CConstaterende datvoorschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a: Betreffende bijlage 1 Samenwerkingsovereenkomst Leidse regio - Was-wordtlijst Samenwerkingsovereenkomst Maatschappelijke zorg 2023 Leidse regio

Gemeenteraad Voorschoten 7 december 2023, gemeente voorschotenBij agendapunt: Samenwerkingsovereenkomst Maatschappelijke zorg Leidse Regio2.621 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlage 2

Was-wordtlijst Samenwerkingsovereenkomst Maatschappelijke zorg 2023 Leidse regio Onderdeel Overwegende dat:

Concept samenwerkingsovereenkomst

Herziene samenwerkingsovereenkomst Toegevoegd: l. De gemeenten in de Leidse regio gezamenlijk tot 2029 een programma maatschappelijke zorg Leidse regio uitvoeren om de transitie op de maatschappelijke zorg te realiseren.

Artikel 6.5 Overleg structuur

Minimaal een maal per 2 maanden vindt bestuurlijk overleg plaats over stand van zaken van de transformatie… In 2023 ontvangt gemeente Leiden middelen voor Maatschappelijke opvang volgens huidige rekenmodel vanuit het Rijk 10.4 De gewijzigde regeling treedt in werking op de dag volgend op die waarop deze door de deelnemers bekend is gemaakt, tenzij bij de gewijzigde regeling anders is bepaald. 10.5 Op de wijziging van deze regeling is artikel 19 van deze regeling van overeenkomstige toepassing. Wordt gesproken over ‘deelnemer(s)’

Meerdere keren per jaar vindt bestuurlijk overleg plaats…….

11.2 Bij toetreding van een college maken de deelnemers afspraken over een herschikking van de financiële budgetten.

Artikel 8.1 Financieringssystematiek Artikel 10.4 en 10.5 Wijziging regeling

Artikel 11.1 t/m 11.5 Toetreding Artikel 11.2

In 2023 en 2024 ontvangt …..

Toelichting In art 14.1 in herziene SOK wordt regeling voor onbepaalde tijd aangegaan. Toevoeging van overweging l. geeft voorgenomen looptijd aan.

10.4 en 10.5 komen te vervallen

Door uitstel van landelijk besluit doordecentralisatie beschermd wonen is 2024 toegevoegd 10.4 Is verwerkt in art 14.4 10.5 vervalt doordat benoemen van gemeente Leiden als centrumgemeente in deze regeling artikel 2 voldoende is.

Deelnemer is verandert naar college

In Wgr een bevoegdheid van het college

11.2 Het college van de centrumgemeente stuurt een afschrift van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk aan de colleges van de overige deelnemers.

Nummering van artikelen 11 wijzigt door de aanpassingen aan de Wgr en nadere uitwerking.

Artikel 11.3

11.3 De toetreding wordt pas ter toestemming voorgelegd aan de gemeenteraden van de deelnemers en de gemeenteraad van het toetredende college en burgemeester als over de toetreding overeenstemming met de andere deelnemers is bereikt

Artikel 11.4

11.4 Op toetreding tot deze regeling is artikel 19 van deze regeling van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11.5

11.5 Naar aanleiding van het toetreden wijzigen de overige deelnemers de regeling, conform artikel 11.

12.1 t/m 12.7 Uit treden

“deelnemer” vervangen door college

Artikel 12.1

12.1 Een deelnemer die wenst uit te treden dient dit voornemen schriftelijk kenbaar maken aan de overige deelnemers.

Artikel 12.2

12.2 Een deelnemer besluit tot uittreding nadat zijn raad hiertoe toestemming heeft verleend en dit besluit heeft bekendgemaakt.

