CConstaterende datvoorschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage bij beantwoording technische vragen 641 Armoedemonitor gemeente Voorschoten

Gemeenteraad Voorschoten 1 februari 2024, gemeente voorschotenBij agendapunt: Onderzoeksrapport Rekenkamercommissie minimabeleid9.162 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

ARMOEDEMONITOR GEMEENTE VOORSCHOTEN 2016

Armoedemonitor gemeente Voorschoten 2016 Een onderzoek naar de grootte en samenstelling van de minimapopulatie in de gemeente Voorschoten.

Colofon Opdrachtgever Gemeente Voorschoten Datum Juni 2017 Auteurs Anne-Wil Hak Tessa Schoot Uiterkamp Databewerking Wim Zijlema KWIZ Stavangerweg 23 - 5 9723 JC Groningen 050 - 5252473 contact@kwiz.nl Uitgave Deze publicatie is een uitgave van KWIZ. Het overnemen van cijfers en / of teksten is toegestaan, mits de bron duidelijk wordt vermeld. Niets uit deze publicatie mag worden verveelvoudigd en / of openbaar gemaakt worden in welke vorm dan ook zonder voorafgaande toestemming van KWIZ.

Inhoudsopgave Inleiding ....................................................................................................................................... 2 Samenvatting............................................................................................................................... 3 Minima in beeld ....................................................................................................................... 5 1.1. Kenmerken minimahuishoudens ...................................................................................... 5 1.2. Langdurige minima ........................................................................................................... 7 1.3. Kinderen............................................................................................................................ 9 Instrumenten voor financiële ondersteuning ......................................................................... 12 2.1. Regelingen voor het minimabeleid ................................................................................. 12 2.2. Kwijtschelding gemeentelijke belastingen ...................................................................... 12 2.3. Bijzondere bijstand ......................................................................................................... 13 2.4.

Individuele inkomenstoeslag ........................................................................................... 13 2.5. Collectieve zorgverzekering............................................................................................ 14 2.6. Regeling school, sport en cultuurkosten ......................................................................... 14 2.7. Regeling maatschappelijke participatie .......................................................................... 15 2.8. Bijzondere bijstand computer of tablet ........................................................................... 15 2.9. Regeling chronisch zieken, gehandicapten en pensioengerechtigden .......................... 16 2.10. Stichting Leergeld ......................................................................................................... 16 Gebruik Wmo en schuldhulpverlening .................................................................................. 17 3.1. Wmo................................................................................................................................ 17 3.2. Schuldhulpverlening ....................................................................................................... 17 3.3. Cumulatief gebruik ..........................................................................................................

18 Het armoedebeleid in perspectief ......................................................................................... 19 4.1. Bevindingen .................................................................................................................... 19 Bijlage 1. Verantwoording ......................................................................................................... 22 Bijlage 2. Bevolkingskarakteristieken ........................................................................................ 24 Bijlage 3 Gevolgen geen kwijtscheldingsgegevens voor de armoedemonitor .......................... 26

1

Inleiding De gemeente Voorschoten voert een actief minimabeleid, zowel op de uitvoering als op het evalueren van de uitgevoerde activiteiten. Ter ondersteuning van dit beleid heeft KWIZ, net als in het verleden, een armoedemonitor samengesteld, waarbij de omvang en samenstelling van de doelgroepen en het gebruik en bereik van de voorzieningen worden gerapporteerd. De vorige armoedemonitor beschreef de populatie in 2012. De peildatum voor de minimapopulatie is 1 januari 2017 (beschrijft de populatie van 2016). Waar mogelijk wordt ook vergeleken met voorgaande jaren. Opzet van het onderzoek Bij dit onderzoek is gebruik gemaakt van registratiegegevens van de verschillende lokale en landelijke regelingen die de gemeente uitvoert. Daarbij gaat het om de volgende voorzieningen: de Participatiewet, minimaregelingen, Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en schuldhulpverlening1. Met behulp van de Basisregistratie Personen (BRP) zijn de gebruikersgegevens vervolgens op huishoudniveau gegroepeerd. Op deze manier ontstaat een samenhangend beeld op de omvang en samenstelling van de minimapopulatie, de mate van gebruik van voorzieningen en de overlap in het gebruik van voorzieningen op andere beleidsterreinen. Leeswijzer Na de samenvatting wordt in het eerste hoofdstuk de doelgroep voor het minimabeleid beschreven aan de hand van een aantal kenmerken.

Vervolgens worden in hoofdstuk 2 alle regelingen die de gemeente kent in beeld gebracht en gaan we nader in op het cumulatief gebruik van voorzieningen. In het derde hoofdstuk wordt het gebruik van de Wmo en de overlap met de minimahuishoudens in beeld gebracht. Het vierde hoofdstuk beschrijft de inkomenseffecten van het lokale en landelijke inkomensondersteunend beleid. In het laatste hoofdstuk formuleren we een aantal conclusies en aanbevelingen.

1 Voor de monitor 2016 hebben we helaas geen beschikking kunnen krijgen over de

kwijtscheldingsbestanden. Door middel van het ophogen van het analysebestand met de verhoudingen van de gemeente Voorschoten hebben we een zo goed mogelijk representatief beeld gecreëerd. Zie ook bijlage 3.

2

Samenvatting Het aantal huishoudens met een inkomen tot 110% van het Wettelijk sociaal minimum (Wsm) is gestegen sinds 2012. De totale doelgroep voor het minimabeleid in de gemeente Voorschoten bestaat uit 550 huishoudens. Deze minimahuishoudens vormen een aandeel van 4,9 procent van alle huishoudens in Voorschoten. Dat is iets hoger dan het aandeel in 2012. Het aandeel minima in Voorschoten is lager dan het landelijke gemiddelde van 10 procent. Het gebruik van de minimaregelingen is sinds 2012 gestegen, met name de regeling maatschappelijke participatie en de regeling voor school, sport en cultuurkosten. Onderstaand geven we de kenmerken van de minimahuishoudens met een inkomen tot 110 procent Wsm weer. De meerderheid van de minimahuishoudens heeft een bijstandsuitkering Van de minimahuishoudens heeft 52 procent een bijstandsuitkering, 18 procent ontvangt AOW en 30 procent komt rond van een ander hoofdinkomen zoals werk of WW. Ten opzichte van 2012 is het aantal huishoudens met bijstand gestegen en het aantal en aandeel ouderen is gedaald ten opzichte van 2012. Eenoudergezinnen meer kans op armoede Eenoudergezinnen behoren vaker tot de minimapopulatie dan andere huishoudens: van alle eenoudergezinnen leeft 20 procent op een inkomen tot 110 procent Wsm.

In Vlietwijk is het aandeel minima hoger In de wijk Vlietwijk ligt het aandeel minimahuishoudens hoger dan in de rest van de gemeente: bijna 11 procent van alle huishoudens in Vlietwijk heeft een minimuminkomen. Niet-westerse allochtone huishoudens zijn vaker minima dan autochtone huishoudens Van alle niet-westerse allochtone huishoudens in de gemeente moet een kwart rondkomen van een inkomen tot 110 procent Wsm. Onder westerse allochtone huishoudens is dit 7 procent en onder de andere huishoudens is dit 3 procent. Bijna 60 procent van alle minima is al drie jaar of langer minima In de gemeente moet 60 procent van alle minimahuishoudens tot 110 procent Wsm al drie jaar of langer van dit inkomen rondkomen. Dit ligt redelijk in lijn met de landelijke trend. Minima met een bijstandsuitkering zijn vaker langdurig aangewezen op een minimuminkomen dan minima met een andere inkomensbron. 4,7 procent van alle kinderen groeit op in een minimahuishouden Van de 5.549 kinderen in Voorschoten leven er 262 in een huishouden met een inkomen tot 110 procent Wsm. Dit is 4,7 procent van alle kinderen in de gemeente. Dit aandeel ligt ver onder het landelijke gemiddelde van 11 procent. Van alle kinderen uit een eenoudergezin, behoort ruim 18 procent tot de minima. In Vlietwijk groeit meer dan de helft van de minimakinderen op.

Bereik minimaregelingen is in 2016 toegenomen! Onderstaande figuur geeft het bereik per inkomensondersteunende regeling in 2016 weer. Dit is het gebruik op huishoudniveau afgezet tegen de doelgroep.

