CConstaterende datvoorschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Notitie Staatssteun_11 juni 2020

Gemeenteraad Voorschoten 11 april 2024, gemeente voorschotenBij agendapunt: Ontwikkeling Kruispuntkerk2.169 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

NOTITIE STAATSSTEUN Datum Referentie Betreft

BIJLAGE A

: 11 juni 2020 : 20206458/WJEVdW : Gemeente Voorschoten / Het Kruispunt

DMS01-1369294718-14

Staatssteunregels bij eventuele multifunctionele accommodatie in Het Kruispunt 1.

Inleiding en vraagstelling

1.1

De gemeenteraad van Voorschoten heeft op 14 mei 2020 besloten om de mogelijkheden van een multifunctionele accommodatie te onderzoeken waarin culturele en maatschappelijke activiteiten kunnen worden georganiseerd. Een van de mogelijke locaties voor een dergelijke accommodatie is de voormalige gereformeerde kerk “Het Kruispunt” te Voorschoten. Het gebouw is onlangs door een particulier gekocht. In deze notitie wordt ingegaan op de vraag of en zo ja hoe de Gemeente in het licht van de regels omtrent staatssteun een financiële bijdrage zou mogen doen aan de realisatie en de instandhouding van een dergelijke voorziening.

2.

Beantwoording van de vraag

2.1

Indien de Gemeente aan een ‘onderneming’ een bijdrage wil doen voor de realisatie van een multifunctionele accommodatie ten behoeve van culturele en maatschappelijke activiteiten, zal mogelijk worden voldaan aan de criteria van de artikelen 107 en 108 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) met betrekking tot staatssteun. Onder ‘onderneming’ wordt in dit verband verstaan elke entiteit die een economische activiteit uitoefen, ongeachte de rechtsvorm of de wijze van financiering.

2.2

Dat geldt in elk geval indien in de multifunctionele accommodatie economische activiteiten worden uitgeoefend door een ‘entiteit’, zoals het uitbaten van een kantine of het verhuren van zaaltjes aan derden. Dit betekent niet dat de staatssteun daarmee per definitie onrechtmatig zal zijn, maar wel dat deze meldingsplichtig is bij de Europese Commissie en de staatssteun niet eerder kan worden toegekend dan nadat de Europese Commissie na onderzoek akkoord is gegaan.

2.3

Hierop gelden enkele uitzonderingen.

2.4

In de eerste plaats kunnen decentrale overheden op grond van de deminimisverordening (Verordening (EU) Nr. 1407/2013) ondernemingen een steun verlenen tot EUR 200.000,- over een periode van maximaal 3 jaar. Hiervoor moet een verklaring worden afgelegd (https://mijn.rvo.nl/standaardformulieren-kaderbesluit-

1/6

ez-subsidies?inheritRedirect=true). 2.5

In de tweede plaats vallen investeringen in o.a. culturele en maatschappelijke infrastructuur onder de werking van de vrijstellingsregeling van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (“AGVV”) (Verordening (EU) nr. 651/2014, gewijzigd in 2017). Zie: https://eur-lex.europa.eu/legalcontent/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:2014:187:FULL&from=EN.

2.6

Indien aan de eisen van hoofdstuk I en art. 53 en/of art. 55 van de AGVV wordt voldaan, wordt de steun aangemerkt als verenigbaar met de interne markt en geldt de meldingsplicht bij de Europese Commissie niet. In dat geval kan worden volstaan met een kennisgeving en een jaarlijkse staatssteunrapportage.