11.3 Het college van de centrumgemeente kan voorwaarden verbinden aan de toetreding, en zendt deze voorwaarden zo spoedig mogelijk aan het college dat wenst toe te treden. De voorwaarden worden echter niet verzonden dan nadat de colleges van de overige deelnemers gelegenheid is geboden hun wensen en bedenkingen omtrent de toetreding bekend te maken bij het college van de centrumgemeente. 11.4 Tot toetreding is besloten wanneer het college van de centrumgemeente, het toetredende college én de colleges van de overige deelnemers met de toetreding hebben ingestemd. 11.5 De toetreding treedt in werking de eerste dag van de maand na het besluit, bedoeld in het vierde lid, of anders op een moment zoals in het toetredingsbesluit bepaald.

12.1 Een college van een van de gemeenten kan besluiten tot uittreding, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 12.2 Een college zendt, na toestemming van zijn raad, het besluit tot uittreding aan de andere colleges. De procedure voor uittreding vangt aan op de dag nadat het college van de centrumgemeente het besluit heeft ontvangen.

In Wgr een bevoegdheid van het college Alle artikelen 12 uittreden zijn aangepast aan Wgr Nummering van artikelen 12 wijzigt enigszins door de aanpassingen aan de Wgr en nadere uitwerking

Artikel 12.3

12.3 Uittreding kan niet eerder plaats vinden dan een jaar na afloop van het kalenderjaar waarin het besluit tot uittreding is genomen.

Artikel 12.4

12.4 Aan de uittreding van een deelnemer zijn kosten verbonden en er dient een financiële afwikkeling te komen.

Artikel 12.5

12.5 Naar aanleiding van het uittreden wijzigen de overige deelnemers de regeling, conform artikel 11.

Artikel 12.6

12.3 Het college van de centrumgemeente inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in het concept-uittredingsplan. 12.4 Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. 12.5 De uittreding gaat in op 1 januari van het jaar volgende op het verstrijken van een termijn van een jaar na het nemen van het besluit tot uittreding, tenzij de colleges unaniem een andere opzegtermijn overeenkomen. De uittreding gaat in elk geval niet in binnen twee jaar na de inwerkingtreding van de regeling. 12.6 Indien het college van de centrumgemeente beslist tot uittreding, dan nemen alle colleges binnen zes maanden een besluit of in plaats van de uittredingsprocedure van artikel 12 besloten wordt tot opheffing van de regeling overeenkomstig artikel 13. Besluiten twee derde van de colleges tot opheffing, dan is artikel (opheffing) verder van toepassing en wordt de uittredingsprocedure gestopt. Wordt niet tot opheffing besloten, dan wordt de procedure van artikel (uittreding) gevolgd

Artikel 12.7

12.7 Een college dat voornemens is uit te treden kan het college van de centrumgemeente vragen een indicatie te geven van de gevolgen van de uittreding, overeenkomstig hetgeen in deze regeling bepaald. De indicatie wordt binnen zes maanden opgeleverd, tenzij het betreffende uittredende college en het college van de centrumgemeente anders overeenkomen. De kosten voor het opstellen van de indicatie komen voor rekening van het college dat om de indicatie heeft verzocht. De indicatie bindt de gemeenten niet wanneer definitief tot uittreding wordt besloten Procedure vaststellen uittredingsplan 1. Het uittredingsplan bepaalt de wijze van berekening van de financiële gevolgen van de uittreding (art 12) en/of opheffing indien hiertoe besloten wordt (art 13). 2. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom. 3. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan wijst het college van de centrumgemeente een onafhankelijke externe deskundige aan die in opdracht van dit college het concept-uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer.

Procedure vaststellen uitredingsplan is toegevoegd aan artikel 12 Uittreden

4. Het college van de centrumgemeente wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en de secretaris van de centrumgemeente. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het college van de centrumgemeente de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden uit de colleges van de Leidse regio, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger van de uittredende deelnemer en een vertegenwoordiger van de centrumgemeente. 5. Ten minste zes maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het college van de centrumgemeente het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het college van de centrumgemeente baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek die is gehanteerd in het uittreedplan en op de jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. 6. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het college van de centrumgemeente de definitieve uittreedsom vast. Het college van de centrumgemeente baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek die is gehanteerd in het uittreedplan.