3

Figuur S1. Bereik inkomensondersteunende regelingen

79% 78%

Kwijtschelding 18% 16%

Bijzondere bijstand Individuele inkomenstoeslag

35% 41%

Collectieve zorgverzekering

35% 41%

Regeling School-sport en cultuurkosten

10%

48% 22%

Regeling Maatschappelijke participatie

2012

38%

2016

 Het bereik van de kwijtschelding is met 78 procent erg hoog te noemen. Een bereik boven de 80 procent treffen we bij vrijwel geen enkele gemeente aan. Ten opzichte van 2012 is het bereik de laatste jaren stabiel gebleven.  Het gebruik van de bijzondere bijstand ligt in 2016 op 16 procent, iets lager dan in 2012. In de meeste andere gemeenten ligt het gebruik rond de 20 procent van de doelgroep. Dit is vaak wel afhankelijk van het gebruik van de overige voorzieningen: een hoger generiek gebruik leidt vaak tot een lager gebruik van de bijzondere bijstand.  De individuele inkomenstoeslag heeft een bereik van 41 procent. Bij andere gemeenten met een referteperiode van drie jaar zien we meestal een bereik van 50 à 60 procent.  Het bereik van de collectieve zorgverzekering is met 40 procent prima te noemen en het is ten opzichte van 2012 ook gestegen. Vaak zien we een bereik van rond de 25 procent.  Het bereik van de regeling school, sport en cultuurkosten is ook enorm gestegen: er is in de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in het onder de aandacht brengen van de regelingen voor kinderen en dat heeft succes gehad .  Het bereik van 38 procent van de regeling maatschappelijke participatie is fors gestegen en goed te noemen. In de meeste andere gemeenten zien we een bereik van 35 à 40 procent van een participatieregeling.

4

Minima in beeld In de gemeente Voorschoten geldt voor een aantal gemeentelijke inkomensvoorzieningen een bovengrens van 110 procent van het wettelijk sociaal minimum (Wsm). In deze paragraaf beschrijven we de kenmerken van deze doelgroep op de peildatum van het onderzoek (1 januari 2017). De doelgroep wordt vergeleken met die uit 2012 (de vorige armoedemonitor). In bijlage 2 staan de karakteristieken van de gehele bevolking van de gemeente beschreven

1.1. Kenmerken minimahuishoudens De volgende tabel bevat een overzicht van het aantal en aandeel minimahuishoudens in de gemeente op de peildatum van het onderzoek. Tabel 1.1.1 Huishoudens naar inkomen in Voorschoten Inkomenspercentage t.o.v. Wsm 100% tot 110% Overig Totaal

2012 Aantal 516 10.325 10.841

2016

Aandeel 4,8% 95,2% 100,0%

Aantal Aandeel 550 4,9% 10.687 95,2% 11.237 100%

In 2016 moesten 550 huishoudens in de gemeente rondkomen van een inkomen tot 110 procent Wsm. Ten opzichte van 2012 is het aantal minimahuishoudens gestegen. Relatief is het percentage huishoudens dat rond dient te komen van een inkomen tot 110 procent Wsm ten opzichte van 2012 iets hoger. Het aandeel van 4,9 procent met een inkomen tot 110 procent Wsm ligt ver onder het landelijk gemiddelde van 10 procent. Inkomensbron Als we de huishoudens met een inkomen tot 110 procent van het sociaal minimum uitsplitsen naar hoofdinkomen zien we de volgende verdeling. Tabel 1.1.2 Inkomensbron minima, inkomen tot 110% Inkomensbron Participatiewet AOW Ander inkomen Totaal

2012 Aantal 251 100 165 516

2016

Aandeel 48,6% 19,4% 32,0% 100,0%

Aantal 287 97 166 550

Aandeel 52,2% 17,6% 30,2% 100%

Iets meer dan de helft van alle minima met een inkomen tot 110 procent Wsm moet rondkomen van een bijstandsuitkering, in totaal gaat het om 287 huishoudens. Verder zijn er 97 minimahuishoudens waarvan het oudste gezinslid pensioengerechtigd is waar uitsluitend een AOW-inkomen binnenkomt. Ten opzichte van 2012 is het aantal huishoudens met bijstand gestegen en het aantal en aandeel ouderen is gedaald ten opzichte van 2012. In het algemeen zien we dat mensen die met pensioen gaan een hoger inkomen hebben dan een aantal jaar geleden. Dit zien we terug in deze cijfers. Huishoudtype Het volgende overzicht geeft het huishoudtype van de minimahuishoudens weer.

5

Tabel 1.1.3 Huishoudtype minima, inkomen tot 110% Huishoudtype Alleenstaand Eenoudergezin Meerp. zonder kinderen Meerp. met kinderen Totaal

2012 52,7% 14,0% 20,1% 13,2% 100,0%

2016 Aantal 274 79 102 95 550

Aandeel 49,8% 14,4% 18,6% 17,3% 100%

Alle

Aandeel

huish. 3.758 391 4.379 2.709 11.237

minima 7,3% 20,2% 2,3% 3,5% 4,9%

Van alle minimahuishoudens is bijna 32 procent een huishouden met kinderen. Alleenstaanden vormen de grootste groep huishoudens. Ten opzichte van 2012 is het aandeel alleenstaanden gedaald en het aandeel meerpersoonshuishoudens met kinderen gestegen. Als we de aantallen minimahuishoudens naar huishoudtype afzetten tegen de totale huishoudpopulatie zien we dat bijna 1 op de 5 van alle eenoudergezinnen in de gemeente tot de minima behoort (ruim 20 procent). Onder alleenstaanden ligt dit aandeel op ruim 7 procent. Leeftijd De volgende tabel geeft een overzicht van de huishoudens op basis van de leeftijd van de oudste persoon in het huishouden. Tabel 1.1.4 Leeftijdsopbouw minimahuishoudens, inkomen tot 110% Leeftijdscategorie

2012

Tot 27 jaar 27 tot 45 jaar 45 tot 65 jaar 65 jaar en ouder Totaal

6,8% 31,7% 42,1% 19,4% 100,0%

2016 Aantal 28 179 246 97 550

Aandeel 5,2% 32,4% 44,8% 17,6% 100%

Alle

Aandeel

huish. 353 2.482 4.357 4.045 11.237

minima 7,9% 7,2% 5,6% 2,3% 4,9%

Net als in de voorgaande jaren bevindt de grootste groep minimahuishoudens zich in de leeftijdscategorie van 45 tot 65 jaar: de helft van de minima valt in deze leeftijdsgroep en het aandeel is zelfs gestegen in de laatste jaren. Het aandeel ouderen is gedaald. Afgezet tegen alle huishoudens in de gemeente laat de tabel zien dat het aandeel minimahuishoudens het grootst is onder de groep tot 27 jaar. Geografische spreiding In de volgende tabel de verdeling van minimahuishoudens in 2016 naar woonwijk. Tabel 1.1.5 Woonwijk minimahuishoudens, inkomen tot 110% Woonwijk Noord-Hofland Krimwijk Centrum Nassauwijk Buitengebied Adegeest Boschgeest Bijdorp Vlietwijk Starrenburg Totaal

2012 24,4% 5,8% 3,7% 5,0% 1,2% 5,0% 5,6% 8,3% 35,7% 4,8% 100,0%

2016 Aantal 151 28 23 27 4 22 31 34 201 29 550

6

Aandeel 27,5% 5,0% 4,2% 5,0% 0,7% 4,0% 5,7% 6,2% 36,6% 5,2% 100%

Alle

Aandeel

huish. 2.468 912 339 849 542 1.279 897 722 1.857 1.175 11.237

minima 6,1% 3,1% 6,8% 3,2% 0,7% 1,7% 3,5% 4,7% 10,8% 2,5% 4,9%

Meer dan een derde van alle minimahuishoudens in de gemeente woont in Vlietwijk. Ook in Noord-Hofland woont een groot aantal minima. Afgezet tegen alle huishoudens per wijk is de populatie minimahuishoudens het grootst in Vlietwijk, Centrum en Noord-Hofland. Vergelijkend met 2012 is het aandeel minima in Noord-Hofland en Vlietwijk iets hoger geworden. Etniciteit De volgende tabel geeft een overzicht van de huishoudens in 2016 op basis van de etniciteit van de oudste persoon in het huishouden. Tabel 1.1.6 Etnische achtergrond minimahuishoudens, inkomen tot 110% Etniciteit Autochtoon Westers allochtoon Niet-westers allochtoon Totaal

2012 57,2% 11,0% 31,8% 100,0%

2016 Aantal 266 54 230 550

Aandeel 48,3% 9,9% 41,8% 100%

Alle

Aandeel

huish. 8.502 1.819 916 11.237

minima 3,1% 3,0% 25,1% 4,9%

Ruim 40 procent van alle minima in de gemeente is van niet-westerse allochtone afkomst. Dit is sinds 2012 een stuk hoger geworden. Afgezet tegen alle huishoudens is het ook deze bevolkingsgroep die oververtegenwoordigd is: bijna een kwart van alle niet-westerse allochtone huishoudens heeft een inkomen tot 110 procent Wsm. Onder autochtone huishoudens is dit aandeel met 3 procent een stuk lager.

