Bijlage 2 Was-wordtlijst Verordening individuele inkomenstoeslag Voorschoten 2025 (gew.)
Tekst van het document
Was-wordt-tabel Verordening individuele inkomenstoeslag 2025 ten opzichte van de Verordening individuele inkomenstoeslag 2019 Onderstaande tabel licht de verschillen toe tussen de verordening Individuele inkomenstoeslag 2019 en de voorgestelde verordening Individuele inkomenstoeslag 2025. De geel gearceerde teksten betreffen de wijzigingen uit de aangepaste verordening Individuele inkomenstoeslag die het college op 13 mei 2025 bij de raad indiende. Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Toelichting (wijziging)
Intitulé Verordening individuele inkomenstoeslag Voorschoten 2019 De raad van de gemeente Voorschoten Gelezen het voorstel van het college, dd 13 november 2018 inzake het minimabeleid Gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid, van de Participatiewet,
Intitulé
De intitulé is gewijzigd zodat deze de juiste data bevat voor de nieuwe verordening.
Besluit vast te stellen de ‘Verordening individuele inkomenstoeslag Voorschoten 2019’
Gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef
Verordening individuele inkomenstoeslag Voorschoten 2025 De raad van de gemeente Voorschoten; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 25 maart 2025, en onderdeel b, en tweede lid, van de Participatiewet; besluit: De Verordening individuele inkomenstoeslag Voorschoten 2025 vast te stellen.
Artikel 1. Begrippen In deze verordening wordt verstaan onder: - inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, en de algemene bijstand; - peildatum: datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt; - referteperiode: periode van drie jaar voorafgaand aan de peildatum.
Artikel 1. Begrippen In deze verordening wordt verstaan onder: - gehuwden: echtparen en daaraan gelijkgestelden als vastgelegd in artikel 3 van de Participatiewet; - inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, en de algemene bijstand; - peildatum: datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt; - referteperiode: periode van drie jaar voorafgaand aan de peildatum.
Toevoeging van de definitie van gehuwden om eventuele onduidelijkheden van artikel 4 lid 2 te voorkomen.
Artikel 2. Indienen verzoek Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier.
Artikel 2. Indienen verzoek 1. Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier. 2. Aan inwoners die drie jaar of langer een bijstandsuitkering
De mogelijkheid voor ambtshalve toekenning is toegevoegd. Dit om, conform het ‘Dynamisch Minimabeleid 2024 en verder’, het bereik van de regeling te vergroten en de administratieve lasten bij de inwoner te verlichten.
ontvangen, en 21 jaar of ouder zijn doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, kan het college automatisch individuele inkomenstoeslag toekennen. Artikel 4. Hoogte individuele inkomenstoeslag 1. Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar: a. € 450,00 voor alleenstaande zonder kinderen b. € 450,00 voor alleenstaande met jonge kinderen (waarvan oudste kind jonger dan 12 jaar) c. € 600,00 voor alleenstaande met oudere kinderen (waarvan oudste kind 12 jaar of ouder is) d. € 600,00 voor gehuwden zonder kinderen e. € 450,00 voor gehuwden met jonge kinderen (waarvan het oudste kind jonger dan 12 jaar)
Artikel 4. Hoogte individuele inkomenstoeslag 1. Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar €450 per huishouden. 2. Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. 3. Voor toepassing van het tweede lid is de situatie op de peildatum bepalend.
De hoogte van de individuele inkomenstoeslag is voor iedere inwoner gelijkgesteld, ongeacht huishoudensamenstelling. Dit is conform het ‘Dynamisch Minimabeleid 2024 en verder’.
f. € 600,00 voor gehuwden met oudere kinderen (waarvan het oudste kind 12 jaar of ouder is) 2. Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande zonder kinderen, alleenstaande met jonge kinderen of alleenstaande met oudere kinderen zou gelden. 3. Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de peildatum bepalend. Artikel 5. Hardheidsclausule In gevallen waarin de strikte toepassing van de in artikel 3 gehanteerde definitie van 'langdurig laag inkomen' naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in een individueel geval leidt tot een onredelijke of onbillijke
Een hardheidsclausule is toegevoegd om maatwerk mogelijk te maken. Hierdoor schuiven de opvolgende artikelen in de nummering telkens één plaats op.