2.7

Volgens hoofdstuk I van de AGVV gelden diverse vereisten, waarvan de belangrijkste de drempelbedragen zijn. De vrijstellingsregeling van de AGVV is alleen van toepassing indien de investeringssteun voor cultuur en instandhouding van het erfgoed maximaal EUR 100 miljoen en voor exploitatiesteun EUR 50 miljoen per jaar. Voor investeringssteun in multifunctionele infrastructuur maximaal EUR 15 miljoen en voor exploitatiesteun maximaal EUR 2 miljoen per infrastructuurvoorziening per jaar. Deze drempels mogen niet worden omzeild door de steunregelingen of steunprojecten kunstmatig op te splitsen. Boven de drempels geldt de AGVV niet en moet de steun volgens de hoofdregel worden gemeld bij de Europese Commissie. Het gaat hier echter om zodanig forse bedragen dat daar in het onderhavige geval niet (snel) aan zal worden voldaan. -

Culturele voorzieningen

2.8

Artikel 53 stelt een aantal bijzondere regels aan steun voor “cultuur en instandhouding van het erfgoed”. Zoals hiervoor is aangegeven moet in elk geval aan de eisen van hoofdstuk I worden voldaan.

2.9

Volgens lid 2 moet sprake zijn van (een van) de volgende culturele doelstellingen en activiteiten: “a) musea, archieven, bibliotheken, kunstencentra en cultuurcentra of artistieke of culturele locaties, theaters, operahuizen, concerthallen, andere live-performanceorganisaties, cinematografische erfgoedinstellingen, en andere vergelijkbare artistieke en culturele infrastructuurvoorzieningen, organisaties en instellingen; b) materieel erfgoed, waaronder alle vormen van roerend of onroerend cultureel erfgoed en archeologische sites, monumenten, historische locaties en gebouwen; natuurerfgoed met een rechtstreekse band met cultuurerfgoed of indien dit door de bevoegde overheidsinstanties van een lidstaat formeel is erkend als cultuur- of natuurerfgoed; c) immaterieel erfgoed in welke vorm ook, met inbegrip van volksgebruiken en ambachten; d) kunst- of culturele evenementen en performances, festivals, tentoonstellingen en andere vergelijkbare culturele activiteiten;

2/6

e) culturele en artistieke educatie alsmede de bewustmaking van het belang van de bescherming en bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen via educatieve programma's en bewustmakingscampagnes voor het grote publiek, onder meer door middel van nieuwe technologieën; f) (n.v.t.).”

2.10

De steun kan ingevolge lid 3 investeringssteun (met inbegrip van steun voor de bouw of modernisering van cultuurvoorzieningen) of exploitatiesteun betreffen.

2.11

Voor beide soorten steun gelden verschillende voorwaarden: “4. Wat investeringssteun betreft, zijn de in aanmerking komende kosten de kosten voor investeringen in materiële en immateriële activa, met inbegrip van: a) kosten voor de bouw, modernisering, verwerving, instandhouding of verbetering van infrastructuur, indien jaarlijks ten minste 80 % van de tijd- of ruimtecapaciteit voor culturele doeleinden wordt gebruikt; b) kosten voor de verwerving, met inbegrip van huur, eigendomsoverdracht of fysieke verplaatsing van cultureel erfgoed; c) kosten voor bescherming, instandhouding, restauratie en herstel van materieel en immaterieel cultureel erfgoed, met inbegrip van bijkomende kosten voor de opslag onder geschikte omstandigheden, speciale uitrusting, materialen en de kosten voor documentatie, onderzoek, digitalisering en publicatie; d) kosten om cultureel erfgoed beter toegankelijk te maken voor het publiek, met inbegrip van kosten voor digitalisering en andere nieuwe technologieën, kosten om de toegankelijkheid te verbeteren voor mensen met speciale behoeften (met name hellingbanen en liften voor mensen met een handicap, aanduidingen in braille en voel- en tastobjecten in musea) en kosten om de culturele diversiteit ten aanzien van presentaties, programma's en bezoekers te bevorderen; e) kosten voor culturele projecten en activiteiten, samenwerkings- en

