zorgen over duurzaamheid en leveringszekerheid van restwarmte uit Rotterdam. De restwarmte uit Rotterdam is nu vaak nog afkomstig van fossiele brandstoffen. Daarom roept dit soms ook de vraag op of gebruik van deze restwarmte misschien de motivatie bij de industrie weghaalt om te verduurzamen, en of deze warmte op de lange termijn wel beschikbaar is op het moment dat de industrie geheel verduurzaamd is. In het Klimaatakkoord zijn afspraken gemaakt met de industrie. Ook de industrie moet verder verduurzamen en zich houden aan de klimaatafspraken voor 2050. Daarmee wordt ook de restwarmte nóg duurzamer. Veel industriële processen zullen in 2050 verduurzaamd zijn, maar nog steeds restwarmte produceren. Uit prognoses van het Havenbedrijf Rotterdam blijkt dat de hoeveelheid restwarmte ook in de toekomst (veel) groter zal zijn dan de capaciteit van WarmtelinQ aankan. 2.2 Over een aansluiting van het collectieve warmtesysteem op WarmtelinQ kan niet eenzijdig door de gemeente Voorschoten worden besloten. Een aansluiting op WarmtelinQ komt tot stand in samenwerking met Gasunie, de initiatiefnemer van WarmtelinQ. Enkel een besluit van de gemeente Voorschoten om aan te willen sluiten op WarmtelinQ is niet voldoende om aan te sluiten.
Gasunie heeft aangegeven dat er aan twee voorwaarden moet worden voldaan: (1) er moet voldoende warmtevraag zijn om een aansluiting te verantwoorden en (2) er moet een locatie bekend zijn waar een WOS gerealiseerd kan worden. Met dit raadsvoorstel wordt aan deze voorwaarden voldaan. Gasunie heeft daarom aangegeven dat het een aansluiting op WarmtelinQ mogelijk wil maken als de gemeenteraad met dit raadsvoorstel instemt. Vervolg Als alle beslispunten conform worden besloten, dan schept dit de randvoorwaarden om een aansluiting op WarmtelinQ te realiseren. Gasunie zal bij de realisatie van WarmtelinQ dan ook rekening houden met een aansluiting in Voorschoten. De gemeente Voorschoten begeleidt dit proces vanuit haar wettelijke taken en beleidsmatige doelen. Inwonersparticipatie en communicatie De participatie en communicatie die is ingezet om actief met inwoners van Voorschoten in gesprek te kunnen gaan had vier belangrijke uitgangspunten: (1) extra aandacht besteden aan de communicatie zodat zoveel mogelijk mensen zich aangesproken en uitgenodigd voelden en verbonden werden op de onderwerpen, (2) verschillende soorten van betrokkenheid faciliteren
Pagina 18 van 29
(zoals op zoek naar kennis, steunen, profiteren, actief meedoen en weerstand), (3) in alle informatie duidelijk de verwachtingen managen over de stappen in het proces naar een aardgasvrij Voorschoten (niks staat al vast), (4) handelingsperspectief geven door uit te leggen dat iedereen in het maken van de wijkplannen opnieuw kan meepraten en denken over voorkeursalternatieven voor aardgas per wijk of buurt. Het belangrijkste resultaat is dat er 125 zorgen, wensen en/of vragen van inwoners van Voorschoten zijn opgehaald over het kiezen voor een collectief warmtesysteem algemeen en het aansluiten op WarmtelinQ in het bijzonder. In Bijlage 3 zijn alle berichten die tijdens de Inloopbijeenkomst en op het online formulier zijn achtergelaten uitgeschreven. Deze inzichten kunnen meegenomen worden bij het raadsbesluit. En ze kunnen gebruikt worden in de vervolgcommunicatie en participatie. Een ander resultaat is dat de inwoners op verschillende manieren (er is een mix van communicatiemiddelen ingezet) toegang hebben gekregen tot de basiskennis die op dat moment beschikbaar was over een collectief warmtesysteem en WarmtelinQ. Hierdoor ontstaat een meer gelijkwaardige informatiepositie onder inwoners en kunnen gesprekken in de toekomst makkelijker worden opgepakt of voortgezet.