1.2. Langdurige minima In deze paragraaf gaan we nader in op de achtergrondkenmerken van de groep die we langdurige minima noemen. Dit zijn huishoudens die langer dan drie jaar leven van een inkomen tot 110 procent Wsm. De volgende tabel geeft een overzicht van het aantal jaren dat de huidige minimahuishoudens in Voorschoten zijn aangewezen op een minimuminkomen. Tabel 1.2.1 Duur op het minimuminkomen Duur

2012

Tot een jaar Tussen 1 en 3 jaar Langer dan 3 jaar Totaal

18,2% 19,4% 62,4% 100,0%

2016 Aantal 94 127 329 550

Aandeel 17,2% 23,0% 59,8% 100,0%

Een ruime meerderheid behoort tot de langdurige minima: bijna 60 procent van alle minima in de gemeente Voorschoten leeft al minstens drie jaar op een inkomen tot 110 procent Wsm. Het absolute aantal huishoudens dat langdurig van een minimuminkomen afhankelijk is, is gestegen van 322 naar 329.Tegelijkertijd is het aandeel langdurige minima iets gedaald van 62 procent naar bijna 60 procent van alle huishoudens met een inkomen tot 110 procent Wsm. In 2016 is het aandeel minima dat tot 1 en 3 jaar op een dergelijk inkomen leeft juist gestegen ten opzichte van 2012 er zijn dus meer minima ingestroomd in de voorgaande jaren. Inkomensbron De volgende tabel geeft de inkomensbron weer van de langdurige minima.

7

Tabel 1.2.2 Inkomensbron langdurige minima Inkomensbron Participatiewet AOW Ander inkomen Totaal

2012 Aantal 153 86 83 322

2016 Aandeel 47,5% 26,7% 25,8% 100,0%

Aantal 164 84 81 329

Aandeel 49,9% 25,6% 24,5% 100,0%

Alle

Aandeel

minima 52,2% 17,6% 30,2% 100,0%

langdurig 57,1% 86,6% 46,3% 59,8%

Huishoudens met AOW zijn wel vaker dan huishoudens met een ander inkomen langdurig afhankelijk van een minimuminkomen (87 procent van alle AOW’ers met een minimuminkomen). Huishoudtype Het volgende overzicht geeft het huishoudtype van de langdurige minimahuishoudens weer. Tabel 1.2.3 Langdurige minimahuishoudens naar type huishouden Huishoudtype Alleenstaand Eenoudergezin Meerpersoons zonder kinderen Meerpersoons met kinderen Totaal

2012 Aantal 175 45 65 37 322

Aandeel 54,3% 14,0% 20,2% 11,5% 100,0%

2016 Aantal 178 37 65 49 329

Aandeel 54,1% 11,2% 19,8% 14,9% 100,0%

Alle

Aandeel

minima 49,8% 14,4% 18,6% 17,3% 100,0%

langdurig 65,0% 46,8% 63,7% 51,6% 59,8%

De ontwikkeling in de verdeling van de langdurige minima naar huishoudtype is vergelijkbaar met die onder alle minima. Het aandeel en aantal meerpersoonshuishoudens is gestegen. Alleenstaanden zijn van alle huishoudtypen het vaakst langdurig op een minimuminkomen aangewezen: 6 op de 10 alleenstaande minima heeft al drie jaar of langer een inkomen tot 110 procent Wsm. Ook in 2012 waren het alleenstaanden die het vaakst langdurig minima waren. Leeftijd Tabel 1.2.4 Langdurige minimahuishoudens naar leeftijd Leeftijdscategorie 18 - 27 jaar 27 - 45 jaar 45 - 65 jaar 65 jaar en ouder Totaal

2012 Aantal 8 95 133 86 322

Aandeel 2,5% 29,5% 41,3% 26,7% 100,0%

2016 Aantal 6 94 145 84 329

Aandeel 1,7% 28,5% 44,2% 25,6% 100,0%

Alle

Aandeel

minima 5,2% 32,4% 44,8% 17,6% 100,0%

langdurig 21,4% 52,5% 58,9% 86,6% 59,8%

Onder de jongere huishoudens bevinden zich, in tegenstelling tot ouderen die relatief vaak tot de langdurige minima behoren, weinig langdurige minima.

8

Etniciteit In tabel 1.2.5 geven we de langdurige minimahuishoudens weer, verdeeld naar etnische achtergrond. Tabel 1.2.5 Langdurige minimahuishoudens naar etniciteit Etniciteit

2012 Aantal 179 30 113 322

Autochtoon Westers allochtoon Niet-westers allochtoon Totaal

2016

Aandeel 55,6% 9,3% 35,1% 100,0%

Aantal 165 31 133 329

Aandeel 50,0% 9,4% 40,6% 100,0%

Alle

Aandeel

minima 48,3% 9,9% 41,8% 100,0%

langdurig 62,0% 57,4% 57,8% 59,8%

De verdeling van langdurige minima naar etniciteit is redelijk gelijk aan de verdeling naar etniciteit onder alle minimahuishoudens. In lijn met de ontwikkeling van alle minimahuishoudens, zien we wel dat de groep niet-westers allochtonen onder langdurige minima de laatste jaren relatief groter is geworden. Geografische spreiding Tabel 1.2.6 Langdurige minima naar wijk Wijk Noord-Hofland Krimwijk Centrum Nassauwijk Bloemenwijk Buitengebied Adegeest Boschgeest Bijdorp Vlietwijk Starrenburg Dobbewijk Totaal

2016 Aantal 92 18 10 17 0 0 15 15 23 122 17 0 329

Aandeel 28,1% 5,8% 2,9% 5,0% 0,0% 0,0% 4,5% 4,5% 7,0% 37,2% 5,0% 0% 100,0%

In de wijken Vlietwijk en Noord-Hofland wonen de meeste langdurige minima.

1.3. Kinderen In deze paragraaf gaan we nader in op de groep kinderen in de leeftijd tot 18 jaar die opgroeit in een minimahuishouden met een inkomen tot 110 procent Wsm. Tabel 1.3.1 Aantal kinderen in (minima)huishoudens Categorie Kinderen in Voorschoten Kinderen in minimahuishoudens tot 110% Aandeel kinderen in minimahuishoudens

2012 5.465 235

2016 5.549 262

4,3%

4,7%

Van de 5.549 kinderen in Voorschoten leven er 262 in een huishouden met een inkomen tot 110 procent Wsm. Procentueel gezien is dit 4,7 procent van alle opgroeiende kinderen in de gemeente. Dit is iets hoger dan in 2012, maar nog wel een stuk lager dan het landelijke gemiddelde van 11 procent.

9

In de rest van deze paragraaf vergelijken we de kenmerken van kinderen in een minimahuishouden in 2016 met die van 2012. Naar leeftijd maken we onderscheid in kinderen tot 4 jaar, van 4 tot 12 jaar (basisschoolleeftijd) en 12 tot 18 jaar (voortgezet onderwijs). Tabel 1.3.2 Kinderen in (minima)huishoudens naar leeftijd Leeftijd 0-4 jaar 4-12 jaar 12-18 jaar Totaal

2012

2016

Aandeel

Alle

Aantal

Aandeel

Aantal

Aandeel

kinderen

56 109 70 235

23,8% 46,4% 29,8% 100,0%

54 127 81 262

20,5% 48,3% 31,2% 100%

20,3% 45,2% 34,5% 100,0%

minimakinderen 4,9% 5,0% 4,2% 4,7%

De verdeling van kinderen in een minimahuishouden naar leeftijd wijkt iets af van die van 2012. Kinderen in de leeftijd van 4 tot 12 jaar groeien vaker op in een minimahuishouden dan de andere leeftijdscategorieën. Tabel 1.3.3 Kinderen in minimahuishoudens naar type inkomen Inkomensbron

2012

2016

Aantal Aandeel

Aantal Aandeel

Participatiewet Ander inkomen Totaal

141 94 235

60,0% 40,0% 100,0%

179 83 262

68,5% 31,5% 100,0%

Naar bron van het inkomen zien we dat 68,5 procent van de kinderen in minimahuishoudens opgroeit met een bijstandsuitkering. Dit is een stijging ten opzichte van 2012. Tabel 1.3.4 Kinderen in (minima)huishoudens naar type huishouden 2012