uitwisselingsprogramma's en -beurzen, met inbegrip van kosten voor selectieprocedures, promotiekosten en kosten die rechtstreeks uit het project voortvloeien. 5. Wat exploitatiesteun betreft, zijn de in aanmerking komende kosten de volgende: a) de kosten van de culturele instelling of erfgoedlocatie in verband met vaste of tijdelijke activiteiten, waaronder tentoonstellingen, uitvoeringen en evenementen en vergelijkbare culturele activiteiten die plaatsvinden in het kader van hun normale activiteiten; b) kosten van culturele en artistieke educatie en van de bewustmaking van het belang van de bescherming en bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen via educatieve programma's en bewustmakingscampagnes voor het grote publiek, onder meer door middel van nieuwe technologieën; c) kosten om de locaties en activiteiten van culturele instellingen of erfgoedlocaties beter toegankelijk te maken voor het publiek, met inbegrip van kosten voor digitalisering en het gebruik van nieuwe technologieën, alsmede kosten om de toegankelijkheid te verbeteren voor mensen met een handicap; d) exploitatiekosten die rechtstreeks verband houden met het culturele project of de

3/6

culturele activiteit, zoals het huren of leasen van vastgoed en culturele locaties, reiskosten, materialen en leveranties die rechtstreeks verband houden met het culturele project of de culturele activiteit, architectonische structuren voor tentoonstellingen en podia, de ontlening, huur en afschrijving van werktuigen, software en uitrusting, kosten voor toegangsrechten tot auteursrechtelijk beschermde werken en andere verwante door intellectuele-eigendomsrechten beschermde content, promotiekosten en kosten die rechtstreeks voortvloeien uit het project of de activiteit. Afschrijvingslasten en financieringskosten komen alleen in aanmerking indien deze niet werden gedekt door investeringssteun; e) kosten voor personeel dat werkt voor de culturele instelling, de erfgoedlocatie of een project; f) kosten voor advies- en ondersteuningsdiensten geleverd door externe consultants en dienstverrichters, die rechtstreeks voortvloeien uit het project. 6. In het geval van investeringssteun is het steunbedrag niet hoger dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de exploitatiewinst van de investering. De exploitatiewinst wordt in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten, hetzij vooraf op basis van redelijke prognoses, hetzij via een terugvorderingsmechanisme. De exploitant van de infrastructuur mag een redelijke winst behouden over de betrokken periode. 7.

In het geval van exploitatiesteun is het steunbedrag niet hoger dan wat nodig is om de exploitatietekorten plus een redelijke winst over de betrokken periode te dekken. Dit wordt geborgd vooraf op basis van redelijke prognoses, of via een terugvorderingsmechanisme. 8. Voor steun van ten hoogste 2 miljoen EUR kan het maximale steunbedrag in plaats van dat aan de hand van de in de leden 6 en 7 genoemde methode vast te stellen, worden bepaald op 80 % van de in aanmerking komende kosten, ”

-

Multifunctionele infrastructuur

2.12

Steun kan ook worden verleend aan “sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur”. Bij de multifunctionele accommodatie gaat het om de laatste categorie.

2.13

Artikel 55 stelt een aantal bijzondere regels aan steun voor sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur. Zoals hiervoor is aangegeven moet ingevolge lid 1 ook hier in elk geval aan de eisen van hoofdstuk I worden voldaan.

2.14

Ingevolge artikel 55 lid 3 omvat multifunctionele recreatieve infrastructuur omvat recreatieve faciliteiten met een multifunctioneel karakter die met name culturele en recreatieve diensten bieden, met uitzondering van attractieparken en hotelfaciliteiten.

4/6

2.15

Ingevolge lid 4 moet de toegang tot de multifunctionele recreatieve infrastructuur openstaan voor meerdere gebruikers en wordt deze op transparante en nietdiscriminerende basis verleend. Ondernemingen die ten minste 30 % van de investeringskosten van de infrastructuur hebben gefinancierd, kunnen preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden, mits die voorwaarden publiek beschikbaar worden gesteld.

2.16

Ingevolge lid 6 moet iedere concessie of iedere andere vorm van toewijzing aan een derde om de sportinfrastructuur of multifunctionele recreatieve infrastructuur te bouwen, te moderniseren en/of te exploiteren, plaatsvinden op open, transparante en niet-discriminerende basis plaats, rekening houdende met de geldende aanbestedingsregels.|

2.17

Ook in dit geval kan de steun (ingevolge lid 7) investeringssteun (met inbegrip van steun voor de bouw of modernisering van multifunctionele recreatieve infrastructuur) of exploitatiesteun betreffen.