Als laatste hebben de stakeholders van de gemeente zich in een expertbijeenkomst coöperatief opgesteld in hun bijdrage aan deze stap in de warmtetransitie waardoor we in de toekomst meer gesprekken zullen voeren met deze actief betrokken inwoners van Voorschoten.
Pagina 19 van 29
Beslispunt 3 Medewerking verlenen aan de realisatie van een warmteoverdrachtsstation (WOS), en het kadastrale perceel met kenmerk VSTOO-A-5272 in zijn geheel en de gronden die nu worden gebruikt als gemeentewerf van de kadastrale percelen met kenmerk VSTOO-A-5918 en VSTOO-A-5915 hiervoor reserveren Inleiding Een warmteoverdrachtstation (WOS) is noodzakelijk om het collectieve warmtesysteem aan te kunnen sluiten op WarmtelinQ. Zonder een WOS kan er geen aansluiting op WarmtelinQ komen. Een WOS zet warmte (van 110 ºC) uit WarmtelinQ om naar warmte van een lagere temperatuur (70 tot 90 ºC). Vanuit het WOS kan een lokaal warmtenet worden gevoed. Het WOS zal binnen een straal van 300 meter van het aansluitstuk (T-stuk, in Figuur 3 met de oranje stip aangegeven) gerealiseerd moeten worden (de doorgetrokken cirkel in Figuur 3 geeft deze 300 meter aan). Het aansluitstuk is een aftakking van WarmtelinQ waarmee deze via een WOS op een lokaal warmtenet aangesloten kan worden. Omdat de locatie van het aansluitstuk vastligt zijn de locaties waarop een WOS gerealiseerd kan worden zeer beperkt.
Figuur 3 - Aansluitpunt op WarmtelinQ en mogelijke percelen voor een WOS (rood en blauw) Hieronder wordt beargumenteerd waarom een WOS nodig is voor een collectief warmtesysteem, welke percelen geschikt zijn voor een WOS en wat voor ruimte hiermee wordt gecreëerd. Daarnaast worden de kanttekeningen, vervolgstappen en toekomstige inwonersparticipatie en communicatie toegelicht.
Pagina 20 van 29
Argumenten 3.1 De locatie van het aansluitpunt ligt vast en de keuze voor de locatie van de het warmteoverdrachtstation is daarmee beperkt. De locatie van het aansluitpunt in Voorschoten ligt vast omdat het grootste deel van WarmtelinQ in Voorschoten wordt aangelegd door middel van gestuurde boringen (gele lijn op Figuur 4). Hier liggen de leidingen tot 25 meter diep. Het is op deze diepte niet mogelijk aan te sluiten op WarmtelinQ. Het aansluitpunt kan daarom alleen worden gerealiseerd in het deel dat in een open ontgraving wordt aangelegd (blauwe lijn in Figuur 4). Hier ligt de leiding dichter aan de oppervlakte.