2016

Alle

Huishoudtype Eenoudergezin Meerpersoons met kinderen Totaal

Aantal 106

Aandeel 45,1%

Aantal 105

Aandeel 40,1%

129 235

54,9% 100,0%

157 262

59,9% 100%

kinderen

Aandeel minima-

10,7%

kinderen 17,6%

89,3% 100%

3,1% 4,7%

Van alle kinderen die opgroeien in een eenoudergezin leeft bijna 18 procent in een minimahuishouden. Van de 262 kinderen die opgroeien in een gezin met twee ouders, is dat aandeel een stuk lager; 3,1 procent. Tabel 1.3.5 Kinderen in (minima)huishoudens naar etniciteit Etniciteit Autochtoon Westers allochtoon Niet-westers allochtoon Totaal

2012

2016

Alle

Aandeel

Aantal 95 18

Aandeel 40,4% 7,7%

Aantal 81 12

Aandeel 31,1% 4,6%

kinderen 74,8% 11,2%

minima2,0% 1,9%

122 235

51,9% 100,0%

168 262

64,3% 100%

14,0% 100%

21,7% 4,7%

10

Kinderen in een huishouden met een niet-westerse allochtone achtergrond groeien veel vaker op in een minimahuishouden dan kinderen in huishoudens met een andere etnische achtergrond. Geografische spreiding Tabel 1.3.6 Kinderen in (minima)huishoudens naar wijk Wijk Noord-Hofland Krimwijk Centrum Nassauwijk Boschgeest Bijdorp Vlietwijk Starrenburg Totaal

2016 Aantal 78 10 12 7 7 4 134 10 262

Aandeel 29,8% 3,7% 4,5% 2,5% 2,9% 1,7% 51,2% 3,7% 100%

In Vlietwijk groeit bijna de helft van de kinderen op in een minimahuishouden. Ook de wijk Noord-Hofland heeft een bovengemiddeld aandeel kinderen dat op het minimum opgroeit.

11

Instrumenten voor financiële ondersteuning Inwoners van de gemeente Voorschoten met een laag inkomen kunnen een beroep doen op diverse regelingen om hun lasten te verlichten of het maatschappelijk participeren te versterken. In dit hoofdstuk gaan we nader in op het gebruik en bereik onder de doelgroep van verschillende inkomensondersteunende voorzieningen. We geven (waar mogelijk) het gebruik in 2012 weer. Specifiek zoomen we in op de kenmerken van de huishoudens die in 2016 van deze voorzieningen gebruik hebben gemaakt.

2.1. Regelingen voor het minimabeleid De volgende tabel geeft de grenzen in procenten op basis van de situatie in het jaar 2016 weer. Deze regelingen hebben inkomensgrenzen die zijn afgeleid van het wettelijke sociale minimum dat voor ieder huishoudtype geldt. Tabel 2.1.1 Inkomensgrenzen regelingen in 2016 en omvang doelgroep Categorie Kwijtschelding Bijzondere bijstand Individuele inkomenstoeslag Collectieve zorgverzekering Regeling School, sport en cultuurkosten Regeling Maatschappelijke participatie Computer, tablet Regeling chronisch zieken, gehandicapten Stichting Leergeld

Inkomensgrens 100% 110% 110% 125%

Doelgroep 497 550 245 672

110%

208

110%

550

110%

n.b.2

110%

n.b.3

110%

208

2.2. Kwijtschelding gemeentelijke belastingen Huishoudens kunnen kwijtschelding aanvragen voor de afvalstoffenheffing, rioolheffing en hondenbelasting. De doelgroep voor de kwijtschelding bestaat uit huishoudens met een inkomen op of rond het voor dat huishoudtype geldende sociale minimum 4. Tabel 2.2.1 Gebruik en bereik kwijtschelding Categorie Doelgroep Gebruik kwijtschelding Percentage bereik

2012 471 348 79,3%

2016 497 388 78,2%

In 2016 is aan 388 huishoudens kwijtschelding verstrekt, dit is bijna 80 procent van de doelgroep. Een bereik van 78 procent is, in vergelijking met wat we elders vinden, zeer hoog.

2 Omdat de voorwaarden van elkaar verschillen is het lastig de doelgroep te bepalen en laten we alleen

het gebruik zien. 3 Het is lastig in te schatten om hoeveel mensen het gaat in de gemeente. 4 De kwijtschelding kent andere vermogensnormen dan de rest van de minimaregelingen. Omdat we echter geen gegevens hebben over het vermogen van minima kijken we puur naar het inkomen (100 procent Wsm).

12

Omdat we voor dit onderzoek alleen beschikking hebben over totalen kunnen we geen kenmerken van huishoudens weergeven.

2.3. Bijzondere bijstand Het bijzondere bijstandsbeleid van de gemeente Voorschoten is erop gericht om mensen die bijzondere noodzakelijke kosten hebben en deze niet zelf kunnen betalen, te ondersteunen. De gemeente beoordeelt wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden. Hoeveel bijzondere bijstand iemand ontvangt hangt (onder andere) af van de hoogte van het inkomen. Minima tot 110 procent Wsm krijgen sowieso volledige vergoeding vanuit de bijzondere bijstand. De doelgroep voor de bijzondere bijstand bestaat uit 550 huishoudens met een inkomen tot 110 procent van de bijstandsnorm. Tabel 2.3.1 Gebruik en bereik bijzondere bijstand Categorie Doelgroep Gebruik bijzondere bijstand Percentage bereik

2012 516 92 17,8%

2016 550 90 16,3%

In 2016 hebben 90 huishoudens één of meerdere keren gebruik gemaakt van de bijzondere bijstand, ofwel ruim 16 procent van de doelgroep. Ten opzichte van 2012 is het bereik licht gedaald. Kenmerken huishoudens die gebruikmaken van bijzondere bijstand  Huishoudens met een bijstandsuitkering maken vaker (19 procent van de doelgroep) gebruik van de bijzondere bijstand dan huishoudens met een overig inkomen of met AOW (respectievelijk 10 en 18 procent);  Huishoudens met kinderen maken vaker gebruik van de bijzondere bijstand dan huishoudens zonder kinderen;  Huishoudens van niet-westerse allochtone afkomst maken vaker gebruik (19 procent van de doelgroep) van de bijzondere bijstand dan huishoudens met een andere etnische achtergrond (14 procent bereik).

2.4. Individuele inkomenstoeslag De individuele inkomenstoeslag is bedoeld als inkomensondersteuning voor mensen die langdurig afhankelijk zijn van een inkomen op bijstandsniveau zonder perspectief op werk. In Voorschoten behoort iedereen tussen de 21 jaar en pensioengerechtigde leeftijd, die gedurende een periode van drie jaar een inkomen heeft tot maximaal de bijstandsnorm, tot de doelgroep. We gaan we er vanuit dat deze huishoudens geen perspectief meer hebben op inkomensverbetering. In 2012 heette deze regeling de langdurigheidstoeslag, met de invoering van de Participatiewet is de naam veranderd. Ook voor de langdurigheidstoeslag kwam een huishoudens pas in aanmerking als het drie jaar of langer een inkomen had tot maximaal 100 procent Wsm. Tabel 2.4.1 Gebruik en bereik individuele inkomenstoeslag Categorie Doelgroep Gebruik individuele inkomenstoeslag / langdurigheidstoeslag Percentage bereik

2012 231

2016 245

81

100

35,1%

40,8%

13

In 2016 hebben 100 huishoudens gebruikgemaakt van de individuele inkomenstoeslag. Afgezet tegen doelgroep is dit een bereik van bijna 41 procent. Het gebruik en het bereik is ten opzichte van 2012 toegenomen. Kenmerken huishoudens die gebruikmaken van de langdurigheidstoeslag  Van de huishoudens met een bijstandsuitkering maakt 50 procent gebruik van de individuele inkomenstoeslag, bij huishoudens met een andere inkomensbron is dit 14 procent; dit is een algemeen beeld bij de individuele inkomenstoeslag;  Afgezet tegen de doelgroep zijn het voornamelijk alleenstaanden die gebruikmaken van de individuele inkomenstoeslag;  Naar etniciteit en leeftijd zijn de verschillen klein.

