Informatiebrief 065 Bijlage 1. Voortgangsrapportage programmateam 2e kwartaal 2022.pdf
Tekst van het document
Regionaal programma Warmte Leidse Regio Voortgangsrapportage en planning 2e kwartaal 2022
Versie 1.1 - 14 juni 2022
1
Inhoud Regionaal programma Warmte Leidse Regio................................................................................................................. 1 1
Inleiding ................................................................................................................................................................... 3
2
Terugblik .................................................................................................................................................................. 3
3
2.1
Context........................................................................................................................................................... 3
2.2
Financiering ................................................................................................................................................... 4
2.3
WLQ+ ............................................................................................................................................................. 4
2.4
Geothermie.................................................................................................................................................... 5
2.5
ORES ............................................................................................................................................................... 5
2.6
Routekaart ..................................................................................................................................................... 6
2.7
Governance ................................................................................................................................................... 6
Herijking Plan van Aanpak ...................................................................................................................................... 7 3.1
Concretisering ORES ...................................................................................................................................... 7
3.2
Realisatiesnelheid collectieve warmtevraag ................................................................................................ 8
3.3
Inzet beschikbare warmtebronnen. ............................................................................................................. 8
3.4
Regionale samenwerking warmtetransitie .................................................................................................. 9
3.5
Monitoring klimaatbijdrage .......................................................................................................................... 9
3.6
Financiering ................................................................................................................................................... 9
3.7
Vormen van publieke betrokkenheid ........................................................................................................... 9
3.8
Organisatievorm vervolg .............................................................................................................................10
3.9
Communicatie en bestuurlijk overleg. .......................................................................................................10
3.10
Evaluatie en vervolg Warmtetransitie Leidse Regio. .................................................................................10
4
Financieel (voorlopig) ............................................................................................................................................10
5
Activiteitenoverzicht op basis van herijking plan van aanpak ............................................................................12 5.1
Werkstroom 1.: Regionaal energiesysteem. ..............................................................................................12
5.2
Werkstroom 2: uitvoering warmtetransitie ...............................................................................................12
5.3
Werkstroom 3: Partnerstrategie ................................................................................................................14
5.4
Werkstroom 4: organisatie .........................................................................................................................15
2
1
Inleiding
Deze rapportage over de voortgang van het regionaal programma voor de warmtetransitie in de Leidse regio blikt terug op een half jaar uitvoering. Er zijn belangrijke stappen gezet naar duidelijkheid over de manier waarop deze transitie kan worden ingevuld. Intussen zijn ook relevante externe ontwikkelingen gaande die in combinatie met ‘voortschrijdend inzicht’ uitnodigen tot een herijking van de invulling van het programma. Bovendien zijn inmiddels in alle gemeenten nieuwe raden en colleges geïnstalleerd. Deze rapportage gaat in op die ontwikkelingen en houdt, mede op basis van adviezen als verwoord in de ‘Routekaart Warmtetransitie Leidse Regio’ het bestaande plan van aanpak tegen het licht. Dat leidt tot een nadere precisiering van de acties die de komende maanden nog nodig zijn om uiteindelijk tot bestuurlijke besluitvorming te kunnen komen over een voortzetting van de regionale samenwerking op dit onderwerp en de invulling ervan.
2
Terugblik
De regionale samenwerking op het warmte thema is geïnitieerd door het voornemen om de transportleiding voor restwarmte uit Rotterdam door te trekken naar Leiden, en het besluit om GasUnie hiervoor als regionale transportbeheerder aan te wijzen. Dat betekent ook dat de discussie de afgelopen maanden over het al dan niet realiseren van de ‘warmtetransportleiding Rijswijk – Leiden’, ook bekend als WLQ+, een belangrijke invloed heeft gehad op de invulling van het programma. Op 11 juli jl is het besluit genomen om WLQ+ te realiseren. Dat betekent dat voor de verdere invulling van het programma WLQ+ als een gegeven kan worden gezien. De ontwikkeling van WLQ+ heeft in de regio geleid tot het streven naar een ‘open regionaal energiesysteem’ (ORES) waarmee in een multi-bronnenstrategie de diverse beschikbare duurzame warmtebronnen kunnen voorzien in de vraag naar collectieve warmte zoals die in de diverse Transitievisies Warmte van de betrokken gemeenten is aangegeven. Kernthema’s bij de uitvoering van het programma in de afgelopen maanden waren governance, concretisering van het ORES en de ontwikkeling van de ‘Routekaart Warmtetransitie Leidse Regio’. Daarnaast speelde de personele invulling van het regionale programmateam WLR.
2.1
Context.
Er is in de omgeving van het programma in 2022 inmiddels veel veranderd wat ook van directe en indirecte invloed is op de uitvoering. Meest markant is uiteraard het conflict in Oekraïne. De impact daarvan op de energiemarkt is onmiskenbaar zichtbaar in verminderde beschikbaarheid van aardgas en de enorm gestegen energieprijzen. Het effect daarvan is tweeledig: enerzijds is er daardoor een toegenomen interesse in maatregelen die het energiegebruik verminderen, anderzijds is het effect van de gestegen energieprijzen op het algehele kostenniveau dat lagere inkomens minder mogelijkheden hebben om zich door investeringen in de woning daaraan te onttrekken, met een armoedeval als consequentie. Alternatieve warmte – oplossingen worden daarmee relevanter. De rol van gemeenten op het energiedossier wordt geleidelijk steviger verankerd. Zo ligt een aanpassing van de gaswet voor waarin gemeenten via de Omgevingswet de gelegenheid wordt geboden om te sturen op het op termijn beëindigen van de gaslevering in bepaalde wijken of gebieden. Of en onder welke voorwaarden gemeenten daarvan gebruik willen maken valt te bezien, daartoe dienen in een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet nadere regels te worden gesteld. Het is aan de individuele Raden en Colleges om daarover te besluiten.