Artikel 5. Intrekken oude verordening De ‘Verordening individuele inkomenstoeslag Voorschoten 2015’ wordt ingetrokken.
uitkomst gelet op de actuele financiële omstandigheden van de aanvrager kan het college besluiten af te wijken van deze definitie en de aanvrager alsnog als behorend tot de doelgroep 'laag inkomen' aanmerken. Een dergelijk besluit wordt schriftelijk vastgelegd en gemotiveerd. Artikel 6. Intrekken oude verordening De ‘Verordening individuele inkomenstoeslag Voorschoten 2019’ wordt ingetrokken.
Artikel 6. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2019. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele inkomenstoeslag Voorschoten 2019’.
Artikel 7. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 augustus 2025. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele inkomenstoeslag Voorschoten 2025’.
Toelichting
Dit artikel is gewijzigd zodat het de juiste data bevat voor de nieuwe verordening.
Dit artikel is gewijzigd zodat het de juiste data bevat voor de nieuwe verordening.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Toelichting (wijziging)
Artikel 2. Indienen verzoek
Artikel 2. Indienen verzoek
Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden gedaan middels een door het college vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb). Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om individuele
Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden gedaan middels een door het college vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb). Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om individuele
Een toelichting van het nieuwe artikel 2 lid 2 is toegevoegd. Hiermee wordt duidelijk dat het dat het college ambtshalve individuele inkomenstoeslag verleent aan inwoners in het bijstandsbestand die aan de voorwaarden voldoen. En dat deze inwoners geen verzoek hoeven in te dienen.
inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet.
inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet.
Artikel 3. Langdurig laag inkomen
Bij inwoners die drie jaar of langer een bijstandsuitkering ontvangen, is het bij het college bekend of zij voldoen aan de voorwaarden uit artikel 36, lid 1 van de Participatiewet en artikel 3 van deze verordening. Het college verleent om daarom ambtshalve individuele inkomenstoeslag voor inwoners uit het bijstandsbestand die hiervoor in aanmerking komen. Een verzoek als omschreven in artikel 2, lid 1 van deze verordening is dan niet nodig. Artikel 3. Langdurig laag inkomen
Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, is wat onder ‘langdurig’ en onder ‘laag’ wordt verstaan.
Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, is wat onder ‘langdurig’ en onder ‘laag’ wordt verstaan.
Langdurig De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige periode voorafgaand aan de peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is vastgesteld in artikel 1 van deze verordening.
Langdurig De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige periode voorafgaand aan de peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is vastgesteld in artikel 1 van deze verordening.
Laag inkomen
Laag inkomen
Marginale overschrijding De tekst over de marginale overschrijding is aangepast naar aanleiding van een nieuwe uitspraak van de CRvB. Het bedrag is uit de tekst gelaten. In plaats daarvan, staat er nu alleen de referentie naar de uitspraak in de voetnoot. Individuele inkomenstoeslag in geval van slechts 1 rechthebbende partner Deze tekst stond ook in de Verordening individuele inkomenstoeslag 2019. Deze stond echter in de toelichting van artikel 4.
Een inkomen is laag als het niet hoger is dan 110 procent van de toepasselijke bijstandsnorm. De vraag of het inkomen van een persoon gedurende de referteperiode niet hoger is dan het langdurig lage inkomen van 110 procent van de toepasselijke bijstandsnorm, zal niet al te rigide mogen worden beoordeeld. Een marginale overschrijding van dit lage inkomen moet worden genegeerd. Gaat het inkomen van een persoon gedurende (een deel van) de referteperiode de toepasselijke bijstandsnorm maandelijks met € 5,- of meer te boven, dan is geen sprake meer van een marginale overschrijding van de bijstandsnorm die niet aan toekenning van een individuele inkomenstoeslag in de weg staat. Er is immers geen sprake van een incidentele geringe overschrijding van de bijstandsnorm of van te verwaarlozen bedragen van enkele eurocenten.
