Bijlage 1 Was Wordt lijst (raad, wijzigingen geel gearceerd).docx
Tekst van het document
Bijlage 1
Was-Wordt lijst
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Voorschoten 2015 Geldend van 22-07-2022 t/m heden Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Voorschoten 2015 Intitulé De raad der gemeente Voorschoten; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 23 september 2014 en 28 oktober 2014, en de door de raad aangenomen amendementen nrs. 100223 en 100224; overwegende dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren
van een inclusieve samenleving; besluit: 1. De reactie op de zienswijzen, zoals opgenomen in de Reactienota (bijlage 1) vast te stellen; 2. Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Voorschoten 2015 vast te stellen. Was
Wordt
HOOFDSTUK 1 - BEGRIPSBEPALINGEN Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen 1.In de verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens de cliënt of het college gehouden is een maatwerkvoorziening te leveren; b. Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking, die algemeen verkrijgbaar is en die niet aanzienlijk duurder is dan vergelijkbare producten;
HOOFDSTUK 1 - BEGRIPSBEPALINGEN Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen 1.In de verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens de cliënt of het college gehouden is een maatwerkvoorziening te leveren; b. Algemeen gebruikelijke voorziening:
c. Beperking: aan de persoon verbonden factoren die er toe leiden dat deze niet (volledig) in staat is tot deelnemen aan het maatschappelijke verkeer;
d. Budgetplan: een plan met daarin de motivatie van de cliënt waarom een
algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, die daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en die financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau; c. Arrangement: totaalpakket van ondersteuning, gericht op het versterken/behouden van de zelfredzaamheid en/of participatie, met betrekking tot de leefgebieden sociaal & persoonlijk functioneren, zelfzorg en gezondheid, geldzaken, daginvulling, sociaal beheer en veiligheid. d. Beperking: aan de persoon verbonden factoren die er toe leiden dat deze niet (volledig) in staat is tot deelnemen aan het maatschappelijke verkeer; e. Beschermd wonen: wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij
persoonsgebonden budget gewenst is, mogelijk door het college aangevuld met de voorwaarden die daar aan verbonden zijn; e. Collectieve maatwerkvoorziening: een maatwerkvoorziening die door meerdere personen tegelijk kan worden gebruikt; f. Dagbesteding: structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel;
g. Gemeenschappelijke ruimten: gedeelte(n) van een woongebouw, niet behorende tot de onderscheiden woningen, bestemd en noodzakelijk om de woonruimte van de cliënt waar deze zijn hoofdverblijf heeft vanaf de toegang tot het woongebouw te bereiken; h. Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres hij in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven staat of zal staan. Indien de cliënt met een briefadres in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven staat, gaat het om het feitelijk woonadres; i. Hulpvraag: de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, niet zijnde informatie en advies waarvoor een melding wordt gedaan; j. Huisgenoot: de persoon met wie de cliënt duurzaam een gezamenlijk huishouden voert; k. Instandhoudingskosten: een door het College te bepalen bedrag dat bestemd is voor onderhoud, reparatie en verzekering verband houdend met de te verstrekken maatwerkvoorziening, vergelijkbaar met het niveau van zorg-in-natura; l. Instelling: volgens de Wet toelating zorginstellingen, een ziekenhuis of kleinschalig wooninitiatief als bedoeld in de Regeling Subsidies AWBZ/Wlz; m.
Jaarinkomen: het bruto actueel gezamenlijk inkomen als bedoeld in artikel 32 Participatiewet waarover de persoon en zijn eventuele echtgenoot beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken; n. Leefeenheid: de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waarmee de cliënt hoofdverblijf in dezelfde woning heeft; o. Mantelzorger: iemand die langdurige zorg verleend die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening
behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. In de Leidse regio wordt in plaats van beschermd wonen de term ‘wonen met ondersteuning’ gebruikt. f. Budgetplan: een plan met daarin de motivatie van de cliënt waarom een persoonsgebonden budget gewenst is, mogelijk door het college aangevuld met de voorwaarden die daar aan verbonden zijn; g. Collectieve maatwerkvoorziening: een maatwerkvoorziening die door meerdere personen tegelijk kan worden gebruikt; h. Dagbesteding: structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel; i. Gemeenschappelijke ruimten: gedeelte(n) van een woongebouw, niet behorende tot de onderscheiden woningen, bestemd en noodzakelijk om de woonruimte van de cliënt waar deze zijn hoofdverblijf heeft vanaf de toegang tot het woongebouw te bereiken; j.
Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres hij in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven staat of zal staan. Indien de cliënt met een briefadres in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven staat, gaat het om het feitelijk woonadres; k. Hulpvraag: de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, niet zijnde informatie en advies waarvoor een melding wordt gedaan; l. Huisgenoot: de persoon met wie de cliënt duurzaam een gezamenlijk huishouden voert m. Instandhoudingskosten: een door het College te bepalen bedrag dat bestemd is voor onderhoud, reparatie en verzekering verband houdend met de te verstrekken maatwerkvoorziening, vergelijkbaar met het niveau van zorg-in-natura; n. Instelling: volgens de Wet toelating zorginstellingen, een ziekenhuis of kleinschalig wooninitiatief als bedoeld in de Regeling Subsidies AWBZ/Wlz; o. Jaarinkomen: het bruto actueel gezamenlijk inkomen als bedoeld in artikel 32 Participatiewet waarover de persoon en zijn eventuele echtgenoot beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken; p. Leefeenheid: de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten
rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt.