In het kader van de nieuwe ‘Wet collectieve Warmte’ moet een besluit worden genomen over het publiek of privaat beheer van warmte infrastructuren. Over de concretisering daarvan wordt nog volop gesproken, het streven van de Minister is deze wet beging 2023 aan de Tweede Kamer aan te bieden. Het effect ervan is in ieder geval dat de huidige warmtebedrijven terughoudend reageren op nieuwe investeringen.
3
En tot slot wordt steeds duidelijker dat het Nederlandse elektriciteitsnet de toenemende vraag naar transportcapaciteit niet meer aan kan. Een route naar elektrische verwarmingsopties, zowel individueel als bijvoorbeeld collectief voor het opwaarderen van lage temperatuur warmte wordt daarmee niet eenvoudiger.
2.2
Financiering
In het regeerakkoord Rutte IV is een record bedrag van 35 miljard euro aan ondersteuning voor klimaatbeleid opgenomen. Hoewel in de voorjaarsnota daar een deel van is teruggenomen voor tegenvallers in de begroting zijn er aanzienlijke middelen beschikbaar voor de transitie, inclusief duurzame warmte. Hoe die middelen gaan worden ingezet is nog niet duidelijk. In het programma zetten we in op het verwerven van een deel van dit budget. Dat geldt ook voor andere vormen van financiële ondersteuning voor regionale warmte oplossingen. In het Beleidsprogramma Versnelling Verduurzaming Gebouwde Omgeving van Binnenlandse Zaken wordt in het kader van de gebiedsgerichte aanpak (programmalijn 1) de centrale rol van gemeenten in de lokale transitie onderstreept. Dat wordt gecombineerd met instrumenten afgeleid van het ‘fit for 55’ pakket van de EU zoals aanpassingen van de fiscale behandeling van energie, opnemen van de gebouwde omgeving in het ´Emission Trading System’ en het voorzien van gemeenten van een passender beleidsinstrumentarium via de Omgevingswet. De programmalijn ‘Bronnen en Infrastructuur’ (programmalijn 4) biedt inzicht in het nog verder te ontwikkelen financieringsinstrumentarium waarmee een beroep kan worden gedaan op de klimaatfondsen van het Kabinet.
Of, en in welke mate dat tegemoet komt aan de behoefte van gemeenten voor financiële ondersteuning van zowel de intensiverende rol in de energietransitie in de gebouwde omgeving als het dichten van de onrendabele top bij het realiseren van warmte infrastructuur is nog onduidelijk. WLR zal de komende maanden in kaart brengen welke mogelijke financiële instrumenten gemeenten ter beschikking staan of gaan komen bij het invullen van hun rol, en hoe dat voor de realisatie van een regionaal warmtesysteem als ORES kan worden ingezet.
2.3
WLQ+
Het besluit om de Warmtetransportleiding Rijswijk – Leiden (WLQ+) te realiseren is de uitkomst van een complexe onderhandeling tussen de gemeente Rotterdam, het Rijk, de Provincie Zuid Holland en de Gasunie. Daarnaast speelt Vattenfall als warmtebedrijf een belangrijke rol in de besluitvorming. De regio Leiden, en in het verlengde daarvan de RES-regio Holland Rijnland zijn hierin belanghebbende, maar geen partij. Het programma WLR heeft met diverse betrokkenen, en met name Gasunie en Vattenfall regelmatig contact onderhouden om op de hoogte te blijven van relevante ontwikkelingen. Vanuit de betrokken partijen is via het Bestuurlijk Overleg aan de regio gevraagd om inhoudelijk bij te dragen aan de realisatie van WLQ+ zonder daarin een commitment af te geven voor een financiële bijdrage of afname van warmte. Vanuit de bestuurlijke rol heeft dat vooral geleid tot het stroomlijnen van het proces rond de ruimtelijke besluitvorming aanlanding WLQ+ op de locatie A44/N206 in het westen van Leiden. Dit betreft het realiseren van een Warmte Overdrachtsstation WOS) en de Piek en Backup installaties nodig voor de aansluiting op het bestaande warmtenet in de regio. Dit heeft geresulteerd in de stap om de ruimtelijke procedure voor de locatie onder te brengen in het Provinciale Inpassingsplan voor het tracé WLQ+.
Tevens zijn afspraken gemaakt tussen Gasunie, Vattenfall, betrokken gemeenten en de Universiteit Leiden / Bioscience Park over de voorkeurslocatie en de invulling ervan, en de verdere aansluiting vanuit deze locatie naar het bestaande warmtenet. Dit heeft bijgedragen aan het vertrouwen van de onderhandelende partijen dat er voldoende bestuurlijk commitment is in de regio om de realisatie van WLQ+ mogelijk te maken. De realisatie van WLQ+ betekent een transportcapaciteit van ca. 100 MWth aan hoge temperatuur basislast duurzame warmte voor de regio. Dat is onvoldoende om te kunnen voldoen aan de totale basislast warmtevraag voor collectieve warmte in de gebouwde omgeving in de regio. Daarmee is het evident dat er een verdelingsvraagstuk ontstaat, tenzij er elders nog aanzienlijke hoeveelheden duurzame warmte kunnen worden gewonnen. Geothermie en de Uniper centrale, mits verduurzaamd, zijn daarin op dit moment de enige
4
kandidaten. Dit vormt de rationale voor een open regionale warmte infrastructuur (ORES). De komende maanden zal vanuit het regionale programma worden gewerkt aan het creëren van meer duidelijkheid over de inzet van de resterende warmtecapaciteit en het maken van afspraken daarover.