Figuur 4 - Tracé WarmtelinQ Uit een uitgevoerde studie van advies- en ingenieursbureau Witteveen+Bos blijkt dat er op basis van het vastliggende aansluitpunt maar twee geschikte locaties zijn voor het WOS (zie bijlage 4). Bijlage 5 geeft kaart van de te reserveren percelen. Het gaat daarbij specifiek om de groen gearceerde gronden. Zonder het reserveren van de gronden (percelen) is de kans aanwezig dat deze een andere invulling krijgen. De optie om aan te sluiten op WarmtelinQ zou daarmee waarschijnlijk komen te vervallen. Daarom wordt voorgesteld de gronden te reserveren tot er definitieve besluiten over de realisatie van een WOS zijn genomen door de gemeenteraad. Het reserveren van de gronden betekent niet dat vastligt dat de WOS op één van deze locaties zal worden gerealiseerd. Wel
Pagina 21 van 29
vormt het de basis om de gronden niet voor andere doelen te gebruiken totdat de plannen van een WOS verder uit zijn gewerkt en definitieve besluitvorming voor deze locaties is doorlopen. 3.2 De gemeente Voorschoten zal de WOS niet zelf realiseren en reserveert de gronden voor Gasunie en een nog aan te wijzen publiek warmtebedrijf die de WOS zullen realiseren. De realisatie van de WOS is de verantwoordelijkheid van Gasunie en een nog aan te wijzen publiek warmtebedrijf (de exploitant van het collectieve warmtesysteem). De gemeente heeft hierbij een faciliterende rol. Het toekomstige publieke warmtebedrijf is nu nog niet bekend. Daarom is het reserveren van de gronden het belangrijkste dat de gemeente Voorschoten op dit moment kan doen. Een toekomstig warmtebedrijf weet hiermee wat de geschikte locaties voor de realisatie van een WOS zijn. De reservering van de gronden gaat dus om het op termijn mogelijk kunnen maken van een WOS op deze locaties. Het gaat niet over een investering in het WOS of een besluit tot aansluiting op WarmtelinQ. De kosten voor de realisatie van een WOS komen niet voor rekening van de gemeente Voorschoten. 3.3 Met een WOS op deze locatie kan naar verwachting in 30% tot 100% van de warmtevraag van een collectief warmtesysteem worden voorzien.
Uit het onderzoek van Witteveen+Bos blijkt dat realiseren van een WOS op één van de voorkeurslocaties een substantiële bijdrage kan leveren aan de warmtetransitie van Voorschoten. WarmtelinQ kan via het WOS 30% tot 100% van de warmtevraag van het collectieve warmtesysteem leveren. Het percentage hangt vooral af van de omvang van het uiteindelijke collectieve systeem en de afspraken die met de gemeente Leiden gemaakt worden (zie kanttekening 3.1). Het realiseren van een WOS op deze locatie kan dus voorkomen dat er extra installaties en infrastructuur op andere, minder geschikte, locaties nodig zijn. 3.4 Het reserveren van de twee voorkeurslocaties geeft ruimte om te komen tot een optimale invulling. Het onderzoek van Witteveen+Bos toont aan dat het WOS op beide percelen gerealiseerd kan worden. Om te zorgen dat het WOS op de beste plek kan komen wordt voorgesteld om beide percelen te reserveren. Zo ontstaat er ruimte om ook andere functies in te passen of te behouden, en kunnen de belangen van omwonenden zo goed mogelijk worden meegenomen.
Pagina 22 van 29
3.5 Het realiseren van een WOS in Voorschoten is ook van groot belang voor de warmtetransitie in de gemeente Leiden. Aan de andere kant van de gemeentegrens, in Leiden-Zuidwest, wordt ook een warmtenet verwacht. De gemeente Leiden wil hiervoor graag gebruik maken van WarmtelinQ, omdat de warmte uit WarmtelinQ een belangrijke rol in de warmtetransitie van Leiden-Zuidwest speelt. De locatie van de WOS in Voorschoten is daarbij de meest logische locatie om op aan te sluiten. Het besluit over een aansluiting op WarmtelinQ en het reserveren van geschikte gronden voor de WOS raakt dus ook de warmtetransitie van de gemeente Leiden. Een besluit tegen de realisatie van een WOS in Voorschoten zal als gevolg hebben dat de warmtetransitie in Leiden flinke vertraging oploopt. Het besluit van de Voorschotense gemeenteraad heeft dus niet alleen invloed op de warmtetransitie in de eigen gemeente, maar ook op die van Leiden. Kanttekeningen 3.1 Zonder samenwerking met de gemeente Leiden is een aansluiting van het collectieve warmtesysteem op WarmtelinQ niet mogelijk. Een voorwaarde van de Gasunie om aan te sluiten op WarmtelinQ is dat er in 2030 een afname moet zijn van 10 MW basislast (het niet variërende gedeelte van de energievraag). Op basis van de voorgenomen fasering uit bijlagen 1 en 2 blijkt dat waarschijnlijk alleen warmtecluster Noord-Hofland in 2030 gerealiseerd kan zijn.