p. Meerkosten: kosten die uitgaan boven de kosten die algemeen gebruikelijk zijn te beschouwen; q. Niet-professionele zorgverlener: i. een ondersteuner of aanbieder die niet is ingeschreven in het handelsregister als zijnde verlener van maartschappelijke ondersteuning of niet in het bezit is van een zogenaamde BIG-registratie, tenzij dit voor het verlenen van de desbetreffende ondersteuning relevant is; ii. de ouder of familielid, zelfs als die/dat gediplomeerd is voor de zorg die wordt geleverd. r. Normale gebruik van de woning: het kunnen verrichten van de elementaire woonfuncties (eten, slapen, lichaamsreiniging, koken), het verrichten van belangrijke huishoudelijke taken, horizontale en verticale verplaatsingen in en om de woning waaronder ook de toegang tot de woning;
s. Ondersteuningsplan: een in samenspraak met de cliënt opgesteld afsprakenkader over diens te vergen inzet, zijn sociaal netwerk, algemene voorzieningen en/of maatwerkvoorzieningen gelet op zijn beperking(en) waaronder ook criteria als bedoeld in het budgetplan kunnen zijn inbegrepen; t. Persoonlijk plan: een door de cliënt, al dan niet tezamen met zijn persoonlijke netwerk, opgesteld plan met zijn persoonlijk arrangement over de omstandigheden als bedoeld in bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met e van de wet; u. Professionele zorgverlener: een beroepskracht of aanbieder die is ingeschreven in het handelsregister als zijnde verlener van maatschappelijke ondersteuning en beschikt over een zogenaamde BIG-registratie voor zover dit voor het verlenen van de betreffende ondersteuning relevant is en géén persoon uit het sociale netwerk van de cliënt is;
waarmee de cliënt hoofdverblijf in dezelfde woning heeft; q. Mantelzorger: iemand die langdurige zorg verleend die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. r. Maatschappelijke opvang: onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. In de Leidse regio wordt in plaats van maatschappelijke opvang de term ‘specialistische maatschappelijke opvang’ gebruikt en of ‘decentrale maatschappelijke opvang’. s. Meerkosten: kosten die uitgaan boven de kosten die algemeen gebruikelijk zijn te beschouwen; t. Niet-professionele zorgverlener: i een ondersteuner of aanbieder die niet is ingeschreven in het handelsregister als zijnde verlener van maartschappelijke ondersteuning of niet in het bezit is van een zogenaamde BIG-registratie, tenzij dit voor het verlenen van de desbetreffende ondersteuning relevant is; ii de ouder of familielid, zelfs als die/dat gediplomeerd is voor de zorg die wordt geleverd. U.
Normale gebruik van de woning: het kunnen verrichten van de elementaire woonfuncties (eten, slapen, lichaamsreiniging, koken), het verrichten van belangrijke huishoudelijke taken, horizontale en verticale verplaatsingen in en om de woning waaronder ook de toegang tot de woning; V. Ondersteuningsplan: een in samenspraak met de cliënt opgesteld afsprakenkader over diens te vergen inzet, zijn sociaal netwerk, algemene voorzieningen en/of maatwerkvoorzieningen gelet op zijn beperking(en) waaronder ook criteria als bedoeld in het budgetplan kunnen zijn inbegrepen; w. Persoonlijk plan: een door de cliënt, al dan niet tezamen met zijn persoonlijke netwerk, opgesteld plan met zijn persoonlijk arrangement over de omstandigheden als bedoeld in bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met e van de wet; x. Professionele zorgverlener: een beroepskracht of aanbieder die is ingeschreven in het handelsregister als zijnde verlener van maatschappelijke ondersteuning en beschikt over een zogenaamde BIGregistratie voor zover dit voor het verlenen
v. Spoedeisend geval: een onvoorziene situatie die geen uitstel verdraagt; w. Uitvoeringsbesluit: het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning 2015 (Stb 2014, 420); x. Vervoersvoorziening: een voorziening, al dan niet gemotoriseerd, waarmee de cliënt zich in zijn leefomgeving kan verplaatsen; y. Voorliggende voorziening: een andere wettelijke regeling op grond waarvan de cliënt een beroep kan doen met het oog op zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning; z. Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; aa. Woning: een woonruimte voor permanente bewoning bestemd en geschikt en waarbij geen wezenlijke woonfuncties, zoals woon- en slaapruimte, was en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld. Hieronder begrepen een woonschip en een woonwagen mits bestemd voor permanent bewoning; bb. Woonvoorziening: een woningaanpassing of hulpmiddel gericht op het normale gebruik in de woning. cc. Zorgvrijwilliger: Vrijwilligers kiezen ervoor om te zorgen. Als zij met het vrijwilligerswerk starten, is er (nog) geen emotionele band. Daarnaast zorgen zij voor een afgebakende tijd en kunnen zij de zorg op eigen initiatief beëindigen. Zorgvrijwilligers werken in georganiseerd verband en verrichten nooit verpleegkundige handelingen.
2.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.
van de betreffende ondersteuning relevant is en géén persoon uit het sociale netwerk van de cliënt is; y. Spoedeisend geval: een onvoorziene situatie die geen uitstel verdraagt; z. Uitvoeringsbesluit: het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning 2015 (Stb 2014, 420); aa. Vervoersvoorziening: een voorziening, al dan niet gemotoriseerd, waarmee de cliënt zich in zijn leefomgeving kan verplaatsen; bb. Voorliggende voorziening: een andere wettelijke regeling op grond waarvan de cliënt een beroep kan doen met het oog op zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning; cc. Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; dd. Woning: een woonruimte voor permanente bewoning bestemd en geschikt en waarbij geen wezenlijke woonfuncties, zoals woon- en slaapruimte, was en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld. Hieronder begrepen een woonschip en een woonwagen mits bestemd voor permanent bewoning; ee. Woonvoorziening: een woningaanpassing of hulpmiddel gericht op het normale gebruik in de woning. ff. Zorgvrijwilliger: Vrijwilligers kiezen ervoor om te zorgen. Als zij met het vrijwilligerswerk starten, is er (nog) geen emotionele band. Daarnaast zorgen zij voor een afgebakende tijd en kunnen zij de zorg op eigen initiatief beëindigen. Zorgvrijwilligers werken in georganiseerd verband en verrichten nooit verpleegkundige handelingen.
2.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.
HOOFDSTUK 2 – PROCEDUREGELS
HOOFDSTUK 2 – PROCEDUREGELS
Artikel 2.1 De melding van de hulpvraag
Artikel 2.1 De melding van de hulpvraag
1. Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. 2. De wijze waarop de melding wordt gedaan is schriftelijk op een door het college beschikbaar gesteld meldingsformulier, telefonisch of op voorgeschreven digitale wijze.
1. Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. 2. De wijze waarop de melding wordt gedaan is schriftelijk op een door het college beschikbaar gesteld meldingsformulier, telefonisch of op voorgeschreven digitale wijze.