2.4
Geothermie
Vier bedrijven (‘operators’) zijn op basis van een opsporingsvergunning bezig om de beschikbaarheid en winbaarheid van geothermische warmte onder de grond in de regio in kaart te brengen. Dit onderzoek is nog niet afgerond. Op dit moment is de voortgang daarvan ook afhankelijk van de juridische procedure met Dunea over de interactie met drinkwaterwinning. Daarom is er weinig concreets te zeggen over de beschikbaarheid en kosten van geothermische warmte in de regio. Geothermische warmte voor de collectieve verwarming van gebouwen is relatief nieuw in Nederland. Op dit moment functioneren 26 geothermische bronnen (‘doubletten’) met name in de glastuinbouw. In welke mate deze bronnen kunnen gaan bijdragen aan een duurzame warmte oplossing in de regio binnen de gestelde ‘maatschappelijke waarden’ is dus nog onzeker. Het consortium rond Shell/D4 dat onderzoek doet ten noorden van Katwijk is het meest ver in haar plannen. Afspraken met drie grote afnemers zijn of worden gemaakt. Aanhaken van wijken langs een toekomstig leveringstracé is een optie, hierover wordt gesproken met de omliggende gemeenten in de Duin- en Bollenstreek. De ambitie van de regio Leiden is om door het realiseren van een Open Regionaal Energiesysteem de inzet van geothermie in de regio te faciliteren en te voorkomen dat elke operator haar eigen netwerk laat ontwikkelen om specifieke afnemers te bedienen.
Zowel qua ruimtebeslag als vanuit de wens naar publieke invloed op een open energiesysteem is zou dat onwenselijk zijn. Op dit moment ontbreekt het de ‘operators’ echter nog aan concrete afzetmogelijkheden voor eventueel te winnen warmte. Uitblijven van die afzetmogelijkheden kan er toe leiden dat bedrijven afzien van verdere inspanningen en investeringen in de winning, en hun activiteiten elders in Nederland voortzetten. Vanuit het regionale belang is het belangrijk om de ontwikkeling van hun afzetmogelijkheden parallel te laten lopen aan de realisatie van een regionale infrastructuur en de vergunning van eventuele boorlocaties.
2.5
ORES
De strategie in het Plan van Aanpak (PvA) voor de warmtetransitie in de regio dat in oktober 2021 door de zes colleges is vastgesteld is het realiseren van een ‘Open Regionaal Energiesysteem’. Het concept van deze regionale infrastructuur is ook opgenomen in de meeste Transitievisies van de samenwerkende gemeenten. De rationale achter dit idee is ook terecht, gegeven de beperkte beschikbaarheid van duurzame warmtebronnen in de regio en de verdeling ervan is samenwerking op de inzet ervan nodig. Voor een enkele gemeente is de verduurzamingsopgave op warmte anders te groot. In het PvA is de vormgeving van het ORES nog open gelaten. Aspecten als de impact op de inzet van andere energiedragers en kleinschalige innovatieve initiatieven zijn daarin benoemd, net als de notie dat een systeem voor de regio niet los kan staan van ontwikkelingen op hogere schaalniveaus en dat samenwerking met partners daarin essentieel is. In de kern is een ORES een vorm van regionale energie infrastructuur. Anders dan bij elektriciteit en (aard)gas is de warmtemarkt echter (nog) niet op die manier gereguleerd. Er is door het Rijk lang gewerkt aan de nieuwe Wet Collectieve Warmte (WcW) die hierin gaat voorzien en naar verwachting begin 2023 aan de Tweede Kamer kan worden aangeboden. Daarin worden zowel voor de gemeenten als voor de warmtebedrijven en warmteinfra beheerders regels gesteld.
In het kort komen die er op neer dat het realiseren van warmtedistributie dan alleen nog is toegestaan daar waar gemeenten daar expliciet toestemming voor hebben gegeven in de vorm van het aanwijzen van ‘warmtekavels’. Dat zijn in de gemeente(n) waarin een warmteleverancier collectieve warmtedistributie mag aanbieden. Voor het regionale (bovengemeentelijke) transport van warmte is voor ZuidHolland Gasunie expliciet als warmtetransportbedrijf aangewezen, vooruitlopend op de WcW. Warmtedistributie en levering wijkt in haar aard af van transport en levering van gas en elektriciteit door de lokale schaal waarop warmtedistributie in het algemeen plaatsvindt. WLQ is daarop een uitzondering. Die lokale
5
schaal betekent dat de koppeling van bron, transport, distributie (in de wijk) en levering vaak in één hand worden gehouden ter beheersing van risico’s in ontwikkeling en exploitatie. Dat heeft te maken met de hoge aanloopinvesteringen in de infrastructuur die gedekt moeten worden door beheersing van de kosten van de warmteproductie (bron) en de levering aan de eindgebruiker. Met name het achterblijven van de afname (het ‘vollooprisico’) en daarmee in deze regio de snelheid van overstap van aardgas naar warmte in de daartoe door gemeenten aangewezen wijken bepaalt daarin de risico’s en dus ook de kosten. Het realiseren van een regionaal warmtesysteem is daarom geen sinecure. Daar komt bij dat – terecht – vanuit het maatschappelijke belang veel waarde wordt gehecht aan het sturen op ‘publieke waarden’. In het PvA zijn die benoemd als betaalbaar, haalbaar (inclusief), betrouwbaar, duurzaam en snel en ruimtelijk afgewogen (PvA, p.8). Dat betekent een belangrijke sturende rol voor de betrokken gemeenten. Zie hiervoor ook het onderwerp ‘governance’ hierna in deze rapportage.