2.5. Collectieve zorgverzekering De gemeente biedt minima de mogelijkheid om deel te nemen aan een collectieve zorgverzekering bij Zorg en Zekerheid of bij Menzis. Dit pakket is toegankelijk voor huishoudens met een inkomen tot 125 procent Wsm. Zij krijgen korting op zowel de basis- als de aanvullende verzekering. In 2012 lag de inkomensgrens voor de collectieve zorgverzekering nog op 110 procent Wsm. Onderstaande tabel geeft het gebruik van de collectieve zorgverzekering weer. Tabel 2.5.1 Gebruik en bereik collectieve zorgverzekering Categorie Doelgroep Gebruik collectieve zorgverzekering Percentage bereik

2012 516 184 35,1%

2016 672 276 41,1%

In 2016 heeft ruim 41 procent van de doelgroep met een inkomen tot 125 procent Wsm gebruikgemaakt van de collectieve zorgverzekering. In 2012 was dit 35 procent. Kenmerken huishoudens die gebruikmaken van de collectieve zorgverzekering  Huishoudens met een AOW-uitkering maken relatief het vaakst gebruik van de collectieve zorgverzekering;  Voor de andere kenmerken (etniciteit, leeftijd, huishoudtype) is er weinig verschil in het bereik.

2.6. Regeling school, sport en cultuurkosten De regeling voor school, sport en cultuurkosten biedt een tegemoetkoming in kosten voor schoolkosten, sport- en culturele kosten. De tegemoetkoming kan gebruikt worden voor de kosten voor bijvoorbeeld het schoolreisje, schriften, boeken of een fiets. De regeling is bedoeld voor minima met schoolgaande kinderen in de leeftijd van 4-18 jaar, waarvan het huishoudinkomen niet hoger is dan 110 procent Wsm. Tabel 2.6.1 Gebruik en bereik regeling sportieve, culturele, educatieve activiteiten Categorie Doelgroep Gebruik regeling schoolgaande kinderen Percentage bereik

2012 113

2016 208

11

100

9,7%

48%

14

In 2016 hebben 100 minimahuishoudens van de regeling gebruik gemaakt. Dit is 48 procent van de doelgroep. In 2012 was het bereik van de regeling een stuk lager. De regeling is inhoudelijk iets veranderd, maar er is ook veel publiciteit gegeven aan de regeling waardoor het bereik een stuk hoger is geworden. Kenmerken huishoudens die gebruikmaken van de regeling voor school, sport en cultuurkosten  Huishoudens met een bijstandsuitkering maken vaker gebruik van de regeling sportieve, culturele, educatieve activiteiten;  Huishoudens met een autochtone achtergrond maken relatief meer gebruik.

2.7. Regeling maatschappelijke participatie Inwoners van Voorschoten met een laag inkomen kunnen in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de kosten voor maatschappelijke participatie. Deze tegemoetkoming is bedoeld voor deelname aan sociale, culturele en sportieve activiteiten en bestaat uit een vast bedrag per persoon per jaar. Tabel 2.7.1 Gebruik en bereik regeling maatschappelijke participatie Categorie Doelgroep Gebruik maatschappelijke participatie Percentage bereik

2012 422

2016 550

91

208

21,6%

37,8%

In 2016 hebben 208 huishoudens gebruikgemaakt van de regeling maatschappelijke participatie, ofwel ruim 37 procent van de doelgroep. Dit is een forse stijging ten opzichte van 2012. Kenmerken huishoudens die gebruikmaken van de regeling maatschappelijke participatie  Huishoudens met een bijstandsuitkering maken vaker gebruik van de regeling dan huishoudens met een overige inkomensbron (48 procent);  Gezinnen met kinderen maken vaker gebruik van de regeling maatschappelijke participatie;  Huishoudens met een niet-westerse etnische achtergrond maken relatief meer gebruik dan huishoudens met een andere etnische achtergrond.

2.8. Bijzondere bijstand computer of tablet Minima met schoolgaande kinderen kunnen een vergoeding krijgen voor een computer, tablet of internet. Schoolgaande kinderen in groep 7 en 8 van het basisonderwijs en in het voorgezet onderwijs of beroepsonderwijs tot 18 jaar kunnen eens in de vijf jaar een vergoeding voor een computer krijgen. Hetzelfde geldt voor een vergoeding voor een tablet. De vergoeding voor internetkosten is een keer per maand. Omdat de voorwaarden van elkaar verschillen is het lastig de doelgroep te bepalen en laten we alleen het gebruik zien. Tabel 2.8.1 Gebruik en bereik computer, tablet en internet Categorie5 Gebruik computer, tablet, internet

2016 33

5 In 2012 was dit nog geen aparte regeling. Daarom kunnen we niet vergelijken.

15

In 2016 hebben 33 huishoudens gebruikgemaakt van de regeling computer, tablet en internet. Kenmerken huishoudens die gebruikmaken van een computer of tablet  Huishoudens met een bijstandsuitkering maken vaker gebruik van de regeling dan huishoudens met een overige inkomensbron;  Huishoudens met een niet-westerse etnische achtergrond maken veel gebruik dan huishoudens met een andere etnische achtergrond.

2.9. Regeling chronisch zieken, gehandicapten en pensioengerechtigden Inwoners met een laag inkomen die chronisch ziek, gehandicapt of pensioengerechtigd zijn komen in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming. Het is lastig in te schatten om hoeveel mensen het gaat in de gemeente. Tabel 2.9.1 Gebruik regeling chronisch zieken/gehandicapten Categorie Gebruik regeling chronisch zieken, gehandicapten en pensioengerechtigden

2012

2016

43

44

Kenmerken huishoudens die gebruikmaken van de regeling chronisch zieken  Naar kenmerken van het huishouden zien we weinig verschillen in het gebruik. Dit betekent dat de regeling breed wordt gebruikt door de doelgroep.

2.10. Stichting Leergeld De Stichting Leergeld Voorschoten heeft als doel om kinderen in de gemeente de mogelijkheid te geven op een volwaardige wijze aan de maatschappij deel te nemen. De hulp richt zich op schoolgaande kinderen in de leeftijd van 4 tot 18 jaar in gezinnen met een minimuminkomen. Onder het motto “alle kinderen mogen meedoen” (want nu meedoen is straks meetellen!) stelt de Stichting Leergeld deze kinderen in staat deel te nemen aan zwemlessen en muzieklessen, lid te worden van een sportclub, van scouting, enz. Ook het verstrekken van een goede tweedehands fiets en een computer behoort tot de activiteiten van de Stichting. De Stichting Leergeld is het vangnet als er geen andere voorzieningen zijn. Deze hulp kan gegeven worden dankzij giften en donaties van serviceclubs, particulieren, instellingen en bedrijven. Ook de gemeente Voorschoten draagt hier ruimhartig aan bij. Tabel 2.10.1 Gebruik en bereik Leergeld Categorie Doelgroep Gebruik Leergeld Percentage bereik

2016 208 6 3,0%

In totaal zijn er 6 huishoudens, die gebruikmaken van de stichting leergeld. De Stichting is net gestart en er wordt hard gewerkt aan publiciteit.

16

Gebruik Wmo en schuldhulpverlening In dit hoofdstuk gaan we in op het gebruik van de Wmo-voorzieningen en de mate waarin een beroep wordt gedaan op dienstverlening in het kader van schuldhulpverlening. Eveneens geven we de overlap tussen de minimahuishoudens en het gebruik van de Wmo, schuldhulpverlening weer.

3.1. Wmo De volgende tabel geeft de inkomenssituatie weer van de huishoudens die in het jaar 2016 gebruik hebben gemaakt de Wmo. Tabel 3.1.1 Inkomensverdeling Wmo-gebruikers Wmo Tot 110% Wsm Overige huishoudens Totaal

2012

2016

Alle

Aandeel

Aantal Aandeel 67 8,9% 687 91,1% 754 100,0%

Aantal Aandeel 122 10,9% 994 89,1% 1.116 100,0%

huish. 550 10.687 11.237

Wmo 22,2% 9,3% 9,9%

In 2016 hebben in totaal 1.116 huishoudens gebruikgemaakt van een of meerdere Wmovoorzieningen. Procentueel gezien is dit bijna 10 procent van alle huishoudens in de gemeente. Van deze 1.116 huishoudens heeft bijna 11 procent een inkomen tot maximaal 110 procent Wsm. Dit is redelijk normaal beeld dat we ook bij andere gemeenten zien. Vergeleken met 2012 is het gebruik van de Wmo behoorlijk gestegen. Door de nieuwe voorzieningen die vanuit de AWBZ zijn overgeheveld naar de gemeente is een vergelijking met 2012 lastig. Kenmerken huishoudens die gebruikmaken van Wmo-voorzieningen  Driekwart van alle huishoudens die gebruikmaken van de Wmo is ouder dan 65 jaar;  De leeftijd vertaalt zich ook in de huishoudtypes: we zien voornamelijk alleenstaanden en meerpersoonshuishoudens zonder kinderen.  Ongeveer 80 procent van de huishoudens is van autochtone herkomst; Kenmerken minimahuishoudens die gebruikmaken van Wmo-voorzieningen  Een derde van de minimahuishoudens die ook van een Wmo-voorziening gebruik maken is ouder dan 65 jaar en komt dus rond van een AOW-uitkering;  Bijna een derde van de Wmo-huishoudens is van niet westerse herkomst;  Het merendeel minimahuishoudens dat gebruik maakt van een WMO-voorziening heeft een bijstandsuitkering.