De basislast warmtevraag in Noord-Hofland is 4 MW. Dit is dus niet voldoende om aan te kunnen sluiten op WarmtelinQ. De verwachte basislast warmtevraag in Leiden-Zuidwest in 2030 is ongeveer 8 MW. De verwachte vermogensvraag voor Voorschoten en Leiden-Zuidwest samen is dan in ieder geval 12 MW. Samenwerking tussen de gemeenten zal dus nodig zijn om een aansluiting op WarmtelinQ te realiseren. Voorschoten heeft Leiden nodig om tot voldoende basislast warmtevraag te komen, terwijl Leiden ook Voorschoten nodig heeft voor de locatie van een WOS. Na 2030 zal de vermogensvraag in beide gemeenten tot 2050 overigens gefaseerd toenemen. In 2050 is de vermogensvraag die met een WOS op deze locatie geleverd kan worden in de twee gemeenten samen ongeveer 50 MW basislast, op basis van de TVW 1.1 en inschattingen van de gemeente Leiden. Dit betekent dat er in de toekomst waarschijnlijk meer warmtevraag zal zijn dan er door WarmtelinQ geleverd kan worden. In de toekomst zullen dus goede afspraken met de gemeente Leiden gemaakt moeten worden over de verdeling van de warmte die voor deze aansluiting op WarmtelinQ beschikbaar is. 3.2 De gronden worden nu nog voor andere toepassingen gebruikt.
Pagina 23 van 29
De te reserveren gronden worden momenteel al voor andere toepassingen gebruikt door de buitendienst van de gemeente Voorschoten. Het gaat daarbij met name om de (tijdelijke) opslag van afval en andere materialen. Het reserveren van de gronden betekent dat deze activiteiten in de toekomst misschien plaats moeten maken voor de warmtetransitie. Dat hoeft niet meteen en misschien kunnen de activiteiten (deels) blijven bestaan. Er is een tussenperiode, totdat het warmtebedrijf wordt aangewezen. Dit kan nog enkele jaren duren. De mogelijke nieuwe locatie voor deze activiteiten wordt op dit moment meegenomen in het onderzoek en de zoektocht naar de nieuwe huisvesting voor de buitendienst. Op deze manier wordt dus een passend alternatief gezocht. 3.3 De ontwerpen voor een WOS en bijbehorende leidingen zijn nog niet bekend. De komende periode zal de haalbaarheid, technologiekeuze en vormgeving van een WOS op de voorkeurslocaties verder worden uitgewerkt. Definitieve besluitvorming hierover zal in de toekomst genomen worden. Het beslispunt in dit raadsvoorstel gaat alleen over het reserveren van gronden en schept daarmee de basis dat het realiseren van een WOS mogelijk blijft. Zo blijven meer opties beschikbaar, en kan besluitvorming over de gekozen procedure en de precieze invulling van een WOS zorgvuldig worden voorbereid.
3.4 De planologische procedure voor de realisatie van een WOS is nog niet zeker. Een WOS is op basis van het geldende Omgevingsplan van de gemeente Voorschoten op de voorkeurslocaties niet zomaar toegestaan. Er zijn twee manieren waarmee een WOS (planologisch) wel mogelijk gemaakt kan worden: (1) via een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna: BOPA) of (2) via een wijziging van het Omgevingsplan. Om een WOS op deze locatie via een BOPA mogelijk te maken geldt dat dit pas kan als er een warmtebedrijf is aangewezen. Voor zo een omgevingsvergunning is het van belang dat het initiatief voldoende concreet is, zoals de technologiekeuze, vormgeving, afmetingen en positionering. Deze informatie is er momenteel nog niet en moet samen met een toekomstig warmtebedrijf worden bepaald. Een wijziging van het Omgevingsplan biedt meer flexibiliteit. In een Omgevingsplan kan het kader waarbinnen het project mogelijk is worden vastgelegd. Hiervoor geldt echter dat de definitieve aanpak en strategie om van het tijdelijk Omgevingsplan van de gemeente Voorschoten (dat op 1-1-2024 van kracht is geworden) te komen tot een definitief Omgevingsplan nog moeten worden bepaald. Een eventuele wijziging van het Omgevingsplan voor een WOS zal hier onderdeel van moeten zijn. Dit moet verder worden uitgewerkt en dit plan zal op korte termijn nog niet beschikbaar zijn.