2.6
Routekaart
Conform Plan van Aanpak is een ‘routekaart’ opgeleverd door bureau OverMorgen. 1 Deze routekaart is gebaseerd op hun kennis en ervaring als interim programmateam voor de regio tot en met mei jl. Ze geeft een beeld van de stand van de uitvoering van het programma WLR en een reflectie daarop van enige afstand. Ook geeft zij aan wat daarin volgens OverMorgen belangrijke volgende stappen zouden moeten zijn. Het is daarmee een advies met aanbevelingen aan het programmateam en de regio. In de onderstaande herijking van het plan van aanpak Warmte Leidse Regio wordt ingegaan op de uitwerking van hun adviezen. De belangrijkste bevindingen in de Routekaart zijn: ➢ ➢
➢ ➢ ➢ ➢
2.7
De ontwikkeling van een regionaal warmtesysteem vergt concrete vraag naar collectieve warmte in de gemeenten; De slagvaardigheid van de samenwerking in de regio is laag, waardoor het risico ontstaat dat marktontwikkelingen niet worden bijgehouden en daarmee het vermogen om te sturen op publieke waarden vermindert; Door te werken met drie ‘warmteclusters’ die elk hun eigen karakteristieke combinatie van vraag en type bron kennen kan de ontwikkelsnelheid van een regionaal warmtesysteem wordt vergroot; Versterking van de samenwerking met partners is mogelijk door toe te werken naar concrete afspraken, de klankbordgroep kan daar een eerste stap in zijn; Concretiseren van het concept van een open regionaal warmtenet helpt in stappen naar de realisatie; Om een gezamenlijke keuze te maken voor de rolneming is een afwegingskader wenselijk;
Governance
Uit de ontwikkeling van de wet- en regelgeving rond warmtelevering blijkt de belangrijke rol die gemeenten wordt, en gaat worden toegedicht in de warmtetransitie. Belangrijk daarbij is dat die rol door het Rijk wordt gekoppeld aan voldoende financiële middelen om de warmtetransitie ook te laten voldoen aan de publieke waarden zoals betaalbaarheid en inclusiviteit. Onder dat voorbehoud is het sturen op die publieke waarden en de invulling van de sturende rol die voor de gemeenten wordt voorzien een thema dat aandacht vraagt. Welke rolinvulling past bij die sturing, welke risico’s houden die in en zijn die acceptabel en welke afspraken zijn nodig voor een regionale warmteverdeling? In het programmateam WLR zijn de gedachten daarover gevormd en wordt een notitie daarover voorbereid die bestuurlijk kan worden besproken. Het ene hangt echter met het andere samen. Zolang niet duidelijk is welke
1
Warmte in de Leidse Regio: Een routekaart naar aardgasvrij door regionale samenwerking, OverMorgen, Juni 2022 (bijlage bij deze rapportage)
6
vorm een regionale warmtedistributie kan aannemen is een gesprek over governance vooral filosofisch. Naarmate de uitvoering, kosten en risico’s concreter worden is ook een betere afweging van de rolneming mogelijk. De discussie over rolneming kan dus ook niet los worden gezien van de uitkomst van bovengenoemde ontwerpstudie. Zeker nu in de komende WcW naar alle waarschijnlijkheid er voor wordt gekozen om het beheer van warmte infrastructuur in publieke handen te geven zal dit grote betekenis hebben voor de rolneming bij zowel realisatie als exploitatie van warmtenetten, en dus ook van regionaal warmtetransport.
3
Herijking Plan van Aanpak
Bovenstaande ontwikkelingen en inzichten geven aanleiding om de aanpak van de warmtetransitie in de Leidse regio tegen het licht te houden gericht op doelmatige inzet van mensen en middelen. De aanbevelingen in de Routekaart vormen een belangrijke basis daarvoor. Gedeeltelijk zijn de adviezen en aanbevelingen daarin al verwerkt in de huidige aanpak. Met het Plan van Aanpak Warmtetransitie Leidse regio in het achterhoofd leidt dat tot de volgende agenda voor de komende maanden:
3.1
Concretisering ORES
Om van het ‘concept ORES’ naar realisatie te komen is het essentieel om concreet te maken wat een ORES dan zou kunnen zijn, of welke vormen dat zou kunnen aannemen. Deze vraag is uitgewerkt naar een concrete ontwerpopdracht voor een ORES. Omwille van de beheersbaarheid en complexiteit is er voor gekozen om dit vooralsnog in te perken tot warmte. Het is zeker waar dat in de toekomst de inzet van alle energiedragers zal veranderen en dat nieuwe, koolstofarme energiedragers hun intrede zullen doen. Hoe, waar en wanneer is echter nog verre van duidelijk, en wachten op die duidelijkheid is geen optie gegeven de urgentie van het warmtevraagstuk. De aanpak gaat uit van scenario’s voor de totale warmtevraag in de regio en de bekende en potentieel beschikbare bronnen voor collectieve duurzame warmte. Om die met elkaar te verbinden bestaan verschillende varianten op basis van bijvoorbeeld keuzen voor temperatuurniveau, benodigd basis- en piekvermogen en af te leggen afstanden. In de vorm van scenario’s worden ontwerpen van infrastructuur ontwikkeld en op gevoeligheid voor uitgangspunten getest. Aan de hand van scenario’s in vraag en aanbod van collectieve warmte zijn in de Routekaart drie clusters gedefinieerd die in het ontwerp ORES als uitgangspunt worden gehanteerd (zie figuur 1).
Figuur 1: Drie ontwikkelgebieden uit de Routekaart
De ontwerpopdracht ORES is er op gericht om onderbouwing te bieden voor beleidskeuzen in de realisatie van een regionaal warmtesysteem. De studie moet daarmee ook de meerwaarde aantonen van een dergelijke infrastructuur ten opzichte van een scenario zonder ORES, wat betekent dat elke gemeente op eigen houtje de warmtetransitie per wijk of cluster van wijken vormgeeft. In de ontwerpopdracht worden met de meest actuele kennis en programma’s ontwerpen gemaakt van regionale infrastructuren onder verschillende scenario’s van vraag en aanbod van collectieve, duurzame warmte. Aan de hand van gevoeligheidsanalyses worden dan de verschillende scenario’s beoordeeld. Het streven is deze ontwerpstudie in het najaar van 2022 af te ronden. Dat betekent niet dat daarmee een definitief ontwerp gereed zal zijn voor aanbesteding, maar wel dat op hoofdlijnen keuzen, en ook afspraken kunnen worden gemaakt over de verdere stapsgewijze ontwikkeling en inrichting ervan. Dat geldt ook voor de verdeling van de beschikbare schaarse warmte over de verschillende gemeenten, wijken of clusters van wijken.