3. Het college bevestigt de ontvangst van een hulpvraag schriftelijk of per e-mail. 4. In spoedeisende gevallen treft het college na de melding als bedoeld in het eerste lid onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomsten van het gesprek als bedoeld in artikel 2.3 van de verordening. 5. Het college kan afspraken maken met aanbieders en partijen uit het maatschappelijk middenveld op welke wijze zij, namens de cliënt, met (een gewijzigde) behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, een melding kunnen doen. Artikel 2.2 Cliëntondersteuning 1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op gratis cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voorafgaande aan het gesprek als bedoeld in artikel 2.3 van de verordening op de mogelijkheid gebruik te kunnen maken van gratis cliëntondersteuning. Artikel 2.3 Het gesprek 1. Het college nodigt de cliënt met een hulpvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Verordening zo spoedig mogelijk na de bevestiging van ontvangst van de hulpvraag uit voor het gesprek. In dit eerste contact komen in ieder geval de procedureregels, de mogelijkheden van (gratis) clientondersteuning en het persoonlijk plan aan de orde. 2.
Ingeval van mantelzorg wordt, indien de cliënt dat wenst of het college dat noodzakelijk acht, de mantelzorger(s) uitgenodigd voor het gesprek. 3. Het college kan voorafgaande aan het gesprek als bedoeld in het eerste lid eerst de van belang zijnde gegevens voor dat gesprek verzamelen alvorens een afspraak wordt gemaakt. 4. Bij het gesprek staat het belang van de cliënt centraal. 5. Het college wijst de cliënt voorafgaande aan het gesprek op de mogelijkheid van het indienen van een persoonlijk plan. 6. Gedurende het gesprek, als bedoeld in artikel 2.3, wordt gesproken over de
3. Het college bevestigt de ontvangst van een hulpvraag schriftelijk of per e-mail. 4. In spoedeisende gevallen treft het college na de melding als bedoeld in het eerste lid onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomsten van het gesprek als bedoeld in artikel 2.3 van de verordening. 5. Het college kan afspraken maken met aanbieders en partijen uit het maatschappelijk middenveld op welke wijze zij, namens de cliënt, met (een gewijzigde) behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, een melding kunnen doen. Artikel 2.2 Cliëntondersteuning 1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op gratis onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voorafgaande aan het gesprek als bedoeld in artikel 2.3 van de verordening op de mogelijkheid gebruik te kunnen maken van gratis cliëntondersteuning. Artikel 2.3 Het gesprek 1. Het college nodigt de cliënt met een hulpvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Verordening zo spoedig mogelijk na de bevestiging van ontvangst van de hulpvraag uit voor het gesprek. In dit eerste contact komen in ieder geval de procedureregels, de mogelijkheden van (gratis) clientondersteuning en het persoonlijk plan aan de orde. 2.
Ingeval van mantelzorg wordt, indien de cliënt dat wenst of het college dat noodzakelijk acht, de mantelzorger(s) uitgenodigd voor het gesprek. 3. Het college kan voorafgaande aan het gesprek als bedoeld in het eerste lid eerst de van belang zijnde gegevens voor dat gesprek verzamelen alvorens een afspraak wordt gemaakt. 4. Bij het gesprek staat het belang van de cliënt centraal. 5. Het college wijst de cliënt voorafgaande aan het gesprek op de mogelijkheid van het indienen van een persoonlijk plan. 6. Gedurende het gesprek, als bedoeld in artikel 2.3, wordt gesproken over de terreinen van beperkingen, gebruikelijke hulp en
terreinen van beperkingen, gebruikelijke hulp en mantelzorg, algemeen gebruikelijke voorzieningen, de zelfredzaamheid en de afstemming met de Wet Langdurige Zorg (WLZ), indien dit aan de orde is. Zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. 7. In het geval dat een cliënt voldoende zelfredzaam wordt geacht en beschikt over de mogelijkheden om zorg zelf te organiseren, kan het college de cliënt verzoeken om de voorziening zelf te betalen. Artikel 2.4 Vaststellen identiteit Het college is bevoegd de identiteit van de vertegenwoordiger of mantelzorger van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Artikel 2.5 Verslag van het gesprek 1. Het college stelt van het gesprek als bedoeld in artikel 2.3 van de verordening een schriftelijk verslag op. 2. Het verslag als bedoeld in het eerste lid heeft betrekking op de uitkomsten van het onderzoek naar de onderwerpen als bedoeld in artikel 2.3.2 vierde lid van de wet en indien aanwezig het persoonlijk plan. 3. Het college betrekt bij het verslag ook de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger. 4. Het college kan in plaats van een verslag als bedoeld in het eerste lid een ondersteuningsplan opstellen.
HOOFDSTUK 3 - DE AANVRAAG Artikel 3.1 De aanvraag 1. De aanvraag om een maatwerkvoorziening wordt ingediend op een door het college beschikbaar gesteld aanvraagformulier. 2. In afwijking van het eerste lid kan het college een ondertekend verslag als bedoeld in artikel 2.5 van de verordening, voorzien van de NAW-gegevens van de cliënt, aanmerken als aanvraag. 3. Het college is bevoegd de beslistermijn als bedoeld in artikel 2.3.5 tweede lid van de wet op te schorten indien voor de beoordeling van aanspraak op, dan wel welke maatwerkvoorziening een passende bijdrage kan leveren een deskundigenadvies nodig is. 4. Het college merkt een aanvraag vergezeld van een schriftelijke weergave
mantelzorg, algemeen gebruikelijke voorzieningen, de zelfredzaamheid en de afstemming met de Wet Langdurige Zorg (WLZ), indien dit aan de orde is. Zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. 7. In het geval dat een cliënt voldoende zelfredzaam wordt geacht en beschikt over de mogelijkheden om zorg zelf te organiseren, kan het college de cliënt verzoeken om de voorziening zelf te betalen. Artikel 2.4 Vaststellen identiteit Het college is bevoegd de identiteit van de vertegenwoordiger of mantelzorger van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Artikel 2.5 Verslag van het gesprek 1. Het college stelt van het gesprek als bedoeld in artikel 2.3 van de verordening een schriftelijk verslag op. 2. Het verslag als bedoeld in het eerste lid heeft betrekking op de uitkomsten van het onderzoek naar de onderwerpen als bedoeld in artikel 2.3.2 vierde lid van de wet en indien aanwezig het persoonlijk plan. 3. Het college betrekt bij het verslag ook de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger. 4. Het college kan in plaats van een verslag als bedoeld in het eerste lid een ondersteuningsplan opstellen.