Een inkomen is laag als het niet hoger is dan 110 procent van de toepasselijke bijstandsnorm. De vraag of het inkomen van een persoon gedurende de referteperiode niet hoger is dan het langdurig lage inkomen van 110 procent van de toepasselijke bijstandsnorm, zal niet al te rigide mogen worden beoordeeld. Een marginale overschrijding van dit lage inkomen moet worden genegeerd. Als het maandelijkse inkomen van een persoon gedurende de referteperiode gemiddeld in een jaar hoger is dan de toepasselijke bijstandsnorm maandelijks plus het bedrag benoemd in artikel 2, lid 3 van de beleidsregels Bijzondere Bijstand en Minimabeleid Voorschoten, dan is er sprake van een te hoog inkomen dat niet in aanmerking komt voor individuele inkomenstoeslag. Er is dan immers geen sprake van een incidentele geringe overschrijding van de bijstandsnorm of van te verwaarlozen bedragen van enkele eurocenten. Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden
De wijziging betreft dus een verplaatsing en geen nieuwe toepassing.
personen op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele inkomenstoeslag.
Artikel 4. Hoogte individuele inkomenstoeslag Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid
Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. De rechthebbende partner komt dan in aanmerking voor de volledige individuele inkomenstoeslag. Dat is geregeld in het tweede lid. Vervallen
Dit artikel is komen te vervallen, omdat huishoudensamenstelling niet meer een bepalende factor is voor de hoogte van individuele
gemaakt tussen alleenstaande zonder kinderen, alleenstaande met jonge kinderen, alleenstaande met oudere kinderen, gehuwden zonder kinderen, gehuwden met jonge kinderen en gehuwden met oudere kinderen Gehuwden Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele inkomenstoeslag. Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van de in
inkomenstoeslag. Dit is conform het nieuwe artikel 4 lid 1.
artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als slechts één partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande zonder kinderen, alleenstaande met jonge kinderen of alleenstaande met oudere kinderen zou gelden. Dat is geregeld in het tweede lid. Voor gehuwden zonder kinderen ligt het bedrag van de individuele inkomenstoeslag hoger dan het bedrag voor alleenstaande zonder kinderen. Gehuwden hebben immers gezamenlijk hogere uitgaven dan een alleenstaande zonder kinderen. Kinderen Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt in het type huishouden met jonge kinderen en oude kinderen. Jonge kinderen vallen in de leeftijdscategorie 0 tot 12 jaar. Oudere kinderen vallen in de leeftijdscategorie 12 tot 18 jaar. Het twaalfde levensjaar is het omslagpunt
van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs. Dit brengt hogere kosten met zich mee voor huishoudens met oudere kinderen. Artikel 5. Hardheidsclausule Dit artikel bevat een hardheidsclausule die specifiek ziet op de toepassing van de in artikel 3 opgenomen definitie van 'laag inkomen. Het gemeentebestuur erkent dat de gehanteerde inkomensgrens, hoewel noodzakelijk voor de algemene uitvoerbaarheid van deze verordening, in individuele, uitzonderlijke gevallen kan leiden tot onredelijke of onbillijke uitkomsten. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen in situaties waarin: - Een aanvrager weliswaar net boven de inkomensgrens uitkomt, maar tegelijkertijd aantoonbaar te maken heeft met hoge noodzakelijke uitgaven (bijvoorbeeld in verband met ziekte of handicap) die de financiële draagkracht aanzienlijk beperken. - Andere bijzondere omstandigheden van de aanvrager aanleiding geven tot het oordeel dat strikte toepassing van de
De toelichting benadrukt dat de hardheidsclausule slechts in uitzonderlijke, noodzakelijke gevallen wordt toegepast.
inkomensdefinitie in dat specifieke geval onbillijk zou zijn. Het college van burgemeester en wethouders kan in dergelijke uitzonderlijke situaties een bredere afweging te maken van de financiële omstandigheden van de aanvrager. Hierbij zal niet uitsluitend naar het formele inkomen worden gekeken, maar kunnen ook andere relevante factoren zoals vermogen, noodzakelijke uitgaven en overige bijzondere omstandigheden in de beoordeling worden betrokken. Het doel van deze hardheidsclausule is om te voorkomen dat burgers die feitelijk tot de beoogde doelgroep behoren en de ondersteuning hard nodig hebben, op basis van een rigide toepassing van de inkomensdefinitie onterecht buiten de regeling vallen. Het is van belang te benadrukken dat deze hardheidsclausule een uitzonderingsbepaling betreft. De algemene definitie van 'laag inkomen' zoals opgenomen in artikel 3 met definitie laag inkomen blijft de
leidende norm voor de toepassing van deze verordening.