7
3.2
Realisatiesnelheid collectieve warmtevraag
De routekaart benadrukt het belang van het snel en gecoördineerd ontwikkelen van de vraag naar collectieve warmte. Terecht stelt de routekaart dat een ORES geen doel op zich is, maar een oplossing die bijdraagt aan het betaalbaar, betrouwbaar en snel realiseren van een duurzaam warmte alternatief voor de inzet van aardgas. Het ORES volgt en faciliteert de vraag naar collectieve warmte, bij het ontbreken van die vraag worden investeringen in een regionaal systeem niet gedekt door opbrengsten uit transport en levering van collectieve warmte. De uitwerking van de eerder opgestelde transitievisies leiden tot een gebiedsgerichte aanpak voor het ontwikkelen van alternatieve warmte-oplossingen waaronder collectieve warmte. In die transitievisies is een indicatie gegeven van de gebieden waar dat per gemeente een aantrekkelijke oplossing zou kunnen zijn. De routekaart wijst er op dat die visies in een volgende versie nog wel een slag concreter kunnen om daarmee ook meer vertrouwen te geven voor een stap naar collectieve warmte. Belangrijker is echter dat slagen worden gemaakt met de uitvoering van de wijken die op kortere termijn op de nominatie staan om te worden aangepakt. Het regionale belang is gediend bij een gecoördineerde ontwikkeling van de warmtevraag. Een eerste stap daarin is een monitoring tool om de voortgang van de wijkaanpak in de diverse gemeenten te kunnen volgen.
Daar zal een eerste versie nog in 2022 voor worden ontwikkeld. Dit zal worden gebaseerd op methodieken die al elders zijn ontwikkeld. Er ligt dus een belangrijke opgave bij de individuele gemeenten. Hun inzet wordt in belangrijke mate bepaald, of gehinderd door de beschikbaarheid van financiële middelen, zowel voor het organiseren van een participatief besluitvormingsproces als voor een eventuele onrendabele top. Ervaring in het land leert dat het ontwikkelen van warmteprojecten veel tijd en aandacht vergt om tot een goede gedragen besluitvorming te komen. Er valt veel te leren van elkaar en van andere gemeenten. Bij het vormgeven van een vervolg aan het programma WLR zal aandacht worden besteed aan de mogelijkheden om de samenwerking van gemeenten in de regio op dit gebied te versterken en te leren van ervaringen elders.
3.3
Inzet beschikbare warmtebronnen.
De regio heeft op dit moment uitzicht op twee grote regionale warmtebronnen, WLQ+ en Geothermie. De laatste is qua omvang en realisatietermijn nog onzeker. Een andere regionaal belangrijke bron van warmte is op dit moment de Stadscentrale van Uniper in Leiden. Uit gesprekken met Uniper is gebleken dat zij de mogelijkheden bestuderen om deze bron regionaal in te zetten. Door de concurrentie met andere duurzame elektriciteitsproductie ontwikkelt deze bron zich meer en meer als pieklastcentrale voor warmte, wat de inpassing in het lokale net ingewikkeld maakt. Het overleg met Uniper over hun concrete plannen zal de komende maanden worden voortgezet. Daarnaast is er een potentieel aan lokale lage temperatuur bronnen die vooral een bijdrage kunnen leveren op het niveau van wijken of buurten. De omvang en winbaarheid van deze laatste is nog onzeker. Samen met Rijnland Energie zullen deze de komende maanden worden geïnventariseerd. De inzet van met name de grotere regionale warmtebronnen wordt gedreven door commerciële overwegingen. Om enige regie te kunnen voeren op de inzet van de beschikbare warmte zal de komende maanden worden gewerkt aan een regionale bestuurlijke afspraak hierover. De ORES studie moet daar de basis voor bieden.
8
3.4
Regionale samenwerking warmtetransitie
De Routekaart constateert terecht dat het borgen van publieke waarden sturing door de gemeenten vergt, het belangrijk is dat de besluitvaardigheid van de samenwerking wordt versterkt. Zo niet loopt de regio de kans bij de inzet van de regionale warmte voor voldongen feiten te worden gesteld. Hierbij geldt dat hier afstemming tussen regionaal belang en de gemeentelijke beleidsverantwoordelijkheid aan de orde is. WLR volgt daarin de aanbeveling in de Routekaart om het principe te hanteren dat voor de regionale vraagstukken duidelijke afspraken vast te leggen en daarvoor de verantwoordelijkheid ook duidelijk te beleggen. Voor de komende maanden betreft dit in ieder geval: ➢ ➢ ➢ ➢
3.5
Borgen van de ruimtelijke inpassing van (onder meer) geothermie; Concretiseren warmtevraag woningbouwcorporaties; Ontwikkelen en hanteren van kaders en uitgangspunten bij de realisatie van collectieve warmte; Bestuurlijke afstemming met de RES regio;
Monitoring klimaatbijdrage
In het plan van aanpak wordt de klimaatbijdrage als een belangrijke publieke waarde benoemd. Deze ontstaat door de inzet van duurzame warmte waarmee een deel van de inzet van fossiele brandstof wordt vermeden. Vragen ontstaan met name bij het netto effect door de inzet van gasgestookte piekketels en de inzet van deels fossiele elektriciteit. Dit vraagt om een heldere duiding van het netto klimaateffect bij de inzet van duurzame warmte in de regio. De ORES ontwerpstudie moet daar de onderbouwing voor bieden.