Pagina 24 van 29
De keuze voor de procedure (BOPA of wijziging Omgevingsplan) zal tegelijkertijd met de verdere detaillering van de WOS worden uitgewerkt. Ongeacht de gekozen procedure blijft het wenselijk om tenminste de gronden te reserveren. Zo blijft het realiseren van een WOS in de toekomst mogelijk en is er voldoende tijd om de beste procedure te kiezen. 3.5 Het realiseren van een WOS kan niet zonder enige overlast op de directe omgeving. Het realiseren van een WOS kan zowel bij de aanleg als tijdens de operatie overlast geven. De overlast kan komen van bouwactiviteiten, maar bijvoorbeeld ook door geluidsoverlast tijdens gebruik. Omdat de details van de WOS nog niet bekend zijn, is ook de mogelijke overlast lastig in te schatten. De analyse in bijlage 4 geeft een indicatie, maar is zeker geen voorspelling van de overlast. Bij de studie is bewust van het slechtste of omvangrijkste scenario uitgegaan om de haalbaarheid van de fysieke inpassing te toetsen. De praktijk zal anders zijn en naar verwachting voor minder overlast zorgen. Wat bijlage 4 wel laat zien is dat er een WOS te realiseren is die aan alle relevante wetgeving kan voldoen. Vervolg De keuze voor de planologische procedure (BOPA of wijziging Omgevingsplan) zal tegelijkertijd met de verdere detaillering van de WOS worden uitgewerkt. Delen van dit proces zijn afhankelijk van de aanwijzing van een publiek warmtebedrijf.
De uitkomsten van dit proces zullen een vervolg krijgen in toekomstige besluitvorming. Inwonersparticipatie en communicatie In het bij Beslispunt 2 beschreven participatieproces is met inwoners van Voorschoten ook het gesprek gevoerd over de eventuele locatie van de WOS. In de zorgen, wensen en vragen die zijn geuit komt dit ook regelmatig ter sprake. In Bijlage 3 is al deze input terug te lezen. Door de participatie is een goed beeld verkregen van wat er leeft in Voorschoten rondom deze stap in de warmtetransitie. Belangrijk is dat de gesprekken de komende jaren gevoerd blijven worden. Daarbij zal extra aandacht komen voor de groep die minder goed wordt bereikt: huurders en particuliere verhuurders. Het is belangrijk om te kiezen voor participatievormen die passen bij de beïnvloedingsruimte die nodig is of die we willen geven om samen met inwoners tot volgende stappen te komen. Het participatieproces rondom WarmtelinQ en de WOS heeft meer inzicht gegeven in de verschillende drijfveren van inwoners bij de warmtetransitie. Daardoor kan de communicatie nog beter aansluiten op bij wat er speelt in Voorschoten.
Pagina 25 van 29
Verdere uitwerking Financiën De directe financiële gevolgen van dit raadsvoorstel zijn klein en niet terugkerend. Het voorstel heeft geen invloed op de vastgestelde begroting. De voorbereiding van het raadsvoorstel is gedaan door de huidige organisatie, en is bekostigd met behulp van de tijdelijke en voor een vastgelegd doel bedoelde landelijke regeling capaciteit decentrale overheden voor klimaat- en energiebeleid (CDOKE). Een toekomstig collectief warmtesysteem zal worden gefinancierd door een nog aan te wijzen publiek warmtebedrijf. De exacte invulling hiervan is nog niet bekend. Het kan blijken dat een deelneming van de gemeente Voorschoten in dit warmtebedrijf wenselijk of noodzakelijk is. Details over de invulling van een dergelijke deelneming zijn niet bekend en dit is het onderwerp van onderzoek binnen de samenwerking Warmte Leidse Regio (WLR). De kosten voor de realisatie van het warmteoverdrachtsstation (WOS) en de leidingen daar naartoe komen voor rekening van Gasunie en het toekomstige warmtebedrijf. De gemeente Voorschoten hoeft hiervoor geen kosten te maken. Naast de realisatie van het collectieve warmtesysteem en de aansluiting op WarmtelinQ zullen er mogelijk kosten gemaakt moeten worden voor uit dit raadsvoorstel voortkomende activiteiten.