HOOFDSTUK 3 - DE AANVRAAG Artikel 3.1 De aanvraag 5. De aanvraag om een maatwerkvoorziening wordt ingediend op een door het college beschikbaar gesteld aanvraagformulier. 6. In afwijking van het eerste lid kan het college een ondertekend verslag als bedoeld in artikel 2.5 van de verordening, voorzien van de NAW-gegevens van de cliënt, aanmerken als aanvraag. 7. Het college is bevoegd de beslistermijn als bedoeld in artikel 2.3.5 tweede lid van de wet op te schorten indien voor de beoordeling van aanspraak op, dan wel welke maatwerkvoorziening een passende bijdrage kan leveren een deskundigenadvies nodig is. 8. Het college merkt een aanvraag vergezeld van een schriftelijke weergave van
van de uitkomsten van het onderzoek, welk naar oordeel van het college gedateerde informatie bevat, aan als een melding.
de uitkomsten van het onderzoek, welk naar oordeel van het college gedateerde informatie bevat, aan als een melding.
Artikel 3.2 Advisering
Artikel 3.2 Advisering
1. Het college kan om deskundigenadvies vragen indien: a) het onduidelijk is of en zo ja, welke beperkingen de cliënt ondervindt en wat de prognose daarvan b) is; c) het college voornemens is de aanvraag om medische redenen af te wijzen; d) het college dat overigens gewenst vindt.
1. Het college kan om deskundigenadvies vragen indien: e) het onduidelijk is of en zo ja, welke beperkingen de cliënt ondervindt en wat de prognose daarvan f) is; g) het college voornemens is de aanvraag om medische redenen af te wijzen; h) het college dat overigens gewenst vindt.
2. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening, de cliënt of bij gebruikelijke hulp de personen die tot de leefeenheid van de cliënt behoren: a. uit te nodigen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te vragen aanvullend informatie te verstrekken; b. uit te nodigen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip om aanvullend informatie te verstrekken aan één of meer daartoe aangewezen deskundigen dan wel zich door één of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen onderzoeken.
HOOFDSTUK 4 - BEOORDELING VAN DE AANSPRAAK EN INHOUD BESCHIKKING Artikel 4.1 Algemene criteria maatwerkvoorziening 1. Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Voorschoten komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: a. op eigen kracht; b. met gebruikelijke hulp; c. met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel d. met gebruikmaking van algemene voorzieningen, kan verminderen of wegnemen.
2. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening, de cliënt of bij gebruikelijke hulp de personen die tot de leefeenheid van de cliënt behoren: a. uit te nodigen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te vragen aanvullend informatie te verstrekken; b. uit te nodigen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip om aanvullend informatie te verstrekken aan één of meer daartoe aangewezen deskundigen dan wel zich door één of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen onderzoeken.
HOOFDSTUK 4 - BEOORDELING VAN DE AANSPRAAK EN INHOUD BESCHIKKING Artikel 4.1 Algemene criteria maatwerkvoorziening 1. Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Voorschoten komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: a. op eigen kracht; b. met gebruikelijke hulp; c. met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel d. met gebruikmaking van algemene voorzieningen, kan verminderen of wegnemen.
2. De maatwerkvoorziening als bedoeld in het eerste lid levert, rekening houdend met het verslag als bedoeld in artikel 2.5 van de verordening en indien aanwezig het persoonlijk plan, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. 3. Een cliënt die ingezetene is van Nederland met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet: a. op eigen kracht; b. met gebruikelijke hulp; c. met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel d. met gebruikmaking van algemene voorzieningen, e. kan verminderen of wegnemen. 4.
De maatwerkvoorziening als bedoeld in het vorige lid levert, rekening houdend met het verslag als bedoeld in artikel 2.5 van de verordening en indien aanwezig het persoonlijk plan, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 5. Er bestaat slechts aanspraak op een maatwerkvoorziening voor zover: a. deze noodzakelijk is om de cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid en participatie mede met het oog op het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; b. deze als goedkoopst passende bijdrage aan te merken is; c. deze in overwegende mate op de cliënt gericht is. 6. Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat: a. indien in de hulpvraag van de cliënt met een voor hem als algemeen gebruikelijk te beschouwen voorziening kan worden voorzien; b. voor zover er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan diens behoefte aan maatschappelijke ondersteuning; c. indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds in het kader van enige wettelijke bepaling of
2. De maatwerkvoorziening als bedoeld in het eerste lid levert, rekening houdend met het verslag als bedoeld in artikel 2.5 van de verordening en indien aanwezig het persoonlijk plan, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. 3. Een cliënt die ingezetene is van Nederland met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet: a. op eigen kracht; b. met gebruikelijke hulp; c. met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel d. met gebruikmaking van algemene voorzieningen, e. kan verminderen of wegnemen. 4.
De maatwerkvoorziening als bedoeld in het vorige lid levert, rekening houdend met het verslag als bedoeld in artikel 2.5 van de verordening en indien aanwezig het persoonlijk plan, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 5. Er bestaat slechts aanspraak op een maatwerkvoorziening voor zover: a. deze noodzakelijk is om de cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid en participatie mede met het oog op het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; b. deze als goedkoopst passende bijdrage aan te merken is; c. deze in overwegende mate op de cliënt gericht is. 6. Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat: a. indien in de hulpvraag van de cliënt met een voor hem als algemeen gebruikelijk te beschouwen voorziening kan worden voorzien; b. voor zover er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan diens behoefte aan maatschappelijke ondersteuning; c. indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is
regeling is verleend en daarvan de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of verleende voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen. d. indien de cliënt in redelijkheid van hem te vergen mogelijkheden had om zelf voor een passende oplossing te zorgen voor de beperkingen in zijn zelfredzaamheid en participatie. e. indien de noodzaak tot ondersteuning is ontstaan als gevolg van omstandigehden die in de risicosfeer van de cliënt liggen. f. indien de cliënt aanspraak kan maken op een andere voorliggende voorziening zoals de Zorgverzekeringswet en of de Wet Langdurige Zorg, tenzij hij/zij op een wachtlijst staat en een maatwerkvoorziening aanvraagt als overbrugging. 7. De aanvraag om een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget wordt in ieder geval geweigerd indien de maatwerkvoorziening is gerealiseerd vóór de melding dan wel de aanvraag. 8. De aanvraag om een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget kan worden geweigerd indien de maatwerkvoorziening nog niet is gerealiseerd vóór de melding dan wel aanvraag, tenzij de noodzaak achteraf door het college kan worden vastgesteld. 9.
Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget, niet zijnde beschermd wonen of opvang, bestaat indien de cliënt geen woonplaats heeft of zal hebben in de gemeente Voorschoten. Artikel 4.2 Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verleend. 2. Bij het verlenen van een voorziening in natura wordt in de beschikking tevens vastgelegd: a. welke de te verlenen voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verleend, en indien van toepassing, d. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; 3. Bij het verlenen van een voorziening in de vorm van een persoonsgebonden
verleend en daarvan de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of verleende voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen. d. indien de cliënt in redelijkheid van hem te vergen mogelijkheden had om zelf voor een passende oplossing te zorgen voor de beperkingen in zijn zelfredzaamheid en participatie. e. indien de noodzaak tot ondersteuning is ontstaan als gevolg van omstandigheden die in de risicosfeer van de cliënt liggen. f. indien de cliënt aanspraak kan maken op een andere voorliggende voorziening zoals de Zorgverzekeringswet en of de Wet Langdurige Zorg, tenzij hij/zij op een wachtlijst staat en een maatwerkvoorziening aanvraagt als overbrugging. 7. De aanvraag om een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget wordt in ieder geval geweigerd indien de maatwerkvoorziening is gerealiseerd vóór de melding dan wel de aanvraag. 8. De aanvraag om een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget kan worden geweigerd indien de maatwerkvoorziening nog niet is gerealiseerd vóór de melding dan wel aanvraag, tenzij de noodzaak achteraf door het college kan worden vastgesteld. 9.
Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget, niet zijnde beschermd wonen of opvang, bestaat indien de cliënt geen woonplaats heeft of zal hebben in de gemeente Voorschoten. Artikel 4.2 Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verleend. 2. Bij het verlenen van een voorziening in natura wordt in de beschikking tevens vastgelegd: a. welke de te verlenen voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verleend, en indien van toepassing, d. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; 3. Bij het verlenen van een voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt in de beschikking tevens in ieder geval vastgelegd:
budget wordt in de beschikking tevens in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat het persoonsgebonden budget moet worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het persoonsgebonden budget; c. wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe hiertoe is gekomen; d. wat ingangsdatum en de duur is van de verstrekking is; e. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; f. welke verplichtingen zijn verbonden aan het persoonsgebonden budget; g. dat het persoonsgebonden budget wordt overgemaakt aan de Sociale verzekeringsbank.
a. voor welk resultaat het persoonsgebonden budget moet worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het persoonsgebonden budget; c. wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe hiertoe is gekomen; d. wat ingangsdatum en de duur is van de verstrekking is; e. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; f. welke verplichtingen zijn verbonden aan het persoonsgebonden budget; g. dat het persoonsgebonden budget wordt overgemaakt aan de Sociale verzekeringsbank. 4. Indien de cliënt een bijdrage in de kosten is verschuldigd wordt dat opgenomen in de beschikking
4. Indien de cliënt een bijdrage in de kosten is verschuldigd wordt dat opgenomen in de beschikking HOOFDSTUK 5 - PERSOONSGEBONDEN BUDGET
HOOFDSTUK 5 - PERSOONSGEBONDEN BUDGET
Artikel 5.1 Criteria aanspraak en verplichtingen persoonsgebonden budget
Artikel 5.1 Criteria aanspraak en verplichtingen persoonsgebonden budget 1.
1. De cliënt heeft aanspraak op een persoonsgebonden budget indien: a. de cliënt op eigen kracht, al dan niet met hulp uit zijn sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger, voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van belangen aangaande de aan het persoonsgebonden budget verbonden taken op een verantwoorde manier uit te voeren; b. de cliënt zich in een budgetplan voldoende gemotiveerd op het standpunt stelt waarom hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst te krijgen; c. is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen voldoen aan de kwaliteitseisen van de wet en in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt.
a. de cliënt op eigen kracht, al dan niet met hulp uit zijn sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger, voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van belangen aangaande de aan het persoonsgebonden budget verbonden taken op een verantwoorde manier uit te voeren; b. de cliënt zich in een budgetplan voldoende gemotiveerd op het standpunt stelt waarom hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst te krijgen; c. is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen voldoen aan de kwaliteitseisen van de wet en in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 2.
2. Aan het persoonsgebonden budget zijn de volgende verplichtingen verbonden: a. het persoonsgebonden budget mag niet worden besteed aan een voorziening die voor de cliënt algemeen gebruikelijk is;
De cliënt heeft aanspraak op een persoonsgebonden budget indien:
Aan het persoonsgebonden budget zijn de volgende verplichtingen verbonden:
a. het persoonsgebonden budget mag niet worden besteed aan een voorziening die voor de cliënt algemeen gebruikelijk is;
b. uit het persoonsgebonden budget mogen geen (administratieve) bemiddelingsbureaus worden betaald; c. uit het persoonsgebonden budget mogen reiskosten voor de aanbieder worden betaald, mits dat is opgenomen in het door het college akkoord bevonden ondersteuningsplan of budgetplan; d. het persoonsgebonden budget moet binnen zes maanden na toekenning zijn aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden; e. de cliënt die is aangewezen op maatschappelijke ondersteuning besteedt het persoonsgebonden budget niet aan een persoon welke tot zijn leefeenheid behoort die feitelijk gebruikelijke hulp op zich moet nemen, maar daartoe niet in staat is wegens overbelasting of dreigende overbelasting. 3. Een cliënt aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woonvoorzieningen en andere maatregelen onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk: i. als de dienst zorg omvat waarvoor krachtens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, beschikt de persoon over de desbetreffende kwalificatie; ii. Deze persoon heeft niet aangegeven dat de ondersteuning aan de cliënt hem te zwaar valt, en iii.