3.6
Financiering
Zoals hierboven aangegeven wordt de ontwikkeling van ‘aardgasvrije wijken’ in belangrijke mate bepaald door financiële randvoorwaarden. Zo blijkt in meerdere voorbeeldsituaties dat een goed participatief beslistraject veel tijd en aandacht vergt van gemeenten, en daarmee dus ook kosten genereert. En als al wordt overwogen om de stap te maken naar collectieve warmte blijkt veelal dat de kosten daarvan aanzienlijk zijn. Dat komt door zowel hogere leveringskosten als eventuele gebouwgebonden maatregelen op het gebied van isolatie en installatie. Dat geldt zowel voor individuele eigenaren als voor corporatiebezit. Harde landelijke gegevens daarover ontbreken. Het recentelijk gepubliceerde ‘ambitiedocument voor haalbare warmtenetten’ (Aedes e.a., juni 2022) komt tot ca 14.000 euro gemiddeld inclusief subsidie, in het besef dat dit per situatie erg kan verschillen. Naast de investeringen die nodig zijn voor de realisatie van collectieve warmte blijkt ook uit de ervaringen uit het Programma Aardgasvrije Wijken (PAW) dat de verduurzaming van de warmtevraag een ingewikkeld en arbeidsintensief proces oplevert. Dat doet een aanzienlijk beroep op de inzet van gemeenten en andere betrokken partijen (energiebedrijven, netbeheerders e.d.). Ook voor die gemeentelijke / regionale opgave moet financiering worden gevonden.
Dit betekent dat het stimuleren van de vraag naar collectieve warmte en het realiseren van een regionaal warmtenet vergezeld moet gaan van substantiële externe financiering. Hiervan zal een overzicht worden gemaakt en met regelmaat bijgewerkt.
3.7
Vormen van publieke betrokkenheid
Borgen van publieke waarden bij het realiseren van collectieve warmte vergt vormen van publieke sturing. De adviseurs van OverMorgen suggereren in de Routekaart dat er in de regio sprake zal zijn van ‘marktfalen’: gewenste ontwikkelingen zullen op basis van het huidige marktmechanisme niet worden gerealiseerd. In de Routekaart wordt geadviseerd om de huidige betrokkenheid van de gemeenten na de recente verkiezingen te
9
herijken en een afwegingskader te ontwikkelen voor wijze van betrokkenheid van gemeenten bij de realisatie van collectieve warmte, lokaal en regionaal. De komende maanden zal dit worden uitgewerkt en bestuurlijk besproken. Daarin zal rekening worden gehouden met de rol die gemeenten in het kader van de Wet Collectieve Warmte wordt of gaat worden toegedicht.
3.8
Organisatievorm vervolg
De huidige samenwerking in het kader van het programma Warmte Leidse Regio richt zich vooral op het expliciteren van verwachtingen over de rol en werking van een Open Regionaal Energiesysteem en de samenwerking daarop met partners. De intentie is om dat dit jaar te laten uitmonden in een concreter beeld van de vervolgstappen en de tijdplanning die daar bij hoort. Zoals eerder is aangegeven zal de ontwikkeling van de collectieve warmtevraag daar een belangrijke rol in spelen. Vooruitlopend op een volgende stap in de ontwikkeling van een ORES zal ook de organisatievorm van het regionale programma tegen het licht worden gehouden. Vanuit een analyse van scenario’s zal daarvoor een voorstel worden ontwikkeld dat aansluit op een volgende stap in de realisatie van een ORES.
3.9
Communicatie en bestuurlijk overleg.
Na de verkiezingen zullen raadsleden en de betrokken wethouders worden bijgepraat en opnieuw betrokken bij het regionale programma WLR. Daarvoor zal het Bestuurlijk Overleg weer worden samengesteld en zullen in overleg hiermee raden op passende momenten worden geïnformeerd en bijgepraat. Het is zaak dat in het najaar iedereen weer zodanig geïnvolveerd is dat verrassingen worden voorkomen en eenduidige sturing kan worden gegeven aan de regionale warmtetransitie.
3.10 Evaluatie en vervolg Warmtetransitie Leidse Regio. Het plan van aanpak voor WLR voorziet in een evaluatiemoment. De uitvoering van het PvA is in Oktober 2021 gestart met de opdracht voor het interim programmateam van OverMorgen, later dan voorzien in het PvA. Dat betekent dat sommige resultaten van het programma ook later worden gerealiseerd. Een zinvolle evaluatie vergt dat de resultaten van de hier genoemde activiteiten ook beschikbaar zijn. Voor het einde van 2022 wordt voorzien dat een evaluatiekader wordt ontwikkeld als maatlat om de programma aanpak te kunnen evalueren. In de eerste helft van 2023 kan dan een evaluatie plaatsvinden en besluitvorming over het al dan niet voortzetten van deze samenwerking en in welke vorm dit het beste kan gebeuren, gegeven de uitdaging en de resultaten die dan voorliggen.
4
Financieel overzicht
Onderstaand het financiële overzicht van de uitvoering WLR. Het merendeel van de kosten voor 2022 is inmiddels wel bekend en als verplichting ingeboekt. Dat leidt tot een geplande realisatie van 790.000 einde jaar. Voorzien was een realisatie van 1.060 mln. Het grootste deel van de verplichtingen zit in de uitvoering van de ORES ontwerpstudie en de tijdelijke ondersteuning van het programmateam, in eerste instantie door bureau OverMorgen (interim programmateam) en vanaf juli door Balance (uitvoering WLR). Dat heeft alles te maken met het gegeven dat het opbouwen van een inhoudelijk voldoende toegerust zelfstandig regionaal programmateam in de afgelopen periode niet is gelukt. De reacties op de aangeboden vacatures was inhoudelijk onvoldoende om een team op te bouwen. Dat neemt niet weg dat, als tot verdere samenwerking wordt besloten op het regionale warmte thema, het bouwen van een stevig programmateam alsnog aan de orde kan komen afhankelijk van wat er dan nodig is.