7. Bij de berekening van de kosten voor uittreding van één of meer gemeenten zoals bedoeld in het zesde lid wordt een risico-opslag van 10% op de uittreedsom toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten. 8. Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het college van de centrumgemeente de uittredende deelnemer de keuze tussen een verrekening van de financiële afwikkeling in een aantal termijnen of voor betaling hiervan in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het college van de centrumgemeente conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen of in een keer dient te betalen, dan wel te worden uitgekeerd. Te vergoeden kosten 1. De voorlopige, respectievelijk de definitieve uittreedsom bij één of enkele deelnemer(s) bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten. 2. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door de centrumgemeente die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van de deelnemer zijn. 3. Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel

Te vergoeden kosten bij uittreden is toegevoegd aan artikel 12 Uittreden.

toekomstig te maken dan wel te dragen door de centrumgemeente die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 4. De centrumgemeente brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer(s). De uittredende deelnemer is verplicht bij betaling van de definitieve uittreedsom, binnen drie maanden nadat het college van de centrumgemeente de definitieve uittreedsom, als bedoeld in artikel 12, heeft vastgesteld, tenzij in het uittredingsplan overeenkomstig artikel 12, anders is vastgelegd. 5. Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer. 6. De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding, bedoeld in artikel 12. 7. De centrumgemeente is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van

ontvangst door het college van de centrumgemeente van het besluit tot uittreding van de deelnemer. Artikel 13.2 Opheffen

Artikel 13.3

Artikel 14.1 Duur

Artikel 14.2

Artikel 14.3

Artikel 14.4

14.1 De samenwerkingsovereenkomst treedt [per datum] in werking na bekrachtiging door alle gemeenten in de Leidse regio en bekendmaking. 14.2 De overeenkomst loopt na inwerkingtreding tot 1 januari 2029 (6 jaar). Om op tijd een eventuele andere juridische vorm te bepalen voor de samenwerking wordt er in 2027 gestart met een evaluatieproces.

14.3 Na zes jaar is het mogelijk om de samenwerking te stoppen. De financiële consequenties bij eventuele stopzetting worden in kaart gebracht en de gemeenten in de Leidse regio maken dan andere financiële afspraken 14.4 De gemeenten in Leidse regio hebben de mogelijkheid om binnen de termijn van zes jaar een andere vorm van samenwerking te kiezen en bestuurlijk vast te leggen. De

13.2 Bij opheffen van de regeling wordt gelijk aan artikel 12 uittreding/opheffingsplan opgesteld. 13.3 Alle deelnemers dienen bij opheffing van deze regeling, conform het uittreding/opheffingsplan de financiële verplichtingen aan elkaar te voldoen. Daarbij wordt de procedure uittredingplan van artikel 12 zoveel mogelijk gevolgd. Vervallen in herziene versie

Bij opheffen wordt met alle deelnemers dezelfde procedure doorlopen als bij artikel 12 Uittreden

14.1 De regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd.

Bij overwegingen is daarom “l: De gemeenten in de Leidse regio gezamenlijk tot 2029 een programma maatschappelijke zorg Leidse regio uitvoeren om de transitie op de maatschappelijke zorg te realiseren” toegevoegd.

14.3 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op wijziging van, toetreding tot, uittreding uit en opheffing van de regeling.

14.4 Deze regeling treedt in werking op de eerste dag van de maand, volgend op de dag van bekendmaking door het

Staat al in een ander artikel 14.4

financiële consequenties bij eventuele stopzetting worden in kaart gebracht en de gemeenten in de Leidse regio maken dan andere financiële afspraken. Artikel 14.5 Artikel 17.1 Geschillenregeling

17.1 Geschillen over de specialistische maatschappelijke zorg kunnen worden gemeld bij het Regionaal Programmateam Maatschappelijke Zorg Holland Rijnland waarin alle subregio’s ambtelijk zijn vertegenwoordigd.