3.2. Schuldhulpverlening Schuldhulpverlening is bedoeld voor inwoners die zelf hun problematische schulden niet meer kunnen oplossen. Het belangrijkste onderdeel van schuldhulpverlening betreft een minnelijke schuldregeling. Wanneer een minnelijk traject niet mogelijk is kan een aanvraag worden gedaan voor toelating tot de WSNP (het wettelijk traject). De volgende tabel geeft het aantal huishoudens weer dat in 2016 in een lopend schuldhulpverleningstraject zat.

17

Tabel 3.2.1 Aantal huishoudens in schuldhulpverleningstraject Schuldhulpverlening Tot 110% Wsm Overige huishoudens Totaal

2012

2016

Alle

Aandeel

Aantal Aandeel 19 57,6% 14 42,4% 33 100,0%

Aantal Aandeel 13 41.9% 18 58,1% 31 100%

huish. 550 10.687 11.237

SHV 2,4% 0,2% 0,3%

In totaal zaten 31 huishoudens in 2016 in een schuldhulpverleningstraject. Ten opzichte van 2012 is het aantal huishoudens in de schuldhulpverlening iets gedaald. In 2016 heeft 2,4 procent van de minima-huishoudens een traject in de schuldhulpverlening; in 2012 was dit ruim 4 procent. De 31 huishoudens die gebruik maken van de schuldhulpverlening vormen 0,3 procent van alle huishoudens in de gemeente. Kenmerken huishoudens in de schuldhulpverlening De huishoudens die in 2016 in een lopend schuldhulpverleningstraject zaten hebben de volgende kenmerken:  Bijna 60 procent van de minimahuishoudens die gebruik maakt van schuldhulpverlening is alleenstaand;  Naar leeftijd is bijna de helft tussen de 45 en de 65 jaar. Ook de groep 27 tot 40-jarigen is relatief groot met 32 procent;

3.3. Cumulatief gebruik In deze paragraaf geven we het cumulatief gebruik van weer van de minimahuishoudens en het gebruik van de Wmo en schuldhulpverlening. Dit doen we op huishoudniveau. Tabel 3.4.1 Cumulatief gebruik voorzieningen op huishoudniveau Categorie Minima (N=550) Wmo (N=1.116) SHV (N=31)

Minima ** 20,9% 41,9%

Wmo 22,2% ** 12%

SHV 2,4% 3% **

Van alle minimahuishoudens met een inkomen tot 110 procent Wsm, heeft 22,2 procent eveneens gebruikgemaakt van een of meerdere Wmo-voorzieningen en 2,4 procent heeft een SHV-traject doorlopen. Van de gebruikersgroep van de Wmo heeft bijna 21 procent een inkomen tot 110 procent Wsm en zit 3 procent in een schuldhulpverleningstraject. Van de huishoudens in de Schuldhulpverlening heeft bijna 42 procent een inkomen tot 110 procent Wsm en heeft 12 procent gebruikgemaakt van een of meerdere Wmo-voorzieningen.

18

Het armoedebeleid in perspectief Dit afsluitende hoofdstuk start met een weergave van de doelgroep van het armoedebeleid in de gemeente Voorschoten. Een aantal groepen minima wordt hierin nader belicht. Eveneens gaan we in op het gebruik van verschillende minimaregelingen. Waar mogelijk vergelijken we deze cijfers met die van twee jaar geleden en met cijfers uit andere gemeenten. We sluiten af met de belangrijkste aanbevelingen.

4.1. Bevindingen 4.1.1. Doelgroep armoedebeleid In de gemeente Voorschoten hebben op 1 januari 2016 550 huishoudens een inkomen tot 110 procent Wsm. Dit is 4,9 procent van alle huishoudens in de gemeente en ligt ver onder het landelijk gemiddelde. Het aantal minimahuishoudens is de laatste vier jaar nog gestegen. Omdat het aantal inwoners is gestegen is het aandeel gelijk gebleven. In 2012 hadden 516 huishoudens een inkomen tot 110% van het minimum, een aandeel van 4,8 procent. Een van de verschillen tussen de minimapopulatie van 2016 en die van 2012 is het aandeel ouderen: in 2016 is zowel het aantal als het aandeel minimahuishoudens dat 65 jaar of ouder is een stuk lager geworden. Een verklaring hiervoor is dat steeds meer ouderen een hoger eigen vermogen hebben (bijvoorbeeld in de vorm van een koophuis) en daardoor niet meer in aanmerking komen voor het minimabeleid. Overigens zien we in wel meer gemeenten de laatste jaren een daling van het aantal oudere minima. Twee groepen die zijn oververtegenwoordigd binnen de minimapopulatie zijn de eenoudergezinnen en de niet-westers allochtone huishoudens. Het aantal en aandeel nietwesterse allochtone minima is behoorlijk gestegen tussen 2012 en 2016. De vestiging van statushouder zal hier zeker van invloed op zijn. Ook als we specifiek naar kinderen kijken (en niet naar huishoudens) springen deze groepen er uit.

Daarnaast is het aantal kinderen dat opgroeit in een minimahuishouden in de laatste jaren gestegen. Multi-problematieken en integrale aanpak Een op de vier minimahuishoudens heeft een Wmo-voorziening en dus een zorgvraag. Dit terwijl slechts een klein deel van de minima 65 jaar of ouder is. In tegenstelling tot de gehele Wmo-populatie betreft dit vooral niet-westers allochtone huishoudens. Daarnaast heeft 2,4 procent van de minimahuishoudens in 2016 een schuldhulpverleningstraject doorlopen of zit daar nog steeds in. Om deze huishoudens als gemeente goed te kunnen helpen is een integrale aanpak belangrijk.

4.1.2. Gebruik voorzieningen nader belicht De volgende tabel geeft het gebruik en bereik weer van de minimaregelingen in 2012 en 2016.

19

Figuur 4.2.1. Gebruik en bereik minimaregelingen 2012 en 2016 79% 78%

Kwijtschelding 18% 16%

Bijzondere bijstand Individuele inkomenstoeslag

35% 41%

Collectieve zorgverzekering

35% 41%

Regeling School-sport en cultuurkosten

10%

48% 22%

Regeling Maatschappelijke participatie

2012

38%

2016

 Het bereik van de kwijtschelding is met 78 procent erg hoog te noemen. Een bereik boven de 80 procent treffen we bij vrijwel geen enkele gemeente aan. Ten opzichte van 2012 is het bereik de laatste jaren stabiel gebleven.  Het gebruik van de bijzondere bijstand ligt in 2016 op 16 procent, iets lager dan in 2012. In de meeste andere gemeenten ligt het gebruik rond de 20 procent van de doelgroep. Dit is vaak wel afhankelijk van het gebruik van de overige voorzieningen: een hoger generiek gebruik leidt vaak tot een lager gebruik van de bijzondere bijstand.  De individuele inkomenstoeslag heeft een bereik van 41 procent. Bij andere gemeenten met een referteperiode van drie jaar zien we meestal een bereik van 50 à 60 procent.  Het bereik van de collectieve zorgverzekering is met 40 procent prima te noemen en het is ten opzichte van 2012 ook gestegen. Vaak zien we een bereik van rond de 25 procent.  Het bereik van de regeling maatschappelijke participatie is fors gestegen en goed te noemen. In de meeste andere gemeenten zien we een bereik van 35 à 40 procent van een participatieregeling.  Het bereik van de regeling schoolkosten, sport en cultuur is ook enorm gestegen: er is in de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in het onder de aandacht brengen van de regelingen voor kinderen en dat heeft succes gehad.

4.1.3. Aanbevelingen Het bereik van de meeste regelingen is hoog te noemen en is ook sinds 2012 gestegen. Toch kan het bereik van een aantal regelingen nog wat hoger. Om het gebruik en bereik van de collectieve zorgverzekering te verbeteren is het voor de gemeente zaak om kritisch te kijken naar de inhoud en kosten van het huidige pakket. Het huidige pakket is duurder dan de meeste verzekeringen die minima zonder collectiviteit kunnen afsluiten. Het is daarom logisch dat de meeste huishoudens voor een goedkoper pakket gaan. Daarbij geldt natuurlijk wel dat hoe hoger de vergoeding, hoe duurder een pakket. Gemeenten kunnen deze kosten deels compenseren voor een bijdrage in de premie te leveren. Dit zijn manieren om het gebruik van de collectieve zorgverzekering onder minimahuishoudens te verhogen. Belangrijk is in elk geval dat minima geen zorg gaan mijden omdat ze het niet kunnen betalen. Dit leidt vaak alleen maar tot hogere kosten op een later moment.