10
Realisatie 2021
Begroot 2022
Realisatie 2022
Verplichtingen (cumulatief)
Prognose (cumulatief 2021 + 2022)
Reservering 2023
Werkstroom 1. Programmatische inspanningen zoals onderzoek, ontwerp & doorrekening open regionaal energiesysteem
54.800
450.000
72.934
285.000
350.000
250.000
Werkstroom 2. Versterken van initiatieven, bevorderen ontwikkelingen en voorbereiden op uitvoering (excl. cofinanciering)
21.900
150.000
8.501
44.000
60.000
390.000
Werkstroom 3. Omgevingsmanagement, innovatie en markt
21.900
160.000
7.944
15.000
30.000
320.000
Werkstroom 4. Organisatie en samenwerking
11.000
300.000
116.878
311.878
350.000
250.000
Totaal
109.600
1.060.000
206.258
655.878
790.000
1.210.000
De oorspronkelijke budgetraming in het plan van aanpak kent geen gespecificeerde onderbouwing. Dat maakt het lastig afwijkingen van die raming te duiden. In het PvA worden een groot aantal activiteiten benoemd (zie onderstaand overzicht) die niet per se een groot beslag op een budget leggen, maar wel op personele inzet. Dat betekent dat is ingezet op de inhuur van externe expertise ter ondersteuning van de hieronder benoemde onderdelen in het programma WLR. Dat verklaart de realisaties op werkstromen 1 en 4. De werkstroom 2 richt zich op het versterken van initiatieven in de regio. Hierin is vooral aandacht besteed aan het waar mogelijk inhoudelijk begeleiden van de vier geothermie partijen, bijvoorbeeld in de relatie met Dunea. Ook is hier een relatie gelegd met Rijnland Energie vanuit hun ambities om de ontwikkeling van lokale (wijk) warmteprojecten te stimuleren en begeleiden. Werkstroom 3 kent vooral activiteiten die de samenwerking in de regio versterken. Dat betreft vooralsnog vooral het bij elkaar brengen van partijen. De in het PvA voorgestelde marktconsultatie is in de huidige onzekere fase nog niet zinvol omdat zowel de uitvoering als de rolneming op de ORES in de regio nog niet zijn uitgewerkt. Wel is hier een inventarisatie uitgezet van de actuele innovaties op het gebied van warmte in de gebouwde omgeving, met een focus op de collectieve warmtevoorziening.
Werkstroom 4 bevat de uitgaven voor de uitvoering van het programma, inclusief de inzet van Balance voor die ondersteuning in de tweede helft van 2022. Grotere uitgaven, bijvoorbeeld in de vorm van medefinanciering of fondsvorming, worden mogelijk relevant als de realisatie van de regionale infrastructuur in zicht komt. Dat zal naar verwachting in 2022 niet meer het geval zijn. Vooralsnog is er voor gekozen om een ontwerpopgave in opdracht te geven hiervoor de onderbouwing moet leveren.
11
5
Activiteitenoverzicht op basis van herijking plan van aanpak
Onderstaand overzicht geeft beknopt weer welke activiteiten in het programma Warmte Leidse Regio vallen en worden voorzien, onderverdeeld naar de werkstromen in het Plan van Aanpak..
5.1
Werkstroom 1.: Regionaal energiesysteem.
Deze werkstroom bevat activiteiten die inzicht bieden in de samenstelling van een duurzaam energiesysteem voor de Regio Leiden. De focus daarin is gericht op het concretiseren van een Open Regionaal Energiesysteem (ORES). Werkstroom (PvA) WS1:Energieysteem Ontwerpscenario’s en rolneming
Resultaat
Status
Plan
Vervolgstappen
Bevindingen meenemen in evaluatie najaar 2022
Varianten zijn beschreven in Routekaart.
Bevindingen zijn onderlegger bij systeemontwerp ORES
WLR routekaart
Inzicht in mogelijke rolnemingen en relatie met Wet Collectieve Warmte Plan realisatie ORES
Gereed, zie ook rapportage
Adviezen routekaart verwerkt in aanpak programma WLR
Monitoring klimaatbijdrage
Inzicht impact ORES
Monitoring aanpak is opgenomen in opdracht ondersteuning WLR rest 2022
De keuzen voor ontwerp ORES evalueren op klimaatimpact.
De observaties van OverMOrgen in de routekaart bespreken op niveau managers en bestuurlijk na reces. Klimaatimpact is een van de afwegingen bij scenariokeuze in het kader van ORES, met name bij inzet van piekvermogen.
5.2
Werkstroom 2: uitvoering warmtetransitie
Deze werkstroom bevat de activiteiten die op regionaal niveau nodig zijn voor het realiseren van de warmtetransitie in de regio. Daarin wordt vooral aandacht besteed aan het ontwikkelen van vraag en aanbod van duurzame warmte in de regio. Werkstroom (PvA) WS2: Warmtetransitie Monitoring wijkuitvoeringsplannen
Resultaat
Status
Plan
Vervolgstappen
Concretisering van de warmtevraag in de regio.
Inzicht in voortgang uitvoering ontbreekt waardoor geen perspectief warmtelevering
Ontwikkelen per 2022 van methode die regionaal inzicht biedt in
Realisatie van warmtevraag essentieel voor realisatie van
12
Tracé ontwikkeling WLQ+
Vaststellen tracé
Concept NRD open voor inspraak Locatie ruimtelijk opgenomen in PIP, afspraken met Universiteit afgerond
Aanlanding WLQ+
Duidelijkheid over beheer locatie A44/N206
Energie coöperaties
Regionale vertegenwoordiging coöperaties op collectieve warmte.
Impact warmtetransitie op functioneren gemeenten
Afstemming tussen verantwoordelijkheden lokaal en regionaal
Bronnen ontwikkeling
Inzicht beschikbare bronnen regio
Geothermie en WLQ+ voldoende in beeld. Globale inventarisatie lokale bronnen uit RES beschikbaar.
Bijeenkomst voortgang
Breed inzicht in voortgang
Innovatie
Inzicht in relevante innovaties
In eerste instantie gericht op nieuwe bestuurders. Bestuurlijk overleg verdaagd vanwege collegevorming Afronding overzicht innovaties September 2022. Ontwerp ORES gebaseerd op innovatief model topsector.