De persoon uit het sociaal netwerk van wie de dienst wordt betrokken zal niet het budget beheren, behalve met toestemming van het college vanwege bijzondere omstandigheden. 4. De cliënt aan wie een persoonsgebonden budget is verleend draagt er zorg voor dat een aanbieder op wie het Arbeidstijdenbesluit niet van toepassing is niet meer dan veertig uur in één week voor hem werkzaamheden verricht. 5. De cliënt aan wie een persoonsgebonden budget is verleend voor de aanschaf van een elektrische rolstoel en/of een open/gesloten buitenwagen dient: a. een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering (WA) af te sluiten; b. een onderhoudscontract af te sluiten met een leverancier, gedurende de in de beschikking genoemde periode. 6. Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde hulp
b. uit het persoonsgebonden budget mogen geen (administratieve) bemiddelingsbureaus worden betaald; c. uit het persoonsgebonden budget mogen reiskosten voor de aanbieder worden betaald, mits dat is opgenomen in het door het college akkoord bevonden ondersteuningsplan of budgetplan; d. het persoonsgebonden budget moet binnen zes maanden na toekenning zijn aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden; e. de cliënt die is aangewezen op maatschappelijke ondersteuning besteedt het persoonsgebonden budget niet aan een persoon welke tot zijn leefeenheid behoort die feitelijk gebruikelijke hulp op zich moet nemen, maar daartoe niet in staat is wegens overbelasting of dreigende overbelasting. 3. Een cliënt aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woonvoorzieningen en andere maatregelen onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk: iv. als de dienst zorg omvat waarvoor krachtens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, beschikt de persoon over de desbetreffende kwalificatie; v. Deze persoon heeft niet aangegeven dat de ondersteuning aan de cliënt hem te zwaar valt, en vi.
De persoon uit het sociaal netwerk van wie de dienst wordt betrokken zal niet het budget beheren, behalve met toestemming van het college vanwege bijzondere omstandigheden. 4. De cliënt aan wie een persoonsgebonden budget is verleend draagt er zorg voor dat een aanbieder op wie het Arbeidstijdenbesluit niet van toepassing is niet meer dan veertig uur in één week voor hem werkzaamheden verricht. 5. De cliënt aan wie een persoonsgebonden budget is verleend voor de aanschaf van een elektrische rolstoel en/of een open/gesloten buitenwagen dient: a. een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering (WA) af te sluiten; b. een onderhoudscontract af te sluiten met een leverancier, gedurende de in de beschikking genoemde periode. 6. Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde hulp of maatwerkvoorzieningen, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van persoonsgebonden budgetten.
of maatwerkvoorzieningen, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van persoonsgebonden budgetten. Artikel 5.2 Verstrekking op verzoek 1. Verstrekking van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van de cliënt en geldt voor de duur van de indicatie. 2. De cliënt is verplicht desgevraagd inlichtingen te verstrekken over de met het persoonsgebonden budget aan te schaffen dan wel in te kopen maatwerkvoorziening. Daaronder worden ook de instandhoudingskosten gerekend. Artikel 5.3 Algemene bepalingen bij persoonsgebonden budget 1. Het persoonsgebonden budget wordt geacht in ieder geval toereikend te zijn voor zover van toepassing met de economische levensduur die geldt voor de met het persoonsgebonden budget aan te schaffen dan wel in te kopen maatwerkvoorziening en wordt gesteld op 7 jaar. De budgethouder wordt geacht gedurende deze periode te kunnen gebruikmaken van een maatwerkvoorziening. Is een hulpmiddel afgeschreven dan ontstaat niet automatisch het recht op een nieuw of gebruikt hulpmiddel. Zolang het verstrekte hulpmiddel of het via een persoonsgebonden budget aangeschafte hulpmiddel technisch nog voldoet, bestaat geen recht op vervanging van het hulpmiddel. Dit tenzij een medische noodzaak wordt aangetoond. 2.
Indien een cliënt een persoonsgebonden budget voorziening heeft en hij de voorziening niet meer gebruikt in de gemeente Voorschoten, dient de cliënt of de nabestaande(n) binnen een redelijke termijn de restwaarde van de voorziening aan de gemeente terug te betalen. 3. De restwaarde van de nieuwwaarde van de voorziening wordt berekend volgens onderstaande methodiek: 0 - < 1 jaar: 70 % 1 - < 2 jaar: 60 % 2 - < 3 jaar: 45 % 3 - < 4 jaar: 35 % 4 - < 5 jaar: 25 % 5 - < 6 jaar: 15 % 6 - < 7 jaar: 5 % 4. Indien met het persoonsgebonden budget een maatwerkvoorziening tweedehands wordt aangeschaft, dan wordt de resterende afschrijvingstermijn gehanteerd.
Artikel 5.2 Verstrekking op verzoek 1. Verstrekking van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van de cliënt en geldt voor de duur van de indicatie. 5. De cliënt is verplicht desgevraagd inlichtingen te verstrekken over de met het persoonsgebonden budget aan te schaffen dan wel in te kopen maatwerkvoorziening. Daaronder worden ook de instandhoudingskosten gerekend. Artikel 5.3 Algemene bepalingen bij persoonsgebonden budget 1. Het persoonsgebonden budget wordt geacht in ieder geval toereikend te zijn voor zover van toepassing met de economische levensduur die geldt voor de met het persoonsgebonden budget aan te schaffen dan wel in te kopen maatwerkvoorziening en wordt gesteld op 7 jaar. De budgethouder wordt geacht gedurende deze periode te kunnen gebruikmaken van een maatwerkvoorziening. Is een hulpmiddel afgeschreven dan ontstaat niet automatisch het recht op een nieuw of gebruikt hulpmiddel. Zolang het verstrekte hulpmiddel of het via een persoonsgebonden budget aangeschafte hulpmiddel technisch nog voldoet, bestaat geen recht op vervanging van het hulpmiddel. Dit tenzij een medische noodzaak wordt aangetoond. 2.
Indien een cliënt een persoonsgebonden budget voorziening heeft en hij de voorziening niet meer gebruikt in de gemeente Voorschoten, dient de cliënt of de nabestaande(n) binnen een redelijke termijn de restwaarde van de voorziening aan de gemeente terug te betalen. 3. De restwaarde van de nieuwwaarde van de voorziening wordt berekend volgens onderstaande methodiek: 0 - < 1 jaar: 70 % 1 - < 2 jaar: 60 % 2 - < 3 jaar: 45 % 3 - < 4 jaar: 35 % 4 - < 5 jaar: 25 % 5 - < 6 jaar: 15 % 6 - < 7 jaar: 5 % 4. Indien met het persoonsgebonden budget een maatwerkvoorziening tweedehands wordt aangeschaft, dan wordt de resterende afschrijvingstermijn gehanteerd.