2.18

De regels zijn vervolgens iets eenvoudiger ten opzichte van de regels bij culturele voorzieningen: “8. Wat investeringssteun voor sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur betreft, zijn de in aanmerking komende kosten de kosten voor investeringen in materiële en immateriële activa. 10. Wat investeringssteun voor sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur betreft, is het steunbedrag niet hoger dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de exploitatiewinst van de investering. De exploitatiewinst wordt in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten, hetzij vooraf op basis van redelijke prognoses, hetzij via een terugvorderingsmechanisme. 12. Voor steun van ten hoogste 2 miljoen EUR kan het maximale steunbedrag in plaats van dat aan de hand van de in de leden 6 en 7 genoemde methode vast te stellen, worden bepaald op 80 % van de in aanmerking komende kosten.

3.

Aankoop van grond/gebouwen

3.1

Indien de staatssteun tevens betrekking heeft op de aankoop van het onroerend goed, dan moet de daarop betrekking hebbende steun afzonderlijk worden beoordeeld.

3.2

De Gemeente zal zich daarbij moeten houden aan de zgn. Notion of State aid (opvolger van de Mededeling grondtransacties). https://eur-lex.europa.eu/legalcontent/NL/TXT/?uri=celex:52016XC0719(05)

5/6

3.3

Bij verkoop van onroerend goed door de Gemeente is kort gezegd geen sprake van staatssteun indien de transactie marktconform tot stand komt.

3.4

Ingevolge de oude Mededeling was geen sprake indien: - in concurrentie een transparante, niet-discriminerende en onvoorwaardelijke biedingsprocedure is georganiseerd die sterk lijkt op een aanbesteding; - door een onafhankelijke deskundige vóór aanvang van de onderhandelingen een taxatie is uitgevoerd om de marktwaarde te bepalen op grond van algemeen aanvaarde marktindicaties en taxatiecriteria, en de grond wordt tegen de marktwaarde verkocht.

3.5

In de Notion of State aid worden meer methoden genoemd. Een transactie is marktconform indien één van de volgende procedures of beoordelingsmethoden is gevolgd: pari passu transacties (paragraaf 86 van de notion of State aid), een openbare en onvoorwaardelijke biedprocedure (paragraaf 89), benchmarking (paragraaf 98) of overige beoordelingsmethodes zoals een taxatie door een onafhankelijke taxateur en andere beoordelingsmethodes (paragraaf 101 e.v.). Bij aankoop van onroerend goed zal in de praktijk een taxatie op basis van marktconformiteit volstaan.

3.6

Overigens geldt ook hier de de-minimisverordening (max. EUR 200.000,- in 3 jaar), maar de eventuele steun bij de aankoop zal wel moeten worden opgeteld bij de eventuele investeringssteun en/of exploitatiesteun die met inachtneming van de AVGG is verleend.

4.

Conclusie

4.1

Bij verlening van de steun aan een culturele voorziening en/of een multifunctionele recreatieve voorziening zal – afhankelijk van het type steun - moeten worden getoetst of aan de in de AGVV gestelde voorwaarden is voldaan. Als aan de voorwaarden wordt voldaan, is de steun verenigbaar met de interne markt en kan worden volstaan met een kennisgeving en jaarlijkse staatssteunrapportage. Zo niet, dan zal de steun als gezegd niet per definitie onrechtmatig zijn, maar in elk geval meldingsplichtig.

4.2

Bij de aankoop van onroerend goed zal afzonderlijk moeten worden nagegaan of de daarop betrekking hebbende steun voldoet aan de Notion of State aid.

4.3

Op grond van de de-minimisverordening kan (met een verklaring) steun worden verleend tot EUR 200.000,- over een periode van maximaal 3 jaar.

***

6/6

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=401880a6-d372-4c21-b659-cf6e55d99942