Rijnland Energie onderzoekt potentieel lokale warmte en mogelijkheden voor regionale positie op collectieve warmte Onderwerp in regulier ambtelijk overleg
voortgang realisatie gemeentelijke warmtetransitie. Inspraakprocedure loopt in 2023. Eventueel bijdragen aan reacties Sturen op besluitvorming over toekomstig beheer locatie
Evaluatie van relevantie betrokkenheid coöperaties op regionaal niveau
warmtelevering en regionaal warmtesysteem ORES Toezien op regionaal belang in tracékeuze Overleg met gemeenten, Rijkswaterstaat en Rijksvastgoedbedrijf over beheer van de locatie en toegang derden Rapportage Rijnland Energie volgt in najaar, besluitvorming op basis van rapportage.
Gemeenten krijgen toenemende rol in energie. In organisatiemodel WLR opnemen hoe die rol te ondersteunen. EBN regionaal actief en betrokken bij ORES. Rijnland Energie onderzoekt lokale bronnen. In overleg met Uniper concretiseren van opties in ORES Installatie colleges later dan voorzien, nieuwe reeks Bestuurlijk Overleg plannen na reces.
Ondersteuningsfunctie opnemen in plan voor toekomstige rol WLR.
Afwegen welke innovaties in ontwerp ORES een rol kunnen spelen.
Helderheid over de toepasbaarheid van innovatieve oplossingen warmtenetten in de regio.
In ORES alle bekende bronnen zoveel mogelijk meenemen. Afwegen welke toekomstige bronnen relevant zijn (zie ook innovatie) Na toelichting Bestuurders in overleg informeren van individuele Raden.
13
5.3
Werkstroom 3: Partnerstrategie
Het realiseren van een warmtetransitie vergt samenwerking met alle partners op regionaal niveau. In deze werkstroom wordt aandacht besteed aan het ontwikkelen en versterken van die samenwerking in de regio en met omliggende gemeenten.
Werkstroom (PvA) WS3: Partnerstrategie Woningbouwcorporaties
Resultaat
Brede samenwerking partners
Gedragen aanpak regionale warmtetransitie / ORES
Samenwerking Duin- en Bollenstreek
Samenwerking realiseren
Verbinding regionaal en lokaal ontwikkelen
Inzicht in onderlinge afhankelijkheden
Bestuurlijk overleg D&B op 24/3 heeft geleid tot werkafspraken Energetische analyse toont match. Belang van lokale ontwikkeling voor warmtevraag groot. Verdere uitwerking in ORES ontwerp
Innovatie
Inzicht in nieuwe ontwikkelingen op het gebied van warmtevoorziening
Opdracht voor inventarisatie van actuele innovaties uitgezet, gereed in september
Regionale benadering van Corporaties, afstemmen op vraag naar collectieve warmte
Status Overleg met regionale vertegenwoordiging corporaties loopt, betrokken bij de klankbordgroep ontwerp ORES Samenwerking krijgt vorm in klankbordgroep bij ontwerp ORES,
Plan
Vervolgstappen
Integreren van investeringsplannen woningbouwcorporaties in versnellen van ontwikkeling warmtevraag.
Onderzoeken hoe regionale samenwerking in afspraken kunnen worden vastgelegd
Betrokkenheid partners leidt tot gedragen ontwerp ORES, samenwerking vastleggen in acceptatie eindresultaat ‘22 Samenwerking ambtelijk invullen via regionaal RES warmtetafel
In najaar evaluatie voorzien, brede samenwerking laten leiden naar een gedragen bestuurlijke besluitvorming ORES Samenwerking in RES kader moet nog vorm krijgen. Actie ligt bij warmtetafel. Ontwikkeling warmtekavels hangt op onzekerheid op financiering van gemeenten en warmteprojecten. Essentieel voor betrokkenheid inwoners. Inventarisatie financieringsopties voorzien Inzicht in innovaties opnemen in de ontwerpstudie ORES
Routekaart wijst op belang van ontwikkelen warmtevraag door inzet gemeenten op wijkuitvoering en aanbesteden van kavels.
Afwegen in WLR welke innovaties relevant zijn voor de ambities in de regio
14
Marktconsultatie
Regulier overleg met marktpartijen bestaat, voor een formele marktconsultatie ontbreekt concreet plan.
Communicatie
Inwoners informeren
5.4
Consultatie hangt af van de uitvoering ORES. Er is geen belangstelling voor regionale infra zonder duidelijkheid over warmtevraag wijken Lokale activiteit die in werkgroep regionaal wordt afgestemd
Uitwerken ORES scenario’s prioriteit, consultatie volgt op regionale keuze voor oplossingsrichting
Sturen op duidelijkheid voor marktpartijen als basis voor realistische consultatie
In overleg met gemeenten
Communicatie op regionaal niveau afgestemd met RES
Werkstroom 4: organisatie
Deze werkstroom richt zich op de organisatie en werkwijze van het programma Warmte Leidse Regio, inclusief de samenwerking met en tussen de gemeenten in de regio Leiden. Werkstroom (PvA) WS4: organisatie Samenwerkingsovereenkomst
Resultaat
Status
Samenwerking vastgelegd
Is getekend
Programmateam
Programmateam voor WLR
Evaluatie en continuering WLR
Evaluatie effectiviteit
Essentiele functies voorzien. Programmateam ondersteuning op basis van inhuur. WLR resultaten eind 2022 bekend.
Plan SOK verlengen voor evaluatie en ontwikkelen vervolg Uitvoering programma WLR op basis van inhuur, evaluatie en eventuele voortzetting SOK in 2023 voorbereiden. Evaluatie en besluitvorming over SOK naar 2023
Vervolgstappen Ontwikkelen evaluatieplan, verlengen SOK tot juli 2023 Ontwikkelen contouren programma na 2022, bemensing afhankelijk van bestuurlijke besluitvorming over voortzetten SOK. Uitvoeren van lopende projecten in programma, resultaten gereed eind 2022. Criteria en opzet evaluatie voorbereiden.
15