Hierbij valt te denken aan het opstellen van gemeentelijke uitvoeringsplannen, het uitvoeren van participatietrajecten of kosten die voortkomen uit samenwerkingen (zoals met de gemeente Leiden). Deze kosten zullen in eerste instantie worden gedekt uit de regeling CDOKE. Daar waar dit niet genoeg of passend is zullen apart begrotingsvoorstellen worden ingediend. Juridisch kader De Klimaatwet geeft opdracht tot het opstellen van een klimaatplan door de ministerraad (artikel 3), waarin de doelstellingen van de Klimaatwet dienen te worden waargemaakt. Daarnaast is er het Klimaatakkoord (2019); een overeenkomst tussen de landelijke overheid en 100 andere partijen. Het doel om warmtenetten aan te leggen komt voort uit C1.2 van het Klimaatakkoord, in uitvoering van de doelen van artikel 2 van de Klimaatwet. Voor de aanleg van warmtenetten wordt de regierol voor de energietransitie bij de gemeente neergelegd, onder meer met de opdracht om een transitievisie warmte vast te stellen. De transitievisie is beleid als uitvoering van een wettelijke taak, waartoe op grond van artikel 108 lid 2 van de Gemeentewet het gemeentebestuur bevoegd is om regelingen te maken ter uitvoering hiervan. Daarnaast heeft de gemeenteraad specifiek de bevoegdheid om beleid daarover op te stellen op grond van artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht. Om WarmtelinQ
Pagina 26 van 29
te kunnen benutten, worden in de uitvoering van de transitievisie warmte diverse intentieovereenkomsten of samenwerkingsverbanden voorzien. Risico’s 1.
De implementatie van nieuwe wetgeving wordt vertraagd of blijft uit.
Het raadsvoorstel is opgesteld op basis van wetgeving die nog in voorbereiding is en deze zomer worden behandeld in de Tweede Kamer en Eerste Kamer. Hoewel deze wetgeving niet controversieel verklaard is, kan de uitslag van de Tweede Kamerverkiezingen 2023 hier wel invloed op hebben. Momenteel lijkt er een meerderheid van de Tweede Kamer voorstander van de nieuwe wetgeving. Wanneer de wetgeving toch wordt afgewezen, dan kan dit grote invloed hebben op de haalbaarheid van de warmtetransitie. De gevolgen zijn niet goed te overzien. 2.
Geopolitieke ontwikkelingen hebben invloed op de energievoorziening.
De afgelopen jaren kenmerkten zich door hoge en steeds veranderende energieprijzen, als gevolg van de oorlog in Oekraïne en andere geopolitieke ontwikkelingen. Op het moment van schrijven zijn de energieprijzen aanzienlijk lager dan op het hoogtepunt in 2022. Het is echter niet uit te sluiten dat dit soort pieken weer terugkomen. Schommelingen in energieprijzen kunnen een grote invloed hebben op het (draagvlak van het) collectieve warmtesysteem, zowel in positieve als negatieve zin. De geopolitieke ontwikkelingen liggen buiten de invloedssfeer van de gemeente. 3.
Het gebruik van individuele (hybride) warmtepompen kunnen de haalbaarheid van een collectief warmtesysteem verkleinen.