Artikel 5.4 Recht op een persoonsgebonden budget 1. Onverminderd de voorwaarden en/of weigeringsgronden van artikel 2.3.6 van de wet bestaat er geen recht op een persoonsgebonden budget indien en zolang een risico bestaat dat executoriaal beslag kan worden gelegd op het persoonsgebonden budget. 2. De budgethouder dient het persoonsgebonden budget naar rato terug te betalen of de gemeente te verzoeken de voorziening over te nemen als het recht op een persoonsgebonden budget wordt ingetrokken of beëindigd. Als de gemeente met de overname instemt, gaat het eigendom over naar de gemeente. De budgethouder ontvangt hiervoor geen vergoeding. Artikel 5.5 Hoogte van een persoonsgebonden budget De hoogte van een persoonsgebonden budget: 1. wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het persoonsgebonden budget gaat besteden; 2. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het persoonsgebonden budget toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; en 3. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor diensten geleverd: i.
door een zelfstandige professional bedraagt maximaal 85 % van het tarief waarvoor het college aanbieders heeft gecontracteerd; ii. door een persoon uit het sociale netwerk van de cliënt of door een persoon die niet als gekwalificeerde aanbieder wordt aangemerkt bedraagt maximaal 50 % van het tarief waarvoor het college aanbieders heeft gecontracteerd, dan wel het minimum loon. iii. In aanvulling op i en ii wordt bij huishoudelijke ondersteuning uitgegaan van het tarief waarvoor het college aanbieders heeft gecontracteerd voor calamiteitenzorg, maaltijdverzorging en kindzorg.
Artikel 5.4 Recht op een persoonsgebonden budget 1. Onverminderd de voorwaarden en/of weigeringsgronden van artikel 2.3.6 van de wet bestaat er geen recht op een persoonsgebonden budget indien en zolang een risico bestaat dat executoriaal beslag kan worden gelegd op het persoonsgebonden budget. 2. De budgethouder dient het persoonsgebonden budget naar rato terug te betalen of de gemeente te verzoeken de voorziening over te nemen als het recht op een persoonsgebonden budget wordt ingetrokken of beëindigd. Als de gemeente met de overname instemt, gaat het eigendom over naar de gemeente. De budgethouder ontvangt hiervoor geen vergoeding. Artikel 5.5 Hoogte van een persoonsgebonden budget De hoogte van een persoonsgebonden budget: 1. wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het persoonsgebonden budget gaat besteden; 2. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het persoonsgebonden budget toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; 3. De hoogte van een persoonsgebonden
budget als bedoeld in dit artikel voor een cliënt ten behoeve van een dienst wordt vastgesteld op basis van het door het college gecontracteerde tarief in natura waarbij wordt uitgegaan van: a. 90% van het tarief in natura wanneer het professionele ondersteuning betreft die geboden wordt door een professional in dienst van een zorgaanbieder; b. 80% van het tarief in natura wanneer het professionele ondersteuning betreft die geboden wordt door een ter zake kundig gediplomeerde zelfstandige zonder personeel (zzp’er);
4.
c. 50% van het tarief in natura wanneer het niet-professionele/informele ondersteuning betreft 4. Afwijkend van artikel 5.5. lid 3 geldt voor huishoudelijke ondersteuning dat de hoogte van het persoonsgebonden budget: 1. wanneer het professionele ondersteuning betreft die geboden wordt door een ter zake kundig gediplomeerde zelfstandige zonder personeel (zzp’er) wordt vastgesteld op 70% van het tarief in natura;
Het college publiceert jaarlijks een actueel overzicht van de tarieven per maatwerkvoorziening welke door de cliënt mag worden besteed aan een professional.
5. Een cliënt aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, kan diensten, zaken en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Tussenpersonen of belangenbehartigers mogen niet uit het persoonsgebonden budget worden betaald. 6. Voor de nieuwe ondersteuningsvormen die per 2023 in werking treden worden door het College maximaal de in lid 4 en 5 genoemde percentages gehanteerd. Bij een persoonsgebonden budget voor nietprofessionele/informele ondersteuning wordt voor Huishoudelijke Ondersteuning tenminste het wettelijk minimumuurloon aangehouden en voor Begeleiding wordt het bedrag per uur dat Zorgkantoren hanteren voor informele ondersteuning in het kader van de Wet Langdurige Zorg genomen. 7.
7. Het college publiceert jaarlijks een actueel overzicht van de tarieven per maatwerkvoorziening welke door de cliënt mag worden besteed aan een professional.
Artikel 5.5.1 - Woningaanpassingen De hoogte van een persoonsgebonden budget voor woningaanpassing wordt vastgesteld op basis van: 1. de aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de woningaanpassing. Indien de woningaanpassing in zelfwerkzaamheid wordt getroffen vervallen de loonkosten; 2. het architectenhonorarium, indien dit noodzakelijk is, tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald voor de leden van NLingenieurs en BNA in DNR 2011;
Artikel 5.5.1 - Woningaanpassingen De hoogte van een persoonsgebonden budget voor woningaanpassing wordt vastgesteld op basis van: 1. de aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de woningaanpassing. Indien de woningaanpassing in zelfwerkzaamheid wordt getroffen vervallen de loonkosten; 2. het architectenhonorarium, indien dit noodzakelijk is, tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald voor de leden van NLingenieurs en BNA in DNR 2011; 3. de kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom; 4. de leges voor de bouwvergunning, voor zover de bouwvergunning betrekking heeft op het treffen van de woningaanpassing; 5. de door College schriftelijk goedgekeurde kostenverhoging, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien had kunnen zijn.
3.
4.
5.
Artikel 5.5.2 - Hulpmiddelen De hoogte van een persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen wordt vastgesteld op basis van: 1. de tarieven die het college betaalt aan aanbieders waarmee een contract is gesloten voor de aanschaf van hulpmiddelen; 2. indien het hulpmiddel duurder is dan de hoogte van het persoonsgebonden budget, dan betaalt de cliënt de meerkosten zelf; 3. het tarief is een all-in tarief waarin alle kostencomponenten zijn verdisconteerd. Artikel 5.5.3 - Verhuis- en herinrichtingskosten 1.