20

Verder is het ook belangrijk dat kinderen en ouders op de hoogte zijn van de mogelijkheden die Stichting Leergeld hen brengen. Verenigingen, scholen en de sociale teams kunnen daar een rol in spelen. Bestrijding kinderarmoede door een armoederegisseur Landelijk blijkt dat de bestrijding van armoede niet altijd effectief is. De SER pleit voor een armoederegisseur in iedere gemeente, met als belangrijke taak de werkende minima in beeld te krijgen. Verder kan de armoederegisseur de vaak ingewikkelde aanvraagprocedures voor voorzieningen verbeteren. Ook scholen zijn belangrijk voor het signaleren van armoede. Leerkrachten zijn vaak de eerste buitenstaanders die de effecten bij kinderen opmerken. Ook moeten scholen kinderen leren met geld om te gaan én de eigen bijdrage van ouders beheersbaar houden. Stimuleren maatschappelijke samenwerkingsverbanden De gemeente heeft in het kader van armoedebestrijding de samenwerking gezocht met diverse partijen in de gemeente die te maken hebben met armoede en schulden. De gemeente kan hierin de verbindende schakel zijn door regelmatig netwerkmomenten te ondersteunen of organiseren. Kijk of alle partijen hierin vertegenwoordigd zijn en zorg in die bijeenkomst(en) voor concrete afspraken en doelen zodat het echt ergens toe leidt. Een andere mogelijkheid is een stimuleringsfonds in te stellen voor maatschappelijke initiatieven.

Hieronder een aantal voorbeelden van dergelijke fondsen die in andere gemeenten bestaan.  Een fonds voor initiatieven van kernraden, sportverenigingen, sociaal-culturele instellingen en inwoners met een maatschappelijk doel. Bedoeld om maatschappelijke initiatieven te stimuleren die de betrokkenheid van burgers bij elkaar of de kern vergroten, bijvoorbeeld door het realiseren en onderhouden van voorzieningen in de openbare ruimte of de culturele en/of sportieve participatie te stimuleren. Er wordt onderscheid gemaakt tussen incidentele subsidies voor evenementen en stimuleringssubsidies voor stimulering van bepaalde activiteiten.  Een fonds dat subsidies geeft voor goede ideeën die bijdragen aan de samenleving. Het is de bedoeling dat mensen vrijwillig iets organiseren en het fonds richt zich specifiek op jongeren tussen de 13 en 25 jaar. Voorbeelden zijn koken met de buurt of een dagje op stap met ouderen.  Budget voor creatieve en innovatieve ideeën van inwoners. Plannen en ideeën die een positieve bijdrage leveren aan de ontwikkeling van een mooie en leefbare omgeving komen in aanmerking voor een financiële ondersteuning. Het idee dient bij te dragen aan blijvende verandering.  Fonds voor maatschappelijke initiatieven. Bedoeld voor inwoners, organisaties en/of ondernemers die het initiatief willen nemen om iets met en voor elkaar te doen.

21

Bijlage 1. Verantwoording Bij dit onderzoek is gebruik gemaakt van registratiegegevens van de verschillende lokale en landelijke regelingen die de gemeente uitvoert. Daarbij gaat het om de volgende voorzieningen: Participatiewet, minimaregelingen en kwijtschelding gemeentelijke belastingen. Alle brongegevens zijn via encryptie versleuteld aangeleverd zodat ze niet te herleiden zijn tot individuele natuurlijke personen. Onderstaand beschrijven we de wijze waarop het onderzoeksbestand is aangemaakt. Stap 1 In de eerste bewerkingsstap wordt de informatie uit de genoemde registratiebronnen aan het actuele BRP-bestand (dat ook is versleuteld) gekoppeld. Op deze wijze wordt inzichtelijk welke personen gebruik maken of gebruik hebben gemaakt van welke voorziening. Stap 2 In stap 2 wordt aan de hand van de BRP een analysebestand op huishoudniveau gemaakt. We onderscheiden 4 huishoudtypes: alleenstaanden, eenoudergezinnen, meerpersoons huishoudens met kinderen en meerpersoonshuishoudens zonder kinderen. De operationele definities van deze begrippen treft u verderop in deze verantwoording aan. Stap 3 Het feitelijke gebruik van voorzieningen in het jaar voorafgaand aan het peilmoment van de BRP wordt op huishoudniveau vastgesteld. Indien één persoon binnen het huishouden gebruik heeft gemaakt van een bepaalde voorziening, wordt dit toegerekend naar het hele huishouden.

Statistisch kader In tegenstelling tot wat gangbaar is bij sociaal wetenschappelijk onderzoek is dit rapport gebaseerd op gegevens van de totale bevolkingspopulatie. Dat betekent dat de vermelde aantallen en percentages niet getoetst hoeven te worden op statistische betrouwbaarheid en altijd de feitelijke situatie weergeven. Operationele definitie huishouden Het bepalen van het soort en type huishouden gebeurt aan de hand van gegevens uit de bevolkingsadministratie en wel op de volgende wijze:  Indien één persoon op een adres woont, is duidelijk dat er sprake is van een alleenstaande;  Personen op één adres waartussen geregistreerde ouder-kindrelaties of echtrelaties bestaan worden tot een gezamenlijk huishouden gerekend;  Indien er één meerderjarige op een adres woont met een ouder-kindrelatie tellen we een eenoudergezin;  Indien er meer meerderjarige op een adres wonen waarbij één meerderjarige ouder is en er een ouder-kindrelatie bestaat met de andere meerderjarige (en/of minderjarige) tellen we een eenoudergezin;  Als er vier of meer meerderjarigen op een adres wonen, gaan we ervan uit dat er meerdere huishoudens op dit adres gevestigd zijn;  Indien er drie meerderjarigen zonder echtrelatie op één adres wonen, kijken we naar de gemiddelde leeftijd. Ligt die onder de 27 jaar dan rekenen we iedere persoon als een afzonderlijk (studenten)huishouden.

Ligt deze boven de 27 jaar dan tellen we één meerpersoons huishouden.  Als er minimaal 20 personen op een gezamenlijk adres wonen, registreren we een institutioneel huishouden, tenzij de gemiddelde leeftijd van alle bewoners hoger is dan 65

22

jaar. Iedere bewoner wordt dan als afzonderlijk huishouden meegeteld (gehuwden tellen als één huishouden). Zelfstandig huishouden Een zelfstandig huishouden bestaat uit één of meer personen die alleen of samen in een woonruimte gehuisvest zijn en zelf in hun dagelijkse levensbehoeften voorzien. Institutioneel huishouden Tot de institutionele huishoudens behoren adressen met minimaal 20 personen, waarbij de gemiddelde leeftijd jonger is dan 65 jaar. Hiertoe behoren bijvoorbeeld opvangcentra, penitentiaire inrichtingen, kindertehuizen en internaten. In de bevolkingsoverzichten in deze rapportage zijn deze personen meegeteld. In de hoofdstukken waar de inkomensverdeling in termen van huishoudens wordt besproken blijven zij buiten beschouwing. Besteedbaar inkomen (CBS) Besteedbaar inkomen is het bruto inkomen verminderd met de premies sociale zekerheid en andere betaalde overdrachten (zoals alimentatie) en de loon-, inkomsten- en vermogensbelasting. Het bruto-inkomen omvat winst uit onderneming, bruto inkomsten uit arbeid, inkomsten uit vermogen en bruto ontvangen overdrachten (zoals AOW, Anw, WAO/WIA, studiefinanciering, kinderbijslag en huursubsidie). Inkomensbron In dit onderzoek worden de termen Participatiewet, AOW en ‘ander’ inkomen gebruikt. Voor de bijstandsgerechtigden is de inkomensbron direct vast te stellen.

De AOW inkomensgrondslag is bepaald op basis van de leeftijd van de huishoudoudste. De 65+ huishoudens die tevens een aanvullende bijstandsuitkering ontvangen rekenen we eveneens tot deze categorie. Alle overige inkomens zijn vervolgens onder de noemer ‘ander’ inkomen gebracht. Wanneer het inkomen van een huishouden alleen bestaat uit AOW dan wordt het huishouden tot de minimapopulatie gerekend. Berekening van de duur van het minimuminkomen De duur van de periode waarin een huishouden op het minimuminkomen leeft, wordt berekend aan de hand van een combinatie van gegevens uit verschillende bronnen. Een sluitende definiëring in termen van een volledig onafgebroken periode is niet altijd mogelijk. Indien de periode tussen het gebruik van de ene regeling en de andere maximaal 30 dagen is, wordt dit daarom toch als aaneengesloten periode gezien. Wettelijk sociaal minimum Het wettelijk sociaal minimum is de actuele bijstandsnorm voor het betreffende huishoudtype. Deze normbedragen worden halfjaarlijks vastgesteld. Voor 65-plussers is de netto AOWuitkering het normbedrag voor het wettelijke sociale minimum. Etniciteit (CBS) Voor bepaling van etniciteit wordt gekeken naar het geboorteland van de ouder(s). Een allochtoon is iemand waarvan minimaal één van de ouders in het buitenland is geboren.