Artikel 17.2

17.2 Binnen twee weken na melding van het geschil in het Regionaal Programmateam Maatschappelijke Zorg Holland Rijnland stuurt elke partij zijn zienswijze over het geschil met een oplossingsgericht voorstel aan de andere partij waar het geschil mee is en aan het Programmateam Maatschappelijke Zorg Holland Rijnland. Hierna overleggen partijen zo spoedig mogelijk over de oplossing van het geschil. 17.3 Als het geschil niet in het Regionaal Programmateam Maatschappelijke Zorg Holland Rijnland kan worden opgelost, dan wordt er geëscaleerd naar het Ambtelijke Klankbord Maatschappelijke Zorg voor besluitvorming. 17.4 Wanneer dit niet leidt tot overeenstemming wijst iedere deelnemer een onafhankelijke deskundige aan. De aangewezen deskundigen benoemen gezamenlijk een deskundige die als voorzitter van de adviescommissie optreedt.

Artikel 17.3

Artikel 17.4

college van de centrumgemeente, als bedoeld in het tweede lid.

14.5 De regeling wordt in 2027 geëvalueerd in opdracht van de colleges. 17.1 Geschillen die spelen tussen de gemeenten binnen de Leidse regio worden voorgelegd aan het programmateam Leidse regio. Indien in het programmateam geen oplossing wordt gevonden voor het geschil wordt geëscaleerd naar het managers overleg Sociaal Domein Leidse regio 17.2 Indien dit niet leidt tot een oplossing kan het managers overleg het geschil voorleggen aan het bestuurlijk overleg Sociaal Domein Leidse regio.

17.3 Het bestuurlijk overleg Sociaal Domein Leidse regio kan bij het uitblijven van een passende oplossing een advies vragen aan de colleges van de betreffende deelnemers. 17.4 Na ontvangst van het advies treden de colleges nogmaals in overleg om, op basis van het advies tot een oplossing te komen van het geschil.

Artikel 17 Geschillenregeling is aangepast op geschillen die zich binnen de Leidse regio. Volgorde van de artikelen in 17 geschillen kan verschillen door de uitwerking

Artikel 17.5

Artikel 17.6

Artikel 17.7

Artikel 19 Archivering

Het opdrachtgeverschap aan de commissie wordt door de deelnemers gezamenlijk vervuld. 17.5 De kosten voor het optreden van de onafhankelijke deskundige komen voor rekening van de deelnemer, waarvoor deze optreedt.

17.6 De kosten voor het optreden van de gezamenlijk deskundige, die als voorzitter optreedt, zoals bedoeld in het derde lid, worden verdeeld over de deelnemers, waarbij de verdeling naar verhouding van het aantal inwoners is 17.7 Geschillen die spelen tussen de gemeenten binnen de Leidse regio worden voorgelegd aan het programmateam Leidse regio. Indien in het programmateam geen oplossing wordt gevonden voor het geschil wordt geëscaleerd naar het managers overleg Sociaal Domein Leidse regio. Artikel 19 Aanwijzing artikel 26 Wgr gemeente 13 Samenwerkingsovereenkomst Maatschappelijke zorg LR 2023 – versie 1.3 Het college van de centrumgemeente is aangewezen om uitvoering te geven aan artikel 26 van de Wgr.

17.5 Wanneer dit niet leidt tot overeenstemming kan advies gevraagd worden aan een onafhankelijke deskundige aan. Het opdrachtgeverschap aan de onafhankelijke deskundige wordt door de deelnemers gezamenlijk vervuld. 17.6 De kosten voor het optreden van de onafhankelijke deskundige komen voor rekening van de deelnemer, waarvoor deze optreedt en wordt verdeeld over de deelnemers, waarbij de verdeling naar verhouding van inwoners is. 17.7 Indien dat overleg niet tot een oplossing leidt, kan het college van elk van de gemeenten het geschil, overeenkomstig artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, voorleggen aan gedeputeerde staten van de Provincie Zuid-Holland. Artikel 19 is komen te vervallen doordat Gemeente aanwijzen als centrumgemeente in deze regeling voldoende is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=64350ef4-540f-49d7-960f-9fbf33fb6a9a