Artikel 5.5.2 - Hulpmiddelen De hoogte van een persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen wordt vastgesteld op basis van: 1. de tarieven die het college betaalt aan aanbieders waarmee een contract is gesloten voor de aanschaf van hulpmiddelen; 2. indien het hulpmiddel duurder is dan de hoogte van het persoonsgebonden budget, dan betaalt de cliënt de meerkosten zelf; 3. het tarief is een all-in tarief waarin alle kostencomponenten zijn verdisconteerd. Artikel 5.5.3 - Verhuis- en herinrichtingskosten 1.
2.
Alleen verhuis- en inrichtingskosten die het gevolg zijn van een verhuizing als bedoeld in artikel 9.4 eerste lid van de Verordening komen voor vergoeding in aanmerking. De hoogte van een persoonsgebonden budget voor verhuis- en herinrichtingskosten, tijdelijke huisvesting, verhuizing en inrichting, en de tegemoetkoming voor woningsanering (vloerbedekking en raambedekking), wordt vastgesteld op basis van een door cliënt ingediende declaratie als onderdeel van het budgetplan.
de kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom; de leges voor de bouwvergunning, voor zover de bouwvergunning betrekking heeft op het treffen van de woningaanpassing; de door College schriftelijk goedgekeurde kostenverhoging, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien had kunnen zijn.
2.
Alleen verhuis- en inrichtingskosten die het gevolg zijn van een verhuizing als bedoeld in artikel 9.4 eerste lid van de Verordening komen voor vergoeding in aanmerking. De hoogte van een persoonsgebonden budget voor verhuis- en herinrichtingskosten, tijdelijke huisvesting, verhuizing en inrichting, en de tegemoetkoming voor woningsanering (vloerbedekking en raambedekking), wordt vastgesteld op basis van een door cliënt ingediende declaratie als onderdeel van het budgetplan.
Artikel 5.5.4 - Deelnemen aan maatschappelijke verkeer
Artikel 5.5.4 - Deelnemen aan maatschappelijke verkeer 1.
1.
De hoogte van het persoonsgebonden budget voor de cliënt die gebruik kan maken van het collectief georganiseerd regiotaxivervoer én die gebruik wil maken van een persoonsgebonden budget, is gelijk aan de waarde van 1500 kilometer met de regiotaxi, minus een eigen aandeel in de kosten ter hoogte van de kosten van het reguliere openbaar vervoer. Het budgetplan bepaalt de precieze hoogte van het persoonsgebonden budget, op grond van het aantal kilometers dat de cliënt maximaal nodig heeft ter compensatie van de vervoersbehoefte. 2. Uitzonderingen bij verstrekken van een persoonsgebonden budget voor collectief vervoer lid 1: a. cliënten die naast collectief vervoer ook een hulpmiddel ten behoeve van het verplaatsen in de nabije omgeving in gebruik hebben, ontvangen 50% van het in lid 1 genoemde aantal zones; b. voor zover partners beiden in aanmerking komen voor het persoonsgebonden budget en de vervoersbehoefte vrijwel geheel samenvalt, wordt het persoonsgebonden budget als bedoeld in lid 1 beperkt tot ieder 50% van het in lid 1 genoemde aantal zones; c. voor zover partners beiden in aanmerking komen voor een persoonsgebonden budget en de vervoersbehoefte gedeeltelijk samenvalt, zal nader worden bepaald welk deel samenvalt en welk deel voor een persoonsgebonden budget ieder in aanmerking kan komen; 3.
Voor cliënten die géén gebruik kunnen maken van collectief vervoer (regiotaxi) en gebruik moeten maken van het individuele taxivervoer wordt op basis van een budgetplan per jaar de hoogte van het persoonsgebonden budget vastgesteld. 4. Cliënten die géén gebruik kunnen maken van het collectief vervoer en aangewezen zijn op een eigen auto, kunnen in aanmerking komen voor een aanpassing van de eigen auto. Er wordt beoordeeld of de aanpassing nog verantwoord is met het oog op de technische staat en de verwachte levensduur van de auto. Uitbetaling vindt plaats aan de aanvrager op basis van een door het college akkoord bevonden offerte of factuur. Artikel 5.5.5 Aanpassingskosten woonwagens en woonschepen 1. Het College kan op aanvraag een persoonsgebonden budget toekennen voor
De hoogte van het persoonsgebonden budget voor de cliënt die gebruik kan maken van het collectief georganiseerd regiotaxivervoer én die gebruik wil maken van een persoonsgebonden budget, is gelijk aan de waarde van 1500 kilometer met de regiotaxi, minus een eigen aandeel in de kosten ter hoogte van de kosten van het reguliere openbaar vervoer. Het budgetplan bepaalt de precieze hoogte van het persoonsgebonden budget, op grond van het aantal kilometers dat de cliënt maximaal nodig heeft ter compensatie van de vervoersbehoefte. 2. Uitzonderingen bij verstrekken van een persoonsgebonden budget voor collectief vervoer lid 1: a. cliënten die naast collectief vervoer ook een hulpmiddel ten behoeve van het verplaatsen in de nabije omgeving in gebruik hebben, ontvangen 50% van het in lid 1 genoemde aantal kilometers; b. voor zover partners beiden in aanmerking komen voor het persoonsgebonden budget en de vervoersbehoefte vrijwel geheel samenvalt, wordt het persoonsgebonden budget als bedoeld in lid 1 beperkt tot ieder 50% van het in lid 1 genoemde aantal kilometers; c. voor zover partners beiden in aanmerking komen voor een persoonsgebonden budget en de vervoersbehoefte gedeeltelijk samenvalt, zal nader worden bepaald welk deel samenvalt en welk deel voor een persoonsgebonden budget ieder in aanmerking kan komen; 3.
Voor cliënten die géén gebruik kunnen maken van collectief vervoer (regiotaxi) en gebruik moeten maken van het individuele taxivervoer wordt op basis van een budgetplan per jaar de hoogte van het persoonsgebonden budget vastgesteld. 4. Cliënten die géén gebruik kunnen maken van het collectief vervoer en aangewezen zijn op een eigen auto, kunnen in aanmerking komen voor een aanpassing van de eigen auto. Er wordt beoordeeld of de aanpassing nog verantwoord is met het oog op de technische staat en de verwachte levensduur van de auto. Uitbetaling vindt plaats aan de aanvrager op basis van een door het college akkoord bevonden offerte of factuur. Artikel 5.5.5 Aanpassingskosten woonwagens en woonschepen 1. Het College kan op aanvraag een persoonsgebonden budget toekennen voor de