Inwoners afkomstig uit Europa, Noord-Amerika, Australië, Japan en Indonesië worden als westerse allochtonen gezien.

23

Bijlage 2. Bevolkingskarakteristieken In dit hoofdstuk worden de belangrijkste kenmerken van de bevolkingspopulatie in de gemeente Voorschoten beschreven. Alle huishoudens Onderstaande tabel geeft het aantal inwoners en huishoudens weer in de gemeente op de peildata. Tabel B.2.1 Aantal huishoudens en inwoners Voorschoten6 Categorie Aantal huishoudens Aantal personen Gemiddelde huishoudgrootte

2012 10.841 24.586 2,3

2016 11.237 25.334 2,3

Op 1 januari 2017 wonen in de gemeente Voorschoten 25.334 personen in 11.237 huishoudens. De gemiddelde huishoudgrootte komt daarmee uit op bijna 2,3 personen, iets hoger dan het landelijk gemiddelde van 2.2. Vergeleken met 2012 (peildatum BRP: 1 januari 2012) is het aantal inwoners gestegen. Huishoudtype Naar huishoudtype zien we de volgende verdeling. Tabel B.2.2 Huishoudens naar type 2016

Aandeel

32,9% 3,8%

Aandeel 3.758 33,4% 391 3,5%

landelijk 37% 7%

38,9%

4.379

39%

24,4% 100,0%

2.709 11.237

24,1% 100%

Huishoudtype

2012

Alleenstaand Eenoudergezin Meerpersoons zonder kinderen Meerpersoons met kinderen Totaal

Aantal

29% 27% 100%

In de gemeente Voorschoten wonen in vergelijking met landelijke cijfers7 meer meerpersoonshuishoudens en minder alleenstaanden. De cijfers zijn bijna identiek aan die van 2012. Maar liefst 39 procent van de huishoudens is een meerpersoonshuishouden zonder kinderen en 24 procent is een meerpersoonshuishouden met kinderen. Dit verklaart ook waarom de gemiddelde huishoudgrootte iets groter is dan landelijk. Voor eenoudergezinnen geldt dat door een afwijkende definitie, landelijke vergelijking niet direct mogelijk is. Vergeleken met 2012 is de verdeling niet veranderd. Leeftijd De leeftijdsopbouw van de huishoudpopulatie, uitgaande van de leeftijd van de oudste persoon in het huishouden, staat weergegeven in tabel B2.3.

6 Alle gegevens in de tabellen in deze monitor zijn gebaseerd op gemeentelijke registratiegegevens, tenzij

anders aangegeven. Landelijke cijfers zijn afkomstig van het CBS. 7 De definitie die het CBS hanteert voor eenoudergezinnen wijkt af van de definitie die KWIZ gebruikt. Het CBS hanteert geen leeftijdscriterium bij het begrip eenoudergezin en telt dus ook ouder-kind relatie mee tussen volwassenen personen. KWIZ hanteert als criterium voor een eenoudergezin dat het jongste inwonende kind jonger dan 18 jaar is.

24

Tabel B.2.3 Huishoudens naar leeftijd Leeftijdscategorie

2012

Tot 27 jaar 27 tot 45 jaar 45 tot 65 jaar 65 jaar en ouder Totaal

3,1% 20,3% 42,2% 34,4% 100,0%

2016 Aantal 353 2.482 4.357 4.045 11.237

Aandeel 3,1% 22,1% 38,8% 36,0% 100%

De vergrijzing in de gemeente Voorschoten volgt het landelijk beeld: in een kwart van huishoudens is de oudste persoon 65 jaar of ouder. Ook het aandeel 45 tot 65-jarigen is in Voorschoten iets hoger dan het landelijk gemiddelde en het aandeel jongere huishoudens lager. Dit betekent dat de vergrijzing de komende jaren nog sterker zal doorzetten. Ten opzichte van 2012 is er niet veel veranderd. Etnische achtergrond De volgende tabel geeft de etnische achtergrond van alle huishoudens in Voorschoten weer, op basis van de etniciteit van de oudste persoon in het huishouden. Tabel B.2.4 Huishoudens naar etnische achtergrond Etniciteit

2012

Autochtoon Westers allochtoon Niet-westers allochtoon Totaal

76,9% 15,8% 7,3% 100,0%

2016 Aantal 8.502 1.819 916 11.237

Aandeel 75,7% 16,2% 8,2% 100%

Ruim 75 procent van alle huishoudens in de gemeente is van autochtone afkomst en een kwart van allochtone afkomst. Daarvan is het grootste deel een niet-westers allochtoon huishouden. Vergeleken met 2012 is het aantal (en aandeel) niet-westerse allochtone huishoudens in 2016 iets gestegen. Woonrijk De volgende tabel geeft de verdeling naar woonwijk van alle huishoudens in Voorschoten weer. Tabel B.2.4 Huishoudens naar woonwijk Woonwijk

2012

Noord-Hofland Krimwijk Centrum Nassauwijk Bloemenwijk Buitengebied Adegeest Boschgeest Bijdorp Vlietwijk Starrenburg Dobbewijk Totaal

22,2% 8,1 % 3,1 % 7,7 % 4,9 % 0,7 % 10,6 % 8,2 % 6,5 % 16,5 % 10,5 % 1,0 % 100,0%

2016 Aantal 2.468 912 339 849 542 89 1.279 897 722 1.857 1.175 108 11.237

25

Aandeel 22% 8,1% 3% 7,6% 4,8% 0,8% 11,4% 8,0% 6,4% 16,5% 10,5% 1,0% 100%

Bijlage 3 Gevolgen geen kwijtscheldingsgegevens voor de armoedemonitor Opzet van het onderzoek Bij het opstellen van de armoedemonitor wordt gebruik gemaakt van registratiegegevens van de verschillende lokale en landelijke regelingen die de gemeente uitvoert. Daarbij gaat het om de volgende voorzieningen: de Participatiewet, minimaregelingen, Kwijtschelding, Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en schuldhulpverlening. Met behulp van de Basisregistratie Personen (BRP) zijn de gebruikersgegevens vervolgens op huishoudniveau gegroepeerd. Op deze manier ontstaat een samenhangend beeld op de omvang en samenstelling van de minimapopulatie, de mate van gebruik van voorzieningen en de overlap in het gebruik van voorzieningen op andere beleidsterreinen. Alle persoonsgegevens wordt versleuteld door de gemeente of de organisatie die de registratie in zijn bezit heeft. Het versleutelde bestand wordt vervolgens bewaard en als onderzoeksbestand naar het onderzoeksbureau verstuurd. Dit betekent dat alleen het versleutelde bestand buiten de organisatie wordt gebruikt voor het onderzoek en dat de gegevens NIET naar een unieke cliënt kunnen worden doorgeleid.

Gevolgen geen kwijtscheldingsgegevens Voor de gemeenten Voorschoten en Wassenaar zijn er geen kwijtscheldingsgegevens aangeleverd. De Belastingsamenwerking Gouwe Rijnland (BSGR) verzorgt de belastingen voor de gemeente Voorschoten en Wassenaar en dus ook de kwijtschelding. Zij beschikken over een registratiebestand van alle mensen die door hun lage inkomen kwijtschelding hebben gekregen van de gemeentelijke belasting. Voor deze monitor hebben zij geen gegevens willen aanleveren. Gevolgen:  Ten eerste betekent dit er een grote doelgroep niet in beeld is. Uit het kwijtscheldingbestand komen altijd veel minima en die kunnen nu niet worden meegenomen. Omdat er eerder een monitor is opgesteld is op basis van de verhoudingen van 2012 de doelgroep voor het minimabeleid opgehoogd. Op basis daarvan hebben we een zo goed mogelijk representatief beeld gecreëerd;  Er kan niets worden gezegd over de gebruikers van de kwijtschelding. Wel zijn de aantallen bekend  Er kan niets over het cumulatieve gebruik worden gezegd;

26

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=8dbede3d-b45a-40a0-b772-f168963f674f