Als meer bewoners in een warmtenetcluster kiezen voor een individuele oplossing, dan wordt het warmtenet daarmee duurder voor bewoners en worden de voordelen van het collectieve systeem kleiner. Dit zal versterkt worden door nieuwe wetgeving die inwoners per 1 januari 2026 verplicht om een kapotte CV te vervangen door een hybride warmtepomp. Dit kan de haalbaarheid van het collectieve warmtesysteem verkleinen. Om dit risico te beheersen, is het aan te raden om besluitvorming niet langer uit te stellen. Duurzaamheid Het aardgasgebruik in de gebouwde omgeving is verantwoordelijk voor ongeveer 60% van het energieverbruik en de uitstoot van broeikasgassen in Voorschoten. De belangrijkste variabele voor de duurzaamheid van een warmtestrategie is hoe snel het gebouwen van het aardgas afhaalt. Als we gebouwen eerder van het aardgas krijgen, dan stoot Voorschoten minder lang CO2 uit bij de verbranding van het aardgas.
Pagina 27 van 29
Dit raadsvoorstel legt een basis voor de warmtetransitie, waarmee de uitstoot van de gebouwde omgeving in 2050 naar nul wordt gebracht. Daarmee is het een belangrijke stap in de verduurzaming van de gemeente en het voorkomen van de nadelige gevolgen van klimaatverandering. Voor de duurzaamheid van de warmtetransitie zijn vooral twee dingen belangrijk: dat er tenminste een keuze voor een alternatief gemaakt wordt, en dat die keuze binnen korte termijn gerealiseerd wordt. De warmtetransitie is niet gebaat bij vertraging of uitstel. Samenvattend De beslispunten in dit raadsvoorstel leggen een nieuwe basis voor de warmtetransitie in Voorschoten. Het raadsvoorstel heeft meerdere sporen bij elkaar gebracht. Daarmee springt het in op de vraag vanuit de samenleving, de kansen die zich voordoen, de nieuwe wettelijke kaders en de stappen die nodig zijn om duurzame verwarming en keuzevrijheid voor inwoners te faciliteren. Zo wordt een belangrijke stap gezet richting een aardgasvrij Voorschoten. Met vriendelijke groet, het college van burgemeester en wethouders,
E.A. van Wattingen, gemeentesecretaris
Pagina 28 van 29
drs. N. Stemerdink, burgemeester
Besluit Zaaknummer:
Z/23/081881/396035
De raad van de gemeente Voorschoten; Gelet op het feit dat de Klimaatwet opdracht geeft tot het opstellen van een klimaatplan door de ministerraad (artikel 3), waarin de doelstellingen van de Klimaatwet dienen te worden verwezenlijkt (artikel 2). Het Klimaatakkoord (2019) is een invulling van het klimaatplan en het doel om warmtenetten aan te leggen komt voort uit C1.2 van het Klimaatakkoord. Voor de aanleg van warmtenetten wordt de regierol voor de energietransitie bij de gemeente neergelegd, onder meer met de opdracht om een transitievisie warmte vast te stellen. De transitievisie is beleid als uitvoering van een wettelijke taak, waartoe op grond van artikel 108 lid 2 van de Gemeentewet het gemeentebestuur bevoegd is om regelingen te maken ter uitvoering hiervan. Daarnaast heeft de gemeenteraad specifiek de bevoegdheid om beleid daarover op te stellen op grond van artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht. Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van dinsdag 14 mei 2024, gelet op het aangenomen amendement 296, besluit: 1. De transitievisie warmte 1.1 vaststellen. 2. Warmte uit WarmtelinQ aanwijzen als een voorkeursbron voor het collectieve warmtesysteem. 3.
Het kadastrale perceel met kenmerk VSTOO-A-5272 in zijn geheel en de gronden die nu worden gebruikt als gemeentewerf van de kadastrale percelen met kenmerk VSTOO-A-5918 en VSTOO-A-5915 te reserveren om, na een separaat ruimtelijk besluit van de raad, de realisatie van een warmteoverdrachtsstation met P&BU installatie in de toekomst mogelijk te kunnen maken. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Voorschoten, gehouden op donderdag 4 juli 2024, de griffier,
ValidSigned door B.J. Urban op 09-07-2024 drs. B.J. Urban
Pagina 29 van 29
de voorzitter, ValidSigned door Nadine Stemerdink op 10-07-2024
drs. N. Stemerdink